12.03.1990 - Omzendbrief D.I. 500.0 - D.L. 1/10.250

DOUANE (Wetgeving)

WET VAN 22 DECEMBER 1989 HOUDENDE FISCALE BEPALINGEN

D.I. 500.0

D.L. 1/10.250

Brussel, 12 maart 1990.

De wet van 22 december 1989 houdende fiscale bepalingen werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 december 1989. Deze wet bevat in het eerste hoofdstuk bepalingen inzake douane en accijnzen.

Deze wet is in werking getreden op 8 januari 1990. Behou- dens de bepalingen van de artikelen 3 en 299 van de algemene wet die uitwerking hebben op 1 juli 1990, zijn de nieuwe bepalingen bij- gevolg van toepassing met ingang van 8 januari 1990 tenzij bij be- paalde artikelen is vermeld dat een uitvoeringsbepaling, hetzij een koninklijk, hetzij een ministerieel besluit, dient te worden getroffen.

In afwachting van de aanpassing van de betreffende wetboe- ken en instructies worden hierna de belangrijkste nieuwe wettelijke bepalingen alsook enkele commentaren opgenomen.

A. Bekrachtiging van koninklijke besluiten

Artikel 1


Dit artikel bekrachtigt bepaalde koninklijke besluiten geno- men op grond van artikel 11 van de algemene wet inzake douane en accijnzen (*).

(*) In de verdere tekst wordt de afkorting “A.W.” gebruikt voor “algemene wet”.

Bon O.S.D. nr. 84/90


B. Bepalingen betreffende de wetten inzake accijnzen

Artikelen 2 tot 64

Deze artikelen beogen in de wetgeving inzake accijnzen de wijzigingen aan te brengen die voorlopig werden uitgevaardigd bij koninklijk besluit op basis van artikel 13 van de A.W.

Artikelen 65 tot 69

Door deze artikelen worden de accijnzen, voorlopig vastge- steld bij koninklijke besluiten, bekrachtigd voor de periode geduren- de dewelke deze besluiten van kracht waren.

  1. Wijzigingen van de A.W. (artikelen 70 tot 109) Artikel 72

In hoofdstuk I van dezelfde wet worden de secties II tot V, bestaande uit de artikelen 2 tot 4 quater, ingevoegd bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 augustus 1981, bekrachtigd door de wet van 21 mei 1985, door de volgende bepalingen vervangen :

“Afdeling II – Douaneschuld en boeking

Art. 2.- De regels betreffende het ontstaan van de douane- schuld, de vaststelling van het bedrag ervan en het tenietgaan ervan zijn bepaald in de verordeningen van de Europese Gemeenschappen.

Art. 3.- De regels betreffende de boeking en de betalingsvoor- waarden van uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen be- dragen bij invoer zijn bepaald in de verordeningen van de Europese Gemeenschappen.

Afdeling III – Algemene bepalingen

Art. 4.- § 1. De Administratie der douane en accijnzen is be- last met de inning van de rechten bij invoer en van de accijnzen.


§ 2. De bepalingen van deze wet die betrekking hebben op de invoerrechten, zijn ook toepasselijk op de overige rechten bij in- voer”.

Artikel 106

Artikel 299 van dezelfde wet wordt opgeheven.

Artikel 243

De bepalingen van artikel 72, voor zover ze het nieuwe arti- kel 3 van de algemene wet inzake douane en accijnzen betreffen, en van artikel 106 treden in werking op 1 juli 1990.

De verordening (EEG) nr. 2144/87 van de Raad van 17 juli 1987 betreffende de douaneschuld (zie omzendbrief van 16 januari 1989, nr. D.L. 1/91.800 – D.I. 503.20) en de verorde- ning (EEG) nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden van bedragen aan rechten (een omzendbrief ter zake is in voorbereiding) zijn van kracht geworden.

Bijgevolg zijn de oude artikelen 2 tot 4 quater betreffende de douaneschuld alsook artikel 299, dat de Minister van Financiën machtigt om uitstel voor betaling van invoerrechten toe te staan, op- geheven.

Om niet de indruk te wekken dat geen enkele wettelijke be- paling de douaneschuld en de boeking regelt, werd in verband met die twee regelingen in de nieuwe artikelen 2 en 3 verwezen naar de communautaire reglementering.

Nochtans is de verordening (EEG) nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 slechts van toepassing op 1 juli 1990. Bijgevolg kan het nieuw artikel 3 slechts in werking treden en kan het bestaand artikel 299 slechts worden opgeheven op deze datum.

Artikel 73

Artikel 9 van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt :

“3° de gegevens die, onverminderd het bepaalde in arti- kel 139, moeten voorkomen in deze aangiften”.


Alle gegevens die op de aangiften (enig document, 136 F, enz.) moeten worden vermeld, zullen opgenomen worden in een ministerieel besluit. Dit besluit is thans in voorbereiding. Het zal voornamelijk bepalingen van de Instructie Enig Document – 1987 bevatten.

Artikel 74

Artikel 10 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgen- de bepaling :

Art. 10.- De Minister van Financiën :

1° mag opleggen dat de gegevens die moeten voorkomen in de aangiften inzake douane in het geautomatiseerd systeem van de douaneaangiften worden ingebracht door de aangever;

2° bepaalt de modaliteiten volgens welke de gegevens bedoeld in 1° moeten worden ingebracht in het geautomatiseerd systeem van de douaneaangiften;

3° bepaalt de bijzondere formaliteiten die de aangever moet vervullen om ontslagen te worden van de verplichting tot het inbrengen van de gegevens van de aangifte in het geautomatiseerd systeem van de douaneaangiften”.

De tekst van artikel 10 werd vervangen door een bepaling die geen verband houdt met de vroegere tekst maar wel met de in arti- kel 9 bedoelde aangifte. Deze bepaling geeft aan de Minister van Financiën de macht om te eisen dat de nodige gegevens voor het ver- vullen van de formaliteiten in het goederenverkeer door de aangevers ingestuurd worden in het geautomatiseerd douanesysteem voor het behandelen van de aangiften. Hoewel deze bepaling hoofdzakelijk het goederenverkeer met de niet-lidstaten van de Europese Gemeen- schap beoogt, dient erop gewezen te worden dat deze maatregel eveneens toepasselijk is in het goederenverkeer tussen de lidstaten gelet op de verordening (EEG) nr. 678/85 van de Raad van 18 febru- ari 1985 in verband met de vereenvoudiging van de formaliteiten in het goederenverkeer binnen de Gemeenschap (Wetboek VII, D.A., bladzijde 7).


Wel te verstaan zal een afwijking van de verplichting van het invoeren van de gegevens in het geautomatiseerd douanesysteem voor de behandeling van de aangiften worden bepaald. Deze afwij- king richt zich tot de aangever die geen douane-expediteur zijn en tot de aangever die hetzij bijzondere omstandigheden kunnen inroepen met betrekking tot technische moeilijkheden qua verbinding met de computer van de douane, hetzij een te hoge kostprijs van de verbin- ding in verhouding tot de belangrijkheid van hun activiteiten zouden moeten dragen.

Het in voorbereiding zijnde ministerieel besluit waarvan sprake in de commentaar op het artikel 73 zal eveneens bepalingen ter zake bevatten.

Artikel 77

Dit artikel voegt in de A.W. een hoofdstuk II bis in met be- trekking tot de vrijstelling van rechten bij invoer.

Het leek redelijk aldus te handelen omdat talrijke verorde- ningen, genomen door de Europese Gemeenschappen inzake de vrijstelling van rechten bij invoer, de plaats hebben ingenomen van de meeste artikelen van het ministerieel besluit van 17 februari 1960 tot regeling van de vrijstellingen inzake invoerrecht (Wetboek I D.A. bladzijde 257), dat zijn grondslag vindt in de inleidende bepalingen van het Tarief van Invoerrechten.

Dit nieuw hoofdstuk omvat elf artikelen, te weten :

- een artikel dat de term “vrijstelling” definieert;

- een artikel dat aan de Koning de macht geeft om enerzijds, de voorwaarden en beperkingen vast te stellen waaraan de vrijstel- lingen van rechten bij invoer zijn onderworpen waarvoor een com- munautaire harmonisatie nog niet is opgelegd en, anderzijds, de voorwaarden en beperkingen vast te stellen voor de toepassing van vrijstellingen ingesteld door de Europese reglementering, voor zover deze laatste het toelaat, of door andere bepalingen die kracht van wet hebben, bijvoorbeeld de Verdragen van Wenen inzake diplomatiek verkeer;


- drie artikelen, woordelijk overgenomen van het ministerieel besluit van 17 februari 1960 waarvan sprake is hiervoren, die het ge- schilaspect van het stelsel van de vrijstellingen betreffen;

- zes artikelen die de gevallen betreffen waarin vrijstelling van rechten bij invoer is toegestaan op grond van nationale en niet- communautaire bepalingen.

Voormeld ministerieel besluit kan alzo worden opgeheven van zodra het (in voorbereiding zijnde) koninklijk besluit waarvan sprake in de voorgaande paragraaf, 2de deelstreepje, van toepassing zal zijn.

Artikel 78

Dit artikel wijzigt de A.W. wat betreft de artikelen 20 en 21 en heft artikel 22 op.

Het nieuwe artikel 20 somt al de gevallen op waarin vrijstel- ling van accijnzen wordt toegestaan naar gelang van het geval, krachtens :

- nationale bepalingen; het betreft gevallen die voorkomen in het ministerieel besluit van 17 februari 1960 tot regeling van de vrij- stellingen inzake accijns bij invoer (Wetboek I, D.A., bladzijde 310), besluit dat zijn grondslag vindt in artikel 22 van de algemene wet. Dit besluit zal worden opgeheven zodra het ter zake te nemen koninklijke besluit uitwerking zal hebben, en

- communautaire bepalingen, te weten de bepalingen van de richtlijn nr. 83/183/EEG van 28 maart 1983 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de belastingvrijstellingen bij de definitieve uitvoer uit een lidstaat van persoonlijke goederen door particulieren.

Het nieuwe artikel 21 luidt als volgt :

Art. 21.- Onder de door de Koning te bepalen voorwaarden en eventuele beperkingen wordt teruggaaf van accijnzen verleend voor ingevoerde goederen waarvoor teruggaaf van invoerrecht


wordt verleend of zou worden verleend indien de goederen niet vrij van invoerrecht waren krachtens hun aard of herkomst”.

Een koninklijk besluit zal de uitvoering van deze bepalingen regelen.

Artikel 83

Dit artikel heeft tot doel de artikelen 79 en volgende van de

A.W. aan te passen aan de nieuwe situatie wat de verzending/uitvoer van de accijnsgoederen betreft.

De bestaande instructies zijn reeds in overeenstemming met de aldus gewijzigde artikelen.

Artikel 84

Artikel 88 van de A.W. (verkoop van goederen zonder con- signataris) werd gewijzigd door de bekendmaking te bepalen tot twee dagbladen en tot twee keer.

Artikel 86

De termijn waarvan sprake in het artikel 136, 1ste alinea, van de A.W. (voorrecht van de douane-expediteurs) werd van 6 maanden op een jaar gebracht.

Artikel 89 en 93

De artikelen 89 en 93 vervangen respectievelijk § 2 van artikel 143 en artikel 202 van de A.W. om de verjaringstermijn die overeenkomstig de verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 1979 inzake navordering voor het invoerrecht geldt, ook toe te passen voor de accijns (Wet- boek VI D.A. bladzijde 431).

Artikel 89 vervangt ook artikel 143, § 3, van de A.W., om inzonderheid de verjaringstermijnen die overeenkomstig de verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979


betreffende de terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrech- ten (bijlage 1 op de Instructie Terugbetaling of Kwijtscheldingen – 1980) voor het invoerrecht gelden, ook toepasselijk te maken voor de accijns op ingevoerde goederen.

De bepaling, die de ambtenaren verplicht om de overtreding vast te stellen binnen twee jaar na het certificaat van verificatie en de bepaling betreffende de solidariteit tussen de importeur, de douane- expediteur en diegene die de last van de rechten en de taksen heeft gedragen, zijn opgeheven.

In de omzendbrief van 20 februari 1990, nr. D.C. 25.550 (D.I. 807.4) worden nadere toelichtingen verstrekt.

Artikelen 98, 101 en 105

Het bedrag van de boeten waarvan sprake in de artikelen 233,

§ 1, en 244 van de A.W. werden respectievelijk gebracht op tien- duizend frank en op tweeduizend frank. De waarde van de inbe- slaggenomen goederen zonder vonnis, waarvan sprake in artikel 277,

§ 2, ten laste van gekende personen, werd gebracht van tweeduizend op tienduizend frank.

Artikel 100

Artikel 100 wijzigt artikel 239 van de A.W. De goederen die met accijnsontheffing worden uitgevoerd, zullen voortaan met een te zuiveren accijnsdocument naar het douanekantoor van uitvoer wor- den overgebracht en niet meer met het douanedocument waarmede de uitvoer zal plaatsvinden. De sancties opgelegd door artikel 239 van de A.W. moeten derhalve betrekking hebben op het accijnsdocu- ment en niet meer op het douanedocument. Om die reden wordt artikel 239 in die zin gewijzigd, waarbij de sancties meteen ook toepasselijk worden gemaakt voor onregelmatigheden vastgesteld bij om het even welk vervoer onder accijnsverband, dus ongeacht de plaats van bestemming.


Artikel 103

De tekst van artikel 261-2 A.W. is die van § 3 van het opgeheven artikel 202. Door van deze paragraaf een afzonderlijk artikel te maken komt de algemene draagwijdte, beter tot uiting en wordt duidelijker gesteld dat deze bepalingen op alle overtredingen inzake douane en accijnzen van toepassing zijn.

Artikel 107

Artikel 107 wijzigt artikel 306 van de A.W.

Artikel 306 van de A.W. voorziet in kwijtschelding van accijnzen voor goederen onder accijnsverband die ingevolge over- macht verloren gaan. Dezelfde kwijtschelding moet worden verleend indien de goederen zich onder douaneverband bevinden. Om terzake elk misverstand te voorkomen, wordt de tekst van artikel 306 zodanig aangepast dat daaruit blijkt dat de kwijtschelding enkel mag worden verleend voor zover de goederen die zich weliswaar onder een douane- of accijnsregeling bevinden maar wel op plaatsen die niet onder effectieve controle staan, waardoor de goederen vrij ter beschikking van de belanghebbende zijn.

Nadere bepalingen zullen worden aangebracht in de betref- fende instructies.

Artikel 109

In artikel 313 van dezelfde wet worden de volgende wijzi- gingen aangebracht :

1° paragraaf 1 wordt door de volgende bepaling vervangen : “6 1. De ontvangers hebben, namens de administratie :

1° het recht van dadelijke uitwinning;


2° een voorrecht op de roerende goederen van degenen die rechten bij invoer of accijnzen verschuldigd zijn; dat voorrecht neemt rang onmiddellijk na de voorrechten vermeld in de artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851 tot herziening van de rechtsregeling der hypotheken en in artikel 23 van boek II van het Wetboek van Koophandel;

3° een wettelijke hypotheek op alle onroerende goederen van degenen die rechten bij invoer of accijnzen verschuldigd zijn.

Dat recht, dat voorrecht en die hypotheek zijn ingesteld voor het betalen van de rechten bij invoer, de accijnzen en de eventueel verschuldigde verwijlinteresten, voor de kosten van opslag, bewa- ring en verificatie van de aan de rechten onderworpen goederen, alsook voor de kosten voor het invorderen van de aan de admin- istratie verschuldigde sommen”;

. . . . . . . . .

Dit artikel maakt de procedure van dadelijke uitwinning, het voorrecht en de hypotheek, die thans reeds voorgeschreven zijn voor de accijnzen, toepasselijk op de rechten bij invoer. Voor deze laatste wordt de termijn van één naar drie jaar gebracht.

D. Wijzigingen aan de wet van 20 februari 1978 betreffende de douane-entrepots en de

tijdelijke opslag

Artikel 37, d, van de wet van 20 februari 1978 betreffende de douane-entrepots en de tijdelijke opslag, wordt vervangen door de volgende bepaling :

“d) voor de rechten een borg stellen, waarvan het bedrag volgens de door de Koning gestelde eisen wordt bepaald”.

Het gevaar voor het ontduiken van rechten op goederen opgeslagen in een particulier entrepot is vrij gering wegens de


uitzonderlijke veiligheidsmaatregelen waaraan een dergelijk magazijn moet voldoen – onder meer het sluiten van de ingang met twee sloten, namelijk één van de belanghebbende en één van de douane- en het permanent douanetoezicht bij de openstelling.

Een koninklijk besluit is in voorbereiding teneinde het bedrag van deze waarborg vast te stellen.

*

* *

Een exemplaar van deze omzendbrief zal aan alle ambtenaren van niveau 1 en 2 alsook aan de advocaten van de Administratie worden omgedeeld.

De directeur-generaal,

R. DE MESEL