Circulaire nr. Ci.D.19/431.407 van 17.02.1993
CIRC 17.02.93/1
Bull. nr. 726, pag. 765
ONDERHOUDSUITKERING
Achterstallige onderhoudsuitkering.
INHOUDSTABEL Nrs. I. WETTEKSTEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1 tot 4 II. INLEIDING. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 tot 8 III. BEDOELDE ONDERHOUDSUITKERINGEN 1. Principes. .. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9 tot 13 2. Gerechtelijke beslissing. . . . . . . . . . . . . 14 tot 15 3. Onderhoudsuitkeringen die bij gerechtelijke beslissing worden vastgesteld. . . . . . . . . . . 16 4. Onderhoudsuitkeringen die bij gerechtelijke beslissing worden verhoogd . . . . . . . . . . . . 17 tot 19 5. Terugwerkende kracht . . . . . . . . . . . . . . 20 tot 22 6. Betaling in de loop van (een) later(e) belastba(a)re tijdperk(en) dan dat (die) waarop de onderhoudsuitkering(en) betrekking heeft (hebben). . . . . . . . . . . . . 23 IV. BIJZONDER BELASTINGSTELSEL VAN HET TERUGWERKENDE GEDEELTE VAN DE ONDERHOUDSUITKERINGEN 1. Aftrek bij de schuldenaar. . . . . . . . . . . . . 24 en 25 2. Belastbaarheid bij de verkrijger a) Belastbaar bedrag. . . . . . . . . . . . . . . . 26 b) Aanslagvoet. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 27 3. Vaststelling van de bestaansmiddelen van de verkrijger. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 28 en 29 V. INWERKINGTREDING. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30 en 31 VI. BELASTINGSTELSEL VAN ONREGELMATIG BETAALDE ONDERHOUDSUITKERINGEN 1. Onderhoudsuitkeringen die betrekking hebben op het jaar van betaling . . . . . . . . . . . . . 32 en 33 2. Achterstallige onderhoudsuitkeringen . . . . . . . 34 tot 38 3. Bestaansmiddelen . . . . . . . . . . . . . . . . . 39 VII. ALGEMENE VOORBEELDEN . . . . . . . . . . . . . . . . 40 tot 43Achterstallige onderhoudsuitkering.
I. WETTEKSTEN
Art. 67,3° WIB (art. 90, 3° en 4°, WIB 92)
1. Art. 67, 3°, WIB (art. 90, 3° en 4°, WIB 92), gewijzigd bij art. 5, W 28.12.1990 betreffende. verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen, luidt voortaan als volgt :
| Art. | 67 - Diverse inkomsten als bedoeld in artikel 6, 4°, zijn : |
....
3°
a) de uitkeringen of kapitalen die aan de belastingplichtige regelmatig zijn betaald of toegekend door personen van wier gezin hij geen deel uitmaakt, wanneer die renten of die kapitalen worden betaald of toegekend ter uitvoering van een verplichting op grond van de artikelen 203, 203 bis, 205, 205 bis, 206, 207, 213, 221, 223, 301, 303, 306, 307, 307bis, 308, 311bis, 334, 336, 339bis, 364, 370, 475bis of 475quinquies van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1258, 1271, 1280, 1288 en 1306 van het Gerechtelijk Wetboek (De tekst sub a) is niet gewijzigd);
b) uitkeringen of aanvullende uitkeringen als vermeld onder a) die, in uitvoering van een gerechtelijke beslissing waarbij het bedrag ervan met terugwerkende kracht wordt vastgesteld of verhoogd, aan de belastingplichtige zijn betaald in een later belastbaar tijdperk dan dat waarop ze betrekking hebben.
Art. 71, § 2, WIB (art. 104, eerste lid, 2°, WIB 92)
2. Art. 6, W 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale en niet- fiscale bepalingen, voegt het volgende lid in tussen het eerste en tweede lid van art. 71, § 2, WIB (art. 104, eerste lid, 2°, WIB 92):
Art, 71, § 2, 2e lid - In afwijking van § 1, 3 zijn aftrekbaar, de tachtig honderdsten van de renten die de belastingplichtige volgens de voorwaarden aldaar bepaald verschuldigd is, doch die betaald worden in een later belastbaar tijdperk dan dat waarin zij verschuldigd zijn en dit in uitvoering van een gerechtelijke beslissing waarbij het bedrag ervan met terugwerkende kracht wordt vastgesteld of verhoogd.
Art. 83, WIB (art. 143, WIB 92)
3. Art. 8, W 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale en niet- fiscale bepalingen vult art. 83, WIB (art. 143, WIB 92) als volgt aan:
Art. 83 - Voor het vaststellen van het netto-bedrag van de in art. 82, § 1 (art. 136, WIB 92) bedoelde bestaansmiddelen wordt er geen rekening gehouden met:
....
5° de uitkeringen of aanvulllende uitkeringen tot onderhoud die in uitvoering van een gerechtelijke beslissing waarbij het bedrag ervan met terugwerkende kracht wordt vastgesteld of verhoogd, aan de belastingplichtige zijn betaald in een later belastbaar tijdperk dan dat waarop ze betrekking hebben.
Art. 93, § 4, WIB (art. 171, 6°, WIB 92)
4. Art. 9, W 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale en niet- fiscale bepalingen vult art. 93, § 1, 4°, WIB (art. 171, 6°, WIB 92), als volgt met een derde gedachtenstreep aan:
Art. 93 - § 1. In afwijking van de artikelen 77 tot 91, zijn afzonderlijk belastbaar, behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting betreffende de andere inkomsten, meer bedraagt dan die welke zou voortvloeien uit de toepassing van de bedoelde artikelen op het geheel der belastbare inkomsten:
....
4° tegen de aanslagvoet die betrekking heeft op het geheel van de andere belastbare inkomsten:
- ....
- ....
- de vroeger verschuldigde maar laattijdig uitbetaalde uitkeringen tot onderhoud, zoals bepaald in artikel 67, 3°, b (art. 90, 4°, WIB 92).
II. INLEIDING
5. De art. 5, 6, 8 en 9, W 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen (V. 2073 - B. 702) hebben de wettelijke bepalingen betreffende het belastingstelsel van de onderhoudsuitkeringen gevoelig gewijzigd.
6. Die wijzigingen betreffen echter uitsluitend de onderhoudsuitkeringen:
- die zijn betaald of toegekend in de loop van een later belastbaar tijdperk dan dat waarop ze betrekking hebben;
- ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing waarbij het bedrag ervan met terugwerkende kracht wordt vastgesteld of verhoogd.
7. De nieuwigheden hebben betrekking op:
- de aftrek van de onderhoudsuitkeringen bij de schuldenaar;
- de belastbaarheid van dezelfde uitkeringen bij de verkrijger;
- de afzonderlijke aanslag van bepaalde onderhoudsuitkeringen;
- de vaststelling van de bestaansmiddelen van de verkrijger.
8. Het belastingstelsel van achterstallige onderhoudsuitkeringen die hierboven niet zijn bedoeld, wordt behandeld in de nrs. 32 tot 39.
Op het einde van de circ. (nrs. 40 tot 43) zijn enkele algemene voorbeelden opgenomen.
III. BEDOELDE ONDERHOUDSUITKERINGEN
1. Principes
9. De nieuwe bepalingen wijzigen slechts één van de algemene voorwaarden voor aftrek (en belasting) van de onderhoudsuitkeringen die zijn opgesomd in 77/44, Com.IB (zie ook 67/13, Com.IB).
10. Zij voeren inderdaad een afwijking in op de voorwaarde van regelmatigheid van de betaling, maar uitsluitend met betrekking tot onderhoudsuitkeringen die na het belastbare tijdperk waarop ze betrekking hebben zijn betaald of toegekend ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing waarbij het bedrag ervan met terugwerkende kracht wordt vastgesteld of verhoogd. De onregelmatige betaling moet dus aan een dergelijke gerechtelijke beslissing te wijten zijn.
Het deel van die onderhoudsuitkeringen dat op belastbare tijdperken vóór dat van de betaling betrekking heeft, is voortaan aan een eigen belastingstelsel onderworpen.
11. Dit bijzonder belastingstelsel is in twee gevallen van toepassing:
| 1) | de onderhoudsuitkeringen worden ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing met terugwerkende kracht vastgesteld; |
| 2) | de onderhoudsuitkeringen worden ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing met terugwerkende kracht verhoogd. |
De bedoelde onderhoudsuitkeringen zullen gemakshalve met de uitdrukking "terugwerkend gedeelte van de onderhoudsuitkeringen" worden aangeduid.
12. Bovendien is het nieuwe stelsel slechts van toepassing op betalingen die betrekking hebben op één of meerdere belastbare tijdperken die voorafgaan aan dat waarin zij zijn verricht.
13. Wat betreft de onderhoudsuitkeringen die met terugwerkende kracht zijn vastgesteld of verhoogd en betrekking hebben op het jaar van betaling, wordt verwezen naar de nrs. 32, 33, 42 en 43.
2. Gerechtelijke beslissing
14. Opdat art. 67, 3°, b, (nieuw) WIB (art. 104, eerste lid 2°, WIB 92) van toepassing zou zijn, moet er een vonnis uitgesproken zijn door één of meerdere rechters.
15. Een overeenkomst tussen partijen komt niet in aanmerking, behalve wanneer ze door een vonnis of een arrest van de gerechtelijke macht is "bekrachtigd".
3. Onderhoudsuitkeringen die bij gerechtelijke beslissing worden vastgesteld
16. Ter zake betreft het onderhoudsuitkeringen waarvan het bedrag voor de eerste maal wordt vastgesteld.
Een veroordeling wegens niet-betaling van een onderhoudsuitkering waarvan het bedrag in een vroeger (definitief geworden) vonnis is vastgesteld, komt niet voor de toepassing van de nieuwe regeling in aanmerking, daar deze veroordeling alleen de wanbetaling sanctioneert.
4. Onderhoudsuitkeringen die bij gerechtelijke beslissing worden verhoogd
17. Het betreft hier de gevallen waarbij een onderhoudsuitkering door een gerechtelijke beslissing wordt verhoogd.
Niet bedoeld zijn de onderhoudsuitkeringen waarvan het bedrag in der minne met terugwerkende kracht wordt verhoogd zonder dat er een gerechtelijke beslissing is getroffen.
18. In het onderhavige geval is het niet noodzakelijk dat ook het aanvangsbedrag van de onderhoudsuitkering ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing is vastgesteld.
19. De achterstallen wegens niet-betaling van het aanvangsbedrag van de uitkering zoals vastgesteld vóór de verhoging door een rechter, mogen voor de toepassing van het nieuwe stelsel nooit in aanmerking worden genomen (zie echter nrs. 34 en volgende).
5. Terugwerkende kracht
20. Het is noodzakelijk dat de gerechtelijke beslissing het bedrag van de onderhoudsuitkering met terugwerkende kracht vaststelt of verhoogt.
Het is echter niet onontbeerlijk dat die terugwerkende kracht betrekking heeft op een belastbaar tijdperk dat voorafgaat aan datgene waarin de beslissing is genomen. De wet stelt inderdaad uitdrukkelijk als voorwaarde dat de onderhoudsuitkering betrekking moet hebben op een jaar dat voorafgaat aan dat van de betaling (en niet aan dat van de beslissing - zie ook nr. 23).
Het nieuwe belastingstelsel kan, bijvoorbeeld van toepassing zijn op een onderhoudsuitkering die in december 1991, met terugwerkende kracht vanaf maart 1991, is vastgesteld wanneer de schuldenaar de betaling in januari 1992 verricht.
21. Alleen het terugwerkende gedeelte van de bij vonnis vastgestelde of verhoogde onderhoudsuitkering komt voor het nieuwe belastingstelsel in aanmerking. Voor de toepassing van deze regel moet men er van uitgaan dat er geen terugwerkende kracht is voor de maand van de beslissing.
22. Voor de nieuwe bepalingen komen dus niet in aanmerking:
- de onderhoudsuitkeringen die verband houden met de periode tussen de gerechtelijke beslissing en de betaling;
- de onderhoudsuitkeringen die het gevolg zijn van een gerechtelijke beslissing die het bedrag ervan voor de toekomst vaststelt of verhoogt en waarvan de betaling met vertraging is uitgevoerd.
6. Betaling in de loop van (een) later(e) belastba(a)r(e) tijdperk(en) dan dat (die) waarop de onderhoudsuitkering(en) betrekking heeft (hebben)
23. Het is noodzakelijk dat de onderhoudsuitkering(en) die ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing met terugwerkende kracht is (zijn) vastgesteld of verhoogd, word(t)(en) betaald in de loop van (een) later(e) belastba(a)r(e) tijdperk(en) dan dat (die) waarop ze betrekking heeft (hebben).
IV. BIJZONDER BELASTINGSTELSEL VAN HET TERUGWERKENDE GEDEELTE VAN DE ONDERHOUDSUITKERINGEN
1. Aftrek bij de schuldenaar
24. Bij de schuldenaar is het bedrag van de hier bedoelde onderhoudsuitkeringen, zoals de onderhoudsuitkeringen van het algemeen stelsel, aftrekbaar ten belope van 80 % van het werkelijk betaalde of toegekende bedrag.
25. Zij moeten worden beschouwd als uitgaven die persoonlijk door één van de echtgenoten verschuldigd zijn of als gemeenschappelijke uitgaven van de beide echtgenoten volgens het onderscheid in nr. II/593 van de circ. Ci.D.19/402.192 bij de Hervormingswet 1988 (22° aflevering van 14.09.1990).
2. Belastbaarheid bij de verkrijger
a) Belastbaar bedrag
26. Met toepassing van art. 69, § 2, WIB (art. 99, WIB 92) zijn de hier bedoelde onderhoudsuitkeringen belastbaar ten belope van 80 % van het werkelijk door de verkrijger geïnde of verkregen bedrag.
b) Aanslagvoet
27. Overeenkomstig het nieuwe art. 93, § 1, 4°, derde gedachtenstreep (art. 171, 6°, derde gedachtenstreep, WIB 92), zijn deze onderhoudsuitkeringen voortaan afzonderlijk belastbaar tegen de aanslagvoet die betrekking heeft op het geheel van de andere belastbare inkomsten (van hetzelfde belastbaar tijdperk) voor zover de toepassing van het stelsel van volledige samentelling voor de belastingplichtige niet gunstiger is.
Het gaat hier dus om een nieuwe categorie afzonderlijk belastbare inkomsten.
3. Vaststelling van de bestaansmiddelen van de verkrijger
28. Art. 8 van voornoemde W 28.12.1990, heeft in art. 83, WIB (art.143, WIB 92) een 5° ingelast, en zodoende de lijst van inkomsten aangevuld die buiten beschouwing worden gelaten bij het vaststellen van het bedrag van de bestaansmiddelen van de personen die in aanmerking komen om als ten laste van de belastingplichtige te worden beschouwd.
29. De onderhoudsuitkeringen die ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing met terugwerkende kracht zijn vastgesteld of verhoogd en die betaald zijn in een later belastbaar tijdperk dan dat waarop ze betrekking hebben, zijn ingevolge art. 83, 5°, WIB (art. 143, 5°, WIB 92) van het bedrag van de bestaansmiddelen uitgesloten.
V. INWERKINGTREDING
30. Overeenkomstig art. 32, § 5, W 28.12.1990 treden de wijzigingen die door art. 5, 6, 8 en 9 van die wet in het WIB zijn aangebracht, in werking vanaf het aj. 1992, d.w.z. voor het terugwerkende gedeelte van de onderhoudsuitkeringen dat vanaf 1 januari 1991 is betaald of toegekend.
31. De aandacht wordt echter gevestigd op het antwoord van de Heer Minister op de parlementaire vraag nr. 270 dd. 19.09.1990 van de Heer Senator VAES (B. 702, blz. 486), waaruit blijkt dat het gedeelte van de onderhoudsuitkeringen dat ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing met terugwerkende kracht is vastgesteld of verhoogd, voor de jaren 1991 en vorige, met een gewone, regelmatig betaalde onderhoudsuitkering kan worden gelijkgesteld, wanneer de betaling de stipte uitvoering van de voornoemde beslissing betreft.
VI. BELASTINGSTELSEL VAN ONREGELMATIG BETAALDE ONDERHOUDSUITKERINGEN
1. Onderhoudsuitkeringen die betrekking hebben op het jaar van betaling
32. Het betreft hier het gedeelte van de onderhoudsuitkeringen dat ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing met terugwerkende kracht is vastgesteld of verhoogd, maar met betrekking tot het belastbare tijdperk waarin de betaling is uitgevoerd.
33. Rekening houdend met de geest van de wet mag er worden aangenomen dat dit gedeelte van de onderhoudsuitkeringen met een regelmatige onderhoudsuitkering wordt gelijkgesteld, indien de betaling korte tijd na de gerechtelijke beslissing is uitgevoerd (zie ook antwoord op parlementaire vraag nr. 698 van 01.02.1991 van de Heer Volksvertegenwoordiger LOONES - B. 708, blz. 2105).
Dit gedeelte van de onderhoudsuitkeringen wordt dus als een gewone, regelmatig betaalde onderhoudsuitkering behandeld.
2. Achterstallige onderhoudsuitkeringen
34. Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om eraan te herinneren dat, voor de achterstallige onderhoudsuitkeringen die niet onder het bijzonder belastingstelsel, noch onder de in de nrs. 32 en 33 hierboven uiteengezette maatregel vallen, het passend is de aftrek door de schuldenaar te aanvaarden en logischerwijs de belastbaarheid bij de verkrijger te verdedigen, wanneer de betrokken sommen onregelmatig maar slechts met een lichte vertraging zijn vereffend.
Er is inderdaad geenszins vereist dat de onderhoudsuitkeringen met een strikte regelmaat worden betaald.
35. Wanneer de gestorte sommen daarentegen onbetwistbaar de aard van achterstallige onderhoudsuitkeringen hebben, inzonderheid wegens de lange periode waarop ze betrekking hebben of omdat de schuldenaar ze stelselmatig met grote vertraging betaalt, moeten ze als niet aftrekbaar bij de schuldenaar en als niet belastbaar bij de verkrijger worden aangemerkt.
36. Hoewel de onderhoudsplicht in principe bij voorbaat moet worden uitgevoerd, zal een onderhoudsuitkering die niet meer dan drie maanden na het begin van de maand waarop ze betrekking heeft is betaald, als regelmatig worden aangemerkt.
37. Voor de toepassing van voorgaande bepalingen is het van geen belang of de vertragingsperiode zich over twee belastbare tijdperken uitstrekt of daarentegen volledig in het lopende belastbare tijdperk valt.
Voorbeelden
38.
1. Een onderhoudsuitkering is verschuldigd in het kader van een overeenkomst die in 1987 is gesloten. De uitkeringen m.b.t. de maanden november 1990 tot januari 1991 worden op 25.01.1991 in éénmaal betaald.
De betaling kan als regelmatig worden beschouwd (de achterstand bedraagt niet meer dan drie maanden vanaf 01.11.1990).
2. Zelfde geval als sub 1, maar de schuldenaar betaalt de uitkeringen van november 1990 tot juni 1991 op 20.06.1991. Alleen de uitkeringen van de maanden april, mei en juni 1991 kunnen als regelmatig worden aangemerkt.
3. Bestaansmiddelen
39. De andere niet regelmatige onderhoudsuitkeringen dan die welke in de nieuwe bepalingen zijn bedoeld (zie nrs. 28 en 29), zijn steeds bestaansmiddelen en dit ongeacht of zij bij de verkrijger al dan niet belastbaar zijn.
VII. ALGEMENE VOORBEELDEN
1. Voorbeeld 1
40. Gegevens
Een echtpaar dat sedert februari 1989 feitelijk gescheiden leeft heeft het bedrag van de onderhoudsuitkering dat de man verschuldigd is voor het kind dat bij de vrouw leeft, bij overeenkomst op 4 000 F per maand bepaald vanaf 01.03.1989.
Vanaf januari 1990 staakt de man alle betalingen, zodat de vrouw een gerechtelijke procedure instelt waardoor de man in december 1990 veroordeeld wordt de niet gekweten onderhoudsuitkering te betalen. Tevens wordt het bedrag met ingang van 01.03.1989 tot 5 000 F per maand opgetrokken. De man legt zich bij de uitspraak neer en betaalt in januari 1991, 70 000 F (het supplement van 1 000 F voor elke maand van maart tot december 1989 én 12 x 5 000 F voor het jaar 1990). Vervolgens betaalt hij regelmatig 5 000 F voor elke maand van het jaar 1991, zijnde 12 x 5 000 F = 60 000 F.
Fiscale verwerking (aj. 1992)
Het bedrag dat als terugwerkend gedeelte van de onderhoudsuitkering kan worden aangemerkt, bedraagt 65 000 F, d.w.z. 1 000 F per maand vanaf maart 1989 tot december 1989 en 5 000 F per maand van januari 1990 tot november 1990 (maand voorafgaand aan de gerechtelijke beslissing).
De betaling die in januari 1991 is uitgevoerd en op de maand december 1990 (5 000 F) betrekking heeft, moet evenals de maandelijkse betalingen van 1991, nl. 12 x 5 000 F = 60 000 F als een gewone, regelmatig betaalde onderhoudsuitkering worden beschouwd.
Aftrekbaar bedrag bij de schuldenaar:
(65 000 F + 5 000 F + 60 000 F) x 80 % = 104 000 F
Belastbaar bedrag bij het kind:
gezamenlijk: (5 000 F + 60 000 F) x 80 % = 52 000 F
afzonderlijk: 65 000 x 80 % = 52 000 F
Bedrag van de onderhoudsuitkering dat als bestaansmiddel van het kind in aanmerking komt:
gewone uitkering: 5 000 F + 60 000 F = 65 000 F x 80 % -------- nettobedrag van de bestaansmiddelen: 52 000 F 2. Voorbeeld 2
41. Gegevens
Een echtpaar gaat in maart 1991 uit elkaar. Omtrent de onderhoudsuitkering is er geen enkele schikking getroffen. De echtscheiding is uitgesproken in september 1991 en hetzelfde vonnis veroordeelt de man tot het betalen van een onderhoudsuitkering aan zijn ex-echtgenote van 8 000 F per maand vanaf maart 1991. De man doet op 17.02.1992 een éénmalige storting van 96 000 F aan zijn ex-echtgenote voor de maanden maart 1991 tot februari 1992 en betaalt haar, vanaf maart 1992, 8 000 F per maand, zijnde 8 000 F x 10 = 80 000 F.
Fiscale verwerking (aj. 1993)
Het bedrag dat als terugwerkend gedeelte van de onderhoudsuitkering kan worden aangemerkt, bedraagt 48 000 F, d.w.z. 8 000 F voor de maanden maart tot augustus 1991 (maand voorafgaand aan de gerechtelijke beslissing).
Voor het overige zijn de sommen betaald als onderhoudsuitkering met betrekking tot de maanden september tot november 1991, achterstallen waarvoor de betalingsachterstand meer dan drie maanden bedraagt zodat ze niet met een regelmatig betaalde onderhoudsuitkering kunnen worden gelijkgesteld (zie nr. 36).
Vanaf december 1991 worden de betaalde uitkeringen als gewone, regelmatig betaalde onderhoudsuitkeringen beschouwd, d.w.z. 8 000 F x 13 = 104 000 F.
Aftrekbaar bedrag bij de schuldenaar:
(48 000 F + 104 000 F) x 80 % = 121 600 F
Belastbaar bedrag bij de echtgenote:
gezamenlijk: 104 000 F x 80 % 83 200 F
afzonderlijk: 48 000 F x 80 % 38 400 F
Bedrag van de onderhoudsuitkering dat als bestaansmiddel van de echtgenote in aanmerking komt:
(104 000 F + 72 000 F) - 48 000 F> x 80 % = 102 400 F
3. Voorbeeld 3
42. Gegevens
Zelfde gegevens als in het voorbeeld 2, maar de schuldenaar betaalt 64 000 F in oktober 1991 voor de maanden maart 1991 tot oktober 1991 en betaalt vanaf november 1991 regelmatig het maandelijks bedrag van de onderhoudsuitkering, zijnde 8 000 F x 2 = 16 000 F.
Fiscale verwerking (aj. 1992)
Het bijzonder belastingstelsel is niet van toepassing op het deel van de onderhoudsuitkering dat volgt uit de terugwerkende kracht van de gerechtelijke beslissing, vermits de onderhoudsuitkering betrekking heeft op het jaar van betaling. Dit deel wordt echter evenals de uitkering met betrekking tot de maanden september tot december 1991 met een gewone, regelmatig betaalde onderhoudsuitkering gelijkgesteld (zie nrs. 32 en 33).
Aftrekbaar bedrag bij de schuldenaar:
(64 000 F + 16 000 F) x 80 % = 64 000 F
Belastbaar bedrag bij de echtgenote:
gezamenlijk: 80 000 F x 80 % = 64 000 F
Bedrag van de onderhoudsuitkering dat als bestaansmiddel van de echtgenote in aanmerking komt:
80 000 F x 80 % = 64 000 F
4. Voorbeeld 4
43. Gegevens
In oktober 1990, verlaat een vrouw, bestuurder in een vennootschap, de echtelijke woning en betaalt geen enkele onderhoudsuitkering voor het kind dat bij de man, beoefenaar van een vrij beroep, blijft.
In april 1991, wordt de vrouw veroordeeld tot het betalen vanaf 01.10.1990 van een onderhoudsuitkering van 7 000 F per maand voor het kind.
De vrouw betaalt in juni 1991, 63 000 F voor de maanden oktober 1990 tot juni 1991 en betaalt vervolgens regelmatig 7 000 F per maand, zijnde 42 000 F voor de maanden juli tot december 1991.
Fiscale verwerking (aj. 1992)
Het bijzonder belastingstelsel van het terugwerkende gedeelte van de onderhoudsuitkeringen kan worden toegepast ten belope van 21 000 F, d.w.z. 7 000 F voor elk van de maanden oktober tot december 1990 (betaling van een onderhoudsuitkering met betrekking tot een jaar dat voorafgaat aan dat van de betaling).
De onderhoudsuitkeringen die betrekking hebben op het jaar van betaling (januari 1991 tot maart 1991) kunnen daarentegen met gewone, regelmatig betaalde onderhoudsuitkeringen worden gelijkgesteld (zie nrs. 32 en 33).
Voor het overige bedraagt de eigenlijke achterstand van betaling voor de maanden april, mei en juni 1991 niet meer dan drie maanden, zodat de administratieve tolerantie van nr. 36 van toepassing is. De onderhoudsuitkering voor april, mei en juni 1991 kan dus als regelmatig betaald worden beschouwd.
Aftrekbaar bedrag bij de schuldenaar:
Het totale bedrag dat in 1991 is betaald, is aftrekbaar nl.: (63 000 F + 42 000 F) x 80 % = 84 000 F
Belastbaar bedrag bij het kind:
gezamenlijk: 84 000 F x 80 % = 67 200 F
afzonderlijk: 21 000 F x 80 % = 16 800 F
Bedrag van de onderhoudsuitkering dat als bestaansmiddel van het kind in aanmerking komt:
gewone uitkering: 84 000 F x 80 % -------- nettobedrag van de bestaansmiddelen: 67 200 F
Bron: FisconetPlus
