Aanschrijving nr. 9 dd. 05.11.1996
AANSCHRIJVING 96/009
Aanschrijving nr. 9 dd. 05.11.1996
BTW-Revue nr. 126, blz. 5
Deze aanschrijving werd vervangen door de aanschrijving nr. 14 dd. 19.05.2003.
Andere regeling van entrepot dan douane-entrepot
BTW-entrepot.
" Addendum dd. 19 februari 2001" Artikel 39quater van het BTW-Wetboek verleent vrijstelling van BTW voor de handelingen met betrekking tot goederen die onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot (ook BTW-entrepot genaamd) worden geplaatst, of die zich reeds onder die regeling bevinden. Het koninklijk besluit nr. 54 van 25 februari 1996 met betrekking tot de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot bedoeld in artikel 39quater van het BTW-Wetboek, bepaalt de beperkingen en de voorwaarden die in acht moeten worden genomen voor de toepassing van de vrijstelling van voornoemd artikel 39quater dat op 1 januari 1996 in voege is getreden. De ervaring opgedaan sinds de invoering van de regeling heeft geleerd dat het wenselijk is om in de adminsitratieve commentaar op de regeling BTW-entrepot, gepubliceerd in de aanschrijving nr. 9 van 5 november 1996, meer te benadrukken dat de regeling verplicht van toepassing is ten aanzien van accijnsproducten die onder de regeling vallen en om meer te verduidelijken wie de persoon is die de accijnsproducten aan de regeling BTW-entrepot onttrekt. De regeling BTW-entrepot is verplicht ten aanzien van accijnsproducten die onder de regeling vallen, zolang ze in België onder schorsing van de accijnsrechten opgeslagen zijn in of zich bevinden in een belastingentrepot. Daaruit volgt dat alle leveringen die hebben plaatsgevonden vóór de aangiften ten verbruik van die goederen voor de toepassing van de accijnsrechten of vóór hun fysieke uitslag uit het entrepot onder een opschortende regeling inzake accijnzen, uitlsuitend kunnen plaatsvinden met handhaving van de regeling BTW-entrepot en derhalve met vrijstelling van de BTW. De persoon die aan accijns onderworpen goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt, kan bijgevolg zijn
* * *
49. Artikel 39quater, § 2, 1°, van het Wetboek bepaalt dat de belastingentrepots worden aangemerkt als BTW-entrepots voor goederen die aan accijnsrechten zijn onderworpen.
Daaruit volgt dat:
50. Hieruit volgt eveneens dat de toepassing van de regeling BTW-entrepot met inachtneming van de voorwaarden opgelegd in deze aanschrijving, verplicht is ten aanzien van de goederen die aan accijnzen zijn onderworpen en die onder de regeling BTW-entrepot zijn toegelaten, wanneer deze goederen in België onder schorsing van de accijnsrechten in een belastingentrepot zijn opgeslagen of er zich in bevinden en voor de toepassing van de accijnsrechten niet voor het verbruik zijn aangegeven of niet fysiek uit het entrepot zijn uitgeslagen onder een opschortende regeling inzake accijnzen.
Er wordt aan herinnerd dat de volgende accijnsproducten onder de regeling BTW-entrepot kunnen worden geplaatst:
Er wordt echter opgemerkt dat de commerciële leveringsvoorwaarden niet in tegenspraak mogen zijn met de op die levering toegepaste BTW-bepalingen (bijvoorbeeld een levering franco thuis bij de koper waarvoor de vrijstelling van artikel 39quater, § 1, 2°, van het Wetboek wordt ingeroepen hetgeen de handhaving van de goederen in het BTW-entrepot veronderstelt).
Bovendien mag voor wat de accijnsproducten betreft, niet uit het oog worden verloren dat de regeling BTW-entrepot verplicht toepasselijk is wanneer de goederen in België onder schorsing van de accijnsrechten in een entrepot worden opgeslagen of er zich bevinden (z.nr.50). Daaruit volgt dat alle leveringen die hebben plaatsgevonden vóór de aangifte ten verbruik van die goederen voor de toepassing van de accijnsrechten of vóór hun fysieke uitslag uit het entrepot onder een opschortende regeling inzake accijnzen, uitsluitend kunnen plaatsvinden met handhaving van de regeling BTW-entrepot en derhalve met vrijstelling van de BTW.
De persoon die aan accijns onderwerpen goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt, kan bijgevolg zijn:
Voor de Directeur-generaal,
R.SUCAET
Directeur generaal
INHOUDSTAFEL Nrs. INLEIDING 1-6 HOOFDSTUK I. ALGEMEENHEDEN 7-58 AFDELING 1. OMSCHRIJVING VAN HET BTW-ENTREPOT 8-11 AFDELING 2. BEPERKING VAN DE GOEDEREN TOEGELATEN TOT DE REGELING BTW-ENTREPOT 12-20 A. Criterium inzake herkomst 13-18 B. Criterium inzake de bestemming 19 C. Afwijkingen op de criteria inzake beperking 20 AFDELING 3. HANDELINGEN VRIJGESTELD ONDER DE REGELING BTW-ENTREPOT 21-36 A. Handelingen inzake plaatsing 23-25 B. Leveringen van goederen onder de regeling BTW-entrepot 26 C. Diensten verricht onder de regeling BTW-entrepot 27-36 Diensten verricht aan goederen die het voorwerp uitmaken van een handeling met plaatsing onder de regeling BTW-entrepot 29-32 Diensten met betrekking tot goederen die zich onder de regeling bevinden en die opgeslagen zijn in het BTW-entrepot 33-36 Beperking van de vrijstelling tot de gebruikelijke behandelingen opgenomen in bijlage 3 bij de aanschrijving 33-35 Beperking van de vrijstelling tot de diensten die betrekking hebben op goederen die niet het voorwerp uitmaken van een levering zonder handhaving van de regeling BTW-entrepot 36 AFDELING 4. DE VERGUNNING BTW-ENTREPOT 37-58 A. De bijzondere vergunning 39-53 Plaatsing van de goederen onder de regeling BTW-entrepot 42-50 Ingevoerde goederen, andere dan accijnsprodukten 42-44 Niet aan accijns onderworpen nationale goederen of goederen afkomstig uit een andere Lid-Staat 45-48 Accijnsprodukten 49-50 Diensten verricht aan goederen vóór hun effectieve opslag 51-53 B. De algemene vergunning 54-56 Levering, met handhaving van de regeling, van goederen die zich in een BTW-entrepot bevinden 55 Diensten met betrekking tot goederen die zich in een BTW-entrepot bevinden 56 C. Geldigheidsduur van de vergunning 57 D. Aanpassing of intrekking van de vergunning 58 HOOFDSTUK II. WERKING VAN DE REGELING 59-146 AFDELING 1. ALGEMEENHEDEN 59-61 AFDELING 2. WERKINGSPRINCIPES - WETTELIJKE BEPALINGEN 62-77 A. Aard van de vrijstelling 64-68 Situaties waarin de voorlopige vrijstelling van BTW definitief wordt 65-66 Situaties waarin de voorlopige vrijstelling van BTW het voorwerp moet uitmaken van een regularisatie 67-68 B. Aanzuivering van de regeling 69-72 C. Schuldenaars van de belasting 73-77 AFDELING 3. ANALYSE VAN EEN GLOBAAL VOORBEELD 78-146 A. Plaatsing van de goederen onder de regeling 80-85 Binnenlandse levering van goederen die bestemd zijn om in een BTW-entrepot te worden opgeslagen 80-81 Intracommunautaire verwerving van goederen die bestemd zijn om in een BTW-entrepot te worden opgeslagen 82-83 Invoer van goederen die bestemd zijn om in een BTW-entrepot te worden opgeslagen 84 Binnenlandse verzending van goederen bestemd om in een BTW-entrepot te worden opgeslagen 85 B. Diensten vóór de opslag 86-90 C. Opeenvolgende leveringen in het BTW-entrepot 91-94 D. Diensten tijdens de opslag 95-99 1. De dienst verricht door Y is voorzien in bijlage 3 bij deze aanschrijving 97-98 2. De dienst verricht door Y is niet voorzien in bijlage 3 bij deze aanschrijving 99 E. Onttrekking van goederen aan de regeling BTW-entrepot 100-118 DE GOEDEREN WORDEN AAN DE REGELING BTW-ENTREPOT ONTTROKKEN INGEVOLGE HUN LEVERING ZONDER HANDHAVING VAN DE REGELING 101-107 a) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken in het kader van een binnenlandse levering 103 b) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken in het kader van een uitvoer 104-106 c) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken in het kader van een uitvoer 107 DE GOEDEREN WORDEN AAN DE REGELING BTW-ENTREPOT ONTTROKKEN, LOS VAN ELKE HANDELSTRANSACTIE 108-118 a) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en blijven in het binnenland 109-111 b) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en maken het voorwerp uit van een met een intracommunautaire levering gelijkgestelde overbrenging 112-113 c) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en maken het voorwerp uit van een overbrenging bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° of 7° van het Wetboek 114-117 d) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en vervolgens uitgevoerd 118 F. Dienstverrichting op het einde van de opslag 119-146 A. De goederen maken het voorwerp uit van een dienst vóór hun verkoop 120-126 1. De dienst is opgenomen in bijlage 3 van deze aanschrijving 122-124 2. De dienst is niet opgenomen in bijlage 3 van deze aanschrijving 125-126 B. De goederen maken het voorwerp uit van een dienst zonder behoud van de regeling 127-132 C. De goederen maken het voorwerp uit van een dienst met behoud van de regeling 133-146 1. De dienst is opgenomen in bijlage 3 van deze aanschrijving 136-144 a) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en blijven in het binnenland 137-139 b) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en maken het voorwerp uit van een met een intracommunautaire levering gelijkgestelde overbrenging 140-141 c) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en maken het voorwerp uit van een overbrenging bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° of 7° van het Wetboek 142-143 d) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en vervolgens uitgevoerd 144 2. De dienst is niet opgenomen in bijlage 3 van deze aanschrijving 145-146 HOOFDSTUK III. DE VERPLICHTINGEN AFDELING 1. VERPLICHTINGEN IN VERBAND MET DE WERKING VAN DE REGELING 148-217 A. Algemeenheden 148-150 B. Voorraadadministratie 151-152 C. Verplichtingen in verband met de inslag in het BTW-entrepot 153-184 Invoer 154-159 Het opslagdocument 154-156 De opgave van de opslagdocumenten 157-158 Specifieke verplichtingen inzake facturatie 159 Intracommunautaire verwervingen 160-167 Het opslagdocument 160-164 De opgave van de opslagdocumenten 165-166 Specifieke verplichtingen inzake facturatie 167 Levering of binnenlandse verzending 168-177 Het opslagdocument 168-173 De opgave van de opslagdocumenten 174-175 Specifieke verplichtingen inzake facturatie 176-177 Diensten verricht aan goederen vóór opslag in het BTW-entrepot 178-184 Verplichtingen van de vergunninghouder 181-183 Specifieke verplichtingen inzake facturatie 184 D. Verplichtingen in verband met leveringen en diensten in een BTW-entrepot met handhaving van de regeling 185-189 Verplichtingen voor de vergunninghouder 185 Specifieke verplichtingen inzake facturatie 186-189 E. Verplichtingen in verband met de uitslag uit het BTW-entrepot 190-207 Verplichtingen van de vergunninghouder 191-196 Het uitslagdocument 191-194 De opgave van de uitslagdocumenten 195-196 Uitslag van de goederen uit het BTW-entrepot 197-203 Verantwoording van de toepasselijke BTW-bepalingen bij uitslag 197-200 Specifieke verplichtingen inzake facturatie 201-203 Diensten verricht aan goederen op het einde van de opslag 204-207 F. Bewijs van het recht op de toepassing van de vrijstelling 208-210 G. Regularisatie van de BTW 211-216 H. Verplichtingen inzake bewaring en voorlegging 217 AFDELING 2. ANALYSE VAN EEN GLOBAAL VOORBEELD 218-247 A. De inslag in het BTW-entrepot 219-231 B. Verkopen en diensten verricht in het BTW-entrepot met handhaving van de regeling 232-238 C. De uitslag uit het BTW-entrepot 239-247 AFDELING 3. VERPLICHTINGEN DIE NIET VERBONDEN ZIJN AAN DE WERKING VAN DE REGELING 248-284 A. Hoofdelijke aansprakelijkheid voor de voldoening van de belasting 249-252 B. Fiscale vertegenwoordiging 253-284 Algemene principes 253-255 Handelingen in verband met de regeling BTW-entrepot 256-284 EERSTE CATEGORIE VAN AANSPRAKELIJKE VERTEGENWOORDIGER - TOEKENNING VAN EEN INDIVIDUEEL BTW-IDENTIFICATIENUMMER AAN NIET IN BELGIE GEVESTIGDE BELASTINGPLICHTIGEN 260-261 a) Erkenningsprocedure 260 b) Rechten en verplichtingen van de aansprakelijke vertegenwoordiger 261 TWEEDE CATEGORIE VAN AANSPRAKELIJKE VERTEGENWOORDIGER - TOEKENNING VAN EEN GLOBAAL BTW-IDENTIFICATIENUMMER AAN DE AANSPRAKELIJKE VERTEGENWOORDIGER 262-284 GLOBAAL BTW-IDENTIFICATIENUMMER MET HET BEGINKENMERK BE 796.5 266-271 GLOBAAL BTW-IDENTIFICATIENUMMER MET HET BEGINKENMERK BE 796.6 272-284 a) Toepassingssfeer 272-276 b) Erkenningsprocedure 277-279 c) Verplichtingen van de aansprakelijke vertegenwoordiger 280-284 Plaatsing van de goederen onder de regeling BTW-entrepot 281 Onttrekking van de goederen aan de regeling BTW-entrepot 282 Inhoud van de periodieke BTW-aangifte 283-284 1) Regeling BTW-entrepot 2) Intracommunautaire verwervingen van goederen, buiten het kader van de regeling BTW-entrepot, gevolgd door uitvoeren naar een derde land HOOFDSTUK IV. BIJZONDERE SITUATIES 285-306 AFDELING 1. DIENSTEN VAN DEPOTHOUDERS 286-290 AFDELING 2. DIENSTEN VAN TUSSENPERSONEN 291-295 AFDELING 3. VERZENDING VAN EEN BTW-ENTREPOT NAAR EEN ANDER BTW-ENTREPOT IN BELGIE 296-303 Ingevoerde goederen 298-299 Nationale goederen of goederen herkomstig uit een andere Lid-Staat, andere dan accijnsproducten 300-301 Nationale accijnsproducten of accijnsproducten herkomstig uit een andere Lid-Staat 302-303 AFDELING 4. OVERGANGSMAATREGELEN 304-306 BIJLAGE 1 : COMMUNAUTAIRE BEPALINGEN BIJLAGE 2 : NATIONALE BEPALINGEN BIJLAGE 3 : LIJST VAN DE GEBRUIKELIJKE HANDELINGEN BEDOELD IN BIJLAGE 69 VAN DE TOEPASSINGSBEPALINGEN VAN HET COMMUNAUTAIR DOUANEWETBOEK INLEIDING 1. In een economische kringloop waar alle productie- en handelsstadia aan de BTW zijn onderworpen, is, dankzij het mechanisme van de aftrek, de belastingdruk op de prijs van een goed steeds dezelfde ongeacht het aantal handelingen die de levering aan de eindverbruiker voorafgaan.
2. Teneinde de heffing van de belasting onder duidelijk omschreven voorwaarden te vereenvoudigen biedt de Zesde BTW-Richtlijn elke Lid-Staat de mogelijkheid af te wijken van dit fundamenteel principe om elk stadium van het economisch proces te belasten.
Artikel 16, §§ 1 en 1bis van de Zesde BTW-Richtlijn voorziet in zulke mogelijkheid voor de handelingen verricht in het kader van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot (hierna BTW-entrepot genoemd). De basisidee van deze regeling is in essentie de vereenvoudiging van de verplichtingen van personen die actief zijn in de handel van grondstoffen en andere goederen die het voorwerp uitmaken van kettingverkopen of die op internationale termijnmarkten worden verhandeld.
3. Tot 31 december 1995 waren de vrijstellingen van BTW in het kader van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot ondergebracht in de artikelen 39, § 2, 40, § 1, 1°, c, 40, § 1, 3° en 40, § 2 van het Wetboek. De vrijstellingen van BTW omvatten de levering van goederen, de intracommunautaire verwerving ervan, de invoer ervan, alsmede diensten met betrekking tot deze goederen.
4. Vanaf 1 januari 1996 zijn de bedoelde vrijstellingen geschrapt in voornoemde wetsartikelen en gegroepeerd in het nieuwe artikel 39quater dat in het Wetboek is ingevoegd door artikel 11 van het koninklijk besluit van 22 december 1995 (Belgisch Staatsblad van 30 december 1995). Artikel 39quater van het Wetboek werd gewijzigd door artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 november 1996.
Het koninklijk besluit nr. 54 van 25 februari 1996 met betrekking tot de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot bedoeld in artikel 39quater van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 5 maart 1996) bevat de voorwaarden en de beperkingen voor de toepassing van de vrijstelling van genoemd artikel 39quater.
5. De voornoemde wettelijke en reglementaire bepalingen vormen de omzetting in het Belgisch recht van artikel 1, negende lid, van de Richtlijn 95/7/EG van de Raad van de Europese Unie van 10 april 1995 (Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 5 mei 1995 nr. L 102), dat artikel 16, §§ 1 en 1bis van de Zesde Richtlijn herschrijft.
Ingevolge deze wijziging wordt op communautair vlak een begin gemaakt van de harmonisatie van de vrijstelling van BTW in het kader van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot.
De harmonisatie gaat echter niet zover dat een communautaire definitie wordt gegeven van het begrip andere regeling van entrepot dan douane-entrepot, noch een opsomming van de erin toegelaten goederen. Bijgevolg blijft de concrete invulling van het stelsel een materie voor elke Lid-Staat afzonderlijk.
Niettemin moet dit begin van harmonisatie ertoe leiden dat een aantal BTW-verplichtingen wordt vereenvoudigd ten aanzien van de handelingen met betrekking tot bepaalde grondstoffen en andere goederen die zich in het vrije verkeer bevinden en die doorgaans het voorwerp uitmaken van kettingverkopen dikwijls zelfs via internationale termijnmarkten. De bedoelde vereenvoudigingen zijn : vrijstelling van de BTW waardoor geen voorfinanciering ontstaat en het ontslag van een fiscale vertegenwoordiging of een vereenvoudigde vertegenwoordiging van niet in België gevestigde belastingplichtigen.
Deze vereenvoudigingen strekken ertoe de bedoelde goederen fiscaal op dezelfde wijze te behandelen als de niet-communautaire goederen die zich onder een douane-regeling bevinden. Anderzijds wordt de kans kleiner dat binnen de Gemeenschap goederenstromen worden verlegd door het feit dat de bedoelde stelsels in de verschillende Lid-Staten ongelijk zijn.
6. Deze aanschrijving bepaalt de modaliteiten en formaliteiten voor de toepassing van de vrijstelling van BTW met betrekking tot de regeling BTW-entrepot, die op 1 januari 1996 in voege is getreden. Tevens worden de modaliteiten en formaliteiten omschreven met betrekking tot de overgang op 1 januari 1996 van de vroegere regeling BTW-entrepot naar de nieuwe regeling.
Hoofdstuk 1 omschrijft het kader waarbinnen het stelsel BTW-entrepot kan worden toegepast : welke soorten van BTW-entrepot er bestaan; welke plaatsen erkend kunnen worden als plaats voor de opslag van de goederen waarvoor de regeling geldt; welke goederen en handelingen onder de regeling kunnen vallen; de regels met betrekking tot de vergunning BTW-entrepot (de rechthebbende, de uitreiking, de duur, de intrekking).
Hoofdstuk 2 zet de eigenlijke werking van de regeling uiteen : welke de vrijgestelde handelingen zijn bij de inslag, bij de overdracht met handhaving van de regeling en bij de uitslag van de goederen; in welke gevallen er bij de uitslag uit het entrepot BTW verschuldigd is; wie schuldenaar van de belasting is.
In dit hoofdstuk wordt tevens in detail een concreet voorbeeld geanalyseerd waarin het merendeel van de handelingen is verwerkt die onder de regeling BTW-entrepot kunnen worden verricht.
Hoofdstuk 3 is gewijd aan de verplichtingen die moeten worden nageleefd door de diverse betrokken partijen; de wijze waarop in geval van regularisatie de BTW moet worden voldaan; de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de voldoening van de belasting; de fiscale vertegenwoordiging van belastingplichtigen die niet in België zijn gevestigd.
Dit hoofdstuk wordt vervolledigd met de analyse op het stuk van de verplichtingen van het voorbeeld uit hoofdstuk 2.
Hoofdstuk 4 omschrijft de regels die van toepassing zijn in een aantal bijzondere situaties zoals de diensten van de depothouders, de tussenkomst van tussenpersonen, de overbrenging van goederen naar een ander BTW-entrepot in België, alsmede de overgangsmaatregelen tussen het huidig stelsel en datgene dat van toepassing was vóór 1996.
Bijlage 1 bij onderhavige aanschrijving bevat de tekst van de nieuwe artikelen 16, §§ 1 en 1bis van de Zesde Richtlijn. In bijlage 2 gaat de tekst van artikel 39quater van het Wetboek, van het koninklijk besluit nr. 54 van 25 februari 1996 alsmede van andere nationale wettelijke bepalingen in verband met de regeling BTW-entrepot. In bijlage 3 worden de handelingen opgenomen die met vrijstelling van BTW op grond van artikel 39quater van het BTW-Wetboek mogen worden verricht aan goederen die zich in een BTW-entrepot bevinden.
In het verloop van de aanschrijving zal regelmatig verwezen worden naar de bijlagen.
7. Artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek stelt de invoeren, de intracommunautaire verwervingen en de leveringen van goederen die onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst vrij van de BTW, onder de voorwaarden en beperkingen opgenomen in het koninklijk besluit nr. 54.
AFDELING 1. OMSCHRIJVING VAN HET BTW-ENTREPOT.
8. Artikel 39quater, § 2, van het Wetboek bepaalt dat uitsluitend als BTW-entrepot kunnen worden erkend :
1° voor accijnsproducten, de in België gelegen plaatsen die worden gedefinieerd als belastingentrepot in de zin van artikel 4, punt b, van de Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 februari 1992, betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controle daarop (Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 23 maart 1992 nr. L 76). Deze Richtlijn werd omgezet in nationaal recht door het koninklijk besluit van 29 december 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controle daarop (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 3de editie). Het werd gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 december 1992 (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 3de editie) en van 30 juni 1995 betreffende de accijnzen (Belgisch Staatsblad van 1 augustus 1995);
2° voor andere goederen dan accijnsproducten, de in België gelegen plaatsen die bedoeld zijn in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 54, met name :
10. Uit de bepalingen vervat in de nrs. 8 en 9 blijkt dat BTW-entrepots in België gelegen plaatsen zijn, die door de bevoegde autoriteiten erkend zijn om goederen met vrijstelling van de belasting te ontvangen. Het gaat steeds om duidelijk omschreven fysieke plaatsen (entrepots, delen van gebouwen, fabrieken. silo's, industriële sites, tanks en netwerken van pijpleidingen, ...). Er bestaan drie soorten BTW-entrepot die elk hun eigen karakteristieken hebben in functie van het soort opgeslagen goederen, met name :
11. Uit hetgeen gezegd is in de nummers 8 en 9, volgt tevens dat communautaire accijnsproducten die zich niet bevinden op een plaats die is erkend als belastingentrepot in de zin van artikel 4, punt b), van de Richtlijn 92/12/EEG, omdat ze ten verbruik werden aangegeven met betaling van de accijns, niet onder de regeling BTW-entrepot kunnen worden geplaatst en er evenmin onder kunnen blijven. Artikel 39quater van het Wetboek sluit immers elke toevlucht tot een ander soort BTW-entrepot, voorbehouden voor andere goederen dan accijnsproducten, uit.
Onder belastingentrepot moet worden verstaan iedere plaats waar de erkende entrepothouder bij de bedrijfsuitoefening, accijnsproducten onder schorsing van accijns, produceert, verwerkt, voorhanden heeft, ontvangt of verzendt.
AFDELING 2. BEPERKING VAN DE GOEDEREN TOEGELATEN TOT DE REGELING BTW-ENTREPOT.
12. Artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 54 stelt twee criteria in die de plaatsing van goederen onder de regeling BTW-entrepot beperken. Eén criterium houdt verband met de herkomst van de goederen en het tweede met de bestemming van de goederen.
Ingevoerde goederen.
13. De plaatsing onder de regeling BTW-entrepot van in België ingevoerde goederen in de zin van artikel 23 van het Wetboek, accijnsproducten en andere goederen, is beperkt tot dezelfde goederen als deze die onder de regeling van douane-entrepot mogen worden geplaatst.
Vooraleer ze in het vrije verkeer zijn gebracht, komen alle goederen, accijnsproducten inbegrepen, in aanmerking voor plaatsing onder de regeling douane-entrepot.
Niettemin kan de opslag worden ontzegd aan bepaalde goederen, bijvoorbeeld om redenen van goede zeden, openbare orde, publieke veiligheid, volksgezondheid, milieu, enz ... (z. inzonderheid de omzendbrief D.L. 3/31.730 van 25 september 1989 (D.I. 595.0) van de Administratie der douane en accijnzen. Deze omzendbrief kan worden besteld bij de dienst documentatie van de genoemde Administratie waarvan het adres te vinden is onder het nr. 44).
14. Artikel 504 van het communautair toepassingswetboek inzake douane somt zes types van douane-entrepot op (de publieke entrepots van type A, B of F en de particuliere entrepots van type C, D of E). Niet om het even welk goed mag in elk van die types van douane-entrepot worden opgeslagen. Omdat de plaatsen die erkend zijn als douane-entrepot, eveneens worden erkend als BTW-entrepot voor de ingevoerde goederen andere dan accijnsproducten (z. nr. 8), kunnen enkel die goederen onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst die zijn toegelaten in het type van douane-entrepot dat als BTW-entrepot is erkend.
De douane-instructie betreffende de entrepots (D.I. 540) van de Administratie der douane en accijnzen becommentarieert de bepalingen van voornoemd artikel 504. Deze instructie kan worden bekomen bij de documentatiedienst van genoemde administratie waarvan het adres is vermeld onder nr. 44.
15. Wanneer de ingevoerde goederen onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst en ze vóór hun opslag in het BTW-entrepot een bewerking ondergaan (z. nrs. 29 tot 32), dan is het eindproduct dat moet beantwoorden aan het beperkende criterium inzake de toelating tot de regeling.
Voorbeeld : Azijnzuur kan in België worden ingevoerd onder de regeling BTW-entrepot met vrijstelling van de belasting op grond van artikel 39quater, § 1, van het Wetboek, omdat het goed mag worden opgeslagen in een publiek of een particulier douane-entrepot.
Wanneer daarentegen het in België ingevoerde azijnzuur vóór zijn effectieve opslag door uitdroging wordt verwerkt tot azijnzuuranhydride, kan het eindproduct niet worden opgeslagen in een douane-entrepot. Inderdaad, hoewel azijnzuuranhydride frekwent wordt aangewend in de scheikundige- en farmaceutische nijverheid, kan dit product echter ook voor onwettige toepassingen worden aangewend, zoals in de bereiding van drugs. Het azijnzuur wordt om deze reden volledig uitgesloten uit de regeling douane-entrepot. In deze omstandigheden kan het ingevoerde azijnzuur niet onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst en kan de invoer niet worden vrijgesteld van de belasting op basis van artikel 39quater, § 1, 1° van het Wetboek.
16. Indien de bewerking van ingevoerde goederen bestaat in de toevoeging van communautaire goederen of in de vermenging ervan met communautaire goederen, blijven de voorwaarden inzake de beperking voor ingevoerde goederen zoals uiteengezet in de nummers 13 tot 15, van toepassing op de bekomen goederen.
EG-goederen.
17. Nationale goederen of goederen afkomstig uit een andere Lid-Staat, accijnsproducten en andere goederen, kunnen slechts onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst in de mate dat ze voorkomen op de lijst van de goederen die zijn opgesomd in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54.
De in deze bijlage opgenomen goederen zijn voornamelijk metalen en grondstoffen die het voorwerp uitmaken van kettingverkopen, zoals die plaatsvinden op internationale grondstoffenmarkten. De enige accijnsproducten die op deze lijst voorkomen, zijn de minerale oliën.
Voor een nadere omschrijving van de goederen opgenomen in de bijlage, wordt verwezen naar de toelichtingen bij het Geharmoniseerd Systeem inzake de Omschrijving en Codering van Goederen.
De in deze bijlage opgenomen bulkgoederen zijn stortgoederen die niet verpakt zijn.
18. Wanneer nationale goederen of goederen afkomstig uit een andere Lid-Staat, het voorwerp uitmaken van een handeling met plaatsing onder de regeling BTW-entrepot die is vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 1° van het Wetboek en wanneer die goederen vóór hun opslag in het BTW-entrepot nog een bewerking ondergaan (z. nrs. 29 tot 32), dan is het eindproduct dat moet beantwoorden aan het beperkende criterium inzake de toelating tot de regeling.
Voorbeelden : Aluminium in ruwe toestand (GN-Code 7601 - een goed opgenomen in de lijst van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54) kan niet met toepassing van de vrijstelling van de belasting bedoeld in artikel 39quater, § 1, 1° van het Wetboek worden aangekocht indien dat aluminium vóór de opslag werd verwerkt tot staven, draad of platen (GN-Code 7604, 7605 of 7606) die niet zijn opgenomen in de lijst.
Bauxiet daarentegen (mineraal van aluminium - GN-Code 2606 - een goed dat niet is opgenomen in de lijst van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54) dat wordt verwerkt tot ruwe gietblokken (een goed dat voorkomt in de lijst - GN-Code 7601) en bestemd is om in een BTW-entrepot te worden opgeslagen, kan met vrijstelling van de belasting worden aangekocht op grond van artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek.
19. Artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit nr. 54 sluit van de regeling BTW-entrepot uit, de goederen, ongeacht hun herkomst of aard, die bestemd zijn om in het kleinhandelsstadium te worden geleverd.
Uit deze bepalingen volgt dat de plaatsen waar eindgebruikers toegang hebben, niet kunnen worden erkend of aangemerkt als BTW-entrepot (grootwarenhuizen, benzinestations, ...).
20. Artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 54 stelt dat de twee criteria die de toegang van de goederen tot de regeling BTW-entrepot beperken (z. nrs. 13 tot 19), niet van toepassing zijn in vier specifieke situaties. Worden hier inzonderheid bedoeld : de verkopen aan reizigers ter gelegenheid van een vlucht of zeereis, alsook de verkopen aan bepaalde instellingen en organisaties. Deze afwijking heeft betrekking op goederen die bestemd zijn :
21. Naast de invoeren, de intracommunautaire verwervingen en de leveringen waarbij goederen in een BTW-entrepot worden geplaatst en die zijn vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 1° van het Wetboek (z. nr. 7), voorziet artikel 39quater, § 1, 2° en 3° van het Wetboek eveneens in een vrijstelling voor de leveringen van goederen die zich onder de regeling BTW-entrepot bevinden, met handhaving van die regeling, alsmede voor diensten, andere dan die vrijgesteld bij de artikelen 41 en 42 van het Wetboek, die betrekking hebben op goederen die het voorwerp uitmaken van een plaatsing onder de regeling BTW-entrepot of op goederen die zich reeds onder die regeling bevinden.
22. Bijgevolg komen alle handelingen die in België aan de BTW onderworpen zijn (invoer, intracommunautaire verwerving, levering, dienst) met betrekking tot een goed dat bestemd is om in een BTW-entrepot te worden geplaatst of er zich reeds bevindt, in aanmerking voor vrijstelling van de BTW, onder de voorwaarden bepaald in het koninklijk besluit nr. 54.
23. Goederen kunnen op vier manieren in een BTW-entrepot worden geplaatst :
De vrijstelling blijft daarentegen vreemd aan de plaatsing die het gevolg is van een binnenlandse verzending van goederen. Inderdaad, het verzenden of vervoeren van goederen van een onderneming, door of voor rekening van de belastingplichtige, van een plaats in België naar een andere plaats in België, buiten elke handelstransactie om, vormt geen belastbare handeling en behoeft derhalve niet te worden vrijgesteld.
24. De toepassing van de vrijstelling van de BTW op de handelingen waarbij goederen onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst, houdt de verplichting in om de goederen vanaf het ogenblik dat het belastbaar feit met betrekking tot deze handelingen zich voordoet (z. de artikelen 17, 24 en 25septies van het Wetboek), zonder uitstel in het entrepot op te slaan. Uiteraard dient daarbij rekening te worden gehouden met de tijd nodig om de goederen naar het entrepot te vervoeren (z. evenwel de nrs. 29 en 30 in geval een dienst wordt verricht die de opslag in het BTW-entrepot voorafgaat).
25. Er wordt tevens opgemerkt dat ingevoerde goederen ter gelegenheid van hun plaatsing onder de regeling BTW-entrepot, ten verbruik moeten worden aangegeven.
Artikel 15 van het koninklijk besluit van 25 februari 1996, dat het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 (Belgisch Staatsblad van 5 maart 1996), met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde wijzigt, heeft inderdaad de bestemming "entrepot ander dan douane-entrepot" afgeschaft. Vóór 1 januari 1996 kon deze bestemming voor de BTW worden gegeven aan ingevoerde goederen (z. artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4de editie)).
26. De leveringen van goederen die onder de regeling BTW-entrepot werden geplaatst, zijn vrijgesteld van de belasting bij toepassing van artikel 39quater, § 1, 2°, van het Wetboek, in de mate dat ze worden verricht met handhaving van de regeling.
In dat verband wordt opgemerkt dat de uitslag van de goederen uit het BTW-entrepot, de regeling beëindigt (z. nr. 69). Bijgevolg kan de levering van goederen die van een BTW-entrepot naar een ander BTW-entrepot worden vervoerd of verzonden, niet worden beschouwd als een levering met handhaving van de regeling en vindt de hiervoor bedoelde vrijstelling geen toepassing (voor de verzending van goederen van een BTW-entrepot naar een ander in België gelegen BTW-entrepot, z. nrs. 296 tot 303).
27. De diensten, andere dan die vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42 van het Wetboek, zijn van de belasting vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek, wanneer ze betrekking hebben op goederen die het voorwerp zijn van een handeling met plaatsing onder de regeling BTW-entrepot die bij toepassing van artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek is vrijgesteld of op goederen die zich reeds onder de regeling BTW-entrepot bevinden.
Onder diensten die betrekking hebben op goederen in de zin van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek, moet worden verstaan de materiële werken of expertises bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Wetboek en waarvan de plaats wordt bepaald op grond van artikel 21, § 3, 2° van het Wetboek.
28. De in artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek bedoelde diensten kunnen betrekking hebben :
29. Wat de diensten betreft, andere dan die vrijgesteld door de artikelen 41 en 42 van het Wetboek, die worden verricht aan goederen die het voorwerp uitmaken van een handeling met plaatsing onder de regeling BTW-entrepot, bedoeld in artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek, kunnen alle materiële werken en expertises verricht aan de goederen vóór hun effectieve opslag in het entrepot, vrijgesteld worden op grond van artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek.
Om de controle op de regeling BTW-entrepot mogelijk te maken, moeten de werken en expertises in ieder geval materieel in België worden verricht (z. Hoofdstuk III i.v.m. de verplichtingen).
30. Wanneer de diensten voltooid zijn in de zin van artikel 22 van het Wetboek, moeten de goederen zonder uitstel in het BTW-entrepot worden opgeslagen daarbij rekening houdend met de tijd nodig voor het vervoer naar dat entrepot. De plaatsing in het BTW-entrepot vormt het eindpunt van de vrijstelling voor de handeling met betrekking tot de plaatsing en voor de werken. Bij ontstentenis van opslag kunnen deze handelingen de vrijstelling bedoeld in artikel 39quater, § 1, van het Wetboek niet genieten.
Bijgevolg mogen de materiële werken welke worden verricht vóór de effectieve opslag van de goederen in het BTW-entrepot er niet toe leiden dat er goederen worden geproduceerd die niet meer beantwoorden aan de beperkende voorwaarden bedoeld in de nrs. 12 tot 20, gezien deze goederen niet tot de regeling mogen worden toegelaten. In dat verband wordt eraan herinnerd dat wanneer de bewerking van ingevoerde goederen erin bestaat communautaire goederen toe te voegen aan of te vermengen met de ingevoerde goederen, de voorwaarden inzake de beperking voor ingevoerde goederen, van toepassing blijven op de bekomen goederen (z. nr. 16),
31. Wat de accijnsproducten betreft, wordt opgemerkt dat krachtens de communautaire reglementering inzake accijnzen, zowel de productie, de verwerking als elke andere behandeling verplicht moet worden verricht in een belastingentrepot, dus na de inslag van de goederen. Bijgevolg mogen deze goederen vóór hun opslag in het BTW-entrepot, wanneer ze er toegang toe hebben (z. nr. 17), geen enkele dienst ondergaan omdat het belastingentrepot voor deze goederen ambtshalve als BTW-entrepot wordt beschouwd (z. nr. 49).
32. Bovendien kan de vrijstelling bedoeld in artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek niet worden toegepast op de diensten die betrekking hebben op goederen die het voorwerp uitmaken van een binnenlandse verzending (z. nr. 23). Deze verzending is immers geen handeling die wordt vrijgesteld door artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek.
Diensten met betrekking tot goederen die zich onder de regeling bevinden en die opgeslagen zijn in het BTW-entrepot.
Beperking van de vrijstelling tot de gebruikelijke behandelingen opgenomen in bijlage 3 bij de aanschrijving.
33. Wat de in artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek bedoelde diensten betreft die betrekking hebben op goederen die zich onder de regeling bevinden en die in het BTW-entrepot zijn opgeslagen, beperkt artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 54 de vrijstelling tot de verrichtingen die door de communautaire douanereglementering zouden zijn toegelaten wanneer deze goederen zich onder de regeling van douane-entrepot zouden bevinden.
Overeenkomstig artikel 522 van de toepassingsbepalingen van het communautair douanewetboek, worden de door de communautaire douanereglementering toegelaten verrichtingen aan goederen die zich onder de regeling douane-entrepot bevinden, beperkt tot de gebruikelijke behandelingen opgesomd in bijlage 69 bij deze toepassingsbepalingen.
De tekst van deze bijlage 69 is opgenomen in bijlage 3 bij deze aanschrijving.
De vrijstelling van artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek voor diensten is in deze situatie aldus beperkt tot de gebruikelijke behandelingen die tot doel hebben de bewaring van onder de regeling BTW-entrepot geplaatste goederen te verzekeren, de presentatie of de handelskwaliteit ervan te verbeteren of om de distributie of de wederverkoop ervan voor te bereiden. Er wordt opgemerkt dat het goed na één van de behandelingen bedoeld in bijlage 3 bij deze aanschrijving niet mag komen te vallen onder een andere code van acht cijfers van de gecombineerde nomenclatuur, tenzij andere beschikkingen werden voorzien in de bijlage (z. voorbeeld in het nr. 36).
Indien de goederen, na hun inslag in het BTW-entrepot, het voorwerp uitmaken van andere diensten dan deze bedoeld in vorige alinea, dan is de vrijstelling niet van toepassing op die handelingen.
34. Ter herinnering wordt in dit verband opgemerkt overeenkomstig de communautaire accijnsreglementering, de productie de verwerking van goederen onderworpen aan accijnsrechten, verplicht moet worden verricht in het belastingentrepot. Aangezien voor accijnsproducten het belastingentrepot ambtshalve als BTW-entrepot wordt beschouwd, kunnen deze verrichtingen enkel met vrijstelling van de BTW worden verricht, indien zij voorkomen op de lijst van bijlage 3 bij deze aanschrijving.
De communautaire douanereglementering beperkt anderzijds de handelingen die kunnen worden verricht aan goederen die zich onder de regeling van douane-entrepot bevinden, tot de gebruikelijke behandelingen. De plaatsen die worden erkend als douane-entrepot, zijn bijgevolg eenvoudige stockageplaatsen en over het algemeen plaatsen waar geen andere belangrijke verrichtingen dan de gebruikelijke behandelingen aan de opgeslagen goederen mogen worden verricht. Gezien de plaatsen die in aanmerking komen voor erkenning als douane-entrepot, eveneens worden erkend als BTW-entrepot om ingevoerde goederen, andere dan accijnsproducten, op te slaan (z. nr. 8), zijn de diensten die in het BTW-entrepot mogen worden verricht met betrekking tot deze goederen, beperkt tot de handelingen die materieel mogen worden verricht in het afgebakende gebied van het ermee overeenstemmende douane-entrepot.
In dat verband wordt de aandacht erop gevestigd dat, in tegenstelling tot de communautaire douanereglementering inzake douane-entrepots, het niet mogelijk is de goederen tijdelijk uit te slaan uit het BTW-entrepot waarin ze zich bevinden met het oog op een bewerking buiten het afgebakende gebied van het entrepot. Het wegnemen van de goederen uit het BTW-entrepot stelt inderdaad een einde aan de regeling (z. nr. 69) met alle fiscale gevolgen die deze uitslag met zich brengt.
35. Vermelden we ook nog dat goederen aan de regeling BTW-entrepot moeten worden onttrokken wanneer ze in het BTW-entrepot diensten ondergaan als gevolg waarvan de goederen niet meer beantwoorden aan de beperkende voorwaarden van de nrs. 12 tot 20. In dat verband wordt eraan herinnerd dat wanneer de bewerking van ingevoerde goederen erin bestaat communautaire goederen toe te voegen aan of te vermengen met de ingevoerde goederen, de voorwaarden inzake de beperking voor ingevoerde goederen, van toepassing blijven op de bekomen goederen (z. nr. 16).
Als deze diensten voorkomen op de lijst van de gebruikelijke behandelingen opgenomen in bijlage 3, dan zijn ze van de belasting vrijgesteld op basis van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek, zonder dat daarbij echter afbreuk mag worden gedaan aan de in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 54 voorziene beperkingen op de toepassing van deze vrijstelling (z. nr. 36).
Voorbeelden :
De lichte, halfzware en zware oliën (goederen opgenomen in de lijst van de bijlage van het koninklijk besluit nr. 54 - GN-Code 2710) kunnen gehandhaafd blijven onder de regeling BTW-entrepot waaronder zij werden geproduceerd.
De bekomen wijn, die een mengeling is van ingevoerde en communautaire wijn, mag in het BTW-entrepot blijven waar die vermenging werd verricht, ongeacht het feit dat alcoholhoudende dranken geen deel uitmaken van de goederen opgenomen in de lijst van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54.
Beperking van de vrijstelling tot de diensten die betrekking hebben op goederen die niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een levering zonder handhaving van de regeling BTW-entrepot.
36. De in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 54 bedoelde diensten (met name de handelingen opgesomd in bijlage 3 bij deze aanschrijving) die betrekking hebben op goederen die zich in een BTW-entrepot bevinden, zijn slechts vrijgesteld van de belasting binnen de beperkingen vastgelegd in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 54.
Dit artikel bepaalt dat de vrijstelling van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek niet van toepassing is op diensten bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 54 die betrekking hebben op goederen die weliswaar nog fysiek aanwezig zijn in het BTW-entrepot, maar die reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een levering zonder handhaving van de regeling BTW-entrepot.
Voorbeeld : Witte Bulgaarse wijn met oorsprongvermelding waarvan het alcoholgehalte 13 % niet overschrijdt (GN-Code 22042965) wordt in een tank in België ingevoerd met vrijstelling van de BTW bij toepassing van artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek. Vervolgens wordt hij in vaten in een BTW-entrepot opgeslagen. Deze wijn maakt het voorwerp uit van verschillende leveringen met handhaving van de regeling BTW-entrepot om uiteindelijk met toepassing van de belasting te worden gekocht door een in België voor BTW-doeleinden geïdentificeerde handelaar, die de wijn voor de binnenlandse markt bestemt.
Vooraleer fysiek uit het BTW-entrepot te worden uitgeslagen, wordt deze wijn voor rekening van de uiteindelijke koper gebotteld in flessen van 0,75 liter (GN-Code 22042179).
Bottelen is opgenomen in bijlage 3 bij deze aanschrijving. Zij resulteert in de productie van goederen met een andere code van acht cijfers in de gecombineerde nomenclatuur (z. punt III, 3, van de bijlage 3). Artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 54 sluit het bottelen echter uit van het toepassingsveld van de vrijstelling van artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek, omdat het in casu verband houdt met goederen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een levering zonder handhaving van de regeling BTW-entrepot.
AFDELING 4. DE VERGUNNING BTW-ENTREPOT.
37. Artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 54 stelt de vrijstelling van artikel 39quater, § 1, van het Wetboek afhankelijk van de uitreiking van een vergunning verleend door of vanwege de Minister van Financiën.
38. De in artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 54 bedoelde vergunning kan een bijzondere of een algemene zijn, naargelang de met vrijstelling van de belasting te realiseren verrichting.
De bijzondere vergunning moet aangevraagd worden en geeft aanleiding tot de uitreiking van een titel van vergunning.
De algemene vergunning behoeft geen enkele benaarstiging. Ze vloeit voort uit de toepassing van de vrijstelling waarbij de voorwaarden opgelegd door deze aanschrijving worden nageleefd.
39. De bijzondere vergunning moet worden aangevraagd voor de plaatsing van goederen onder de regeling BTW-entrepot en voor het verrichten van diensten aan goederen vóór hun effectieve opslag.
Ze wordt afgeleverd ofwel aan de eigenaar van de goederen indien die tevens depothouder is ofwel aan de depothouder indien diens activiteit bestaat in het beheren van opgeslagen goederen toebehorend aan derden;
40. De vergunning wordt enkel verleend aan in België gevestigde belastingplichtigen.
De Administratie bepaalt dat een buitenlandse belastingplichtige in België is gevestigd, wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld :
Personen of ondernemingen die in het buitenland zijn gevestigd en die in België over geen vaste inrichting beschikken, worden bijgevolg beschouwd als niet in België gevestigd. Het feit om overeenkomstig artikel 55 van het Wetboek in België een aansprakelijke vertegenwoordiger te hebben aangesteld, wijzigt niets aan deze situatie.
41. De aanvraag van de bijzondere vergunning verschilt naargelang de handeling die met vrijstelling van de belasting wordt verricht en het soort BTW-entrepot (z. nrs. 8 en 10).
Plaatsing van de goederen onder de regeling BTW-entrepot.
Ingevoerde goederen, andere dan accijnsproducten.
42. Het plaatsen van ingevoerde goederen, andere dan accijnsproducten, onder de regeling BTW-entrepot is afhankelijk van het verlenen van een bijzondere vergunning door de Administratie der douane en accijnzen.
De volgende belastingplichtigen kunnen deze bijzondere vergunning aanvragen :
De aanvraag om vergunning moet de volgende gegevens bevatten :
46. De volgende belastingplichtigen kunnen deze bijzondere vergunning aanvragen :
49. De plaatsing van accijnsproducten onder de regeling BTW-entrepot impliceert dat ze in een belastingentrepot worden geplaatst, ongeacht of ze afkomstig zijn uit België of uit een andere Lid-Staat of zijn ingevoerd (z. nr. 11). Bijgevolg is inzake BTW geen specifieke titel van vergunning vereist en moet deze evenmin worden aangevraagd. De vergunning inzake belastingentrepot uitgereikt door de Administratie der douane en accijnzen aan de erkende entrepothouder (z. nr. 11) geldt als bijzondere vergunning inzake BTW-entrepot voor de communautaire accijnsproducten toegelaten onder dat stelsel. Het identificatienummer van deze vergunning geldt voor het BTW-entrepot.
50. Hieruit volgt dat de toepassing van de regeling BTW-entrepot met inachtneming van de voorwaarden opgelegd in deze aanschrijving, verplicht is ten aanzien van de goederen onder schorsing van de communautaire accijnsrechten toegelaten onder dat stelsel met name :
51. Andere goederen dan accijnsproducten, die onder de regeling BTW-entrepot zijn geplaatst maar die niet onmiddellijk in een BTW-entrepot worden opgeslagen, kunnen met toepassing van de vrijstelling op grond van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek voorafgaandelijk nog een dienst ondergaan. Deze vrijstelling is echter afhankelijk van het verlenen van een bijzondere vergunning die voor de ingevoerde goederen moet worden aangevraagd bij de ontvanger van het controlekantoor of bij elke andere ambtenaar aangeduid door de gewestelijke directeur der douane en accijnzen bedoeld in het nr. 43 hiervoor en voor de goederen afkomstig uit België of een andere Lid-Staat bij de Centrale Administratie van de BTW, registratie en domeinen zoals vermeld in nr. 47 hiervoor.
Omdat de vrijstelling van de BTW voor de handelingen met betrekking tot de plaatsing van de goederen onder de regeling BTW-entrepot ondergeschikt is aan de onmiddellijke opslag van die goederen in het entrepot (z. nr. 24), moet de bijzondere vergunning waarvan sprake in vorig lid, eveneens aangevraagd worden wanneer de werkzaamheden aan de goederen niet onder bezwarende titel werden verricht door een als zodanig handelende belastingplichtige. In dergelijk geval is er geen enkele belasting verschuldigd. Bovendien is het bepaalde in nr. 30 mutatis mutandis van toepassing op de hier bedoelde situatie.
52. Niet de dienstverrichter, maar de houder van de vergunning BTW-entrepot waar de goederen na de bewerking zullen worden opgeslagen, moet de vergunning aanvragen.
De aanvraag tot het bekomen van de hier bedoelde vergunning mag gecombineerd worden met de aanvraag tot het bekomen van de vergunning om de goederen onder de regeling BTW-entrepot te plaatsen (z. nrs. 42 en 45).
53. De aanvraag tot het bekomen van een bijzondere vergunning moet de volgende gegevens bevatten :
54. Deze aanschrijving verleent, onder de erin gestelde voorwaarden, een algemene vergunning aan de personen die, met handhaving van de regeling, goederen leveren, welke zich in een BTW-entrepot bevinden of die diensten verrichten aan goederen die zich in een BTW-entrepot bevinden.
Levering, met handhaving van de regeling, van goederen die zich in een BTW-entrepot bevinden.
55. Deze aanschrijving verleent, onder de erin gestelde voorwaarden, een algemene vergunning aan de personen die met handhaving van de regeling goederen, accijnsproducten en niet-accijnsproducten, leveren, die in een BTW-entrepot werden geplaatst.
Geen enkele vergunning moet dus worden aangevraagd om deze handelingen met vrijstelling van de belasting te verrichten.
Diensten met betrekking tot goederen die zich in een BTW-entrepot bevinden.
56. Deze aanschrijving verleent, onder de erin gestelde voorwaarden, een algemene vergunning aan de personen die onder de regeling toegelaten diensten Verrichten aan goederen, accijnsproducten en niet-accijnsproducten, die in een BTW-entrepot zijn opgeslagen.
Geen enkele vergunning moet dus worden aangevraagd om deze handelingen met vrijstelling van de belasting te verrichten.
57. De algemene vergunningen uitgereikt op basis van deze aanschrijving, zijn geldig voor een onbepaalde duur.
De bijzondere vergunningen met betrekking tot de plaatsing van de goederen onder de regeling BTW-entrepot, zijn in principe geldig voor onbepaalde duur, behalve indien in de titel van de vergunning anders is voorzien.
De bijzondere vergunningen met betrekking tot diensten verricht vóór de effectieve opslag van de goederen, zijn, in principe, geldig voor de duur van die handeling, behalve indien het gaat om diensten met een continu karakter.
58. De Administratie behoudt zich het recht voor om op gelijk welk tijdstip de formaliteiten waarvan de verleende vergunning afhankelijk werd gesteld, geheel of gedeeltelijk te wijzigen of om de vergunning in te trekken wanneer de voorwaarden of de formaliteiten waarvan ze afhankelijk werd gesteld, niet worden nageleefd.
Onverminderd, in voorkomend geval, de bij de wet uitgevaardigde straffen, zal de vergunning worden ingetrokken wanneer er misbruik of poging tot misbruik wordt vastgesteld of wanneer de controleopdracht van de ambtenaren van de administratie op welke wijze dan ook wordt belemmerd.
Iedere intrekking van de vergunning wordt per aangetekende brief aan de belastingplichtige genotificeerd. Het afgeven van de brief aan de post geldt als notificatie vanaf de volgende dag.
Vanaf de dag die op deze notificatie volgt, mag de vergunning niet meer worden ingeroepen.
HOOFDSTUK II. WERKING VAN DE REGELING.
AFDELING 1. ALGEMEENHEDEN.
59. De regeling BTW-entrepot die sinds 1 januari 1996 van toepassing is, vloeit voort uit de omzetting in Belgisch recht van artikel 16, §§ 1 en 1bis, van de Zesde BTW-Richtlijn, zoals dat artikel werd herschreven door artikel 1, negende lid, van de Richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995, Tweede Vereenvoudigingsrichtlijn genoemd (z. bijlage 1 bij deze aanschrijving).
Zoals voorgeschreven in artikel 16, § 1 van de Zesde BTW-Richtlijn, moeten de Lid-Staten die vrijstelling van belasting verlenen in het kader van de regeling BTW-entrepot, ervoor zorgen dat het bedrag van de verschuldigde BTW bij de onttrekking van de goederen aan de regeling, overeenkomt met het bedrag dat verschuldigd zou zijn geweest wanneer de vrijgestelde handelingen in het binnenland aan de belasting waren onderworpen.
Met andere woorden, op de goederen die aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken moet dezelfde fiscale druk rusten als die ze zouden gedragen hebben indien ze niet onder die regeling waren geplaatst, rekening houdend met het aftrekmechanisme ingeval van opeenvolgende handelingen.
60. We herinneren er inderdaad aan dat het voornaamste doel van het BTW-entrepot niet zozeer bestaat in een belastingvermindering voor goederen die onder de regeling worden geplaatst, maar wel in een vereenvoudiging van de heffing van de belasting in het kader van kettingverkopen zoals deze vaak voorkomen op de grondstoffenmarkten. Deze regeling is dus niet bedoeld om de gewone opeenvolgende handelstransacties te laten ontsnappen aan het systeem van de gefractioneerde betalingen van de belasting.
Buitenlandse belastingplichtigen worden bovendien ontheven van de verplichting zich te laten identificeren voor BTW-doeleinden in de Lid-Staat waar die handelingen plaatsvinden.
61. De principes van artikel 16 van de Zesde BTW-Richtlijn worden in het Belgisch nationaal recht omgezet door de invoering van een vrijstelling voor de handelingen die onder de voorwaarden van artikel 16 worden verricht. Kenmerkend voor het in België toepasselijk regime is dat de vrijstelling voorlopig is. De vrijstelling wordt pas definitief wanneer de verkrijger de goederen doorlevert. Hiermee samenhangend en rekening houdend met het feit dat de verkoper niet verantwoordelijk kan gesteld worden voor de bestemming die zijn koper aan de goederen geeft na de levering, wordt de verkrijger van de goederen of de ontvanger van diensten in het kader van de regeling BTW-entrepot systematisch aangewezen als schuldenaar van de belasting, die eventueel moet worden geregulariseerd bij de onttrekking van de goederen aan die regeling. Wanneer de goederen aan de regeling worden onttrokken, moet de belasting in bepaalde situaties geregulariseerd worden.
Volgende twee situaties kunnen zich in dit opzicht voordoen :
De depothouder moet er zich op zijn beurt van vergewissen dat de persoon die de goederen aan de regeling onttrekt, in België een BTW-identificatienummer heeft. Hij is bovendien samen met de schuldenaar van de belasting hoofdelijk gehouden tot voldoening van de eventueel verschuldigde belasting.
AFDELING 2. WERKINGSPRINCIPES - WETTELIJKE BEPALINGEN.
62. Artikel 39quater, § 1, van het Wetboek stelt, onder de voorwaarden opgenomen in het koninklijk besluit nr. 54 dat de uitvoering van dit artikel regelt, vrij van de belasting :
64. Artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit nr. 54 voert een belangrijk criterium in voor de werking van de regeling, namelijk dat de vrijstelling voor de handelingen bedoeld in artikel 39quater, § 1, van het Wetboek voorlopig wordt verleend.
Deze voorlopige vrijstelling van de belasting kan voor bepaalde handelingen definitief worden, terwijl andere dan weer moeten geregulariseerd worden.
De gevallen waarbij moet worden teruggekomen op de voorlopig verleende vrijstelling, hebben uitsluitend betrekking op situaties waarbij de goederen aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken.
De onttrekking van de goederen aan de regeling BTW-entrepot maakt op zich geen nieuw belastbaar feit uit en is evenmin een belastbare handeling. Deze onttrekking moet echter tot gevolg hebben dat op de goederen de correcte fiscale druk weegt (z. nr. 59). Daarom heeft de wetgever via de techniek van de regularisatie van de voorlopige vrijstelling voor handelingen aan de persoon die de goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt, een middel gevonden dat toelaat tegemoet te komen aan de voorwaarde die in artikel 16, § 1, van de Zesde BTW-Richtlijn is vervat.
Situaties waarin de voorlopige vrijstelling van BTW definitief wordt.
65. Artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit nr. 54 somt de situaties op waarin de voorlopige vrijstelling van de BTW voor de handelingen die onder de regeling BTW-entrepot zijn verricht, definitief wordt. Het betreft :
"handelingen die voorafgaan aan :
1° een levering van goederen onder bezwarende titel met behoud van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot;
2° de onttrekking van de goederen aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot door de belastingplichtige die een levering van goederen verricht onder bezwarende titel zoals bedoeld in artikel 10, § 1, van het Wetboek;
3° de onttrekking van de goederen aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot door hun eigenaar, los van elke handelstransactie, in het kader hetzij van een overbrenging van goederen zoals bedoeld in artikel 12bis, eerste lid, van het Wetboek, hetzij van een vervoer of een verzending van die goederen buiten de Gemeenschap verricht door die eigenaar of voor zijn rekening."
1° voor de handelingen waarbij de goederen onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst en die zijn vrijgesteld door artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek (levering, intracommunautaire verwerving, invoer) evenals voor de diensten vrijgesteld door artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek en verricht vóór de effectieve opslag in het BTW-entrepot aan goederen die het voorwerp uitmaken van een vrijgestelde handeling met plaatsing onder de regeling BTW-entrepot :
Situaties waarin de voorlopige vrijstelling van de BTW het voorwerp moet uitmaken van een regularisatie.
67. Artikel 7, § 3, van het koninklijk besluit nr. 54 somt de gevallen op waarin de voorlopige vrijstelling van de BTW moet geregulariseerd worden, te weten :
"Wanneer, los van elke handelstransactie, de goederen aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot zijn onttrokken door hun eigenaar en in België blijven ofwel buiten België maar binnen de Gemeenschap worden verzonden of vervoerd door of voor rekening van hun eigenaar met het oog op een handeling zoals bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° of 7°, van het Wetboek, wordt de belasting opeisbaar over :
a) de handeling waarbij de goederen onder de regeling worden geplaatst door de eigenaar, evenals over de aan hem verstrekte diensten met betrekking tot die goederen, wanneer de goederen niet het voorwerp hebben uitgemaakt van enige levering onder bezwarende titel tijdens hun verblijf in het entrepot;
b) de levering van goederen aan die eigenaar, evenals over de aan hem verstrekte diensten met betrekking tot die goederen, wanneer de goederen het voorwerp hebben uitgemaakt van een of meerdere leveringen onder bezwarende titel tijdens hun verblijf in het entrepot."
68. De vrijstelling wordt bijgevolg niet definitief. Zij moet geregulariseerd worden voor de handelingen die onder de regeling BTW-entrepot werden verricht ten behoeve van de persoon die de goederen, als eigenaar en los van elke handelstransactie (z. nr. 66), aan de regeling onttrekt en waarbij de goederen ofwel in België blijven, ofwel het voorwerp zijn van een overbrenging zoals bedoeld in artikel 12 bis, tweede lid, 5°, 6° of 7°, van het Wetboek.
In afwijking van artikel 12bis, eerste lid van het Wetboek, bepaalt artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° en 7° van het Wetboek dat de overbrenging door een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere Lid-Staat niet wordt gelijkgesteld met een levering van goederen onder bezwarende titel wanneer het gaat om één van de volgende handelingen :
69. De levering van goederen onder bezwarende titel zonder handhaving van de regeling BTW-entrepot of de uitslag van de goederen uit het BTW-entrepot, los van elke handelstransactie, stelt een einde aan de regeling. Aangezien de uitslag van de goederen uit het entrepot op zich geen nieuw belastbaar feit is, en evenmin een belastbare handeling, wordt de juiste fiscale druk die op de goederen moet wegen bij de beëindiging van de regeling meestal bereikt door het belasten van de laatste levering waarvan ze tijdens hun verblijf in het entrepot het voorwerp waren (of van de plaatsing van de goederen onder de regeling wanneer de goederen gedurende hun verblijf in het entrepot niet het voorwerp zijn geweest van een levering onder bezwarende titel).
1. De regeling wordt beëindigd ingevolge een levering onder bezwarende titel zonder handhaving van de regeling.
Wanneer de onttrekking van de goederen aan de regeling BTW-entrepot het gevolg is van een levering onder bezwarende titel zonder handhaving van de regeling, dan kan die levering niet worden vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 2° van het Wetboek.
De gewone regels voor een binnenlandse levering zijn bijgevolg van toepassing op de bedoelde levering (opeisbaarheid van de belasting, schuldenaar ...), dus ook de mogelijke toepassing van een vrijstelling (artikelen 39, 39bis, 39quater, § 1, 1°, 42 ... van het Wetboek).
De goederen zijn aldus bezwaard met eenzelfde fiscale druk als wanneer de regeling BTW-entrepot niet zou zijn toegepast geweest. Er is bijgevolg geen enkele regularisatie nodig.
2. De regeling wordt beëindigd ingevolge de wegneming van de goederen uit het BTW-entrepot los van elke handelstransactie.
Wanneer de uitslag van de goederen uit het BTW-entrepot het gevolg is van hun wegneming, los van elke handelstransactie (z. nr. 66), moeten de goederen bij het beëindigen van de regeling een fiscale last ondergaan. Dat kan enkel gebeuren via een regularisatie ofwel van de levering die onder de regeling wordt verricht aan de persoon die de goederen onttrekt aan de regeling BTW-entrepot, ofwel van de handeling met plaatsing van de goederen onder de regeling door de hiervoor bedoelde persoon, in het geval de goederen tijdens hun verblijf in het BTW-entrepot niet het voorwerp zijn geweest van een levering onder bezwarende titel.
Deze regularisatie moet evenwel enkel worden verricht wanneer de goederen in België blijven of naar een andere Lid-Staat worden overgebracht met het oog op het verrichten van een handeling bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° of 7° van het Wetboek. In de andere gevallen van overbrenging naar een andere Lid-Staat of bij de uitvoer naar een derde land moeten de vervoerde of verzonden goederen immers geen fiscale druk ondergaan.
70. De persoon die de goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt, kan bijgevolg zijn :
Er wordt echter opgemerkt dat de commerciële leveringsvoorwaarden niet in tegenspraak mogen zijn met de op die levering toegepaste BTW-bepalingen (bijvoorbeeld een levering franco thuis bij de koper waarvoor de vrijstelling bedoeld in artikel 39quater, § 1, 2°, van het Wetboek wordt ingeroepen hetgeen de handhaving van de goederen in het BTW-entrepot veronderstelt).
71. Wanneer vóór of gedurende hun verblijf in het entrepot diensten worden verricht aan goederen, dragen zowel de taxatie van de diensten die de vrijstelling van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek niet genieten ingevolge de beperkingen voorzien door de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit nr. 54, als de opeisbaarheid van de belasting over deze dienstprestaties waarvoor de voorlopige vrijstelling van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek, niet definitief kan worden bij toepassing van artikel 7, § 3 van het koninklijk besluit nr. 54, bij tot het bereiken van de juiste fiscale druk op de goederen bij de onttrekking aan het BTW-entrepot.
72. Artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 54 voorziet dat de verschuldigde belasting over de handelingen, voor dewelke de voorlopige vrijstelling van de BTW moet geregulariseerd worden, opeisbaar wordt op het tijdstip dat de goederen aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot worden onttrokken tegen het tarief dat van toepassing zou zijn geweest op elk van die handelingen indien zij niet voorlopig waren vrijgesteld.
De wijze waarop deze belasting moet worden voldaan, wordt toegelicht in de nrs. 211 tot 216.
73. Krachtens de algemene regel vervat in artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek, is de BTW verschuldigd door de belastingplichtige die in België een belastbare levering van goederen of een belastbare dienst verricht.
Wanneer deze handelingen worden verricht onder de regeling BTW-entrepot genieten zij een voorlopige vrijstelling die slechts definitief wordt op voorwaarde dat de goederen worden doorverkocht met handhaving van de regeling of aan de regeling worden onttrokken onder de voorwaarden beschreven in de nrs. 65 en 66.
Het kan voorkomen dat deze voorwaarde slechts wordt vervuld lange tijd na de handeling die de voorlopige vrijstelling geniet. De gebruikelijke schuldenaar van de belasting heeft bijgevolg geen enkele controle over de naleving van de bedoelde voorwaarde. Bijgevolg is de wetgever afgeweken van de bepalingen vervat in artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek door de medecontractant van de leverancier of van de dienstverrichter aan te merken als schuldenaar van de belasting (z. artikel 51, § 2, 3°, van het Wetboek).
74. De afwijking op de algemene regel vervat in nr. 73 is uiteraard alleen van toepassing op de leveringen van goederen en op de diensten die de vrijstelling van 39quater, § 1, van het Wetboek kunnen genieten die door artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit nr. 54 voorlopig werd toegekend.
Voor de overige leveringen van goederen en diensten blijft de algemene regel bedoeld in artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek van toepassing.
75. Voor de goede werking van de regeling BTW-entrepot moest geen afwijking worden voorzien op de bestaande regels inzake de schuldenaar van de belasting bij invoer of bij een intracommunautaire verwerving van goederen, vervat in de artikelen 51, § 1, 2° en 52 van het Wetboek en waarbij een voorlopige vrijstelling werd toegepast.
76. Voor de handelingen verricht in het kader van de regeling BTW-entrepot, is de schuldenaar van de belasting bijgevolg :
1° voor de handelingen met betrekking tot goederen die onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst :
AFDELING 3. ANALYSE VAN EEN GLOBAAL VOORBEELD.
78. Met de bedoeling de werking toe te lichten van de regeling BTW-entrepot alsmede van de vrijstellingen die er verband mee houden, zet deze afdeling een voorbeeld uiteen waarin het merendeel van de handelingen zijn verwerkt die zich kunnen voordoen in het kader van de regeling. De aan elk van deze handelingen te geven fiscale behandeling, wordt afzonderlijk en systematisch uiteengezet. Waar nodig wordt het noodzakelijk onderscheid gemaakt.
De specifieke verplichtingen die elk van de operatoren uit dit voorbeeld uit hoofde van de regeling BTW-entrepot moet naleven, zijn opgenomen in de nummers 218 tot 247. 79. X Y +------- Z -----+ binnenlandse ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ levering ¦ +------------+---------+--------+------+-+IC-levering ¦ ¦ Dienst ¦ Dienst ¦ Dienst ¦Dienst¦ ¦uitvoer ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Dienst¦ ¦ ¦ +-------------+-+uitslag door V-> ¦ ¦ + --------------------+-¦------------+¦ ¦ ¦ ¦ Verkoop Verkopen Verkoop ¦ ¦ W A --------------+-+>B------->C..------>V--------->W---+--+uitslag door W-> binnenlandse ¦ +-----------------------------------+ ¦ verzending: levering ¦ ^ Opeenvolgende verkopen met ¦ - binnen België IC-verwerving ¦ ¦ handhaving van de regeling ¦ - naar andere invoer ¦ ¦ BTW-ENTREPOT ¦ L.S. +---+------------------------------------+ - naar derde ¦ land ¦ binnenlandse verzending ¦ B ------+ We veronderstellen BTW-belastingplichtigen A tot Z :
De vrijstelling wordt voorlopig verleend overeenkomstig artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit nr. 54.
B is schuldenaar van de belasting op deze levering bij toepassing van de afwijking voorzien in artikel 51, § 2, 3°, van het Wetboek.
81. We herinneren eraan dat de goederen slechts onder de regeling geplaatst kunnen worden, wanneer ze zijn opgenomen in de lijst die is gevoegd bij het koninklijk besluit nr. 54 (z. nr. 17), tenzij ze, vóór hun effectieve opslag, een bewerking hebben ondergaan waardoor ze beantwoorden aan de goederen van die lijst (z. nrs. 18 en 86 tot 89).
Intracommunautaire verwerving van goederen die bestemd zijn om in een BTW-entrepot te worden opgeslagen.
82. De intracommunautaire verwerving door B van goederen die afkomstig zijn van andere Lid-Staten dan België en die onder de regeling van het BTW-entrepot worden geplaatst, is eveneens voorlopig vrijgesteld van de belasting bij toepassing van artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek en van artikel 7, § 1 van het koninklijk besluit nr. 54.
Overeenkomstig artikel 51, § 1, 2°, van het Wetboek is B schuldenaar van de belasting over deze intracommunautaire verwerving.
83. Deze goederen zijn eveneens beperkt tot deze opgenomen in de bijlage van het koninklijk besluit nr. 54 (z. nr. 17), behalve wanneer ze vóór hun effectieve opslag een bewerking hebben ondergaan die hen verandert in voornoemde goederen (z.. nrs. 18 en 86 tot 89).
Invoer van goederen die bestemd zijn om in een BTW-entrepot te worden opgeslagen.
84. De invoer door B van goederen uit een derde land of een derdelands gebied die onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst, is voorlopig van de belasting vrijgesteld bij toepassing van artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek en artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit nr. 54.
B is, in de regel, de geadresseerde van de goederen in de zin van artikel 6, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992, met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde. Hij is om die reden schuldenaar van de belasting over deze invoer krachtens artikel 52, § 1, tweede lid, van het Wetboek.
In principe is er in dit geval geen enkele beperking wat betreft de aard van de goederen (z. echter de nrs. 13 tot 16).
Binnenlandse verzending van goederen bestemd om in een BTW-entrepot te worden opgeslagen
85. Indien B in België goederen bezit die hij gekocht of vervaardigd heeft en indien hij die goederen opslaat in een als BTW-entrepot erkende plaats, dan verricht hij een binnenlandse verzending, die geen belastbare handeling is.
De vrijstelling voorzien bij artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek, evenals de beperkingen voorzien in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 54 kunnen in deze situatie niet toegepast worden, ook al gaat het hier om nationale goederen.
Het spreekt echter vanzelf dat, wanneer deze goederen worden verkocht of wanneer ze een dienst ondergaan, de vrijstelling bedoeld bij artikel 39quater van het Wetboek eventueel kan toegepast worden op handelingen met betrekking tot goederen die beantwoorden aan de beperkingen.
B. Diensten vóór de opslag ( Relatie X-B) X Y +------- Z -----+ binnenlandse ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ levering ¦ +------------+---------+--------+------+-+IC-levering ¦ ¦ Dienst ¦ Dienst ¦ Dienst ¦Dienst¦ ¦uitvoer ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Dienst¦ ¦ ¦ +-------------+-+uitslag door V-> ¦ ¦ + --------------------+-¦------------+¦ ¦ ¦ ¦ Verkoop Verkopen Verkoop ¦ ¦ W A --------------+-+>B------->C..------>V--------->W---+--+uitslag door W-> binnenlandse ¦ +-----------------------------------+ ¦ verzending: levering ¦ ^ Opeenvolgende verkopen met ¦ - binnen België IC-verwerving ¦ ¦ handhaving van de regeling ¦ - naar andere invoer ¦ ¦ BTW-ENTREPOT ¦ L.S. +---+------------------------------------+ - naar derde ¦ land ¦ binnenlandse verzending ¦ B ------+ 86. Goederen die onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst met toepassing van de vrijstelling bedoeld in artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek (invoer, intracommunautaire verwerving, levering) kunnen, vooraleer ze in het entrepot worden opgeslagen, eventueel één of meerdere diensten ondergaan. Na afloop van deze handelingen moeten de goederen echter beantwoorden aan de beperkingen voorzien in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 54 (z. nrs. 12 tot 20, 29 en 30). 87. We herinneren eraan dat krachtens de communautaire wetgeving inzake accijnzen zowel de vervaardiging als de omvorming van accijnsproducten, alsmede andere bewerkingen steeds verplicht in een belastingentrepot moeten worden verricht. Bijgevolg kan vóór de opslag van deze goederen geen enkele dienst plaatsvinden, aangezien het belastingentrepot ambtshalve als BTW-entrepot wordt aangemerkt voor de erin toegelaten goederen (z. nr. 49).
88. Overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, a), van het Wetboek wordt de plaats waar X het materieel werk verricht aan de goederen die B onder de regeling BTW-entrepot heeft opgeslagen, geacht zich in België te bevinden. Deze dienst is in principe aan de Belgische BTW onderworpen.
Deze handeling wordt echter bij toepassing van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek vrijgesteld. De vrijstelling wordt voorlopig verleend overeenkomstig artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit nr. 54.
Overeenkomstig artikel 51, § 2, 3°, van het Wetboek is B als medecontractant schuldenaar van de terzake verschuldigde belasting.
89. De afwijking inzake de plaatsbepaling van diensten bestaande uit materiële werken aan roerende goederen waarin artikel 21, § 3, 2° b, van het Wetboek voorziet en waarbij de plaats van de dienst verlegd wordt naar het grondgebied van de Lid-Staat die aan de ontvanger het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst aan hem is verleend wanneer de dienst wordt verstrekt aan een ontvanger die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere Lid-Staat dan die waarin de dienst materieel wordt verricht, kan in onderhavig geval niet worden toegepast.
Inderdaad, uit de tekst zelf van het artikel blijkt dat deze afwijking niet toepasselijk is wanneer de goederen niet worden verzonden of vervoerd buiten de Lid-Staat waar de dienst materieel werd verricht. Dit is steeds het geval voor goederen die vóór hun effectieve opslag in het entrepot onder de regeling BTW-entrepot werden bewerkt en waarbij die opslag na de bewerking steeds verplicht is (z. nr. 30).
90. We merken tot slot op dat de vrijstelling van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek niet kan toegepast worden op diensten die betrekking hebben op goederen die ingevolge een binnenlandse verzending onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst, aangezien deze verzending zelf niet is vrijgesteld bij artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek (z. nrs. 32 en 85).
De dienstverrichter is in dit geval schuldenaar van de belasting overeenkomstig de algemene regel van artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek.
C. Opeenvolgende leveringen in het BTW-entrepot (Relaties B - C en C...V). X Y +------- Z -----+ binnenlandse ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ levering ¦ +------------+---------+--------+------+-+IC-levering ¦ ¦ Dienst ¦ Dienst ¦ Dienst ¦Dienst¦ ¦uitvoer ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Dienst¦ ¦ ¦ +-------------+-+uitslag door V-> ¦ ¦ + --------------------+-¦------------+¦ ¦ ¦ ¦ Verkoop Verkopen Verkoop ¦ ¦ W A --------------+-+>B------->C..------>V--------->W---+--+uitslag door W-> binnenlandse ¦ +-----------------------------------+ ¦ verzending: levering ¦ ^ Opeenvolgende verkopen met ¦ - binnen België IC-verwerving ¦ ¦ handhaving van de regeling ¦ - naar andere invoer ¦ ¦ BTW-ENTREPOT ¦ L.S. +---+------------------------------------+ - naar derde ¦ land ¦ binnenlandse verzending ¦ B ------+ 91. Leveringen van goederen die zich onder de regeling BTW-entrepot bevinden met handhaving van die regeling, zijn vrijgesteld van de belasting krachtens artikel 39quater, § 1, 2°, van het Wetboek. 92. De levering door B aan C is dus vrijgesteld op grond van deze bepaling. De vrijstelling wordt voorlopig verleend bij toepassing van artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit nr. 54.
C is schuldenaar van de belasting over deze handeling overeenkomstig artikel 51, § 2, 3°, van het Wetboek.
De levering van goederen onder bezwarende titel door B aan C met handhaving van de regeling heeft tot gevolg dat de vrijstelling, die voorlopig werd verleend voor de levering met plaatsing van de goederen onder de regeling door B, evenals de dienst verricht door X, definitief worden (z. artikel 7, § 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 54).
93. De levering van goederen door C evenals de daaropvolgende leveringen zijn eveneens vrijgesteld van de belasting overeenkomstig artikel 39quater, § 1, 2°, van het Wetboek aangezien het gaat om leveringen van goederen met handhaving van de regeling BTW-entrepot. Deze vrijstellingen worden voorlopig verleend bij toepassing van artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit nr. 54.
Overeenkomstig artikel 51, § 2, 3°, van het Wetboek zijn de opeenvolgende medecontractanten schuldenaar van de belasting die verschuldigd is op de levering van goederen die aan hen werd verricht.
94. De levering van goederen onder bezwarende titel verricht door C met handhaving van de regeling BTW-entrepot heeft de definitieve vrijstelling van de levering door B aan C tot gevolg (z. artikel 7, § 2, 1° van het koninklijk besluit nr. 54).
Op dezelfde wijze wordt de voorlopige vrijstelling die aan elk van de daaropvolgende verkopen werd verleend, definitief van zodra de goederen het voorwerp uitmaken van een nieuwe levering onder bezwarende titel met handhaving van de regeling.
95. Wanneer C zich tot Y richt om de goederen na hun opslag een dienst te laten ondergaan, dan wordt de plaats van de dienst geacht zich in België te bevinden bij toepassing van artikel 21, § 3, 2°, a)), van het Wetboek. Deze dienst is, in principe, onderworpen aan de Belgische belasting.
Deze handeling kan echter worden vrijgesteld bij artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek wanneer ze bedoeld is in bijlage 3 bij deze aanschrijving (z. nr. 33).
Om onder de regeling BTW-entrepot te kunnen blijven, moeten de goederen na beëindiging van de dienst blijven beantwoorden aan de beperkingen voorzien in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 54 (z. nrs 12 tot 20 en 35).
96. Er wordt opgemerkt dat de afwijking inzake de plaatsbepaling van materiële werken aan roerende goederen waarin artikel 21, § 3, 2°, b) van het Wetboek voorziet en waarbij de plaats van de dienst verlegd wordt naar het grondgebied van de Lid-Staat die aan de ontvanger het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst aan hem is verleend wanneer de dienst wordt verstrekt aan een ontvanger die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere Lid-Staat dan die waarin de dienst materieel wordt verricht, in onderhavig geval niet kan worden toegepast.
Inderdaad, zoals uit de tekst zelf van het artikel blijkt, wordt deze afwijking niet toegepast wanneer de goederen niet worden verzonden of vervoerd buiten de Lid-Staat waar de dienst materieel werd verricht. Dit laatste is steeds het geval voor goederen die bewerkt zijn onder de regeling BTW-entrepot en die onder deze regeling gehandhaafd blijven.
1. de dienst verricht door Y is bedoeld in bijlage 3 bij deze aanschrijving.
97. In onderhavig geval gaat het om een dienst verricht aan goederen die zich onder de regeling BTW-entrepot bevinden en geniet de dienst de voorlopige vrijstelling voorzien bij artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek (z. artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 54).
C is schuldenaar van de belasting over deze handeling krachtens artikel 51, § 2, 3°, van het Wetboek.
98. De levering van de goederen door C met handhaving van de regeling maakt de vrijstelling die voor deze dienst werd verleend, definitief overeenkomstig artikel 7, § 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 54.
2. de dienst verricht door Y is niet bedoeld in bijlage 3 bij deze aanschrijving.
99. Het gaat om een dienst verricht aan goederen die zich onder de regeling BTW-entrepot bevinden maar die op grond van artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 54 wordt uitgesloten van de vrijstelling bedoeld in artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek (z. nr. 33).
De gewone regels inzake heffing zijn derhalve van toepassing op deze handelingen. Y is schuldenaar van de belasting overeenkomstig artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek.
E. Onttrekking van de goederen aan de regeling BTW-entrepot (Relaties V - W en W - W).
100. Om uit te maken welke BTW-regeling van toepassing is bij de onttrekking van de goederen aan de regeling BTW-entrepot, moet in de relatie V-W volgend onderscheid gemaakt worden :
V onttrekt de goederen aan de regeling BTW-entrepot ingevolge hun levering zonder handhaving van de regeling X Y +------- Z -----+ binnenlandse ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ levering ¦ +------------+---------+--------+------+-+IC-levering ¦ ¦ Dienst ¦ Dienst ¦ Dienst ¦Dienst¦ ¦uitvoer ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Dienst¦ ¦ ¦ +-------------+-+uitslag door V-> ¦ ¦ + --------------------+-¦------------+¦ ¦ ¦ ¦ Verkoop Verkopen Verkoop ¦ ¦ W A --------------+-+>B------->C..------>V--------->W---+--+uitslag door W-> binnenlandse ¦ +-----------------------------------+ ¦ verzending: levering ¦ ^ Opeenvolgende verkopen met ¦ - binnen België IC-verwerving ¦ ¦ handhaving van de regeling ¦ - naar andere invoer ¦ ¦ BTW-ENTREPOT ¦ L.S. +---+------------------------------------+ - naar derde ¦ land ¦ binnenlandse verzending ¦ B ------+ 101. Wanneer de levering door V de onttrekking van de goederen aan de regeling BTW-entrepot met zich meebrengt. dan kan die levering de vrijstelling niet genieten voorzien in artikel 39quater, § 1, 2°, van het Wetboek wegens de niet-handhaving van de regeling. V is dus de persoon die de goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt (z. nr. 70). Deze levering is onderworpen aan de normale regels inzake heffing en maakt in principe de belasting opeisbaar over de overeengekomen prijs tussen V en W. Krachtens artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek is V schuldenaar van deze belasting.
De levering van goederen door V aan W heeft tot gevolg dat de vrijstelling die voorlopig werd verleend voor de levering verricht aan V, definitief wordt overeenkomstig artikel 7, § 2, 2° van het koninklijk besluit nr. 54.
102. Er moet echter nog een bijkomend onderscheid gemaakt worden, om uit te maken of de in principe verschuldigde belasting over deze levering ook effectief moet betaald worden of dat deze levering een vrijstelling kan genieten.
a) de goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken in het kader van een binnenlandse levering.
103. Wanneer goederen aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken in het kader van een binnenlandse levering, dan laat de heffing van de belasting volgens de normale regels over de binnenlandse levering van de goederen door V aan W toe de voorwaarde te respecteren die wordt opgelegd aan de Lid-Staten die de regeling van het BTW-entrepot invoeren en die erin bestaat erop toe te zien dat het bedrag van de BTW dat verschuldigd is bij de onttrekking van de goederen aan de regeling BTW-entrepot, overeenkomt met het belastingbedrag dat verschuldigd zou zijn geweest indien elk van de handelingen in het binnenland was belast (z. nr. 59).
De opeisbare belasting moet in deze situatie door V worden betaald overeenkomstig de gewone bepalingen voor een binnenlandse levering.
Deze levering kan echter eventueel dezelfde vrijstellingen genieten als deze voorzien voor binnenlandse leveringen (bijvoorbeeld de vrijstellingen van artikel 42 van het Wetboek) of vrijgesteld worden op grond van artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek wanneer de goederen naar een ander BTW-entrepot in België worden verzonden en deze verzending toegelaten is (z. nrs. 296 tot 303).
b) de goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken in het kader van een intracommunautaire levering.
104. Wanneer de goederen aan de regeling van het BTW-entrepot worden onttrokken in het kader van een intracommunautaire levering, dan is de levering van de goederen door V van de belasting vrijgesteld bij toepassing van artikel 39bis van het Wetboek, voor zover voldaan is aan de daarbij gestelde voorwaarden.
105. De intracommunautaire verwerving door W is normaal gezien aan de belasting onderworpen in de Lid-Staat van aankomst van het vervoer of van de verzending van de goederen. Bijgevolg is voldaan aan de voorwaarde dat op de goederen eenzelfde fiscale druk moet wegen als wanneer ze niet onder de regeling BTW-entrepot waren geplaatst (z. nr. 59).
106. Er wordt opgemerkt dat als W gehouden is zijn intracommunautaire verwervingen aan de belasting te onderwerpen in de Lid-Staat van aankomst van de goederen, de verwerving in voorkomend geval kan vrijgesteld worden van de belasting op basis van de fiscale bepalingen die van toepassing zijn in die Lid-Staat (bijvoorbeeld wanneer de goederen onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst in deze Lid-Staat gesteld dat het er is toegestaan).
c) de goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken in het kader van een uitvoer.
107. Wanneer de goederen aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken met het oog op een uitvoer, kan de levering van de goederen door V in België van de belasting worden vrijgesteld bij toepassing van artikel 39, § 1, 1° of 2°, van het Wetboek voor zover voldaan is aan de daarbij gestelde voorwaarden.
Aangezien op uitgevoerde goederen in principe geen enkele fiscale druk mag wegen, impliceert de vrijstelling van deze levering dat de voorwaarde gesteld in artikel 16, § 1, van de Zesde BTW-Richtlijn in dit geval eveneens gerespecteerd is (z. nr. 59).
W onttrekt de goederen aan de regeling BTW-entrepot, los van elke handelstransactie X Y +------- Z -----+ binnenlandse ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ levering ¦ +------------+---------+--------+------+-+IC-levering ¦ ¦ Dienst ¦ Dienst ¦ Dienst ¦Dienst¦ ¦uitvoer ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Dienst¦ ¦ ¦ +-------------+-+uitslag door V-> ¦ ¦ + --------------------+-¦------------+¦ ¦ ¦ ¦ Verkoop Verkopen Verkoop ¦ ¦ W A --------------+-+>B------->C..------>V--------->W---+--+uitslag door W-> binnenlandse ¦ +-----------------------------------+ ¦ verzending: levering ¦ ^ Opeenvolgende verkopen met ¦ - binnen België IC-verwerving ¦ ¦ handhaving van de regeling ¦ - naar andere invoer ¦ ¦ BTW-ENTREPOT ¦ L.S. +---+------------------------------------+ - naar derde ¦ land ¦ binnenlandse verzending ¦ B ------+ 108. Wanneer W, los van elke handelstransactie, de goederen als eigenaar onttrekt aan de regeling BTW-entrepot, betekent dit dat de verkoop V - W hoe dan ook geen aanleiding gaf tot de onttrekking van de goederen aan de regeling. Deze levering had bijgevolg plaats met voorlopige vrijstelling van de belasting, krachtens artikel 39quater, § 1, 2° van het Wetboek en artikel 7, § 1 van het koninklijk besluit nr. 54.
W is schuldenaar van de belasting over deze levering, bij toepassing van artikel 51, § 2, 3° van het Wetboek.
Al naargelang de bestemming die de goederen krijgen, wordt de voorlopige vrijstelling op de levering V - W definitief of moet deze worden geregulariseerd bij de onttrekking van de goederen aan de regeling.
a) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en blijven in het binnenland.
109. Wanneer W de goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt en de goederen blijven in België, dan verricht hij een binnenlandse verzending die niet aan de belasting onderworpen is.
110. Aan de Lid-Staten die een regeling BTW-entrepot instellen, werd de verplichting opgelegd om bij de onttrekking van de goederen aan de regeling BTW-entrepot een bedrag te innen dat overeenkomt met het bedrag dat zou verschuldigd zijn geweest wanneer elk van de handelingen die plaatsvonden onder de regeling, belast was geweest in het binnenland (z. nr. 59). Dit heeft in onderhavig geval tot gevolg dat de voorlopige vrijstelling die aan W werd verleend voor de aankoop van de goederen, niet definitief kan worden.
111. Overeenkomstig artikel 7, § 3, b) van het koninklijk besluit nr. 54 wordt de belasting op de door V verrichte levering opeisbaar in hoofde van W over de prijs die tussen de partijen werd overeengekomen. Dit belet echter niet dat eventueel toepassing wordt gemaakt van de vrijstellingen die voorzien zijn voor leveringen van goederen in het binnenland (bijvoorbeeld de vrijstellingen bedoeld in artikel 42 van het Wetboek).
Artikel 9 van dit koninklijk besluit stelt dat de belasting opeisbaar wordt op het tijdstip dat de goederen aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken tegen het tarief dat van toepassing zou zijn geweest indien de levering niet voorlopig was vrijgesteld.
De opeisbare belasting moet in deze situatie worden voldaan op de wijze uiteengezet in het nr. 213.
b) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en maken het voorwerp uit van een met een intracommunautaire levering gelijkgestelde overbrenging.
112. Wanneer W de goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt en ze, los van elke handelstransactie, verzendt of vervoert naar een andere Lid-Staat, verricht hij een intracommunautaire overbrenging van goederen.
De overbrenging door een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere Lid-Staat wordt, overeenkomstig artikel 12bis, eerste lid van het Wetboek, met een levering van goederen onder bezwarende titel gelijkgesteld en is derhalve een belastbare handeling.
Deze handeling is bij toepassing van artikel 39bis van het Wetboek vrijgesteld, voor zover de in dat artikel gestelde voorwaarden zijn vervuld.
113. Het bestemmen van een goed door W voor de doeleinden van zijn economische activiteit in de Lid-Staat van aankomst wordt bij toepassing van artikel 28bis, § 6 van de Zesde BTW-Richtlijn gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel. Deze verwerving is in die Lid-Staat in de regel aan de belasting onderworpen, over de aankoopprijs van de goederen door W. Hierdoor is voldaan aan de voorwaarde dat de fiscale druk gelijk moet zijn aan deze die de goederen hadden moeten dragen wanneer ze niet onder de regeling BTW-entrepot waren geplaatst (z. nr. 59).
De voorlopige vrijstelling voor de levering V - W wordt dus overeenkomstig artikel 7, § 2, 3° van het koninklijk besluit nr. 54 definitief bij het onttrekken van de goederen voor deze bestemming.
c) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en maken het voorwerp uit van een overbrenging bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° of 7° van het Wetboek.
114. In afwijking van artikel 12bis, eerste lid van het Wetboek, bepaalt artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° en 7° van het Wetboek dat de overbrenging door een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere Lid-Staat niet wordt gelijkgesteld met een levering van goederen onder bezwarende titel wanneer het gaat om één van de volgende handelingen :
116. Bijgevolg dient deze situatie op dezelfde manier behandeld te worden als deze beschreven onder letter a) (z. nrs. 109 tot 111), waarbij de goederen in België blijven wanneer ze aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken.
117. In de veronderstelling dat W de goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt en ze verzendt of vervoert naar een plaats buiten België maar binnen de Gemeenschap met het oog op het verrichten van een handeling als bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° of 7° van het Wetboek, dan wordt, overeenkomstig artikel 7, § 3, b) van het koninklijk besluit nr. 54, de belasting opeisbaar op de hem door V verrichte levering, over de prijs die tussen de partijen werd overeengekomen.
Overeenkomstig artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 54 wordt deze belasting opeisbaar op het tijdstip dat de goederen aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken, tegen het tarief dat van toepassing zou zijn geweest indien de levering V - W niet voorlopig was vrijgesteld.
De opeisbare belasting moet in deze situatie worden voldaan op de wijze uiteengezet in het nr. 213.
De levering V - W kan eventueel een vrijstelling genieten die voorzien is voor leveringen van goederen in het binnenland (bijvoorbeeld de vrijstelling bedoeld in artikel 42 van het Wetboek).
d) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en vervolgens uitgevoerd.
118. Wanneer W de goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt om ze uit te voeren buiten de Gemeenschap, verricht hij een verzending die niet aan de belasting is onderworpen.
Vermits er in de Gemeenschap geen verbruik plaatsvindt, moet op uitgevoerde goederen geen belasting drukken. De vrijstelling die voorlopig werd verleend voor de levering V - W, wordt dus definitief bij het onttrekken van de goederen voor deze bestemming, overeenkomstig artikel 7, § 2, 3° van het koninklijk besluit nr. 54.
De voorwaarde gesteld in artikel 16, § 1 van de Zesde BTW-Richtlijn wordt in deze situatie eveneens nageleefd (z. nr. 59).
F. Dienstverrichting op het einde van de opslag (Relatie Z-V en Z-W). X Y +------- Z -----+ binnenlandse ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ levering ¦ +------------+---------+--------+------+-+IC-levering ¦ ¦ Dienst ¦ Dienst ¦ Dienst ¦Dienst¦ ¦uitvoer ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Dienst¦ ¦ ¦ +-------------+-+uitslag door V-> ¦ ¦ + --------------------+-¦------------+¦ ¦ ¦ ¦ Verkoop Verkopen Verkoop ¦ ¦ W A --------------+-+>B------->C..------>V--------->W---+--+uitslag door W-> binnenlandse ¦ +-----------------------------------+ ¦ verzending: levering ¦ ^ Opeenvolgende verkopen met ¦ - binnen België IC-verwerving ¦ ¦ handhaving van de regeling ¦ - naar andere invoer ¦ ¦ BTW-ENTREPOT ¦ L.S. +---+------------------------------------+ - naar derde ¦ land ¦ binnenlandse verzending ¦ B ------+ 119. Wanneer de goederen nog één of meerdere diensten ondergaan vooraleer ze daadwerkelijk uit het BTW-entrepot worden uitgeslagen, moeten de fiscale gevolgen voor deze diensten worden onderzocht, alsmede de eventuele invloed ervan op het BTW-stelsel dat van toepassing is bij het onttrekken van de goederen aan de regeling BTW-entrepot, zoals uiteengezet in de nrs. 100 tot 118. A. De goederen maken het voorwerp uit van een dienst verricht door Z vóór de verkoop V - W.
120. In de veronderstelling dat V aan de goederen een dienst laat verrichten door Z vooraleer ze te verkopen aan W, wordt deze dienst geacht plaats te vinden in België bij toepassing van artikel 21, § 3, 2°, a)) van het Wetboek. Deze handeling is in principe in België aan de belasting onderworpen.
Deze dienst is evenwel vrijgesteld van de belasting bij toepassing van artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek indien hij is opgenomen in bijlage 3 bij deze aanschrijving (z. nr. 33).
De goederen kunnen slechts onder de regeling BTW-entrepot blijven indien ze, na uitvoering van de dienst, nog steeds beantwoorden aan de beperkingen voorzien in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 54 (z. nrs. 12 tot 20 en 35).
121. Er wordt opgemerkt dat de afwijking voorzien in artikel 21, § 3, 2°, b)) van het Wetboek in dit geval niet kan toegepast worden. Dit artikel situeert de plaats van een materieel werk dat betrekking heeft op een roerend goed in de Lid-Staat die aan de ontvanger van de dienst het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst aan hem is verleend wanneer de dienst wordt verstrekt aan een ontvanger die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere Lid-Staat dan die waarin de dienst materieel wordt verricht.
Het bedoelde artikel stelt immers uitdrukkelijk dat de afwijking niet van toepassing is indien de goederen niet zijn verzonden of vervoerd buiten de Lid-Staat waar de dienst materieel is verricht. Dit is steeds het geval voor materieel werk verricht aan goederen die zich onder de regeling BTW-entrepot bevinden en waarbij deze regeling gehandhaafd blijft vermits de goederen nog niet werden verkocht door V aan W.
1. De door Z verrichte dienst is opgenomen in bijlage 3 bij deze aanschrijving.
122. Het gaat in dit geval om een dienst met betrekking tot goederen die zich onder de regeling BTW-entrepot bevinden. Deze dienst geniet de voorlopige vrijstelling bedoeld in artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek (z. artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 54).
V is schuldenaar van de belasting over deze handeling, bij toepassing van artikel 51, § 2, 3° van het Wetboek.
123. Ingevolge de levering van de bewerkte goederen door V aan W, wordt de vrijstelling voor de door Z verrichte dienst definitief, bij toepassing van artikel 7, § 2, 1° of 2° van het koninklijk besluit nr. 54, naargelang de levering aan W plaatsvindt met of zonder handhaving van de regeling BTW-entrepot (z. nr. 100).
124. Aangezien de waarde van de dienst verrekend zal zijn in de tussen V en W overeengekomen verkoopprijs van de goederen, heeft de definitieve vrijstelling van deze dienst geen enkele invloed op het belastingbedrag dat verschuldigd is bij de aanzuivering van de regeling BTW-entrepot. Deze aanzuivering gebeurt volgens hetzelfde onderscheid en volgens dezelfde regels als uiteengezet in de nrs. 100 tot 118.
2. De door Z verrichte dienst is niet opgenomen in bijlage 3 bij deze aanschrijving.
125. Hoewel het in dit geval om een dienst gaat met betrekking tot goederen die zich onder de regeling BTW-entrepot bevinden, wordt deze dienst door artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 54 uitgesloten van de vrijstelling bedoeld in artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek (z. nr. 33).
De normale regels inzake belastingheffing zijn dan ook van toepassing op deze handeling. Z is overeenkomstig artikel 51, § 1, 1° van het Wetboek schuldenaar van de op de handeling verschuldigde belasting.
126. Aangezien de waarde van de dienst verrekend zal zijn in de tussen V en W overeengekomen verkoopprijs van de goederen, moet het bedrag van de verschuldigde belasting ter gelegenheid van de aanzuivering van de regeling BTW-entrepot, worden vastgesteld volgens hetzelfde onderscheid en volgens dezelfde regels als uiteengezet in de nrs. 100 tot 118.
B. De goederen maken het voorwerp uit van een dienst verricht door Z na de verkoop V - W zonder handhaving van de regeling.
127. Z verricht voor rekening van Veen dienst aan goederen die door V zonder handhaving van de regeling reeds werden verkocht aan W, maar die door V nog niet uit het BTW-entrepot werden uitgeslagen. Deze dienst is aan de belasting onderworpen, hetzij overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, a) van het Wetboek in België waar hij materieel wordt verricht, hetzij in de Lid-Staat die V als ontvanger van de dienst het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst aan die ontvanger is verleend indien de voorwaarden voorzien in artikel 21, § 3, 2°, b) van het Wetboek zijn nageleefd.
128. In laatstgenoemde veronderstelling valt de handeling buiten het toepassingsgebied van de Belgische BTW en geeft ze in principe aanleiding tot een belastingheffing in de Lid-Staat waar de ontvanger van de dienst geïdentificeerd is.
De aanzuivering van de regeling BTW-entrepot in hoofde van V moet in deze situatie dan ook gebeuren volgens hetzelfde onderscheid en volgens dezelfde regels als uiteengezet in de nrs. 104 tot 107.
129. Wanneer de dienst die wordt verricht vooraleer de door V aan W verkochte goederen effectief uit het BTW-entrepot worden uitgeslagen, geacht wordt in België plaats te vinden, kan hij niet worden vrijgesteld bij toepassing van artikel 39quater van het Wetboek. Dit belet de eventuele toepassing echter niet van andere vrijstellingen die voorzien zijn voor die diensten (bijvoorbeeld deze voorzien in artikel 39, § 1, 3° of artikel 42 van het Wetboek).
130. Artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 54 bepaalt inderdaad dat de diensten die opgenomen zijn in bijlage 3 bij deze aanschrijving, uitgesloten zijn van de vrijstelling, wanneer ze betrekking hebben op goederen die zich in een BTW-entrepot bevinden. maar die het voorwerp hebben uitgemaakt van een levering zonder handhaving van de regeling (z. nr. 36).
Overeenkomstig artikel 51, § 1, 1° van het Wetboek is dienstverrichter Z in dat geval schuldenaar van de belasting (z. nr. 74).
131. Indien de door Z verrichte dienst niet is opgenomen in bijlage 3 bij deze aanschrijving, is ze uitgesloten van de bedoelde vrijstelling ingevolge artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 54 (z. nr. 33).
Overeenkomstig artikel 51, § 1, 1° van het Wetboek is dienstverrichter Z ook in dat geval schuldenaar van de belasting.
132. De aanzuivering van de regeling BTW-entrepot in hoofde van V moet ook in deze situatie gebeuren volgens hetzelfde onderscheid en volgens dezelfde regels als uiteengezet in de nrs. 101 tot 107.
C. De goederen maken het voorwerp uit van een dienst verricht door Z na de verkoop V - W met handhaving van de regeling.
133. Z verricht voor rekening van W een dienst aan goederen die met handhaving van de regeling reeds werden verkocht door V aan W, maar die door W nog niet uit het BTW-entrepot werden uitgeslagen. Deze dienst is aan de belasting onderworpen, hetzij overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, a) van het Wetboek in België waar hij materieel wordt verricht, hetzij in de Lid-Staat die aan de ontvanger van de dienst het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst aan die ontvanger is verleend indien de voorwaarden voorzien in artikel 21, § 3, 2°, b) van het Wetboek zijn nageleefd.
134. In laatstgenoemde veronderstelling valt de handeling buiten het toepassingsgebied van de Belgische BTW en geeft ze in principe aanleiding tot een belastingheffing in de Lid-Staat waar de ontvanger van de dienst geïdentificeerd is.
De aanzuivering van de regeling BTW-entrepot in hoofde van W moet dan gebeuren volgens hetzelfde onderscheid en volgens dezelfde regels als uiteengezet in de nrs. 112 tot 118.
135. Wanneer de dienst geacht wordt plaats te vinden in België, waar hij materieel wordt verricht, moet een onderscheid gemaakt worden naargelang de handeling al dan niet is opgenomen in bijlage 3 bij deze aanschrijving.
1. De door Z Verrichte dienst is opgenomen in bijlage 3 bij deze aanschrijving.
136. In dat geval is de dienst voorlopig vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek en artikel 7, § 1, 3° van het koninklijk besluit nr. 54.
Overeenkomstig artikel 51, § 2, 3° van het Wetboek is W schuldenaar van de belasting op deze handeling.
De aanzuivering van de regeling BTW-entrepot in hoofde van W moet gebeuren in functie van de bestemming die aan de goederen wordt gegeven.
a) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en blijven in het binnenland.
137. Zowel de levering van goederen door V aan W, als de dienst verricht door Z voor rekening van W, werden voorlopig vrijgesteld.
W is voor de beide handelingen schuldenaar van de belasting.
Wanneer hij los van elke handelstransactie, de goederen onttrekt aan de regeling BTW-entrepot en de goederen blijven in België, verricht hij een binnenlandse verzending. Deze verzending is niet aan de belasting onderworpen vermits ze in het binnenland plaatsvindt.
138. Vermits de onttrekking van de goederen aan de regeling, niet onderworpen is aan de belasting is niet voldaan aan de voorwaarde die artikel 16, § 1 van de Zesde BTW-Richtlijn oplegt aan de Lid-Staten die een regeling BTW-entrepot instellen (z. nr. 59).
Bijgevolg kunnen de voorlopige vrijstellingen die W geniet, niet definitief worden.
139. Overeenkomstig artikel 7, § 3, b) van het koninklijk besluit nr. 54, wordt de belasting opeisbaar in hoofde van W, zowel voor de hem verrichte levering als voor de hem verstrekte dienst, over de prijs die tussen de partijen werd overeengekomen.
Krachtens artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 54 wordt de belasting op deze twee handelingen opeisbaar op het tijdstip dat de goederen aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken, tegen het tarief dat van toepassing zou geweest zijn op elk van deze handelingen indien zij niet voorlopig waren vrijgesteld.
De levering V - W en de dienst Z - W kunnen eventueel wel de vrijstelling genieten die voorzien is voor dergelijke handelingen in het binnenland (bijvoorbeeld de vrijstelling van artikel 42 van het Wetboek).
b) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en maken het voorwerp uit van een met een intracommunautaire levering gelijkgestelde overbrenging.
140. Wanneer W de goederen onttrekt aan de regeling BTW-entrepot en ze vervolgens, los van elke handelstransactie, verzendt of vervoert naar een andere Lid-Staat, verricht hij een intracommunautaire overbrenging van goederen.
De overbrenging door een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere Lid-Staat wordt gelijkgesteld met een levering van goederen onder bezwarende titel op grond van artikel 12bis van het Wetboek en is dus een belastbare handeling.
Deze handeling is vrijgesteld bij toepassing van artikel 39bis van het Wetboek, voor zover voldaan is aan de in dat artikel gestelde voorwaarden.
141. Het bestemmen van een goed door W voor de doeleinden van zijn economische activiteit in de Lid-Staat van aankomst, wordt bij toepassing van artikel 28bis, § 6 van de Zesde BTW-Richtlijn gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel. Deze verwerving is in die Lid-Staat in de regel aan de belasting onderworpen, over de kostprijs van de goederen overeenkomstig de artikelen 28sexies en 11, A, § 1, b) van de Zesde BTW-Richtlijn.
De maatstaf van heffing van de belastbare overbrenging omvat dus niet alleen de aankoopprijs van de goederen door W, maar ook de dienst die Z verricht onder de regeling BTW-entrepot. Hierdoor is voldaan aan de voorwaarde dat de fiscale druk gelijk moet zijn aan deze die de goederen hadden moeten dragen wanneer ze niet onder de regeling BTW-entrepot waren geplaatst (z. nr. 59). De vrijstelling die voorlopig werd verleend voor de levering V - W en de dienst Z - W, wordt dus overeenkomstig artikel 7, § 2, 3° van het koninklijk besluit nr. 54 definitief bij het onttrekken van de goederen.
c) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en maken het voorwerp uit van een overbrenging bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° of 7° van het Wetboek.
142. Om dezelfde redenen als uiteengezet in de nrs. 114 en 115, moet deze situatie op identieke wijze worden behandeld als deze onder letter a) (z. nrs. 137 tot 139), waarbij de goederen in België blijven wanneer ze aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken.
143. Overeenkomstig artikel 7, § 3, b) van het koninklijk besluit nr. 54, wordt de belasting opeisbaar in hoofde van W, zowel voor de hem door V verrichte levering als voor de hem door Z verstrekte dienst, over de prijs die tussen de partijen werd overeengekomen.
Krachtens artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 54 wordt de belasting over deze twee handelingen opeisbaar op het tijdstip dat de goederen aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken tegen het tarief dat van toepassing zou geweest zijn op elk van deze handelingen indien zij niet voorlopig waren vrijgesteld.
De levering V - W en de dienst Z - W kunnen eventueel wel een vrijstelling genieten die voorzien is voor dergelijke handelingen in het binnenland (bijvoorbeeld de vrijstelling van artikel 42 van het Wetboek).
d) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en vervolgens uitgevoerd
144. Wanneer W, los van elke handelstransactie, de goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt om ze uit te voeren buiten de Gemeenschap. verricht hij een verzending die niet aan de belasting is onderworpen.
Vermits er in de Gemeenschap geen verbruik is, moet op uitgevoerde goederen geen belasting drukken. De vrijstelling die voorlopig werd verleend voor de levering V - W en voor de dienst Z - W wordt dus overeenkomstig artikel 7, § 2, 3° van het koninklijk besluit nr. 54 definitief bij het onttrekken van de goederen voor deze bestemming.
De voorwaarde gesteld in artikel 16, § 1 van de Zesde BTW-Richtlijn wordt in deze situatie eveneens nageleefd (z. nr. 59), niettegenstaande de vrijstelling voor de levering van de goederen en voor de dienst.
2. De door Z verrichte dienst is niet opgenomen in bijlage 3 bij deze aanschrijving.
145. Artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 54 sluit deze dienst uit van de vrijstelling voorzien bij artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek (z. nr. 33).
De normale regels inzake belastingheffing zijn dan ook van toepassing op deze handeling, zonder afbreuk te doen aan de eventuele toepassing van andere vrijstellingen die voorzien zijn voor diensten (bijvoorbeeld deze van artikel 39, § 1, 3° of 42 van het Wetboek). Overeenkomstig artikel 51, § 1, 1° van het Wetboek is Z schuldenaar van de belasting op deze handeling.
146. De aanzuivering van de regeling BTW-entrepot moet in deze situatie gebeuren volgens hetzelfde onderscheid en volgens dezelfde regels als uiteengezet in de nrs. 108 tot 118.
HOOFDSTUK III. DE VERPLICHTINGEN.
147. Dit hoofdstuk geeft een uiteenzetting van de specifieke verplichtingen die worden opgelegd in het kader van de toepassing van de regeling BTW-entrepot.
De eerste afdeling van dit hoofdstuk handelt over de verplichtingen die rechtstreeks verband houden met de eigenlijke werking van de regeling BTW-entrepot : de verplichtingen ten aanzien van goederen en diensten opgelegd aan de betrokken partijen bij de inslag, bij de overdracht met handhaving van de regeling en bij de uitslag uit het BTW-entrepot alsmede de manier waarop de BTW moet worden voldaan ingeval van regularisatie.
De tweede afdeling van dit hoofdstuk herneemt het praktijkvoorbeeld uit hoofdstuk II en geeft een opsomming van de verplichtingen bij elke handeling uit dat voorbeeld.
De derde afdeling van dit hoofdstuk handelt over de verplichtingen die niet rechtstreeks verbonden zijn aan de eigenlijke werking van het BTW-entrepot : de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de voldoening van de belasting en de fiscale vertegenwoordiging van niet in België gevestigde belastingplichtigen.
148. Wanneer goederen het voorwerp uitmaken van handelingen onder de regeling BTW-entrepot, zijn bepaalde voorlopige vrijstellingen van BTW toepasselijk (z. Hoofdstuk II). De betrokken partijen moeten het recht op deze vrijstellingen evenwel kunnen bewijzen en de administratie moet de juistheid ervan kunnen controleren.
De goederen die via het BTW-entrepot worden verhandeld, moeten bovendien fiscaal gevolgd kunnen worden : welke bestemming hebben de goederen gekregen bij de uitslag ? Zijn alle ingeslagen goederen ook uitgeslagen ? Zijn er goederen die ontbreken ?
149. Volgende specifieke verplichtingen zijn noodzakelijk voor de goede werking van het BTW-entrepot :
Wanneer hierna de term vergunninghouder wordt gebruikt, wordt daarmee de persoon bedoeld waarvan sprake in de nrs. 42, 46 en 49 hiervoor.
151. Voor de goederen, zowel accijnsproducten als andere dan accijnsproducten, die onder de regeling BTW-entrepot worden opgeslagen, moet de vergunninghouder een voorraadadministratie voeren waarin alle inslagen en uitslagen chronologisch moeten worden geboekt met verwijzing naar het opslag- respectievelijk uitslagdocument en waaruit op elk moment de nog te verantwoorden voorraad moet blijken. De voorraadadministratie moet het geheel der plaatsen omvatten, die in de verkregen bijzondere vergunning zijn erkend voor de toepassing van de regeling BTW-entrepot.
Wanneer in de bijzondere vergunning meerdere plaatsen zijn erkend, waar goederen onder de regeling kunnen worden opgeslagen, moet in de voorraadadministratie worden aangegeven welke goederen zich op welke plaats bevinden. In de bijzondere vergunning is de plaats vermeld waar de voorraadadministratie zich moet bevinden ter inzage van de ambtenaren belast met het toezicht en de controle van de regeling BTW-entrepot.
De voorraadadministratie moet worden gevoerd ongeacht de aard van de goederen en het type BTW-entrepot.
De voorraadadministratie bestaat eigenlijk uit de opgave van opslagdocumenten, de opgave van uitslagdocumenten alsmede uit een verzameling voorraadfiches waarop per type van goederen de in- en uitslagen worden aangetekend.
152. De vorm van de fiches mag worden aangepast aan de noodwendigheden van de vergunninghouder (bvb. bij geautomatiseerd beheer).
De fiches moeten evenwel ten minste de volgende vermeldingen bevatten :
153. De verplichtingen worden hierna omschreven naargelang de inslag van de goederen het gevolg is van een invoer, een intracommunautaire verwerving, een levering of een binnenlandse verzending. Een laatste en afzonderlijk onderdeel is gewijd aan de verplichtingen in verband met diensten die worden verricht aan goederen die onder de regeling worden geplaatste doch die nog niet effectief zijn opgeslagen in het BTW-entrepot.
Invoer.
Het opslagdocument.
154. Uit derde landen of derdelandsgebieden afkomstige goederen, zowel accijnsproducten als niet-accijnsproducten, die bestemd zijn om onder de regeling BTW-entrepot te worden geplaatst, worden voor de toepassing van de BTW voor het verbruik aangegeven met vrijstelling van de BTW op basis van een formulier "Enig Document" gebruikt als aangifte IM4, EU4 of COM4 (z. nr. 25). Vervolgens worden ze ingeslagen in het BTW-entrepot aan de hand van dezelfde aangifte.
De aangifte IM4, EU4 of COM4 dient als opslagdocument.
Er wordt opgemerkt dat accijnsproducten enkel kunnen worden opgeslagen in een BTW-entrepot als die opslag geschiedt in een belastingentrepot. De aangifte IM4, EU4 of COM4 zal in die gevallen vergezeld gaan van een accijnsgeleidedocument.
Het gebruik en de wijze van invullen van het formulier "Enig Document" maakt het voorwerp uit van een instructie van de administratie der douane en accijnzen over het enig document, die kan worden besteld bij de dienst bedoeld in nr. 44.
155. Voor de toepassing van de vrijstelling van BTW in het kader van de regeling BTW-entrepot moeten op de bedoelde aangifte specifiek volgende gegevens voorkomen :
156. Een kopie van de vergunning BTW-entrepot moet ter inzage aan de douane worden overgelegd. Indien de vergunninghouder een niet in België gevestigde persoon vertegenwoordigt onder een globaal BTW-identificatienummer (BE 796.6), moet bovendien een kopie worden overgelegd van het attest van het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen betreffende de toekenning van dat globaal identificatienummer BE 796.6.
De opgave van de opslagdocumenten.
157. De vergunninghouder moet een opgave van opslagdocumenten aanleggen waarin de in het BTW-entrepot opgeslagen goederen zonder uitstel en in volgorde van de data van effectieve opslag worden ingeschreven. Voor ingevoerde goederen, zowel accijnsproducten als andere goederen, moet deze opgave tenminste de volgende gegevens bevatten :
Specifieke verp1ichtingen inzake facturatie.
159. Voor de opslag in het BTW-entrepot van ingevoerde goederen, moet de geadresseerde geen specifieke vermeldingen aanbrengen op de factuur, die aan de douane moet worden voorgelegd samen met de aangifte ten verbruik van de goederen.
Intracommunautaire verwervingen.
Het opslagdocument.
160. De persoon die de intracommunautaire verwerving van de goederen verricht en de goederen opslaat of voor wiens rekening ze worden opgeslagen, moet zich tegenover de vergunninghouder identificeren. De vergunninghouder van zijn kant moet een opslagdocument opstellen en ondertekenen.
161. Het opslagdocument moet worden opgesteld op het tijdstip dat de goederen in het BTW-entrepot worden opgeslagen. Dit document moet tenminste de volgende gegevens bevatten :
163. Het opslagdocument mag worden vervangen door een ander document voor zover het de voornoemde vermeldingen bevat en ondertekend is door de vergunninghouder.
164. Er is ontheffing van de verplichting tot de opmaak van een specifiek opslagdocument wanneer de opslag betrekking heeft op in een belastingentrepot toegelaten accijnsproducten waarvoor bij die gelegenheid een accijnsgeleidedocument werd opgemaakt. In dat geval vervult het accijnsgeleidedocument de functie van opslagdocument. De ontheffing mag enkel worden toegepast op voorwaarde dat op het geleidedocument de naam, het adres en het BE-identificatienummer van de verwerver is vermeld. Dit BE-identificatienummer is desgevallend het globaal BE-identificatienummer waaronder de vergunninghouder de niet in België gevestigde verwerver vertegenwoordigt. Bovendien moet op het geleidedocument worden verwezen naar het volgnummer waaronder dat geleidedocument is ingeschreven in de opgave van opslagdocumenten.
De opgave van de opslagdocumenten.
165. De vergunninghouder moet een opgave van opslagdocumenten aanleggen waarin de in het BTW-entrepot opgeslagen goederen zonder uitstel en in volgorde van de data van effectieve opslag worden ingeschreven.
Voor de opslag van de intracommunautair verworven goederen, zowel accijnsproducten als niet-accijnsproducten, moet deze opgave tenminste de volgende vermeldingen bevatten :
Specifieke verplichtingen inzake facturatie.
167. Voor de opslag in het BTW-entrepot van intracommunautair verworven goederen, moet de verwerver geen specifieke vermeldingen aanbrengen op de hem uitgereikte faktuur of op het stuk bedoeld in artikel 9, § 1 van het koninklijk besluit nr. 1 of op het transfertdocument.
Levering of binnenlandse verzending.
Het opslagdocument.
168. De persoon die in België ofwel goederen koopt en vervolgens in een BTW-entrepot opslaat of voor wiens rekening ze er worden opgeslagen, ofwel de goederen naar een BTW-entrepot verzendt of doet verzenden, moet zich tegenover de vergunninghouder identificeren. De vergunninghouder van zijn kant moet een opslagdocument opstellen en ondertekenen.
169. Het opslagdocument moet worden opgesteld op het tijdstip dat de goederen in het BTW-entrepot worden opgeslagen. Dit document moet tenminste de volgende gegevens bevatten :
171. Wanneer de koper de hem in België geleverde goederen opslaat in het BTW-entrepot, blijft de verkoper ertoe gehouden aan te tonen dat de levering die hij heeft verricht, een handeling is bedoeld in artikel 39quater, § 1, 1° van het Wetboek. Daarom moet die verkoper eveneens in het bezit worden gesteld van een door de vergunninghouder ondertekend exemplaar van het opslagdocument.
172. Het opslagdocument mag worden vervangen door een ander document voor zover het de voornoemde vermeldingen bevat en ondertekend is door de vergunninghouder.
173. Er is ontheffing van de verplichting tot opmaak van een specifiek opslagdocument wanneer de opslag betrekking heeft op in een belastingentrepot toegelaten accijnsproducten waarvoor bij die gelegenheid een accijnsgeleidedocument werd opgemaakt. In dit geval vervult het accijnsgeleidedocument de functie van opslagdocument. De ontheffing mag enkel worden toegepast op voorwaarde dat op het geleidedocument de naam, het adres en het BE-identificatienummer is vermeld van de persoon die de goederen onder de regeling opslaat. Dit BE-identificatienummer is desgevallend het globaal BE-identificatienummer waaronder de vergunninghouder de bedoelde niet in België gevestigde persoon vertegenwoordigt. Bovendien moet op het geleidedocument worden verwezen naar het volgnummer waaronder dat geleidedocument is ingeschreven in de opgave van opslagdocumenten.
De opgave van de opslagdocumenten.
174. De vergunninghouder moet een opgave van de opslagdocumenten aanleggen waarin de in het BTW-entrepot opgeslagen goederen, zowel accijnsproducten als niet-accijnsproducten, zonder uitstel en in volgorde van de data van effectieve opslag worden ingeschreven. In deze opgave moeten ten minste de volgende vermeldingen voorkomen :
Specifieke verplichtingen inzake facturatie.
176. Wanneer de opslag in het BTW-entrepot het gevolg is van een binnenlandse levering, moet de factuur naast de gegevens bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr.1, de volgende specifieke vermeldingen bevatten :
Dit stuk moet de volgende gegevens bevatten :
Diensten verricht aan goederen vóór opslag in het BTW-entrepot.
178. Er is voorlopige vrijstelling van BTW voor diensten verricht aan goederen die onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst, doch die nog niet effectief in dat BTW-entrepot zijn opgeslagen ongeacht de herkomst van deze goederen : een derde land, een andere Lid-Staat of België. Op deze regel zijn er twee uitzonderingen. Diensten verricht aan goederen die vervolgens worden opgeslagen ingevolge een binnenlandse verzending, genieten geen vrijstelling van BTW (z. nr. 32). Accijnsproducten kunnen alleen diensten ondergaan wanneer ze zich in het belastingentrepot en derhalve in het BTW-entrepot bevinden (z. nr. 31).
179. Vooraleer de in nr. 178 bedoelde diensten aan goederen mogen worden verricht onder de regeling BTW-entrepot, moet de vergunninghouder daartoe een vergunning hebben bekomen (z. nr. 51 tot 53).
Er wordt aan herinnerd dat de vergunninghouder deze vergunning eveneens moet hebben bekomen wanneer de in nr. 178 bedoelde diensten buiten de werkingssfeer van de BTW zouden vallen omdat ze bijvoorbeeld niet onder bezwarende titel worden verricht door een als zodanig handelende belastingplichtige.
180. Nadat de dienst is uitgevoerd, moeten de goederen effectief in het BTW-entrepot worden opgeslagen. Er wordt opgemerkt dat de opslag in het entrepot steeds moet vastgesteld worden door middel van een opslagdocument.
Verplichtingen van de vergunninghouder.
181. De vergunninghouder moet met betrekking tot de bedoelde diensten een bijzonder document opstellen met daarop de volgende gegevens :
Ter gelegenheid van de effectieve opslag van de goederen in het BTW-entrepot moet de vergunninghouder :
Specifieke verplichtingen inzake facturatie.
184. De factuur die de dienstverrichter moet uitreiken, moet naast de gegevens bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, de volgende specifieke vermeldingen bevatten :
Verplichtingen voor de vergunninghouder.
185. Er zijn geen specifieke verplichtingen voor de vergunninghouder : voor de handelingen die worden verricht met behoud van de regeling BTW-entrepot, is hij er niet toe gehouden de diverse verkopers-kopers en, in voorkomend geval, dienstverrichter(s) te identificeren. De vergunninghouder blijft niettemin hoofdelijk aansprakelijk voor de voldoening van de belasting die opeisbaar kan worden op deze handelingen (z. nr. 248 tot 252).
Specifieke verplichtingen inzake facturatie.
186. Wat de levering van goederen betreft, die zich in een BTW-entrepot bevinden met handhaving van de regeling, moet de leverancier op de factuur die hij moet uitreiken, naast de gebruikelijke vermeldingen bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, de volgende specifieke vermeldingen aanbrengen :
188. De diensten die bedoeld zijn in bijlage 3 bij deze aanschrijving, kunnen van de BTW worden vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek.
In die veronderstelling dient de factuur die de dienstverrichter moet uitreiken, naast de gebruikelijke vermeldingen bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, de volgende specifieke vermeldingen te bevatten :
190. Hierna volgt een uiteenzetting van de bij de uitslag uit het BTW-entrepot na te leven verplichtingen zowel door de vergunninghouder als door de persoon die de goederen aan de regeling onttrekt, waarbij het nodige onderscheid wordt gemaakt naargelang de bestemming van de goederen en naargelang de uitslag het gevolg is van een levering onder bezwarende titel dan wel van een onttrekking los van elke handelstransactie. Een afzonderlijke afdeling is gewijd aan de verplichtingen met betrekking tot diensten verricht aan goederen op het einde van hun opslag.
Verplichtingen van de vergunninghouder.
Het uitslagdocument.
191. Wanneer de goederen uit het BTW-entrepot worden uitgeslagen, moeten ze fiscaal kunnen worden gevolgd. De persoon die de goederen uitslaat uit het BTW-entrepot of voor wiens rekening ze worden uitgeslagen, moet zich derhalve tegenover de vergunninghouder identificeren met opgave van zijn BE-identificatienummer.
De vergunninghouder van zijn kant moet ter gelegenheid van de uitslag een uitslagdocument opstellen en ondertekenen.
Het uitslagdocument moet worden opgesteld op het tijdstip dat de goederen worden opgehaald in het BTW-entrepot. Op het document moeten de volgende vermeldingen voorkomen :
193. Het uitslagdocument mag worden vervangen door een ander document voor zover de voornoemde vermeldingen erop voorkomen en het ondertekend is.
194. Er is ontheffing van de verplichting om een uitslagdocument op te stellen wanneer de uitslag betrekking heeft op in een belastingentrepot toegelaten accijnsproducten waarvoor bij die gelegenheid een accijnsgeleidedocument wordt opgesteld. In dit geval vervult het accijnsgeleidedocument de rol van uitslagdocument. Deze ontheffing mag enkel toegepast worden op voorwaarde dat op het geleidedocument de naam, het adres en het BE-identificatienummer is vermeld van de persoon die de goederen uitslaat. Bovendien moet op het geleidedocument worden verwezen naar het volgnummer waaronder dat geleidedocument is ingeschreven in de opgave van uitslagdocumenten.
De opgave van de uitslagdocumenten.
195. De vergunninghouder moet een opgave van de uitslagdocumenten aanleggen waarin de uit het BTW-entrepot uitgeslagen goederen zonder uitstel en in volgorde van de data van effectieve uitslag worden ingeschreven. Deze verplichting geldt ongeacht de aard en de bestemming van de goederen.
Deze opgave moet ten minste de volgende vermeldingen bevatten :
Uitslag van goederen uit het BTW-entrepot.
Verantwoording van de toepasselijke BTW-bepalingen bij uitslag.
197. Een onderscheid moet worden gemaakt naargelang de bestemming die de goederen bij uitslag uit het BTW-entrepot krijgen : België, een andere Lid-Staat of een derde land.
België
198. Wanneer de goederen in België blijven, moet er een opsplitsing gemaakt worden naargelang de uitslag al of niet gepaard gaat met een levering onder bezwarende titel.
a) de uitslag is het gevolg van een levering onder bezwarende titel. In dat geval is de BTW in de regel opeisbaar over deze levering. De leverancier is de schuldenaar van deze belasting. Opgemerkt wordt dat de accijns in principe eveneens verschuldigd is wanneer de accijnsproducten aan het belastingentrepot worden onttrokken voor de binnenlandse markt. Het bedrag van de accijns is een element van de maatstaf van heffing inzake BTW.
Nochtans kan de bedoelde levering van de BTW worden vrijgesteld. Dat is inzonderheid het geval wanneer de goederen een bestemming krijgen bedoeld in artikel 42, §§ 1, 2 of 3, 1° tot 6° van het Wetboek. De leverancier die de schuldenaar van de BTW is, zal het recht op deze vrijstelling moeten kunnen aantonen volgens de ter zake geldende bepalingen. Er wordt opgemerkt dat inzake accijns ook een vrijstelling is voorzien wanneer accijnsproducten een bestemming krijgen zoals opgesomd in voornoemd artikel 42.
De bedoelde levering is op grond van artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek vrijgesteld wanneer de goederen in België worden opgeslagen in een ander BTW-entrepot en deze opslag toegelaten is (z. nrs 296 tot 303). De uitslag wordt hierbij gevolgd door een inslag zodat de verantwoording van de vrijstelling bij uitslag dezelfde is als de verantwoording van de inslag tengevolge van een binnenlandse levering.
b) de uitslag is het gevolg van een binnenlandse verzending zonder levering onder bezwarende titel. Aangezien er zich geen belastbaar feit voordoet, is er ingevolge de uitslag geen BTW opeisbaar en moet er geen specifieke verantwoording gegeven worden. Opgemerkt wordt dat er wel een regularisatie doorgevoerd moet worden (z. nrs. 67 en 68).
Andere Lid-Staat
199. Wanneer de goederen bij de uitslag uit het BTW-entrepot naar een andere Lid-Staat worden verzonden, moet een opsplitsing worden gemaakt naargelang deze uitslag al dan niet het gevolg is van een levering onder bezwarende titel.
a) de uitslag is het gevolg van een levering onder bezwarende titel of een daarmee gelijkgestelde handeling. In dat geval is de levering vrijgesteld op grond van artikel 39bis van het Wetboek. Daarbij moet geen onderscheid gemaakt worden of het al dan niet accijnsproducten betreft. De leverancier die de schuldenaar van de belasting is, moet het recht op de vrijstelling aantonen op de wijze zoals voorzien in het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende de intracommunautaire verwervingen van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4de editie). Accijnsproducten kunnen onder schorsing van de accijns naar een andere Lid-Staat worden verzonden, waarbij in de regel een accijnsgeleidedocument is vereist.
b) de uitslag is het gevolg van een handeling bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° of 7° van het Wetboek waarbij de goederen naar een andere Lid-Staat worden verzonden. In dat geval doet zich geen belastbaar feit voor. Bijgevolg moet er geen specifieke verantwoording gegeven worden. Opgemerkt wordt dat er wel een regularisatie doorgevoerd moet worden (z. nrs. 67 en 68).
Derde land
200. Wanneer de goederen bij uitslag uit het BTW-entrepot naar een derde land worden vervoerd of verzonden, moet er een opsplitsing worden gemaakt naargelang de uitslag al of niet gepaard gaat met een levering onder bezwarende titel.
a) de uitslag is het gevolg van een levering onder bezwarende titel. In dat geval is de BTW in de regel opeisbaar. De leverancier is de schuldenaar van deze belasting. Deze levering kan niettemin van de BTW vrijgesteld worden op grond van artikel 39, § 1, van het Wetboek. De leverancier die de schuldenaar van de BTW is, moet het recht op die vrijstelling aantonen op de wijze zoals voorzien in het koninklijk besluit nr. 18, van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van de uitvoer van goederen en diensten naar een plaats buiten de Gemeenschap, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4de editie). Dit bewijs moet worden verstrekt door een geheel van overeenstemmende documenten waarvan de door de bevoegde douane voor uitvoer geviseerde aangifte ten uitvoer EXI, EU1, COM1 het essentiële is.
b) wanneer het vervoer of de verzending naar een derde land niet het gevolg is van een levering onder bezwarende titel, moet volgens de communautaire douanewetgeving alleszins een aangifte ten uitvoer worden voorgelegd. Er wordt opgemerkt dat voor het vervoer van accijnsproducten tot aan de buitengrens van de Europese Unie steeds gebruik moet gemaakt worden van een accijnsgeleidedocument.
Specifieke verplichtingen inzake facturatie.
201. Een onderscheid moet worden gemaakt naargelang de goederen uit het BTW-entrepot worden uitgeslagen ingevolge een levering onder bezwarende titel, dan wel los van enige handelstransactie.
202. Wanneer de goederen uit het BTW-entrepot worden uitgeslagen ingevolge een levering onder bezwarende titel of een op grond van artikel 12bis, eerste lid van het Wetboek daarmee gelijkgestelde handeling, dan is deze levering behoudens één enkele uitzondering (z. hierna) geen handeling bedoeld in artikel 39quater, § 1, van het Wetboek. Bijgevolg worden inzake facturatie geen specifieke verplichtingen voorzien, maar gelden de bepalingen eigen aan het wetsartikel toepasselijk op de handeling die aanleiding geeft tot de uitslag.
Een uitzondering op deze regel vormt de situatie waarbij de goederen aan het BTW-entrepot worden onttrokken ten gevolge van een levering onder bezwarende titel en worden opgeslagen in een ander BTW-entrepot in België. Indien deze opslag is toegelaten, is de levering vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 1° van het Wetboek (z. nrs. 299, 301 en 303). Bijgevolg moeten op de factuur naast de vermeldingen bedoeld in artikel 5, § 1 van het koninklijk besluit nr. 1, en de specifieke vermeldingen betreffende de inslag bedoeld in nr. 176 hierboven, de volgende gegevens worden aangebracht :
Dit stuk moet de volgende gegevens bevatten :
Diensten verricht aan goederen op het einde van de opslag.
204. Diensten verricht aan goederen die op het punt staan te worden uitgeslagen uit het BTW-entrepot, vinden overeenkomstig het bepaalde in artikel 21, § 3, 2° a of b van het Wetboek in België, respectievelijk in een andere Lid-Staat plaats. Wanneer de bedoelde diensten in België plaatsvinden, kunnen deze enkel op grond van artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek van de BTW vrijgesteld worden indien ze zijn bedoeld in bijlage 3 bij deze aanschrijving en indien ze bovendien worden verricht aan goederen waarvoor de regeling gehandhaafd blijft.
205. Er moet bijgevolg een onderscheid worden gemaakt naargelang artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek al dan niet toepassing vindt.
206. Wanneer dat niet het geval is, gelden geen van de gewone regels afwijkende verplichtingen, inzake facturatie, heffing en schuldenaar van de BTW.
Er wordt aan herinnerd dat de bedoelde dienst wegens uitvoer van de BTW kan worden vrijgesteld op grond van artikel 39, § 1, 3° van het Wetboek. De dienstverrichter moet als schuldenaar van de belasting deze vrijstelling verantwoorden conform het bepaalde in het koninklijk besluit nr. 18 van 29 december 1992.
207. Wanneer daarentegen artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek wel toepassing vindt. moet de factuur die de dienstverrichter uitreikt. de vermeldingen bedoeld in artikel 5, § 1 van het koninklijk besluit nr. 1 bevatten. In plaats van de vermelding van de tarieven en van de verschuldigde belasting moeten op de factuur de volgende specifieke vermeldingen worden aangebracht :
"Diensten aan goederen onder de regeling BTW-entrepot Artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek.
BTW opeisbaar in hoofde van de medecontractant - Artikel 51, § 2, 3°, van het Wetboek".
208. De personen bedoeld in de artikelen 51, § 1, 2° (de verwerver), 51, § 2, 3° (de medecontractant van de leverancier en van de dienstverrichter) en 52 (de geadresseerde) van het Wetboek, zijn de schuldenaar van de belasting met betrekking tot de handelingen in het kader van de regeling BTW-entrepot. De bedoelde schuldenaar moet het recht op de toegepaste voorlopige vrijstelling van de BTW aantonen. Hij zal moeten bewijzen dat de toegelaten goederen effectief werden opgeslagen in een welbepaald BTW-entrepot of er zich effectief in bevinden. Dezelfde schuldenaar moet bovendien aantonen dat de toegepaste vrijstelling definitief is geworden.
209. De leverancier of de dienstverrichter die een handeling verricht bedoeld in artikel 39quater, § 1 van het Wetboek, is niet de schuldenaar van de belasting op de door hem verrichte handeling. Ze moeten niettemin kunnen aantonen dat deze handeling een handeling is bedoeld in artikel 39quater, § 1 van het Wetboek.
210. Voor de binnenlandse verzending van goederen naar of vanuit een BTW-entrepot waarbij er geen belastbaar feit plaatsvindt, dient door de betrokken persoon geen vrijstelling te worden verantwoord.
211. In de gevallen opgesomd in nrs. 67 en 68 hiervoor, moet de BTW geregulariseerd worden omdat de vrijstelling niet definitief is geworden. Deze regularisatie kan betrekking hebben op een levering, een dienst, een invoer of een intracommunautaire verwerving. De personen die daarbij schuldenaar zijn van de BTW, zijn opgesomd in nr. 76.
212. Overeenkomstig artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 54, is de BTW opeisbaar op het tijdstip waarop de goederen aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken.
213. De opeisbare BTW moet worden voldaan wanneer de te regulariseren handeling :
215. De opeisbare BTW is aftrekbaar binnen de grenzen van de artikelen 45 tot 48 van het Wetboek. Op grond van artikel 2, 7° van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals dit werd gewijzigd door het koninklijk besluit van 19 november 1996, ontstaat het recht op aftrek op het tijdstip waarop de te regulariseren BTW opeisbaar wordt krachtens artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 54, in casu op het tijdstip waarop de goederen aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken.
216. Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, moet de belastingplichtige in het bezit zijn van de documenten bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969.
217. Al de documenten en stukken waarvan dit hoofdstuk het houden, het opmaken of het uitreiken voorschrijft in het kader van de toepassing van de regeling BTW-entrepot, zijn bedoeld in de artikelen 60 en 61 van het Wetboek. Ze moeten bijgevolg gedurende de voorgeschreven termijn worden bewaard en kunnen worden voorgelegd op ieder verzoek van de ambtenaren van de Administratie die de BTW onder haar bevoegdheid heeft. Deze verplichting geldt voor ieder betrokken persoon ten aanzien van die documenten die hij moet opmaken, uitreiken of waarvan hij een exemplaar in zijn bezit moet hebben.
218. In deze afdeling wordt het voorbeeld van nr. 79 hernomen en worden de specifieke verplichtingen opgesomd die de in het voorbeeld geciteerde partijen alsmede de vergunninghouder moeten naleven voor de toepassing van de regeling BTW-entrepot. X Y +------- Z -----+ binnenlandse ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ levering ¦ +------------+---------+--------+------+-+IC-levering ¦ ¦ Dienst ¦ Dienst ¦ Dienst ¦Dienst¦ ¦uitvoer ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Dienst¦ ¦ ¦ +-------------+-+uitslag door V-> ¦ ¦ + --------------------+-¦------------+¦ ¦ ¦ ¦ Verkoop Verkopen Verkoop ¦ ¦ W A --------------+-+>B------->C..------>V--------->W---+--+uitslag door W-> binnenlandse ¦ +-----------------------------------+ ¦ verzending: levering ¦ ^ Opeenvolgende verkopen met ¦ - binnen België IC-verwerving ¦ ¦ handhaving van de regeling ¦ - naar andere invoer ¦ ¦ BTW-ENTREPOT ¦ L.S. +---+------------------------------------+ - naar derde ¦ land ¦ binnenlandse verzending ¦ B ------+
219. In het voorbeeld wordt ervan uitgegaan dat belastingplichtige B goederen opslaat in het BTW-entrepot. Hij belast tevens X ermee om aan de aangekochte goederen een dienst te verrichten vóór hun effectieve opslag.
Verplichtingen van A
220. A zal in België enkel verplichtingen hebben wanneer hij een binnenlandse levering verricht. Bijgevolg dient enkel die situatie hier te worden aangehaald. Er wordt opgemerkt dat wanneer A in België niet beschikt over een BE-identificatienummer, hij zich fiscaal niet kan laten vertegenwoordigen onder een globaal BE-identificatienummer, omdat hij in dit voorbeeld de goederen niet opslaat in het BTW-entrepot.
Invoer.
224. In het voorbeeld treedt B bij de invoer op als geadresseerde inzake BTW. In de praktijk zal dit doorgaans ook het geval zijn.
B moet :
230. Bij de opsomming van de specifieke verplichtingen van de vergunninghouder bij de opslag van goederen in het BTW-entrepot, moet steeds voor ogen worden gehouden dat de vergunninghouder nog andere hoedanigheden kan aannemen. Zo kan de vergunninghouder ook de persoon zijn die de goederen als eigenaar opslaat of nog, de persoon die vóór de opslag diensten verricht aan de goederen. Hier worden enkel de verplichtingen opgesomd die betrokkene heeft in zijn hoedanigheid van vergunninghouder.
232. In het voorbeeld verkoopt B, met handhaving van de regeling, de goederen die hij in het BTW-entrepot heeft opgeslagen, door aan C. C verkoopt op zijn beurt deze goederen onder de regeling door nadat Y er in het entrepot een dienst heeft aan verricht. De goederen worden vervolgens verscheidene malen doorverkocht in het BTW-entrepot tot ze uiteindelijk door V worden gekocht.
Verplichtingen van B, C, ...
233. De hier bedoelde specifieke verplichtingen gelden voor alle personen die met handhaving van de regeling goederen leveren of aankopen in het BTW-entrepot of aan wie diensten worden verstrekt met betrekking tot goederen die zich onder de regeling bevinden.
235. De specifieke verplichtingen gelden enkel voor diensten verricht aan goederen die zich in een BTW-entrepot bevinden met handhaving van de regeling en welke diensten op grond van artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek voorlopig van de BTW zijn vrijgesteld, met name de diensten bedoeld in bijlage 3 bij deze aanschrijving. Wanneer de dienst niet is vrijgesteld op grond van voornoemd artikel, zijn de gewone bepalingen inzake facturatie, heffing, schuldenaar van de BTW en bewijs van een eventuele andere BTW-vrijstelling van toepassing.
236. Wanneer de dienst verricht door Y wel de voornoemde voorlopige vrijstelling van de BTW kan genieten, moet Y :
Verplichtingen van de vergunninghouder
239. In het voorbeeld staat belastingplichtige V of W de goederen uit uit het BTW-entrepot. Daarbij kan de verkoop door V aan W met of zonder handhaving van de regeling plaatsvinden. Z verricht voor rekening van V of W een dienst aan de goederen terwijl deze zich nog in het BTW-entrepot bevinden.
Verplichtingen van V
240. Hier wordt de situatie bedoeld waarbij V de goederen uit het BTW-entrepot uitslaat ingevolge zijn levering aan W zonder handhaving van de regeling. Indien de levering aan W geschiedde met handhaving van de regeling, heeft V dezelfde verplichtingen als B of C (z. nrs. 233 en 234).
242. V is er niet toe gehouden enige regularisatie door te voeren ten aanzien van de aankoop van de uitgeslagen goederen en in voorkomend geval ten aanzien van de dienst verricht door Z voor rekening van V.
Verplichtingen van W
243. Hier wordt de situatie bedoeld waarbij W de goederen uit het BTW-entrepot uitslaat, los van enige handelstransactie.
W moet :
244. Z verricht ten behoeve van V of van W een dienst waarbij de goederen bestemd zijn om uit het BTW-entrepot te worden uitgeslagen doch waarbij ze nog materieel aanwezig zijn in dat BTW-entrepot.
245. Een onderscheid moet worden gemaakt naargelang de dienst van Z werd verricht vóór of na de levering V - W.
Indien de dienst vóór de levering werd verricht, zijn de verplichtingen van Z identiek dezelfde als die van Y (z. nrs. 235 tot 237).
Indien de dienst werd verricht na de levering, kan de dienst verricht door Z aan V nooit van de BTW worden vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek. De dienst verricht door Z kan bovendien in een andere Lid-Staat gelocaliseerd zijn. Er zijn dan ook voor de regeling BTW-entrepot geen specifieke verplichtingen : de gewone wettelijke en reglementaire bepalingen inzake facturatie, heffing, schuldenaar van de BTW en eventueel het bewijs van een andere BTW-vrijstelling die van toepassing zijn op de dienst van Z, moeten worden nageleefd.
Z moet het dubbel van de uitgereikte factuur bewaren en kunnen voorleggen.
246. Deze situatie is identiek als de situatie van Y, waarnaar wordt verwezen (z. nrs. 235 tot 237). Er moet hier eveneens voor ogen worden gehouden dat de dienst verricht door Z in een andere Lid-Staat kan gelocaliseerd zijn.
Verplichtingen van de vergunninghouder
248. Artikel 51bis, § 3, van het BTW-Wetboek stelt dat de vergunninghouder samen met de personen die krachtens de artikelen 51, § 1, 1° en 2°, § 2, 3° en 4° of 52, § 1, tweede lid van het Wetboek schuldenaar zijn van de belasting, hoofdelijk aansprakelijk is voor de voldoening van de belasting die opeisbaar wordt in het kader van de regeling bedoeld in artikel 39quater, § 1, van het Wetboek.
De belasting kan derhalve van de vergunninghouder geëist worden wanneer in de gevallen bedoeld in artikel 7, § 3 van het koninklijk besluit nr. 54, de voorlopige vrijstelling van BTW niet definitief is geworden en de BTW bijgevolg opeisbaar is (z. nrs, 67 en 68).
249. Anderzijds stelt artikel 8, tweede lid van het koninklijk besluit nr. 54 dat goederen die in het BTW-entrepot ontbreken, behoudens tegenbewijs geacht worden te zijn onttrokken onder de voorwaarden die de BTW opeisbaar maken. De vergunninghouder zal derhalve aansprakelijk zijn voor de voldoening van de BTW met betrekking tot de goederen waarvan hij de bestemming niet kan verantwoorden of die in het BTW-entrepot ontbreken.
250. De vergunninghouder moet derhalve steeds de bestemming kunnen aantonen die de goederen bij hun uitslag uit het BTW-entrepot hebben gekregen.
251. Artikel 51bis, § 3, van het Wetboek heeft eenzelfde hoofdelijke aansprakelijkheid bij de uitslag ingesteld ten aanzien van de vervoerder van de uitgeslagen goederen. De vergunninghouder heeft er derhalve alle belang bij, om de identiteit van de vervoerder en, in voorkomend geval, van zijn lastgever te kennen.
252. In geval van diefstal of van verliezen door overmacht, of door oorzaken die inherent zijn aan de aard van de goederen, bijvoorbeeld verdamping van minerale oliën, of nog wanneer goederen onder toezicht van de bevoegde administratie worden vernietigd, zal geen betaling worden geëist voor zover de nodige bewijzen geleverd worden.
Algemeen principe.
253. Overeenkomstig artikel 55 van het Wetboek dient een niet in België gevestigde belastingplichtige, alvorens er handelingen te verrichten andere dan die waarvoor de BTW krachtens artikel 51, § 2, 1° en 2° van dat Wetboek door de afnemer is verschuldigd, een in België gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen.
De aansprakelijke vertegenwoordiger wordt in de plaats gesteld van zijn buitenlandse lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend en van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd, door of ter uitvoering van het Belgische Wetboek.
Hij is met zijn lastgever hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten waarvan de opeisbaarheid voortvloeit uit de hier te lande verrichte handelingen.
In de gevallen en onder de voorwaarden te bepalen door of vanwege de Minister van Financiën, kunnen de niet in België gevestigde belastingplichtigen worden ontslagen van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen.
Bij overlijden van de aansprakelijke vertegenwoordiger, bij intrekking van zijn erkenning of bij een feit dat zijn onbekwaamheid tot gevolg heeft, moet onmiddellijk in zijn vervanging worden voorzien.
Bij ontstentenis van erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger kan de invordering van de belasting, interesten en de geldboeten geschieden ten laste van de medecontractant van de niet in België gevestigde belastingplichtige.
De reglementaire bepalingen zijn vervat in het koninklijk besluit nr. 31 van 29 december 1992 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen, zoals dit laatst werd gewijzigd door het koninklijke besluit van 28 oktober 1996.
254. Overeenkomstig hetgeen voorafgaat dient in principe een niet in België gevestigde belastingplichtige een aansprakelijke vertegenwoordiger hier te lande te laten erkennen vooraleer in België de hiernavolgende handelingen te verrichten :
Handelingen in verband met de regeling BTW-entrepot.
256. De niet in België gevestigde belastingplichtige dient een hier te lande gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen wanneer deze belastingplichtige in België een of meerdere van de hiernavolgende handelingen in verband met de regeling BTW-entrepot verricht :
257. Voor de in nr. 256 bedoelde handelingen is de erkenning van een hier te lande gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger steeds verplicht en dit ongeacht of die handelingen een geregeld, occasioneel of zelfs een éénmalig karakter hebben.
258. Anderzijds wordt er bij toepassing van artikel 55, vierde lid, van het Wetboek ontheffing verleend van de verplichting hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen aan de niet in België gevestigde belastingplichtige die
b) verstrekken van diensten die van de BTW zijn vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek;
c) aankopen van goederen met vrijstelling van BTW krachtens artikel 39quater, § 1, 2°, van het Wetboek op voorwaarde dat die goederen nadien het voorwerp uitmaken van een door deze belastingplichtige gedane levering die op grond van dezelfde bepaling van de BTW is vrijgesteld (aankopen van goederen onder de regeling BTW-entrepot met handhaving van die regeling gevolgd door de verkoop ervan met handhaving van dezelfde regeling);
In afwijking van bovengenoemd principe wordt echter in bepaalde gevallen de mogelijkheid geboden dat de niet in België gevestigde belastingplichtige hier te lande wordt vertegenwoordigd door een welbepaalde aansprakelijke vertegenwoordiger die beschikt over een Belgisch globaal BTW-identificatienummer.
Eerste categorie van aansprakelijke vertegenwoordiger - Toekenning van een individueel BTW-identificatienummer aan niet in België gevestigde belastingplichtigen
260. Om de erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger te verkrijgen, richt de niet in België gevestigde belastingplichtige aan het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, Van Orleystraat 15 te 1000 Brussel (tel. 02/218.38.60; fax 02/223.35.12) een verzoek waarin hij de bij artikel 53, eerste lid, 1°, van het Wetboek voorgeschreven aangifte van aanvang van werkzaamheid doet en de volledige identiteit vermeldt van de aansprakelijke vertegenwoordiger die hij de administratie ter erkenning voorstelt.
Die vertegenwoordiger moet bekwaam zijn om contracten aan te gaan, in België gevestigd zijn, voldoende solvabel zijn om de door het Wetboek of ter uitvoering ervan aan belastingplichtigen opgelegde verplichtingen na te komen en aanvaarden de belastingplichtige te vertegenwoordigen.
De BTW-administratie beoordeelt de solvabiliteit van de aansprakelijke vertegenwoordiger rekening houdend met zijn verbintenissen. De verbintenis is in principe onbeperkt, maar kan in de praktijk, mits akkoord van de administratie, worden beperkt tot een bepaald bedrag.
Indien de aansprakelijke vertegenwoordiger niet voldoende solvabel is, wordt een zekerheid gevraagd tot waarborg van de invordering van al wat ten laste van de vertegenwoordigde belastingplichtige opeisbaar zou kunnen worden uit hoofde van belasting, geldboeten, interesten en kosten. Ze wordt periodiek herzien rekening houdend met de verbintenissen van de aansprakelijke vertegenwoordiger.
Het bedrag van de zekerheid wordt vastgesteld op ten hoogste een vierde van de belasting welke door de niet in België gevestigde belastingplichtige verschuldigd is over een periode van twaalf kalendermaanden.
De zekerheid kan bestaan uit een hypotheek in eerste rang op in België gelegen onroerende goederen, een borgtocht in speciën, een borgtocht in effecten of een persoonlijke borgstelling van een verzekeringsonderneming of van een bank of private spaarkas die hun activiteiten in België uitoefenen (z. aanschrijving nr. 3/1982).
Wanneer het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen de niet in België gevestigde belastingplichtige en de aansprakelijke vertegenwoordiger kennis geeft van de erkenning, deelt het tegelijk ook het in artikel 50 van het Wetboek bedoelde individueel identificatienummer voor de belasting over de toegevoegde waarde mee dat aan de niet in België gevestigde belastingplichtige is toegekend.
261. De aansprakelijke vertegenwoordiger wordt in de plaats gesteld van zijn lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend of van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd door of ter uitvoering van de BTW-wetgeving.
De aansprakelijke vertegenwoordiger dient derhalve overeenkomstig de gewone regels inzake fiscale vertegenwoordiging alle verplichtingen die de BTW-reglementering oplegt aan de niet in België gevestigde belastingplichtige na te leven. Anderzijds kan de aansprakelijke vertegenwoordiger de Belgische voorbelasting die aan zijn lastgever in rekening werd gebracht, in aftrek brengen door opname ervan in de periodieke BTW-aangiften.
Tweede categorie van aansprakelijke vertegenwoordiger - Toekenning van een globaal BTW-identificatienummer aan de aansprakelijke vertegenwoordiger
262. In afwijking van de normale regels op het stuk van de fiscale vertegenwoordiging, staat artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit nr. 31, van 29 december 1992, toe dat de niet in België gevestigde belastingplichtige die hier te lande uitsluitend handelingen verricht als bedoeld in nr. 263, wordt vertegenwoordigd door een persoon die door de Administratie vooraf is erkend onder de voorwaarden die zij bepaalt. Die vertegenwoordiger moet bekwaam zijn om contracten aan te gaan, in België gevestigd zijn, voldoende solvabel zijn om de door het Wetboek of ter uitvoering ervan aan belastingplichtigen opgelegde verplichtingen na te leven en aanvaarden de belastingplichtige te vertegenwoordigen. Bovendien kan de Administratie de erkenning als aansprakelijke vertegenwoordiger beperken tot bepaalde categorieën van personen.
De bovengenoemde vereenvoudiging bestaat enerzijds in de erkenning van aansprakelijke vertegenwoordigers om de in het voorgaande lid bedoelde belastingplichtigen te vertegenwoordigen zonder dat iedere belastingplichtige de erkenning van een vertegenwoordiger aan de Administratie dient voor te stellen en anderzijds in de toekenning van een globaal BTW-identificatienummer dat de aansprakelijke vertegenwoordiger moet gebruiken voor alle belastingplichtigen die hij vertegenwoordigt.
Anderzijds laat deze vereenvoudiging niet toe dat Belgische voorbelasting in aftrek wordt gebracht door middel van de periodieke BTW-aangiften. In voorkomend geval dient de niet in België gevestigde belastingplichtige de aftrek van de voorbelasting uit te oefenen door het indienen van een aanvraag om teruggaaf.
263. De in nr. 262 hiervoor bedoelde vereenvoudigde regeling, ook regeling van het globale BTW-identificatienummer genaamd, kan door de niet in België gevestigde belastingplichtige die niet beschikt over een Belgisch individueel BTW-identificatienummer worden ingeroepen wanneer deze belastingplichtige in België uitsluitend de volgende handelingen verricht :
a) invoeren van goederen met vrijstelling van BTW krachtens artikel 40, § 1, 1°, d, van het Wetboek om reden dat de daaropvolgende handeling in hoofde van deze belastingplichtige een intracommunautaire levering van goederen betreft die vrijgesteld is van de BTW krachtens artikel 39bis van hetzelfde Wetboek;
264. Om na te gaan of de regeling van het globale BTW-identificatienummer in hoofde van een niet in België gevestigde belastingplichtige van toepassing kan zijn, moet evenwel geen rekening worden gehouden met de door deze belastingplichtige in België verrichte handelingen waarvoor bij toepassing van artikel 55, vierde lid, van het Wetboek een ontheffing wordt verleend van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen. De niet in België gevestigde belastingplichtige die hier te lande uitsluitend handelingen verricht als bedoeld in nr. 258 waarvoor hij gebruik maakt van de ontheffing van de verplichting om een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen en in nr. 263, kan derhalve een beroep doen op de regeling van het globale BTW-identificatienummer.
Daarentegen kan de regeling van het globale BTW-identificatienummer nooit worden toegepast ten aanzien van een niet in België gevestigde belastingplichtige die, om welke reden ook, reeds beschikt over een Belgisch individueel BTW-identificatienummer via de erkenning van een hier te lande gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger.
Er wordt opgemerkt dat de regeling van het globale BTW-identificatienummer facultatief is. De niet in België gevestigde belastingplichtige die uitsluitend handelingen verricht als bedoeld in nr. 263 behoudt de mogelijkheid om een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen met toekenning door de Administratie van een individueel BTW-identificatienummer. Deze belastingplichtige is gehouden als zodanig te handelen wanneer hij in België ook handelingen verricht andere dan deze bedoeld in nr. 263 en waarvoor geen ontslag van de verplichting tot erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger wordt verleend. Dit is onder meer het geval wanneer deze belastingplichtige goederen onttrekt aan de regeling BTW-entrepot voor andere doeleinden als deze bedoeld in nr. 263, c.
265. De persoon die de bedoeling heeft niet in België gevestigde belastingplichtigen te vertegenwoordigen voor het verrichten van de in nr. 263 bedoelde handelingen dient te beschikken over :
a) een globaal BTW-identificatienummer met het beginkenmerk BE 796.5 voor de handelingen als bedoeld in nr. 263, a;
b) een globaal BTW-identificatienummer met het beginkenmerk BE 796.6 voor de handelingen als bedoeld in nr. 263, b, c en d.
GLOBAAL BTW-IDENTIFICATIENUMMER MET HET BEGINKENMERK BE 796.5.
266. Het globaal BTW-identificatienummer met het beginkenmerk BE 796.5 kan worden gebruikt voor het vertegenwoordigen van de in nr. 263 bedoelde niet in België gevestigde belastingplichtige die hier te lande goederen invoert met vrijstelling van BTW krachtens artikel 40, § 1, 1°, d, van het Wetboek om reden dat deze belastingplichtige gelijktijdig een levering van goederen verricht die vrijgesteld is krachtens artikel 39bis van het Wetboek (z. artikel 39 van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992).
267. Met ingang van 1 januari 1996 dienen ingevoerde goederen die worden geplaatst onder de regeling BTW-entrepot te worden aangegeven voor het verbruik op het tijdstip waarop die goederen in het vrije verkeer worden gebracht (z. nr. 25). Bij de aangifte ten verbruik wordt de vrijstelling van BTW ingeroepen wegens de plaatsing van de goederen in het BTW-entrepot (Wetboek, artikel 39quater, § 1, 1°). Aangezien bij deze aangifte ten verbruik de in artikel 40, § 1, 1°, d, van het Wetboek bedoelde vrijstelling van BTW nooit toepasselijk is, mag geen gebruik worden gemaakt van het globale BTW-identificatienummer met het beginkenmerk BE 796.5. Dit verbod geldt eveneens wanneer op het tijdstip van de inslag in het BTW-entrepot het reeds vaststaat dat de goederen aan de regeling BTW-entrepot zullen worden onttrokken met het oog op de verzending ervan naar een BTW-belastingplichtige in een andere Lid-Staat van de Europese Unie.
268. Voor de goederen die vóór 1 januari 1996 zijn ingevoerd onder de oude regeling inzake BTW-entrepot en waarop de overgangsmaatregelen bedoeld in artikel 108 van het Wetboek van toepassing zijn (z. nrs. 304 tot 306) kan bij de aangifte ten verbruik de in artikel 40, § 1, 1°, d, van het Wetboek bedoelde vrijstelling van BTW worden ingeroepen voor zover uiteraard de voor dit artikel vereiste voorwaarden zijn voldaan. In het geval de in artikel 40, § 1, 1°, d, van het Wetboek bedoelde vrijstelling van BTW van toepassing is in hoofde van een in nr. 263 bedoelde belastingplichtige kan gebruik worden gemaakt van een globaal BTW-identificatienummer met het beginkenmerk BE 796.5.
269. De in België gevestigde douane-expediteurs die als zodanig zijn erkend door de Administratie der douane en accijnzen kunnen ambtshalve een aanvraag tot het bekomen van een globaal BTW-identificatienummer met het beginkenmerk BE 796.5 (voor zover ze er nog niet over beschikken) indienen bij het voormelde Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen.
De andere in België gevestigde personen die voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 2, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 31, van 29 december 1992 (z. nr. 260, tweede lid), kunnen eveneens een dergelijke aanvraag indienen bij het genoemde Centraal BTW-kantoor voor zover zij op het tijdstip van de aanvraag het bewijs leveren dat zij tenminste twee belastingplichtigen als bedoeld in nr. 263 op geregelde wijze zullen vertegenwoordigen voor het verrichten van handelingen als bedoeld in nr. 266.
De aansprakelijke vertegenwoordiger wordt in de plaats gesteld van al zijn lastgevers ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemden zijn verleend of van alle verplichtingen die hen zijn opgelegd, door of ter uitvoering van het Wetboek. De aansprakelijke vertegenwoordiger is met zijn lastgevers hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten waarvan de opeisbaarheid voortvloeit uit de handelingen waarvoor het globale BTW-identificatienummer van die vertegenwoordiger werd gebruikt.
Bij de regeling van het globaal BTW-identificatienummer kan de financiële verbintenis van de aansprakelijke vertegenwoordiger niet worden beperkt tot een bepaald bedrag.
Indien de aansprakelijke vertegenwoordiger niet voldoende solvabel is. wordt een zekerheid gevraagd tot waarborg van de invordering van al wat ten laste van de vertegenwoordigde belastingplichtigen opeisbaar zou kunnen worden uit hoofde van belasting, geldboeten, interesten en kosten. Ze wordt periodiek herzien rekening houdend met de verbintenissen van de aansprakelijke vertegenwoordiger. De zekerheid wordt vastgesteld op maximum 10 percent van de BTW waarover de vrijstelling van BTW wordt ingeroepen wegens de intracommunautaire leveringen van goederen waarvan sprake in artikel 40, § 1, 1°, d, van het Wetboek. De zekerheid die de Administratie kan vragen bedraagt derhalve maximum 10 percent van de BTW waarvoor de vrijstelling wordt ingeroepen voor de handelingen die op jaarbasis moeten worden opgenomen in rooster 46 van de periodieke BTW-aangiften die onder dit globaal BTW-identificatienummer worden ingediend.
Het bedrag van deze zekerheid wordt gecombineerd met het bedrag van de zekerheid dat vereist is wanneer ook een globaal BTW-identificatienummer met het beginkenmerk BE 796.6 wordt aangevraagd. In dat geval wordt één bedrag aan zekerheid gevraagd dat geldt voor beide globale BTW-identificatienummers.
Het globaal BTW-identificatienummer met het beginkenmerk BE 796.5 dat aan de aansprakelijke vertegenwoordiger wordt toegekend, zal door hem worden gebruikt om al zijn buitenlandse lastgevers die handelingen verrichten als bedoeld in nr. 266 te vertegenwoordigen.
De in nr. 263 bedoelde buitenlandse belastingplichtige kan, per aangifte ten verbruik, de keuze maken voor wat betreft de aansprakelijke vertegenwoordiger met een globaal BTW-identificatienummer waarop hij een beroep zal doen.
270. De aansprakelijke vertegenwoordiger wordt in de plaats gesteld van zijn lastgever voor alle verplichtingen die aan de niet in België gevestigde belastingplichtige zijn opgelegd krachtens de BTW-reglementering ten aanzien van de handelingen waarvoor het globale BTW-identificatienummer werd gebruikt. De verplichtingen van de aansprakelijke vertegenwoordiger ten aanzien van de door zijn lastgevers in het kader van de door artikel 108 van het Wetboek ingestelde overgangsmaatregelen gedane onttrekkingen van goederen aan de regeling BTW-entrepot onder de voorwaarden vermeld in nr. 268 zijn de volgende :
GLOBAAL BTW-IDENTIFICATIENUMMER MET HET BEGINKENMERK BE 796.6.
272. Het globaal BTW-identificatienummer met het beginkenmerk 796.6 kan worden gebruikt voor het vertegenwoordigen van de in nr. 263 bedoelde niet in België gevestigde belastingplichtige die hier te lande de volgende handelingen verricht :
c) onttrekking van goederen aan de regeling BTW-entrepot met het oog op :
273. Wanneer de in nr. 263 bedoelde niet in België gevestigde belastingplichtige goederen onttrekt aan de regeling BTW-entrepot voor andere doeleinden dan die vermeld in nr. 272, c, dient deze belastingplichtige een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen met toekenning door de Administratie van een individueel BTW-identificatienummer.
Anderzijds wanneer goederen worden onttrokken aan de regeling BTW-entrepot in het kader van de overgangsmaatregelen als bedoeld in artikel 108 van het Wetboek, dient gebruik te worden gemaakt van het globale BTW-identificatienummer BE 796.5 in plaats van BE 796.6 wanneer de aangifte voor het verbruik van de goederen plaatsheeft met vrijstelling van de belasting op grond van artikel 40, § 1, 1°, d, van het Wetboek (z. nr. 268).
274. De vergunninghouders van de regeling BTW-entrepot zijn verplicht ten aanzien van de handelingen bedoeld in nr. 272, a, b en c verricht in hun BTW-entrepot door de in nr. 263 bedoelde niet in België gevestigde belastingplichtigen, gebruik te maken van het globaal BTW-identificatienummer BE 796.6 voor het vertegenwoordigen van laatstgenoemde belastingplichtigen. In het kader van de regeling BTW-entrepot wordt iedere andere persoon dan de vergunninghouder uitgesloten van de mogelijkheid om onder een globaal BTW-identificatienummer buitenlandse belastingplichtigen te vertegenwoordigen (z. echter nr. 268 voor wat de overgangsmaatregel van artikel 108 van het Wetboek betreft). Deze uitsluiting geldt uiteraard niet ten aanzien van de regeling van fiscale vertegenwoordiging via individueel BTW-identificatienummer.
275. Anderzijds hebben alleen de in België gevestigde douane-expediteurs die alszodanig zijn erkend door de Administratie der douane en accijnzen de mogelijkheid om voor de handelingen als bedoeld in nr. 272, d, de niet in België gevestigde belastingplichtigen als beoogd in nr. 263 te vertegenwoordigen onder een globaal BTW-identificatienummer BE 796.6.
276. Een persoon kan slechts één globaal BTW-identificatienummer BE 796.6 bekomen. Dit houdt in dat de vergunninghouder inzake de regeling BTW-entrepot die in die hoedanigheid beschikt over een globaal BTW-identificatienummer BE 796.6, hetzelfde nummer rechtsgeldig kan gebruiken voor handelingen als bedoeld in nr. 272, d, op voorwaarde dat hij ook de hoedanigheid heeft van douane-expediteur. Anderzijds zal de douane-expediteur het hem toegekende nummer BE 796.6 ook moeten gebruiken voor de handelingen met betrekking tot het BTW-entrepot (z. nr. 272, a, b en c) waarvoor hij de vergunninghouder is.
277. De personen die van de bevoegde Administratie een vergunning bekomen voor de regeling BTW-entrepot en die niet worden bedoeld in het derde lid hierna, kunnen zonder uitstel een aanvraag voor de toekenning van een globaal BTW-identificatienummer BE 796.6 indienen bij het voormelde Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen. Een kopie van die vergunning dient bij de aanvraag te worden gevoegd.
Wanneer de vergunninghouder evenwel reeds over een globaal BTW-identificatienummer BE 796.6 beschikt ingevolge een gedane aanvraag na het bekomen van een vroegere vergunning ofwel ingevolge zijn hoedanigheid van douane-expediteur (z. nr. 276), dient hij een kopie van de ontvangen vergunning te zenden naar het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen met verwijzing naar het hem reeds toegekende globale BTW-identificatienummer.
Wanneer, bij ontstentenis van handelingen als bedoeld in nr. 272, a, b en c, verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen, het vaststaat dat de vergunninghouder geen buitenlandse belastingplichtigen zal moeten vertegenwoordigen, heeft hij uiteraard geen globaal BTW-identificatienummer nodig. De vergunninghouder dient dit schriftelijk mede te delen aan voormeld kantoor. Bij deze mededeling voegt hij een kopie van de ontvangen vergunning.
278. Overeenkomstig het bepaalde in nr. 275 kunnen tenslotte de douane-expediteurs, indien nodig, een verzoek tot het bekomen van een globaal BTW-identificatienummer BE 796.6 indienen bij het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen.
279. De aansprakelijke vertegenwoordiger wordt in de plaats gesteld van al zijn lastgevers ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemden zijn verleend of van alle verplichtingen die hen zijn opgelegd, door of ter uitvoering van het Wetboek. De aansprakelijke vertegenwoordiger is met zijn lastgevers hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten waarvan de opeisbaarheid voortvloeit uit de handelingen waarvoor het globale BTW-identificatienummer van die vertegenwoordiger werd gebruikt of diende te worden gebruikt.
Bij de regeling van het globaal BTW-identificatienummer kan de financiële verbintenis van de aansprakelijke vertegenwoordiger niet worden beperkt tot een bepaald bedrag.
Indien de aansprakelijke vertegenwoordiger niet voldoende solvabel is, wordt een zekerheid gevraagd tot waarborg van de invordering van al wat ten laste van de vertegenwoordigde belastingplichtigen opeisbaar zou kunnen worden uit hoofde van belasting, geldboeten, interesten en kosten. Ze wordt periodiek herzien rekening houdend met de verbintenissen van de aansprakelijke vertegenwoordiger. De zekerheid wordt vastgesteld op maximum 10 percent van het bedrag van de BTW waarvoor de vrijstelling van BTW wordt ingeroepen bij toepassing van de artikelen 39quater, § 1 en 40bis van het Wetboek. De zekerheid die de Administratie kan vragen, wordt in de praktijk beperkt tot maximum 10 percent van de BTW met betrekking tot de bedragen die op jaarbasis moeten worden opgenomen in rooster 81 van de periodieke BTW-aangiften die onder dit globaal BTW-identificatienummer worden ingediend en waarvoor de voornoemde vrijstellingen worden ingeroepen (z. nr. 284).
De wijze waarop de periodieke BTW-aangiften moeten worden ingediend, wordt uiteengezet in nr. 283.
Het bedrag van de zekerheid wordt gecombineerd met het bedrag van de zekerheid dat vereist is wanneer ook een globaal BTW-identificatienummer met het beginkenmerk BE 796.5 wordt aangevraagd. In dat geval wordt één bedrag aan zekerheid gevraagd dat geldt voor beide globale BTW-identificatienummers.
Het globaal BTW-identificatienummer met het beginkenmerk BE 796.6 dat aan de aansprakelijke vertegenwoordiger wordt toegekend, zal door hem worden gebruikt om al zijn buitenlandse lastgevers die handelingen verrichten als bedoeld in nr. 272 te vertegenwoordigen.
De in nr. 263 bedoelde buitenlandse belastingplichtige kan per handeling als bedoeld in nr. 272, d (intracommunautaire verwerving van goederen buiten het kader van de regeling BTW-entrepot gevolgd door een uitvoer naar een derde land) de keuze maken voor wat betreft de aansprakelijke vertegenwoordiger met globaal BTW-identificatienummer waarop hij een beroep zal doen. Voor de handelingen als bedoeld in nr. 272, a, b en c, heeft genoemde belastingplichtige die keuze niet; hij is verplicht zich te laten vertegenwoordigen door de vergunninghouder van het BTW-entrepot waar de goederen werden opgeslagen of uitgeslagen.
Het hoofd van het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen reikt aan iedere titularis van een globaal BTW-identificatienummer BE 796.6 die dat nummer gebruikt voor de regeling BTW-entrepot een attest uit waarin de toekenning van dat nummer voor het vertegenwoordigen van in het buitenland gevestigde belastingplichtigen, die in België niet beschikken over een individueel BTW-identificatienummer, bij de regeling BTW-entrepot wordt bevestigd.
Dit attest vermeldt tevens de datum vanaf wanneer het nummer rechtsgeldig voor deze doeleinden kan worden gebruikt. In geval van doorhaling van het nummer of wanneer het nummer niet meer wordt gebruikt voor de regeling BTW-entrepot dient de betrokkene het origineel exemplaar van het attest terug te bezorgen aan het voormelde kantoor.
280. De aansprakelijke vertegenwoordiger wordt in de plaats gesteld van zijn lastgever voor alle verplichtingen die aan de niet in België gevestigde belastingplichtige zijn opgelegd krachtens de BTW-reglementering ten aanzien van de handelingen waarvoor het globale BTW-identificatienummer wordt of dient te worden gebruikt.
De aansprakelijke vertegenwoordiger die onder zijn globaal BTW-identificatienummer de niet in België gevestigde belastingplichtigen vertegenwoordigt voor handelingen als bedoeld in nr. 272, a, b en e, dient de volgende verplichtingen na te leven :
Plaatsing van de goederen onder de geding BTW-entrepot.
281. De aansprakelijke vertegenwoordiger dient de volgende verplichtingen na te leven :
a) hij dient een summiere individuele boekhouding bij te houden voor iedere niet in België gevestigde belastingplichtige als bedoeld in nr. 263 die goederen opslaat in het BTW-entrepot waarvoor eerstgenoemde optreedt als vergunninghouder. De boekhouding bestaat uit een boek voor inkomende facturen, gehouden per buitenlandse belastingplichtige, waarin de volgende handelingen worden vermeld :
c) hij dient bij toepassing van het bepaalde in nr. 280, eerste lid, erover te waken dat alle verplichtingen die de Belgische BTW-reglementering en deze aanschrijving voorschrijven inzake het houden, het opmaken of het uitreiken van boeken en stukken worden nageleefd;
d) hij dient de verplichtingen na te leven als bedoeld in de artikelen 60 en volgende van het Wetboek (bewaren en voorleggen van boeken en stukken, verstrekken van inlichtingen. ...);
e) voor de handelingen als bedoeld in punt a, eerste, tweede en vierde streepje hiervoor, dient hij, in voorkomend geval, het recht op de toegepaste voorlopige vrijstelling van de BTW aan te tonen. Hij dient bovendien aan te tonen dat de toegepaste vrijstelling definitief is geworden.
Merk op dat voor de plaatsing van goederen onder de regeling BTW-entrepot de bovengenoemde aansprakelijke vertegenwoordiger in hoofde van de persoon die de goederen plaatst onder die regeling geen boek voor uitgaande facturen moet bijhouden tenzij in het geval dezelfde persoon de goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt met het oog op één van de doeleinden als bedoeld in nr. 272, c.
Onttrekking van de goederen aan de regeling BTW-entrepot.
282. De aansprakelijke vertegenwoordiger dient de volgende verplichtingen na te leven :
a) hij dient een summiere individuele boekhouding bij te houden voor iedere niet in België gevestigde belastingplichtige als bedoeld in nr. 263 die voor de in nr. 272, c, beoogde doeleinden goederen onttrekt uit het BTW-entrepot waarvoor eerstgenoemde optreedt als vergunninghouder. De boekhouding bestaat uit een boek voor inkomende en een boek voor uitgaande facturen;
b) in het boek voor inkomende facturen worden de volgende handelingen vermeld :
c) in het boek voor uitgaande facturen worden de hiernavolgende handelingen die zijn verricht naar aanleiding van de onttrekking van de goederen aan de regeling BTW-entrepot vermeld :
d) hij dient, ter vervollediging van de door de niet in België gevestigde belastingplichtige opgemaakte verkoopfactuur, het aanvullend stuk als bedoeld in artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 31 op te maken in tweevoud en het origineel ervan uit te reiken aan de klant van die belastingplichtige. De Administratie staat in beginsel geen afwijking toe op deze verplichting.
Merk op dat voor het geval bedoeld in punt c, vierde streepje hiervoor, het genoemde aanvullend stuk behalve de vermeldingen van artikel 5, § 1, van het voormelde koninklijk besluit nr. 1, bovendien de specifieke vermeldingen als bedoeld in nr. 202, tweede lid, dient te bevatten;
e) hij moet per aangiftetijdvak één periodieke BTW-aangifte indienen (z. nr. 283). Per periodieke BTW-aangifte dient hij een lijst bij te houden van het aandeel van iedere niet in België gevestigde belastingplichtige in de aangegeven bedragen. Deze lijst moet niet bij de ingediende aangifte zijn gevoegd;
f) hij dient bij toepassing van het bepaalde in nr. 280, eerste lid, erover te waken dat alle verplichtingen die de Belgische BTW-reglementering en deze aanschrijving voorschrijven inzake het houden, het opmaken of het uitreiken van boeken en stukken worden nageleefd;
g) hij dient de verplichtingen na te leven als bedoeld in de artikelen 60 en volgende van het Wetboek (bewaren en voorleggen van boeken en stukken, verstrekken van inlichtingen, ...);
h) voor de handelingen die overeenkomstig hetgeen voorafgaat moeten worden opgenomen in het boek voor inkomende of uitgaande facturen en waarvoor een vrijstelling van BTW werd ingeroepen, dient hij aan te tonen dat de voorwaarden en de toepassingsmodaliteiten voor het bekomen van de vrijstelling zijn vervuld;
i) hij is gehouden tot het indienen van de kwartaalopgave van de intracommunautaire handelingen (Wetboek, artikel 53sexies), alsmede van de jaarlijkse opgave van de afnemers-belastingplichtigen (Wetboek, artikel 53quinquies).
Inhoud van de periodieke BTW-aangifte.
283. De periodieke BTW-aangifte onder het globaal BTW-identificatienummer BE 796.6 wordt als volgt ingevuld :
Rooster (81) :
Rooster (86) : intracommunautaire verwervingen van goederen zoals reeds vermeld in rooster 81 (nr. 281, a, tweede streepje)
Rooster (81) :
Noot : In het geval de goederen aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken door dezelfde persoon als degene die de goederen onder die regeling heeft geplaatst, is de inschrijving in de roosters 81, 82 en 86 reeds gebeurd bij de plaatsing (z. supra en nr. 282, b, laatste lid).
Rooster (46) : intracommunautaire leveringen van goederen en de daarmee gelijkgestelde transferten (nr. 282, e, tweede streepje)
Rooster (47) : uitvoeren van goederen naar derde landen en leveringen van goederen met opslag in een ander BTW-entrepot (nr. 282, e, eerste, derde en vierde streepje)
2) Intracommunautaire verwervingen van de regeling BTW-entrepot, gevolgd door uitvoeren naar een derde land (z. nr. 272, d).
Rooster (81) : (*) intracommunautaire verwervingen van goederen en daarmee gelijkgestelde handelingen
Rooster (82) : ontvangen diensten met betrekking tot de goederen vermeld in rooster 81
Rooster (86) : hetzelfde bedrag als vermeld in rooster 81 hiervoor
Rooster (47) : uitvoeren van goederen naar derde landen
Tenslotte wordt opgemerkt dat het rooster 59 van de periodieke BTW aangifte nooit kan worden ingevuld, aangezien onder het globaal BTW-identificatienummer onder geen enkel beding aftrek van voorbelasting mogelijk is. In voorkomend geval dient de niet in België gevestigde belastingplichtige een aanvraag om teruggaaf van de voorbelasting in te dienen.
284. De bedragen die overeenkomstig nr, 283 in rooster 81 van de periodieke BTW-aangiften moeten worden opgenomen en aangeduid zijn met het teken (*) vormen, op jaarbasis, het uitgangspunt voor het berekenen van het bedrag van de zekerheid die de aansprakelijke vertegenwoordiger moet stellen indien hij niet voldoende solvabel is (z. nr. 279, derde lid).
HOOFDSTUK IV. BIJZONDERE SITUATIES.
285. In dit hoofdstuk worden de regels uiteengezet die van toepassing zijn in de volgende bijzondere situaties :
286. Vóór 1 januari 1993 werd de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen beschouwd als een dienstverrichting die bij toepassing van het voor deze datum van kracht zijnde artikel 18, § 1, 9°, van het BTW-Wetboek aan de BTW was onderworpen indien die handeling in België plaatsvond in het kader van een exploitatie inzake de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen. Vanaf 1 januari 1993 wordt de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen als dusdanig door artikel 18, § 1, tweede lid, 9°, van het BTW-Wetboek beschouwd als een dienstverrichting zonder dat er van een exploitatie sprake dient te zijn. Overigens vormt betreffende dienst een uitzondering op de vrijgestelde onroerende verhuur beoogd door artikel 44, § 3, 2° van hetzelfde Wetboek. Tenzij de vrijstellingsregeling als bedoeld in artikel 56, § 2, van het BTW-Wetboek van toepassing is, is bedoelde terbeschikkingstelling onderworpen aan de BTW in België tegen het normale BTW-tarief dat 21 pct. bedraagt vanaf 1 januari 1996 wanneer deze terbeschikkingstelling op grond van artikel 21, § 3, 1°, van het BTW-Wetboek in België plaatsvindt, zelfs indien deze terbeschikkingstelling gebeurt in het kader van het beheer door een natuurlijke persoon van zijn onroerend patrimonium.
287. Rekening houdend met de beperkte draagwijdte die aan de uitzondering bepaald in artikel 44, § 3, 2°, a) van het BTW-Wetboek moet worden gegeven is de dienst die bestaat in de terbeschikkingstelling van bergruimte enkel aan de BTW onderworpen wanneer hij betrekking heeft op afzonderlijke gebouwen die uitsluitend als bergruimte voor het opslaan van goederen zijn ontworpen of ingericht en als zodanig kunnen worden gebruikt. De omstandigheid dat van dezelfde eigenaar nog een afzonderlijk gebouw wordt gehuurd onder de vrijstellingsregeling van voornoemd artikel 44 omdat het gebruikt wordt als exploitatiezetel of kantoorruimte, doet geen afbreuk aan de belastbaarheid van de terbeschikkingstelling van bergruimte.
Anderzijds is ten aanzien van de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen de vrijstelling als bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek van toepassing wanneer die terbeschikkingstelling nauw verbonden is met een op grond van hetzelfde artikel vrijgestelde huurovereenkomst betreffende een voor een ander gebruik bestemd goed (b.v. bewoning, commerciële doeleinden, ...) zodanig dat beide verhuringen economisch één enkele handeling vormen. Dit is inzonderheid het geval wanneer de bergruimte voor het opslaan van goederen en het gehuurde, voor een ander gebruik bestemd gebouw, deel uitmaken van eenzelfde onroerend geheel en beide goederen door dezelfde eigenaar, zelfs bij afzonderlijk gesloten huurovereenkomsten aan dezelfde huurder worden verhuurd.
Derhalve is de terbeschikkingstelling aan dezelfde huurder van een entrepot en een bedrijfsgebouw die deel uitmaken van eenzelfde onroerend geheel niet aan de BTW onderworpen. Deze handeling wordt voor het geheel beschouwd als een onroerende verhuur op grond van artikel 44, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek.
Zo ook is de vrijstelling van voornoemd artikel 44 voor het geheel van toepassing ten aanzien van de terbeschikkingstelling van eenzelfde gebouw dat terzelfdertijd wordt gebruikt als bergruimte van goederen en als verkoopruimte van die goederen. In dat geval gaat het om de verhuur van een onroerend goed dat niet uitsluitend kan worden gebruikt als bergruimte.
Er wordt evenwel aanvaard dat de vrijstelling niet geldt wanneer in de bergruimte een kantoor of een plaats is voorzien voor de personen belast met het beheer van de opgeslagen goederen voor zover de oppervlakte van dat kantoor of die plaats niet meer bedraagt dan 10 pct. van de totale oppervlakte van het gebouw.
288. Wanneer derhalve een persoon een bergruimte in een installatie of in een ruimte in België die bestemd is voor het opslaan van goederen ter beschikking stelt van een andere persoon, bestaat de handeling, gelet op hetgeen in het vorige punt werd gezegd, in een dienstverrichting die onderworpen is aan de BTW ongeacht of de bewaring van de goederen al dan niet wordt verzekerd door de dienstverrichter.
Volgende handelingen behoren onder meer tot de werkingssfeer van voornoemd artikel 18, § 1, tweede lid, 9° en zijn niet vrijgesteld door voornoemd artikel 44, § 3, 2° :
290. Onder voorbehoud van hetgeen voorafgaat voor handelingen inzake de terbeschikkingstelling van bergruimten waarvoor de vrijstelling van voornoemd artikel 44 geldt, is het opslaan en het bewaren van goederen in plaatsen aangemerkt als BTW-entrepots uitdrukkelijk vrijgesteld van de BTW op grond van artikel 41, § 1, 4° en 5° van het BTW-Wetboek.
Dat recht op vrijstelling moet worden gestaafd door bewijskrachtige stukken en documenten zoals fakturen, huurcontracten met vermelding van het nummer van de vergunning van BTW-entrepot waarin de goederen zich bevinden (z. artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 6 van 27 december 1977).
291. Artikel 41, § 2 van het Wetboek stelt van de belasting vrij, de diensten door makelaars en lasthebbers die niet handelen als bedoeld in artikel 13, § 2 van het Wetboek, wanneer die makelaars en lasthebbers tussenkomst verlenen bij leveringen van goederen of diensten die niet in de Europese Gemeenschap plaatsvinden of die vrijgesteld zijn ingevolge de artikelen 39, 39quater, 40, 41 en 42 van het Wetboek.
292. De hier bedoelde makelaars en lasthebbers zijn deze die, voor de contracten waarin ze tussenkomen, niet handelen in eigen naam of onder firma voor rekening van hun lastgever en die geen op hun naam gestelde factuur, debetnota of daarmee gelijkstaand stuk ontvangen of uitreiken.
293. Opdat de diensten van dergelijke makelaars of lasthebbers, die tussenkomen bij handelingen verricht onder de regeling BTW-entrepot, zouden vrijgesteld zijn, moeten de leveringen van goederen of de diensten waarin ze tussenkomen, in België plaatsvinden en vrijgesteld zijn krachtens artikel 39quater van het Wetboek.
294. Zo is bijvoorbeeld aan de belasting onderworpen, de dienst van een makelaar die tussenkomt bij een dienst met betrekking tot goederen die zich in een BTW-entrepot bevinden en waarbij die dienst op grond van artikel 21, § 3, 2°, b) van het Wetboek, geacht wordt in een andere Lid-Staat plaats te vinden (z. nrs. 127, 128, 133 en 134), of nog wanneer hij tussenkomt bij een levering die aanleiding geeft tot het onttrekken van de goederen aan de regeling BTW-entrepot en waarbij die levering niet kan vrijgesteld worden door de artikelen 39 of 42 van het Wetboek (z. nrs. 101 tot 106).
Wanneer makelaars en lasthebbers tussenkomen bij handelingen die vrijgesteld zijn bij toepassing van artikel 39quater van het Wetboek, zijn hun diensten vrijgesteld bij toepassing van artikel 41, § 2 van het Wetboek, niettegenstaande het feit dat de vrijstelling voor de handeling waarin ze tussenkomen, slechts een voorlopige vrijstelling is.
De vrijstelling waarvan de makelaars of lasthebbers genieten, moet niet worden geregulariseerd wanneer de voorlopig verleende vrijstelling niet definitief wordt.
295. De aanspraak op de vrijstelling moet worden aangetoond aan de hand van bewijskrachtige stukken en documenten zoals facturen of schriftelijke bestelbonnen van de opdrachtgever, waarop het nummer is vermeld van de vergunning BTW-entrepot waarin de goederen zich bevinden (z. artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 6 van 27 december 1977).
AFDELING 3. VERZENDING VAN EEN BTW-ENTREPOT NAAR EEN ANDER BTW-ENTREPOT IN BELGIE.
296. In België bestaan er drie types van BTW-entrepot (z. nrs. 8 en 9) die elk hun eigen karakteristieken hebben, naargelang de goederen die er worden in opgeslagen, te weten :
Er wordt opgemerkt dat wanneer een BTW-entrepot meerdere plaatsen van opslag omvat, het geheel van deze erkende plaatsen als één enkel entrepot moet worden beschouwd. De verzending van goederen binnen een dergelijk entrepot van één plaats naar een andere, is derhalve geen verzending in de zin van onderhavige afdeling.
297. De verzending van goederen van één BTW-entrepot naar een ander in België is niet altijd toegestaan, ongeacht of het gaat om een verzending die voortvloeit uit de levering van de goederen of om een loutere verplaatsing van de goederen door hun eigenaar.
Eén en ander vloeit voort uit de werking van de regeling BTW-entrepot, inzonderheid uit de beperkingen die gelden ten aanzien van bepaalde goederen om onder de regeling geplaatst te kunnen worden.
De plaatsing onder de regeling BTW-entrepot van nationale goederen of van goederen herkomstig uit een andere Lid-Staat, is immers beperkt tot de goederen die opgesomd zijn in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54 (z. nr. 17).
Anderzijds is de plaatsing van accijnsproducten onder de regeling BTW-entrepot ondergeschikt aan hun plaatsing in een belastingentrepot (z. nr. 11).
Bovendien beëindigt de uitslag van de goederen uit het BTW-entrepot de regeling (z. nr. 69). Dit is ook het geval bij een verzending van goederen van een BTW-entrepot naar een ander BTW-entrepot.
De combinatie van hetgeen voorafgaat kan leiden tot volgende mogelijke verzendingen.
Ingevoerde goederen.
298. Ingevoerde goederen, accijnsproducten en niet-accijnsproducten, die worden uitgeslagen uit het BTW-entrepot waarin ze werden geplaatst op het tijdstip van hun invoer, kunnen in België slechts opnieuw onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst indien het gaat om goederen opgesomd in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54.
Inderdaad, doordat ze in het vrije verkeer zijn gebracht en ten verbruik zijn aangegeven, worden deze goederen nationale goederen en zijn ze volledig onderworpen aan de fiscale principes die op zulke goederen van toepassing zijn. Na hun uitslag uit het BTW-entrepot waarin ze bij de invoer werden geplaatst, kunnen zij bijgevolg niet meer in een BTW-entrepot worden geplaatst of er verblijven, tenzij ze beantwoorden aan de beperkingen die voorzien zijn in artikel 3, § 1, 2° van het koninklijk besluit nr. 54 voor goederen andere dan deze ingevoerd in België in de zin van artikel 23 van het Wetboek.
Bovendien moet het BTW-entrepot waarin goederen worden heropgeslagen :
Indien de verzending evenwel gebeurt door de eigenaar, los van elke handelstransactie, kan de handeling of de handelingen waarvoor de belasting, overeenkomstig artikel 7, § 3 van het koninklijk besluit nr. 54, opeisbaar is geworden bij de uitslag uit het eerste BTW-entrepot, de vrijstelling van artikel 39quater, § 1, 1° van het Wetboek niet genieten vermits die handelingen los staan van de plaatsing van de goederen in het tweede BTW-entrepot.
Nationale goederen of goederen herkomstig uit een andere Lid-Staat, andere dan accijnsproducten.
300. Nationale goederen of goederen herkomstig uit een andere Lid-Staat, andere dan accijnsproducten, die in een BTW-entrepot werden geplaatst, kunnen worden verzonden naar een ander BTW-entrepot in België, voor zover dat ander entrepot erkend is door de Centrale administratie van de BTW, registratie en domeinen om dergelijke goederen op te slaan.
De verzending naar een BTW-entrepot dat voorbehouden is voor ingevoerde goederen en erkend is door de Administratie der douane en accijnzen, is in dit geval dus niet toegestaan.
301. Hetgeen gezegd werd in nr. 299 is ook van toepassing op nationale goederen of goederen herkomstig uit een andere Lid-Staat, andere dan accijnsproducten.
Nationale accijnsproducten of accijnsproducten herkomstig uit een andere Lid-Staat.
302. Nationale accijnsproducten of accijnsproducten herkomstig uit een andere Lid-Staat, kunnen worden verzonden van een belastingentrepot in de zin van de Richtlijn 92/12/EEG naar een ander belastingentrepot in België dat erkend is door de Administratie der douane en accijnzen.
De verzending naar een BTW-entrepot dat erkend is door de Administratie der douane en accijnzen om ingevoerde goederen, andere dan accijnsproducten op te slaan of door de Administratie van de BTW, registratie en domeinen om nationale goederen of goederen herkomstig uit een andere Lid-Staat, andere dan accijnsproducten op te slaan, is in dit geval dus niet toegestaan.
303. Hetgeen gezegd werd in nr. 299 is ook van toepassing op nationale goederen of goederen herkomstig uit een andere Lid-Staat, andere dan accijnsproducten.
304. Tot 31 december 1995 was de invoer van goederen die in een BTW-entrepot werden geplaatst, vrijgesteld van de belasting bij toepassing van artikel 40, § 1, 1°, c van het Wetboek (z. nr. 3). Deze goederen werden pas voor het verbruik aangegeven bij de uitslag uit het entrepot.
Het entrepot ander dan douane-entrepot was inderdaad één de twee fiscale bestemmingen (het ten verbruik aangeven en het entrepot ander dan douane-entrepot) die men overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 moest geven aan goederen die in België werden ingevoerd.
De goederen die bij de uitslag uit het BTW-entrepot op de communautaire markt terechtkwamen, moesten pas op dat tijdstip voor het verbruik worden aangegeven.
305. Voortaan moeten ingevoerde goederen ter gelegenheid van hun plaatsing in een BTW-entrepot onmiddellijk voor het verbruik worden aangegeven.
De bestemming entrepot ander dan douane-entrepot die aan ingevoerde goederen kon worden gegeven, werd vanaf 1 januari 1996 inderdaad afgeschaft (z. nr. 25).
Om te vermijden dat alle ingevoerde goederen die zich op 31 december 1995 nog onder de oude regeling BTW-entrepot bevonden, op 1 januari 1996 ten verbruik moesten worden aangegeven, voorziet het nieuwe artikel 108 van het Wetboek in overgangsmaatregelen. Deze stellen dat de bepalingen die van toepassing waren vóór 1 januari 1996, toepassing blijven gedurende het verblijf van die goederen onder de regeling BTW-entrepot. De goederen die zich op 31 december 1996 nog onder de oude regeling bevinden. moeten evenwel op dat ogenblik voor het verbruik worden aangegeven.
306. De aangifte ten verbruik van de goederen bij de uitslag uit de oude regeling BTW-entrepot kan gebeuren met vrijstelling van de belasting bij toepassing van artikel 39quater, § 1, 1° van het Wetboek indien de goederen onder de nieuwe regeling BTW-entrepot worden geplaatst.
Aangezien het goederen betreft die worden ingevoerd in de van artikel 23 van het Wetboek, moeten zij in een BTW-entrepot worden geplaatst dat erkend is door de Administratie der douane en accijnzen om ingevoerde goederen op te slaan. De beperkingen die voorzien zijn in artikel 3, § 1, 2° van het koninklijk besluit nr. 54 zijn in dit geval dus niet van toepassing.
BIJLAGE 1 :COMMUNAUTAIRE BEPALINGEN
Zesde BTW-Richtlijn.
Artikel 16.
1. Onverminderd de andere communautaire belastingbepalingen kunnen de Lid-Staten, onder voorbehoud van de in artikel 29 bedoelde raadpleging, bijzondere maatregelen nemen teneinde vrijstelling te verlenen voor de volgende handelingen of sommige daarvan, mits zij geen betrekking hebben op eindgebruik en/of eindverbruik en het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde dat verschuldigd is bij het onttrekken van de goederen aan de onder A tot en met E bedoelde regelingen of situaties overeenkomt met het belastingbedrag dat verschuldigd zou zijn geweest indien elk van deze handelingen in het binnenland was belast :
A. de invoer van goederen die komen te vallen onder een ander stelsel van entrepots dan douane-entrepots;
a) die bij de douane worden aangebracht en eventueel tijdelijk worden opgeslagen;
c) die komen te vallen onder een stelsel van douane-entrepot of onder een stelsel van actieve veredeling;
In de zin van dit artikel worden als andere entrepots dan douane-entrepots beschouwd :
De Lid-Staten kunnen een dergelijke regeling evenwel invoeren voor goederen die bestemd zijn voor :
a) in de in deel B, onder a), b), c), en d), genoemde plaatsen met handhaving van een van de in die punten genoemde situaties;
b) in de in deel B, onder c), genoemde plaatsen met handhaving, in het binnenland, van de in dat punt genoemde situatie.
Wanneer voor handelingen die worden verricht in een douane-entrepot, gebruik wordt gemaakt van de onder a) bepaalde mogelijkheid, nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om te verzekeren dat zij andere stelsels van entrepots dan douane-entrepots hebben gedefinieerd die de toepassing van het bepaalde onder b) mogelijk maken op dezelfde handelingen met betrekking tot in de lijst van bijlage J opgenomen goederen die worden verricht in die andere entrepots dan douane-entrepots.
In afwijking van artikel 21, lid 1, onder a), eerste alinea, is de tot voldoening van de overeenkomstig de eerste alinea verschuldigde belasting gehouden persoon die welke de goederen aan de in dit lid genoemde regelingen of situaties onttrekt.
Wanneer het onttrekken van de goederen aan de in dit lid bedoelde regelingen of situaties aanleiding geeft tot invoer in de zin van artikel 7, lid 3, neemt de Lid-Staat van invoer de nodige maatregelen om dubbele belasting in het binnenland te voorkomen.
1bis. Wanneer zij van de in lid 1 bedoelde mogelijkheid gebruik maken, nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om te waarborgen dat de intracommunautaire verwervingen van goederen die bestemd zijn om onder één van de in lid 1, deel B, bedoelde regelingen of situaties te worden geplaatst, onder dezelfde bepalingen vallen als de leveringen van goederen die in het binnenland onder dezelfde voorwaarden worden verricht.
BIJLAGE 2: NATIONALE BEPALINGEN
BTW-Wetboek
Artikel 39quater.
1° de invoeren, de intracommunautaire verwervingen en de leveringen van goederen die worden geplaatst onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot;
2° de leveringen van goederen geplaatst onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot, met handhaving van die regeling;
3° de diensten andere dan die vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42, die betrekking hebben op goederen die het voorwerp uitmaken van de in 1° bedoelde handelingen of die zich bevinden onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot.
De Koning bepaalt de beperkingen en de voorwaarden voor de toepassing van deze vrijstelling en kan daarbij afwijken van de artikelen 17, 22, 24 en 25septies.
§ 2. In de zin van onderhavig artikel worden als andere entrepots dan douane-entrepots beschouwd :
1° voor accijnsproducten, de in België gelegen plaatsen die aangemerkt worden als belastingentrepots in de zin van artikel 4, b, van de Richtlijn 92/12/EEG;
2° voor andere goederen dan accijnsproducten, de in België gelegen plaatsen die als zodanig door de Koning worden aangemerkt.
Artikel 41. § 1. Van de belasting zijn vrijgesteld :
1° het zeevervoer van personen; het internationale luchtvervoer van personen; het vervoer van door reizigers begeleide bagage en auto's bij het onder 1° genoemd vervoer;
2° het vervoer, en de daarmee samenhangende handelingen, van goederen herkomstig uit een derde land, wanneer de waarde van dat vervoer en van die handelingen opgenomen is in de maatstaf van heffing bij invoer;
3° het vervoer van goederen dat rechtstreeks verband houdt met de uitvoer van goederen buiten de Gemeenschap;
4° het vervoer van goederen die vallen onder een regeling zoals bepaald bij artikel 23, § 4 en 5, of onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot;
5° de volgende diensten gebruikt voor het onder 3° en 4° bedoeld vervoer :
a) laden, lossen, overslaan, behandelen, stouwen, verstouwen, wegen, meten, peilen, nazien, onderzoeken en in ontvangst nemen van goederen;
6° diensten die tot voorwerp hebben het verrichten van douaneformaliteiten bij invoer, uitvoer uit de Gemeenschap of douanevervoer;
7° het intracommunautaire vervoer van goederen naar of vanaf de eilanden die de autonome regio's van de Azoren en van Madeira vormen, alsmede de daarmee samenhangende handelingen.
§ 2. Van de belasting zijn vrijgesteld de diensten door makelaars en lasthebbers die niet handelen als bedoeld in artikel 13, § 2, wanneer die makelaars en lasthebbers tussenkomst verlenen bij leveringen van goederen of diensten die niet in de Gemeenschap plaatsvinden of die zijn vrijgesteld ingevolge de artikelen 39, 39quater, 40, 41 en 42.
Die vrijstelling is niet van toepassing op de diensten van reisbureaus die tussenkomst verlenen bij het verschaffen van vervoer, logies, van ter plaatse verbruikte spijzen of dranken, van vermaak of van één of meer van deze in artikel 18 bedoelde diensten, tenzij wanneer het reisbureau handelt in naam en voor rekening van de verrichter van die diensten.
Artikel 51.
1° door de belastingplichtige die in België een belastbare levering van goederen of een belastbare dienst verricht;
2° door degene die in België een belastbare intracommunautaire verwerving van goederen verricht;
3° door eenieder die op een factuur of op een als zodanig geldend stuk de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt. Hij wordt schuldenaar van de belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk.
1° door de ontvanger van de dienst wanneer de dienstverrichter een buiten België gevestigde belastingplichtige is, en
a) hetzij de plaats van de dienst krachtens artikel 21, § 3, 7°, geacht wordt zich in België te bevinden;
b) hetzij de ontvanger van de dienst overeenkomstig artikel 50, § 1 voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd en de plaats van de dienst overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, b), 3°bis, 3°ter, 4°bis, 4°ter en 8, geacht wordt zich in België te bevinden;
2° door de medecontractant die overeenkomstig artikel 50, § 1, voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd, wanneer het gaat om leveringen van goederen als bedoeld in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 3°, en voor zover de in artikel 53, eerste lid, 2°, beoogde factuur de door de Koning te bepalen vermeldingen bevat;
3° door de medecontractant wanneer het gaat om leveringen van goederen of diensten als bedoeld in de artikelen 39, § 2 en 39quater;
4° door degene die de goederen onttrekt aan één van de regelingen bedoeld in de artikelen 39, § 2, en 39quater.
§ 3. Wanneer ten aanzien van goederen en diensten waarvoor de in artikel 59, § 2, bedoelde deskundige schatting kan worden gevorderd, wordt vastgesteld dat de belasting werd voldaan over een onvoldoende maatstaf, is de aanvullende belasting verschuldigd door degene tegen wie de schattingsprocedure wordt ingesteld.
§ 4. De Koning kan afwijken van § 1, 1°, om de medecontractant van de leverancier van goederen of van de dienstverrichter tot voldoening van de belasting te verplichten in de mate dat Hij zulks noodzakelijk acht om die voldoening te vrijwaren.
Artikel 51bis.
1° krachtens artikel 51, § 1, 1°, en §§ 2 en 4, is met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk, waarvan het uitreiken is voorgeschreven door de artikelen 53 en 54 of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet werd uitgereikt of een onjuiste vermelding bevat ten aanzien van de naam, het adres of het BTW-identificatienummer van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten of de prijs of het toebehoren ervan;
2° krachtens artikel 51, § 1, 2°, is met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk niet werd uitgereikt of een onjuiste vermelding bevat ten aanzien van de naam, het adres of het BTW-identificatienummer van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de verworven goederen of de prijs of het toebehoren ervan;
3° krachtens artikel 51, § 1, 1°, is eveneens met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk het bedrag van de op de handeling verschuldigde belasting niet of onjuist vermeldt;
4° krachtens artikel 51, §§ 2 en 4, is eveneens met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer hij een bedrag aanrekent als belasting.
§ 2. De medecontractant van degene die krachtens artikel 51, § 1, 1°, schuldenaar is van de belasting, die de identiteit van zijn leverancier of dienstverrichter aantoont en bewijst hem de prijs en de bijhorende belasting of een deel daarvan te hebben betaald, is evenwel in die mate van de hoofdelijke aansprakelijkheid ontslagen.
§ 3. In de regeling entrepot ander dan douane-entrepot, zijn de depothouder, degene die zich belast met het vervoer van de goederen uit het entrepot alsook, in voorkomend geval, zijn lastgever, tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting met de persoon die er krachtens de artikelen 51, § 1, 1° en 2°, § 2, 3° en 4°, of 52, § 1, tweede lid, schuldenaar van is.
Artikel 52.
§ 1. Ten aanzien van de belasting verschuldigd ter zake van invoer, stelt de Koning de voorwaarden waaronder de goederen in België mogen worden gebracht en schrijft Hij onder meer de verplichting voor ze op de door Hem te bepalen wijze aan te geven.
Onverminderd artikel 51bis, § 3, wijst de Koning aan op wiens naam de ter zake van invoer verschuldigde belasting mag of moet worden voldaan, en wie voor deze voldoening aansprakelijk is; Hij bepaalt het tijdstip waarop de belasting moet worden voldaan en de formaliteiten die daarbij moeten worden nagekomen.
§ 2. Er is overtreding van de verplichting de belasting te voldoen wanneer goederen in België worden gebracht zonder dat de ter uitvoering van § 1, eerste lid, genomen besluiten zijn nageleefd.
Bij invoer zonder aangifte kunnen de goederen en de ervoor gebezigde vervoermiddelen, in de gevallen en overeenkomstig de regelen inzake invoerrecht, in beslag genomen worden, verbeurdverklaard en vervolgens verkocht of teruggegeven worden, ook al zijn die goederen om welke reden ook niet aan invoerrecht onderworpen; de genoemde regelen vinden eveneens toepassing voor de schadeloosstelling van de persoon wiens goederen onrechtmatig in beslag zijn genomen. De inbeslagneming, de verbeurdverklaring, de verkoop of de teruggaaf worden verricht door of op verzoek van de Administratie der douane en accijnzen of de Administratie van de BTW, registratie en domeinen.
§ 3. Wanneer regelmatig in België binnengebrachte goederen onder douanetoezicht zijn en niemand de aangifteformaliteiten komt voltooien, kan de Administratie der douane en accijnzen over die goederen beschikken overeenkomstig de regelen inzake invoerrecht, ook al zijn de goederen om welke reden ook niet aan invoerrechten onderworpen.
Artikel 55. Eenieder die niet in België is gevestigd moet, alvorens in België enige andere handeling te verrichten dan een handeling waarvoor de belasting krachtens artikel 51, § 2, 1° en 2°, verschuldigd is door de afnemer, door of vanwege de Minister van Financiën een in België gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen.
De aansprakelijke vertegenwoordiger wordt in de plaats gesteld van zijn lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend of van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd, door of ter uitvoering van dit Wetboek.
Hij is met zijn lastgever hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten waarvan de opeisbaarheid voortvloeit uit de in het eerste lid bedoelde handelingen.
In de gevallen en onder de voorwaarden te bepalen door of vanwege de Minister van Financiën, kunnen zij die in het eerste lid worden bedoeld, worden ontslagen van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen.
Bij overlijden van de aansprakelijke vertegenwoordiger, bij intrekking van zijn erkenning of bij een feit dat zijn onbekwaamheid tot gevolg heeft, moet onmiddellijk in zijn vervanging worden voorzien.
Bij ontstentenis van erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger kan de invordering van de belasting, de interesten en de geldboeten geschieden ten lage van de medecontractant van de niet in België gevestigde belastingplichtige.
De medecontractant te goeder trouw, die bewijst dat hij aan zijn leverancier wiens identiteit hij aantoont, de belasting geheel of gedeeltelijk heeft betaald, is evenwel in dezelfde mate ontslagen van de verplichting om de belasting te betalen.
Artikel 108.
§ 2. De goederen bedoeld in § 1 moeten uiterlijk op 31 december 1996 ten verbruik worden aangegeven.
Koninklijke besluiten.
Koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.
Afdeling 1. - Voorwaarden waaraan het uitoefenen van het recht op aftrek onderworpen is.
Artikel 1. § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 45, §§ 1bis, 2 en 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, brengt de belastingplichtige, onder de voorwaarden gesteld bij de artikelen 2 tot 4 van dit besluit, de belasting in aftrek geheven van de goederen en diensten die hij bestemt voor het verrichten van in artikel 45, § 1, 1° tot 5°, van het Wetboek bedoelde handelingen.
Indien de belastingplichtige in de uitoefening van zijn economische activiteit andere handelingen verricht waarvoor geen aanspraak op aftrek bestaat, gedraagt hij zich, voor het vaststellen van de te verrichten aftrek, naar het bepaalde in de artikelen 46 en 48 van het Wetboek en 12 tot 21 van dit besluit.
§ 2. Voor aftrek komt in geen geval in aanmerking de belasting geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit.
Wanneer een goed of een dienst bestemd is om gedeeltelijk voor zulke doeleinden te worden gebruikt, is het recht op aftrek naar verhouding van dat gebruik uitgesloten. Die verhouding dient door de belastingplichtige te worden bepaald onder controle van de administratie.
Artikel 2.
Het recht op aftrek ontstaat :
1° ten aanzien van de belasting geheven van de aan de belastingplichtige geleverde goederen en verleende diensten, op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt krachtens de artikelen 17 en 22 van het Wetboek;
2° ten aanzien van de belasting geheven van een handeling die de belastingplichtige verricht voor de behoeften van zijn economische activiteit en die wordt gelijkgesteld met een levering door artikel 12, § 1, 3° en 4°, van het Wetboek, of met een dienst door artikel 19, § 2, 1°, of § 3, van het Wetboek, op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt krachtens de artikelen 17 en 22 van het Wetboek;
3° ten aanzien van de belasting geheven van een invoer, op het tijdstip waarop die belasting opeisbaar wordt krachtens artikel 24 van het Wetboek;
4° ten aanzien van de belasting geheven van een intracommunautaire verwerving, op het tijdstip waarop die belasting opeisbaar wordt krachtens artikel 25septies van het Wetboek;
5° ten aanzien van de belasting geheven van een handeling die de belastingplichtige verricht voor de behoeften van zijn economische activiteit en die wordt gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving door artikel 25quater van het Wetboek, op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt krachtens artikel 25septies van het Wetboek;
6° ten aanzien van de belasting die verschuldigd is of voldaan wordt in de omstandigheden bedoeld in artikel 58, § 4, 7°, tweede lid, van het Wetboek, op het tijdstip bepaald in artikel 58, § 4, 7°, derde lid, van het Wetboek;
7° ten aanzien van de belasting geheven van een handeling bedoeld in artikel 7, § 3, van het koninklijk besluit nr. 54 met betrekking tot de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot bedoeld in artikel 39quater van het Wetboek, op het tijdstip waarop die belasting opeisbaar wordt krachtens artikel 9 van datzelfde besluit.
Artikel 3.
§ 1. Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen moet de belastingplichtige :
1° ten aanzien van de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, in het bezit zijn van een factuur opgemaakt overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992;
2° ten aanzien van de belasting geheven van een handeling die hij verricht voor de behoeften van zijn economische activiteit en die wordt gelijkgesteld met een levering door artikel 12, § 1, 3° en 4°, van het Wetboek, of met een dienst door artikel 19, § 2, 1°, of § 3, van het Wetboek, het in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde stuk opmaken en de belasting opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin ze opeisbaar wordt;
3° ten aanzien van de belasting geheven van de andere invoeren dan die bedoeld onder 4°, in het bezit zijn van een invoerdocument dat hem als geadresseerde aanwijst en dat de betaling van de belasting vaststelt;
4° ten aanzien van de belasting geheven van de invoeren gedaan onder het stelsel van de verlegging van de heffing naar het binnenland, de belasting opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin ze opeisbaar wordt;
5° ten aanzien van de belasting geheven van intracommunautaire verwervingen van goederen, in het bezit zijn van een door de medecontractant uitgereikte factuur of, bij gebreke van een dergelijk factuur, het stuk bedoeld in artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde en hetzij de belasting opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin ze opeisbaar wordt, hetzij in de gevallen bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit nr. 46 tot regeling van de aangifte van de intracommunautaire verwerving van vervoermiddelen en van de betaling van de ter zake verschuldigde BTW in het bezit zijn van de in artikel 1 van genoemd besluit bedoelde bijzondere aangifte; deze factuur dient de naam, het adres en het voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde identificatienummer van de bij de handeling betrokken partijen, de aard en de hoeveelheid van de verworven goederen, de prijs en het toebehoren ervan te vermelden en moet door de verwerver worden aangevuld met de overige vermeldingen bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde;
6° ten aanzien van de belasting geheven van een handeling die de belastingplichtige verricht voor de behoeften van zijn economische activiteit en die met een intracommunautaire verwerving wordt gelijkgesteld door artikel 25quater van het Wetboek. in het bezit zijn van een in artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde stuk en de belasting opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin ze opeisbaar wordt.
§ 2. Wanneer bij toepassing van artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 1 de leverancier of de dienstverrichter ontslagen is van de verplichting een factuur uit te reiken of op de factuur het bedrag van de belasting te vermelden, kan de aftrek worden verricht met inachtneming van de door of vanwege de Minister van Financiën gestelde voorwaarden.
§ 3. Wanneer de medecontractant van de leverancier van goederen of diensten bij toepassing van artikel 51, § 2 of § 4, van het Wetboek, ertoe gehouden is zelf de belasting te voldoen die opeisbaar is voor de aan hem gedane levering of de aan hem verleende dienst, moet hij, om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, in het bezit zijn van een door de leverancier van goederen of diensten uitgereikte factuur en de belasting hebben voldaan op de wijze voorgeschreven ter uitvoering van bovengenoemde bepaling; deze factuur dient dezelfde vermeldingen te bevatten als bedoeld in artikel 3, § 1, 5°, en moet door de medecontractant van de leverancier van goederen of diensten worden aangevuld met de overige vermeldingen bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.
Artikelen 4 tot 23 (...).
Koninklijk besluit nr. 31 van 29 december 1992 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen.
Artikel 1.
Vooraleer in België :
Artikel 2.
§ 1. Om de erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger te verkrijgen richt de niet in België gevestigde belastingplichtige aan het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen een verzoek waarin hij de bij artikel 53, eerste lid, 1°, van het Wetboek voorgeschreven aangifte van aanvang van werkzaamheid doet en de volledige identiteit vermeldt van de aansprakelijke vertegenwoordiger die hij de administratie ter erkenning voorstelt.
Die vertegenwoordiger moet bekwaam zijn om contracten aan te gaan, in België gevestigd zijn, voldoende solvabel zijn om de door het Wetboek of ter uitvoering ervan aan belastingplichtigen opgelegde verplichtingen na te komen en aanvaarden de belastingplichtige te vertegenwoordigen.
§ 2. In afwijking van § 1, eerste lid, kan de niet in België gevestigde belastingplichtige vertegenwoordigd worden door een persoon die door of vanwege de Minister van Financiën vooraf erkend is onder de voorwaarden die hij bepaalt :
1° wanneer hij invoeren verricht bedoeld in artikel 40, § 1, 1°, d, van het Wetboek;
2° wanneer hij handelingen verricht van plaatsing van goederen onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot die niet aan de belasting zijn onderworpen of wanneer hij schuldenaar is van de belasting ingevolge handelingen bedoeld in artikel 39quater, § 1, 1° en 3°, van het Wetboek;
3° wanneer hij de goederen aan de in artikel 39quater van het Wetboek bedoelde regeling onttrekt met het oog op een volgende levering van deze goederen die van de belasting is vrijgesteld overeenkomstig de artikelen 39, § 1, 1° en 2°, en 39bis van het Wetboek;
4° wanneer hij intracommunautaire verwervingen van goederen of krachtens artikel 25quater, § 1, van het Wetboek daarmee gelijkgestelde handelingen verricht en die goederen niet geplaatst zijn onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot en de daaropvolgende levering vrijgesteld is van de belasting bij toepassing van artikel 39, § 1, 1° en 2°, van het Wetboek.
Die persoon moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in § 1, tweede lid. Bovendien kan door of vanwege de Minister van Financiën de erkenning beperkt worden tot de categorieën van personen die zij bepalen.
Deze afwijking is slechts van toepassing indien de niet in België gevestigde belastingplichtige uitsluitend handelingen verricht als bedoeld in het eerste lid, 1° tot 4°.
§ 3. Door of vanwege de Minister van Financiën wordt de solvabiliteit van de aansprakelijke vertegenwoordiger beoordeeld rekening houdend met zijn verbintenissen.
Indien de aansprakelijke vertegenwoordiger niet voldoende solvabel is, wordt een zekerheid gevraagd tot waarborg van de invordering van al wat ten laste van de vertegenwoordigde belastingplichtige opeisbaar zou kunnen worden uit hoofde van belasting, geldboeten, interesten en kosten. Ze wordt periodiek herzien rekening houdend met de verbintenissen van de aansprakelijke vertegenwoordiger.
Het bedrag van de zekerheid wordt vastgesteld op ten hoogste een vierde van de belasting welke door de niet in België gevestigde belastingplichtige verschuldigd is over een periode van twaalf kalendermaanden. In het geval bedoeld, in § 2 wordt de zekerheid vastgesteld op ten hoogste 10 pct. van de opeisbare belasting voor het geheel van de vertegenwoordigde belastingplichtigen.
De zekerheid kan bestaan uit een hypotheek in eerste rang op in België gelegen onroerende goederen, een borgtocht in speciën, een borgtocht in effecten of een persoonlijke borgstelling van een verzekeringsonderneming of van een bank of private spaarkas die hun activiteiten in België uitoefenen.
Artikel 3.
Wanneer het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen de niet in België gevestigde belastingplichtige en de aansprakelijke vertegenwoordiger kennis geeft van de erkenning, deelt het tegelijk ook het in artikel 50 van het Wetboek bedoelde identificatienummer voor de belasting over de toegevoegde waarde mee dat aan de niet in België gevestigde belastingplichtige is toegekend.
In het geval bedoeld in artikel 2, § 2, kent het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen twee globale BTW-identificatienummers toe, verschillend naargelang de handelingen bedoeld zijn hetzij in 1°, hetzij in 2°, 3° en 4°, van die paragraaf. Dit Centraal kantoor stelt de erkende aansprakelijke vertegenwoordiger hiervan in kennis.
Artikel 4.
§ 1. De niet in België gevestigde belastingplichtige stuurt de voor zijn medecontractant bestemde factuur naar zijn aansprakelijke vertegenwoordiger zonder het bedrag van de verschuldigde belasting erop te vermelden.
§ 2. De aansprakelijke vertegenwoordiger stelt in die hoedanigheid een stuk in tweevoud op, waarin de bij artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde vermeldingen voorkomen. Hij stuurt het origineel van dat stuk naar de medecontractant van de niet in België gevestigde belastingplichtige na de factuur welke die belastingplichtige voor zijn medecontractant heeft bestemd eraan gehecht te hebben. Hij bewaart het dubbel van dat stuk.
§ 3. Door of vanwege de Minister van Financiën kan in elk geval dat zij aanwijzen en onder de voorwaarden die zij bepalen de aansprakelijke vertegenwoordiger van de niet in België gevestigde belastingplichtige worden toegestaan het in § 2 bedoelde stuk niet op te stellen.
Artikel 5.
§ 1. Wanneer de niet in België gevestigde belastingplichtige geen aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen voor handelingen waarvoor hij overeenkomstig artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek schuldenaar is van de belasting, voldoet de medecontractant de belasting die verschuldigd is over de aan hem verrichte leveringen van goederen en de aan hem verstrekte diensten :
1° wanneer hij een belastingplichtige is die gehouden is de in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde aangifte in te dienen, door ze op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting dat wordt vermeld in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting opeisbaar is geworden;
2° wanneer hij een andere belastingplichtige is of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, door ze op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting in de in artikel 53ter van het Wetboek bedoelde aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting opeisbaar is;
3° wanneer hij een andere persoon is, door het aanbrengen en het onbruikbaar maken van gehele fiscale plakzegels op één van de in § 2 hierna bedoelde stukken, binnen tien dagen te rekenen vanaf het verstrijken van de termijn bepaald in artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.
2. De in § 1 bedoelde medecontractant voldoet de belasting op basis van de ontvangen factuur of, bij ontstentenis van een factuur, op een stuk dat hij daarvoor opmaakt. Het in het eerste lid bedoelde stuk moet de datum waarop het is opgesteld bevatten, een verwijzing naar de inschrijving in de boekhouding van de medecontractant, de vermeldingen bedoeld in artikel 9, § 2, 1°, 2°, 4° en 5°, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, evenals de datum van de levering van de goederen of van de voltooiing van de dienst en, in de in artikel 1, § 1, 2°, van hetzelfde koninklijk besluit bedoelde gevallen, de datum waarop de belasting opeisbaar wordt, of, indien de datum niet nauwkeurig kan worden bepaald, het tijdvak waarin de handeling is verricht.
§ 3. De in § 1, 3°, bedoelde gehele fiscale plakzegels worden met duidelijke lettertekens onbruikbaar gemaakt hetzij door middel van een met onuitwisbare inkt geschreven vermelding die de datum van de onbruikbaarmaking en de handtekening van de medecontractant omvat. hetzij door middel van een naamstempel die, met vette inkt, naast de datum ook de familienaam, de maatschappelijke benaming of firma van de medecontractant afdrukt. De vermelding of de afdruk van de stempel moet worden aangebracht in de richting van de langste afmeting van de plakzegel; de handtekening moet volledig zijn, maar mag gedeeltelijk buiten de rand van de plakzegel komen.
§ 4. Wanneer de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon voor de in § 1, 2°, bedoelde voldoening de in artikel 53ter van het Wetboek bedoelde aangifte een eerste maal moet indienen en hij nog niet voor de belasting over de toegevoegde waarde is geïdentificeerd bij toepassing van artikel 50 van het Wetboek, dient hij zich vooraf kenbaar te maken bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde dat bevoegd is voor de plaats waar de schuldenaar van de belasting gevestigd is.
§ 5. In afwijking van § 1, 3°, kan door of vanwege de Minister van Financiën onder de voorwaarden die zij vaststellen vergunning worden verleend om de verschuldigde belasting te voldoen door middel van een storting of overschrijving op de postrekening van het in die vergunning aangewezen kantoor. De aanvraag voor het bekomen van de vergunning moet worden ingediend bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde dat bevoegd is voor de plaats waar de schuldenaar van de belasting is gevestigd.
Artikel 6.
§ 1. De niet in België gevestigde belastingplichtige die vertegenwoordigd wordt door een in artikel 2, § 2, bedoelde persoon of die niet gehouden is een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen omdat hij in België uitsluitend handelingen stelt waarvoor overeenkomstig artikel 51, § 2, 1° en 2°, van het Wetboek, de belasting verschuldigd is door de ontvanger van de handeling, of die bij toepassing van artikel 55, vierde lid, van het Wetboek ontslagen is van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen, kan teruggaaf verkrijgen van de belasting die geheven is van de hem geleverde goederen, van de hem verstrekte diensten en van de door hem verrichte invoeren, mits een aanvraag tot teruggaaf wordt ingediend bij het hoofd van het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen.
§ 2. De aanvraag moet binnen vijf jaar na de datum waarop de vordering tot teruggaaf is ontstaan, in drievoud, bij de in § 1 bedoelde ambtenaar toekomen.
De vorm van de aanvraag tot teruggaaf, de over te leggen stukken en de modaliteiten van de teruggaaf worden door of vanwege de Minister van Financiën bepaald.
§ 3. De teruggaaf geschiedt hetzij door overschrijving op de in België of in het buitenland geopende postrekening op naam van de rechthebbende op teruggaaf, hetzij door overmaking op de rekening geopend op zijn naam bij een bank, instelling of onderneming bedoeld in artikel 12, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, of bij een bank in het buitenland.
De teruggaaf welke niet kan worden uitgevoerd op de in het eerste lid beschreven wijze, geschiedt door middel van een postassignatie gesteld op naam van de rechthebbende op teruggaaf.
§ 4. Op de aanvraag tot teruggaaf wordt niet ingegaan indien zij betrekking heeft op een bedrag van minder dan 1.100 frank.
Artikel 7.
Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen van de belasting geheven van de hem geleverde goederen en verstrekte diensten door een niet in België gevestigde belastingplichtige moet de medecontractant :
Artikel 10. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.
Koninklijk besluit nr. 54 van 26 februari 1996 met betrekking tot de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot bedoeld in artikel 39quater van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
Artikel 1.
De vrijstelling voorzien in artikel 39quater, § 1, van het Wetboek, wordt verleend onder de voorwaarden en beperkingen gesteld in de artikelen 3 tot 13.
Artikel 2.
Voor de andere goederen dan accijnsproducten, worden als ander entrepot dan douane-entrepot beschouwd :
1° voor de opslag van goederen die in België worden ingevoerd in de zin van artikel 23 van het Wetboek, de overeenkomstig de communautaire douanereglementering als douane-entrepot gedefinieerde plaatsen;
2° voor de opslag van andere goederen dan die bedoeld onder 1°, de plaatsen erkend door of vanwege de Minister van Financiën.
Artikel 3.
§ 1. De plaatsing van goederen onder de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot is beperkt :
1° voor de goederen ingevoerd in België in de zin van artikel 23 van het Wetboek, tot dezelfde goederen als deze die overeenkomstig de geldende communautaire douanereglementering onder de regeling van douane-entrepot mogen worden geplaatst;
2° voor de andere goederen dan die bedoeld onder 1°, tot de goederen opgenomen in de bijlage bij dit besluit.
§ 2. Zijn uitgesloten van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot, de goederen die bestemd zijn om in het kleinhandelsstadium te worden geleverd.
Artikel 4.
Artikel 3 is niet van toepassing op goederen die bestemd zijn :
1° voor belastingplichtigen, met het oog op leveringen die worden verricht onder de in artikel 39ter van het Wetboek vermelde voorwaarden;
2° voor verkooppunten in de zin van artikel 39ter van het Wetboek en gedefinieerd in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 49 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van de leveringen van goederen door de taksvrije verkooppunten, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, met het oog op leveringen aan reizigers die zich via een vlucht of zeereis naar een derde land begeven en die overeenkomstig artikel 39, § 1, van het Wetboek zijn vrijgesteld;
3° voor belastingplichtigen, met het oog op leveringen aan reizigers aan boord van een vliegtuig of schip tijdens een vlucht of zeereis waarvan de plaats van aankomst buiten de Gemeenschap is gelegen;
4° voor belastingplichtigen, met het oog op leveringen die worden verricht met vrijstelling van belasting overeenkomstig artikel 42, § 3, 1° tot 4°bis, van het Wetboek.
Artikel 5. De dienstverrichtingen bedoeld in artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek, die betrekking hebben op goederen die zich bevinden onder de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot, zijn beperkt tot de verrichtingen die door de communautaire douanereglementering zouden toegelaten zijn wanneer deze goederen zich onder de regeling van douane-entrepot zouden bevinden.
Artikel 6.
De vrijstelling is van toepassing op alle handelingen bedoeld in artikel 39quater, § 1, van het Wetboek, met uitzondering van de diensten bedoeld in artikel 5 die betrekking hebben op goederen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een levering zonder behoud van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot.
Artikel 7.
§ 1. De vrijstelling voor de handelingen bedoeld in artikel 39quater, § 1, van het Wetboek, wordt voorlopig verleend.
§ 2. De vrijstelling bedoeld in § 1 wordt definitief voor de handelingen die voorafgaan aan :
1° een levering van goederen onder bezwarende titel met behoud van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot;
2° de onttrekking van de goederen aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot door de belastingplichtige die een levering van goederen verricht onder bezwarende titel zoals bedoeld in artikel 10, § 1, van het Wetboek;
3° de onttrekking van de goederen aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot door hun eigenaar, los van elke handelstransactie, in het kader hetzij van een overbrenging van goederen zoals bedoeld in artikel 12bis, eerste lid, van het Wetboek, hetzij van een vervoer of een verzending van die goederen buiten de Gemeenschap verricht door die eigenaar of voor zijn rekening.
§ 3. Wanneer, los van elke handelstransactie, de goederen aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot zijn onttrokken door hun eigenaar en in België blijven ofwel buiten België maar binnen de Gemeenschap worden verzonden of vervoerd door of voor rekening van hun eigenaar met het oog op een handeling zoals bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° of 7°, van het Wetboek, wordt de belasting opeisbaar over :
a) de handeling waarbij de goederen onder de regeling worden geplaatst door de eigenaar, evenals over de aan hem verstrekte diensten met betrekking tot die goederen, wanneer de goederen niet het voorwerp hebben uitgemaakt van enige levering onder bezwarende titel tijdens hun verblijf in het entrepot;
b) de levering van goederen aan die eigenaar, evenals over de aan hem verstrekte diensten met betrekking tot die goederen, wanneer de goederen het voorwerp hebben uitgemaakt van een of meerdere leveringen onder bezwarende titel tijdens hun verblijf in het entrepot.
Artikel 8.
Behoudens tegenbewijs, wordt eenieder die goederen onttrekt aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot verondersteld ze te hebben onttrokken onder de voorwaarden van artikel 7, § 3.
Behoudens tegenbewijs, worden de tekorten van goederen in het entrepot ander dan douane-entrepot, verondersteld te zijn onttrokken aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot onder de voorwaarden van artikel 7, § 3.
Artikel 9.
De verschuldigde belasting over de handelingen bedoeld in artikel 7, § 3, wordt opeisbaar op het tijdstip dat de goederen aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot worden onttrokken tegen het tarief dat van toepassing zou zijn geweest op elk van die handelingen indien zij niet voorlopig waren vrijgesteld.
Artikel 10.
De toepassing van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot is afhankelijk van een vergunning verleend door of vanwege de Minister van Financiën.
Artikel 11.
Door of vanwege de Minister van Financiën worden de aard en de vorm bepaald van de stukken en documenten die het recht op vrijstelling rechtvaardigen, evenals de wijze waarop de opeisbare belasting, overeenkomstig artikel 7, § 3, moet worden voldaan.
Artikel 12.
Indien de vergunning die werd afgeleverd op grond van artikel 10, werd verkregen ingevolge een onjuiste verklaring of indien de voorwaarden waarvan de vrijstelling afhangt niet worden nagekomen, kan de administratie de vergunning bij een met redenen omklede beslissing intrekken.
Artikel 13.
De persoon die ingevolge de niet-naleving van de in dit besluit voorgeschreven formaliteiten het voordeel van de vrijstelling verloren heeft, kan door of vanwege de Minister van Financiën gehele of gedeeltelijke ontheffing van het opgelopen verval worden verleend.
Artikel 14.
Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1996.
Artikel 15.
Onze Vice-Eerste Minister, Minister van Financiën en Buitenlandse Handel is belast met de uitvoering van dit besluit.
BIJLAGE -------------------------------------------------------------------------- Omschrijving GN-code -------------------------------------------------------------------------- Tin 8001 -------------------------------------------------------------------------- Koper 7402 7403 7405 7408 -------------------------------------------------------------------------- Zink 7901 7905 -------------------------------------------------------------------------- Nikkel 7502 -------------------------------------------------------------------------- Aluminium 7601 -------------------------------------------------------------------------- Lood 7801 -------------------------------------------------------------------------- Indium ex 8112 91 ex 8112 99 -------------------------------------------------------------------------- Granen 1001 t/m 1005 1006: uitsluitend padie 1007 t/m 1008 -------------------------------------------------------------------------- Oliehoudende zaden en vruchten 1201 t/m 1207 Kokosnoten, paranoten en cashewnoten 0801 Andere noten 0802 Olijven 0711 20 -------------------------------------------------------------------------- Zaden en zaaigoed (sojabonen daaronder begrepen) 1201 t/m 1207 -------------------------------------------------------------------------- Koffie, ongebrand 0901 11 00 0901 12 00 -------------------------------------------------------------------------- Thee 0902 -------------------------------------------------------------------------- Cacaobonen, ook indien gebroken, al dan niet gebrand 1801 -------------------------------------------------------------------------- Ruwe suiker 1701 11 1701 12 -------------------------------------------------------------------------- Rubber, in primaire vormen of in platen, 4001 vellen of strippen 4002 -------------------------------------------------------------------------- Wol 5101 -------------------------------------------------------------------------- Chemische produkten (in bulk) hoofdstukken 28 en 29 -------------------------------------------------------------------------- Polyethyleen in bulk 3901 -------------------------------------------------------------------------- Minerale oliën (met inbegrip van propaan en 2707 butaan en ruwe olie uit aardolie) 2709 2710 2711 -------------------------------------------------------------------------- Zilver 7106 -------------------------------------------------------------------------- Goud 7108 -------------------------------------------------------------------------- Platina (palladium, rhodium) 7110 11 00 7110 21 00 7110 31 00 -------------------------------------------------------------------------- Aardappelen 0701 -------------------------------------------------------------------------- Plantaardige vetten en oliën, alsmede fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd 1507 t/m 1515 -------------------------------------------------------------------------- BIJLAGE 3: HANDELINGEN DIE MET VRIJSTELLING VAN DE BTW MOGEN WORDEN VERRICHT AAN GOEDEREN DIE ZICH IN EEN BTW-ENTREPOT BEVINDEN BIJLAGE 69 VAN DE TOEPASSINGSBEPALINGEN VAN HET COMMUNAUTAIR BOEK. (z. nr. 13 van de aanschrijving).
Tenzij dit anders is aangegeven, kan geen der navolgende behandelingen aanleiding geven tot een andere GN-code van acht cijfers.
I. Eenvoudige verrichtingen om gedurende de opslag van de invoergoederen de bewaring in goede staat ervan te verzekeren :
1. Het luchten, uitspreiden, drogen, stof wegruimen, eenvoudige schoonmaakhandelingen, herstelling van de verpakking, eenvoudige herstellingen van gedurende het vervoer of de opslag opgelopen beschadigingen in zoverre dit eenvoudige handelingen betreft, het aanbrengen of weghalen van beschermende bekleding met het oog op het vervoer.
4. Bewaring in goede staat door middel van bestraling of door toevoeging van middelen voor het verduurzamen.
6. Elke behandeling door het verlagen van de temperatuur, zelfs indien dit tot een wijziging van de GN-code van acht cijfers leidt.
H. De volgende verrichtingen om de presentatie of handelskwaliteit van de invoergoederen te verbeteren :
2. Het assembleren en monteren van de goederen doch slechts in zoverre dit het aanbrengen, aan een afgewerkt artikel, van toebehoren betreft die niet van wezenlijk belang zijn bij de vervaardiging van de goederen, zelfs indien dit tot een wijziging van de GN-code van acht cijfers leidt voor de aangebrachte of gemonteerde goederen.
4. Het toevoegen aan goederen van een of meer andere soorten goederen, voor zover deze toevoeging betrekkelijk klein is en de aard van de oorspronkelijke goederen niet verandert, zelfs indien dit tot een wijziging van de GN-code van acht cijfers leidt voor de toegevoegde goederen; de toegevoegde goederen kunnen evenzeer producten zijn die onder de regeling entrepot werden geplaatst of die in de vrije zone of in vrij entrepot werden geplaatst.
5. Het verdunnen van vloeistoffen, zelfs indien dit tot een andere GN-code van acht cijfers leidt.
6. Het onderling vermengen van dezelfde soort goederen. van verschillende kwaliteit, ten einde te komen tot een constante kwaliteit waarom door de afnemer is verzocht, zonder de aard van de goederen te wijzigen.
7. Het van elkaar scheiden van de goederen. doch uitsluitend indien dit eenvoudige verrichtingen betreft.
III. De volgende verrichtingen om de invoergoederen voor distributie of wederverkoop voor te bereiden :
1. Het sorteren, mechanisch filtreren, indelen en zeven.
2. Het afstellen en instellen.
3. Het verpakken, uitpakken, ompakken, het overgieten of overbrengen in een andere verpakking zelfs als dit tot een andere GN-code van acht cijfers leidt.
4. Het aanbrengen en wijzigen van merken. verzegelingen, etiketten, vermeldingen van behaalde prijzen of enig ander onderscheidend merkteken; dit mag niet leiden tot het verkrijgen van een schijnbaar andere dan de werkelijke oorsprong.
5. Het uitproberen, bijstellen en gebruiksklaar maken van machines, toestellen en voertuigen voor zover het eenvoudige verrichtingen betreft.
6. Het uitproberen om na te gaan of aan de Europese technische normen wordt voldaan.
7. Het versnijden en kleiner maken van gedroogde vruchten of van groenten.
8. Het behandelen tegen roest.
9. Het herconstrueren van goederen na het vervoer.
10. Het verhogen van de temperatuur om vervoer van de goederen mogelijk te maken.
11. Het strijken van textiel.
12. Het elektrostatisch behandelen van textiel.
Aanschrijving nr. 9 dd. 05.11.1996
BTW-Revue nr. 126, blz. 5
Deze aanschrijving werd vervangen door de aanschrijving nr. 14 dd. 19.05.2003.
Andere regeling van entrepot dan douane-entrepot
BTW-entrepot.
" Addendum dd. 19 februari 2001" Artikel 39quater van het BTW-Wetboek verleent vrijstelling van BTW voor de handelingen met betrekking tot goederen die onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot (ook BTW-entrepot genaamd) worden geplaatst, of die zich reeds onder die regeling bevinden. Het koninklijk besluit nr. 54 van 25 februari 1996 met betrekking tot de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot bedoeld in artikel 39quater van het BTW-Wetboek, bepaalt de beperkingen en de voorwaarden die in acht moeten worden genomen voor de toepassing van de vrijstelling van voornoemd artikel 39quater dat op 1 januari 1996 in voege is getreden. De ervaring opgedaan sinds de invoering van de regeling heeft geleerd dat het wenselijk is om in de adminsitratieve commentaar op de regeling BTW-entrepot, gepubliceerd in de aanschrijving nr. 9 van 5 november 1996, meer te benadrukken dat de regeling verplicht van toepassing is ten aanzien van accijnsproducten die onder de regeling vallen en om meer te verduidelijken wie de persoon is die de accijnsproducten aan de regeling BTW-entrepot onttrekt. De regeling BTW-entrepot is verplicht ten aanzien van accijnsproducten die onder de regeling vallen, zolang ze in België onder schorsing van de accijnsrechten opgeslagen zijn in of zich bevinden in een belastingentrepot. Daaruit volgt dat alle leveringen die hebben plaatsgevonden vóór de aangiften ten verbruik van die goederen voor de toepassing van de accijnsrechten of vóór hun fysieke uitslag uit het entrepot onder een opschortende regeling inzake accijnzen, uitlsuitend kunnen plaatsvinden met handhaving van de regeling BTW-entrepot en derhalve met vrijstelling van de BTW. De persoon die aan accijns onderworpen goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt, kan bijgevolg zijn
- ofwel, de belastingplichtige die een levering van goederen heeft verricht zonder handhaving van de regeling, voor zover die levering tot gevolg heeft dat de goederen voor de toepassing van de accijnsrechten voor het verbruik moeten aangegeven worden of voor zover die levering aanleiding geeft tot de daadwerkelijke uitslag van de goederen uit het entrepot onder een opschortende regeling inzake accijnzen;
- ofwel, de eigenaar van de goederen die ze, los van elke handelstransactie, onttrekt aan het entrepot en hen voor de toepassing van de accijnsrechten voor het verbruik aangeeft of hen onder een opschortende regeling inzake accijnzen naar een andere plaats verzendt.
* * *
49. Artikel 39quater, § 2, 1°, van het Wetboek bepaalt dat de belastingentrepots worden aangemerkt als BTW-entrepots voor goederen die aan accijnsrechten zijn onderworpen.
Daaruit volgt dat:
- de plaatsen die niet zijn erkend als belastingentrepot, evenmin kunnen worden aangemerkt als BTW-entrepot voor accijnsproducten;
- een belastingentrepot ambtshalve als BTW-entrepot wordt aangemerkt voor die producten.
50. Hieruit volgt eveneens dat de toepassing van de regeling BTW-entrepot met inachtneming van de voorwaarden opgelegd in deze aanschrijving, verplicht is ten aanzien van de goederen die aan accijnzen zijn onderworpen en die onder de regeling BTW-entrepot zijn toegelaten, wanneer deze goederen in België onder schorsing van de accijnsrechten in een belastingentrepot zijn opgeslagen of er zich in bevinden en voor de toepassing van de accijnsrechten niet voor het verbruik zijn aangegeven of niet fysiek uit het entrepot zijn uitgeslagen onder een opschortende regeling inzake accijnzen.
Er wordt aan herinnerd dat de volgende accijnsproducten onder de regeling BTW-entrepot kunnen worden geplaatst:
- voor ingevoerde goederen: minerale oliën; tabaksfabrikaten; alcohol en alcoholhoudende dranken.
- voor nationale of communautaire goederen: de minerale oliën bedoeld in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54.
- ofwel, de belastingplichtige die de levering van de goederen verricht waarbij de regeling niet wordt gehandhaafd;
- ofwel, de eigenaar van de goederen die de goederen, los van elke handelstransactie, onttrekt aan het entrepot.
Er wordt echter opgemerkt dat de commerciële leveringsvoorwaarden niet in tegenspraak mogen zijn met de op die levering toegepaste BTW-bepalingen (bijvoorbeeld een levering franco thuis bij de koper waarvoor de vrijstelling van artikel 39quater, § 1, 2°, van het Wetboek wordt ingeroepen hetgeen de handhaving van de goederen in het BTW-entrepot veronderstelt).
Bovendien mag voor wat de accijnsproducten betreft, niet uit het oog worden verloren dat de regeling BTW-entrepot verplicht toepasselijk is wanneer de goederen in België onder schorsing van de accijnsrechten in een entrepot worden opgeslagen of er zich bevinden (z.nr.50). Daaruit volgt dat alle leveringen die hebben plaatsgevonden vóór de aangifte ten verbruik van die goederen voor de toepassing van de accijnsrechten of vóór hun fysieke uitslag uit het entrepot onder een opschortende regeling inzake accijnzen, uitsluitend kunnen plaatsvinden met handhaving van de regeling BTW-entrepot en derhalve met vrijstelling van de BTW.
De persoon die aan accijns onderwerpen goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt, kan bijgevolg zijn:
- ofwel, de belastingplichtige die een levering van goederen heeft verricht zonder handhaving van de regeling, voor zover die levering tot gevolg heeft dat de goederen voor de toepassing van de accijnsrechten voor het verbruik moeten worden aangegeven of voor zover die levering aanleiding geeft tot de daadwerkelijke uitslag van de goederen uit het entrepot onder een opschortende regeling inzake accijnzen;
- ofwel, de eigenaar van de goederen die ze, los van elke handelstransactie, onttrekt aan het entrepot en hen voor de toepassing van de accijnsrechten voor het verbruik aangeeft of hen onder een opschortende regeling inzake accijnzen naar een andere plaats verzendt.
Voor de Directeur-generaal,
R.SUCAET
Directeur generaal
INHOUDSTAFEL Nrs. INLEIDING 1-6 HOOFDSTUK I. ALGEMEENHEDEN 7-58 AFDELING 1. OMSCHRIJVING VAN HET BTW-ENTREPOT 8-11 AFDELING 2. BEPERKING VAN DE GOEDEREN TOEGELATEN TOT DE REGELING BTW-ENTREPOT 12-20 A. Criterium inzake herkomst 13-18 B. Criterium inzake de bestemming 19 C. Afwijkingen op de criteria inzake beperking 20 AFDELING 3. HANDELINGEN VRIJGESTELD ONDER DE REGELING BTW-ENTREPOT 21-36 A. Handelingen inzake plaatsing 23-25 B. Leveringen van goederen onder de regeling BTW-entrepot 26 C. Diensten verricht onder de regeling BTW-entrepot 27-36 Diensten verricht aan goederen die het voorwerp uitmaken van een handeling met plaatsing onder de regeling BTW-entrepot 29-32 Diensten met betrekking tot goederen die zich onder de regeling bevinden en die opgeslagen zijn in het BTW-entrepot 33-36 Beperking van de vrijstelling tot de gebruikelijke behandelingen opgenomen in bijlage 3 bij de aanschrijving 33-35 Beperking van de vrijstelling tot de diensten die betrekking hebben op goederen die niet het voorwerp uitmaken van een levering zonder handhaving van de regeling BTW-entrepot 36 AFDELING 4. DE VERGUNNING BTW-ENTREPOT 37-58 A. De bijzondere vergunning 39-53 Plaatsing van de goederen onder de regeling BTW-entrepot 42-50 Ingevoerde goederen, andere dan accijnsprodukten 42-44 Niet aan accijns onderworpen nationale goederen of goederen afkomstig uit een andere Lid-Staat 45-48 Accijnsprodukten 49-50 Diensten verricht aan goederen vóór hun effectieve opslag 51-53 B. De algemene vergunning 54-56 Levering, met handhaving van de regeling, van goederen die zich in een BTW-entrepot bevinden 55 Diensten met betrekking tot goederen die zich in een BTW-entrepot bevinden 56 C. Geldigheidsduur van de vergunning 57 D. Aanpassing of intrekking van de vergunning 58 HOOFDSTUK II. WERKING VAN DE REGELING 59-146 AFDELING 1. ALGEMEENHEDEN 59-61 AFDELING 2. WERKINGSPRINCIPES - WETTELIJKE BEPALINGEN 62-77 A. Aard van de vrijstelling 64-68 Situaties waarin de voorlopige vrijstelling van BTW definitief wordt 65-66 Situaties waarin de voorlopige vrijstelling van BTW het voorwerp moet uitmaken van een regularisatie 67-68 B. Aanzuivering van de regeling 69-72 C. Schuldenaars van de belasting 73-77 AFDELING 3. ANALYSE VAN EEN GLOBAAL VOORBEELD 78-146 A. Plaatsing van de goederen onder de regeling 80-85 Binnenlandse levering van goederen die bestemd zijn om in een BTW-entrepot te worden opgeslagen 80-81 Intracommunautaire verwerving van goederen die bestemd zijn om in een BTW-entrepot te worden opgeslagen 82-83 Invoer van goederen die bestemd zijn om in een BTW-entrepot te worden opgeslagen 84 Binnenlandse verzending van goederen bestemd om in een BTW-entrepot te worden opgeslagen 85 B. Diensten vóór de opslag 86-90 C. Opeenvolgende leveringen in het BTW-entrepot 91-94 D. Diensten tijdens de opslag 95-99 1. De dienst verricht door Y is voorzien in bijlage 3 bij deze aanschrijving 97-98 2. De dienst verricht door Y is niet voorzien in bijlage 3 bij deze aanschrijving 99 E. Onttrekking van goederen aan de regeling BTW-entrepot 100-118 DE GOEDEREN WORDEN AAN DE REGELING BTW-ENTREPOT ONTTROKKEN INGEVOLGE HUN LEVERING ZONDER HANDHAVING VAN DE REGELING 101-107 a) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken in het kader van een binnenlandse levering 103 b) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken in het kader van een uitvoer 104-106 c) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken in het kader van een uitvoer 107 DE GOEDEREN WORDEN AAN DE REGELING BTW-ENTREPOT ONTTROKKEN, LOS VAN ELKE HANDELSTRANSACTIE 108-118 a) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en blijven in het binnenland 109-111 b) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en maken het voorwerp uit van een met een intracommunautaire levering gelijkgestelde overbrenging 112-113 c) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en maken het voorwerp uit van een overbrenging bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° of 7° van het Wetboek 114-117 d) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en vervolgens uitgevoerd 118 F. Dienstverrichting op het einde van de opslag 119-146 A. De goederen maken het voorwerp uit van een dienst vóór hun verkoop 120-126 1. De dienst is opgenomen in bijlage 3 van deze aanschrijving 122-124 2. De dienst is niet opgenomen in bijlage 3 van deze aanschrijving 125-126 B. De goederen maken het voorwerp uit van een dienst zonder behoud van de regeling 127-132 C. De goederen maken het voorwerp uit van een dienst met behoud van de regeling 133-146 1. De dienst is opgenomen in bijlage 3 van deze aanschrijving 136-144 a) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en blijven in het binnenland 137-139 b) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en maken het voorwerp uit van een met een intracommunautaire levering gelijkgestelde overbrenging 140-141 c) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en maken het voorwerp uit van een overbrenging bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° of 7° van het Wetboek 142-143 d) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en vervolgens uitgevoerd 144 2. De dienst is niet opgenomen in bijlage 3 van deze aanschrijving 145-146 HOOFDSTUK III. DE VERPLICHTINGEN AFDELING 1. VERPLICHTINGEN IN VERBAND MET DE WERKING VAN DE REGELING 148-217 A. Algemeenheden 148-150 B. Voorraadadministratie 151-152 C. Verplichtingen in verband met de inslag in het BTW-entrepot 153-184 Invoer 154-159 Het opslagdocument 154-156 De opgave van de opslagdocumenten 157-158 Specifieke verplichtingen inzake facturatie 159 Intracommunautaire verwervingen 160-167 Het opslagdocument 160-164 De opgave van de opslagdocumenten 165-166 Specifieke verplichtingen inzake facturatie 167 Levering of binnenlandse verzending 168-177 Het opslagdocument 168-173 De opgave van de opslagdocumenten 174-175 Specifieke verplichtingen inzake facturatie 176-177 Diensten verricht aan goederen vóór opslag in het BTW-entrepot 178-184 Verplichtingen van de vergunninghouder 181-183 Specifieke verplichtingen inzake facturatie 184 D. Verplichtingen in verband met leveringen en diensten in een BTW-entrepot met handhaving van de regeling 185-189 Verplichtingen voor de vergunninghouder 185 Specifieke verplichtingen inzake facturatie 186-189 E. Verplichtingen in verband met de uitslag uit het BTW-entrepot 190-207 Verplichtingen van de vergunninghouder 191-196 Het uitslagdocument 191-194 De opgave van de uitslagdocumenten 195-196 Uitslag van de goederen uit het BTW-entrepot 197-203 Verantwoording van de toepasselijke BTW-bepalingen bij uitslag 197-200 Specifieke verplichtingen inzake facturatie 201-203 Diensten verricht aan goederen op het einde van de opslag 204-207 F. Bewijs van het recht op de toepassing van de vrijstelling 208-210 G. Regularisatie van de BTW 211-216 H. Verplichtingen inzake bewaring en voorlegging 217 AFDELING 2. ANALYSE VAN EEN GLOBAAL VOORBEELD 218-247 A. De inslag in het BTW-entrepot 219-231 B. Verkopen en diensten verricht in het BTW-entrepot met handhaving van de regeling 232-238 C. De uitslag uit het BTW-entrepot 239-247 AFDELING 3. VERPLICHTINGEN DIE NIET VERBONDEN ZIJN AAN DE WERKING VAN DE REGELING 248-284 A. Hoofdelijke aansprakelijkheid voor de voldoening van de belasting 249-252 B. Fiscale vertegenwoordiging 253-284 Algemene principes 253-255 Handelingen in verband met de regeling BTW-entrepot 256-284 EERSTE CATEGORIE VAN AANSPRAKELIJKE VERTEGENWOORDIGER - TOEKENNING VAN EEN INDIVIDUEEL BTW-IDENTIFICATIENUMMER AAN NIET IN BELGIE GEVESTIGDE BELASTINGPLICHTIGEN 260-261 a) Erkenningsprocedure 260 b) Rechten en verplichtingen van de aansprakelijke vertegenwoordiger 261 TWEEDE CATEGORIE VAN AANSPRAKELIJKE VERTEGENWOORDIGER - TOEKENNING VAN EEN GLOBAAL BTW-IDENTIFICATIENUMMER AAN DE AANSPRAKELIJKE VERTEGENWOORDIGER 262-284 GLOBAAL BTW-IDENTIFICATIENUMMER MET HET BEGINKENMERK BE 796.5 266-271 GLOBAAL BTW-IDENTIFICATIENUMMER MET HET BEGINKENMERK BE 796.6 272-284 a) Toepassingssfeer 272-276 b) Erkenningsprocedure 277-279 c) Verplichtingen van de aansprakelijke vertegenwoordiger 280-284 Plaatsing van de goederen onder de regeling BTW-entrepot 281 Onttrekking van de goederen aan de regeling BTW-entrepot 282 Inhoud van de periodieke BTW-aangifte 283-284 1) Regeling BTW-entrepot 2) Intracommunautaire verwervingen van goederen, buiten het kader van de regeling BTW-entrepot, gevolgd door uitvoeren naar een derde land HOOFDSTUK IV. BIJZONDERE SITUATIES 285-306 AFDELING 1. DIENSTEN VAN DEPOTHOUDERS 286-290 AFDELING 2. DIENSTEN VAN TUSSENPERSONEN 291-295 AFDELING 3. VERZENDING VAN EEN BTW-ENTREPOT NAAR EEN ANDER BTW-ENTREPOT IN BELGIE 296-303 Ingevoerde goederen 298-299 Nationale goederen of goederen herkomstig uit een andere Lid-Staat, andere dan accijnsproducten 300-301 Nationale accijnsproducten of accijnsproducten herkomstig uit een andere Lid-Staat 302-303 AFDELING 4. OVERGANGSMAATREGELEN 304-306 BIJLAGE 1 : COMMUNAUTAIRE BEPALINGEN BIJLAGE 2 : NATIONALE BEPALINGEN BIJLAGE 3 : LIJST VAN DE GEBRUIKELIJKE HANDELINGEN BEDOELD IN BIJLAGE 69 VAN DE TOEPASSINGSBEPALINGEN VAN HET COMMUNAUTAIR DOUANEWETBOEK INLEIDING 1. In een economische kringloop waar alle productie- en handelsstadia aan de BTW zijn onderworpen, is, dankzij het mechanisme van de aftrek, de belastingdruk op de prijs van een goed steeds dezelfde ongeacht het aantal handelingen die de levering aan de eindverbruiker voorafgaan.
2. Teneinde de heffing van de belasting onder duidelijk omschreven voorwaarden te vereenvoudigen biedt de Zesde BTW-Richtlijn elke Lid-Staat de mogelijkheid af te wijken van dit fundamenteel principe om elk stadium van het economisch proces te belasten.
Artikel 16, §§ 1 en 1bis van de Zesde BTW-Richtlijn voorziet in zulke mogelijkheid voor de handelingen verricht in het kader van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot (hierna BTW-entrepot genoemd). De basisidee van deze regeling is in essentie de vereenvoudiging van de verplichtingen van personen die actief zijn in de handel van grondstoffen en andere goederen die het voorwerp uitmaken van kettingverkopen of die op internationale termijnmarkten worden verhandeld.
3. Tot 31 december 1995 waren de vrijstellingen van BTW in het kader van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot ondergebracht in de artikelen 39, § 2, 40, § 1, 1°, c, 40, § 1, 3° en 40, § 2 van het Wetboek. De vrijstellingen van BTW omvatten de levering van goederen, de intracommunautaire verwerving ervan, de invoer ervan, alsmede diensten met betrekking tot deze goederen.
4. Vanaf 1 januari 1996 zijn de bedoelde vrijstellingen geschrapt in voornoemde wetsartikelen en gegroepeerd in het nieuwe artikel 39quater dat in het Wetboek is ingevoegd door artikel 11 van het koninklijk besluit van 22 december 1995 (Belgisch Staatsblad van 30 december 1995). Artikel 39quater van het Wetboek werd gewijzigd door artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 november 1996.
Het koninklijk besluit nr. 54 van 25 februari 1996 met betrekking tot de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot bedoeld in artikel 39quater van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 5 maart 1996) bevat de voorwaarden en de beperkingen voor de toepassing van de vrijstelling van genoemd artikel 39quater.
5. De voornoemde wettelijke en reglementaire bepalingen vormen de omzetting in het Belgisch recht van artikel 1, negende lid, van de Richtlijn 95/7/EG van de Raad van de Europese Unie van 10 april 1995 (Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 5 mei 1995 nr. L 102), dat artikel 16, §§ 1 en 1bis van de Zesde Richtlijn herschrijft.
Ingevolge deze wijziging wordt op communautair vlak een begin gemaakt van de harmonisatie van de vrijstelling van BTW in het kader van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot.
De harmonisatie gaat echter niet zover dat een communautaire definitie wordt gegeven van het begrip andere regeling van entrepot dan douane-entrepot, noch een opsomming van de erin toegelaten goederen. Bijgevolg blijft de concrete invulling van het stelsel een materie voor elke Lid-Staat afzonderlijk.
Niettemin moet dit begin van harmonisatie ertoe leiden dat een aantal BTW-verplichtingen wordt vereenvoudigd ten aanzien van de handelingen met betrekking tot bepaalde grondstoffen en andere goederen die zich in het vrije verkeer bevinden en die doorgaans het voorwerp uitmaken van kettingverkopen dikwijls zelfs via internationale termijnmarkten. De bedoelde vereenvoudigingen zijn : vrijstelling van de BTW waardoor geen voorfinanciering ontstaat en het ontslag van een fiscale vertegenwoordiging of een vereenvoudigde vertegenwoordiging van niet in België gevestigde belastingplichtigen.
Deze vereenvoudigingen strekken ertoe de bedoelde goederen fiscaal op dezelfde wijze te behandelen als de niet-communautaire goederen die zich onder een douane-regeling bevinden. Anderzijds wordt de kans kleiner dat binnen de Gemeenschap goederenstromen worden verlegd door het feit dat de bedoelde stelsels in de verschillende Lid-Staten ongelijk zijn.
6. Deze aanschrijving bepaalt de modaliteiten en formaliteiten voor de toepassing van de vrijstelling van BTW met betrekking tot de regeling BTW-entrepot, die op 1 januari 1996 in voege is getreden. Tevens worden de modaliteiten en formaliteiten omschreven met betrekking tot de overgang op 1 januari 1996 van de vroegere regeling BTW-entrepot naar de nieuwe regeling.
Hoofdstuk 1 omschrijft het kader waarbinnen het stelsel BTW-entrepot kan worden toegepast : welke soorten van BTW-entrepot er bestaan; welke plaatsen erkend kunnen worden als plaats voor de opslag van de goederen waarvoor de regeling geldt; welke goederen en handelingen onder de regeling kunnen vallen; de regels met betrekking tot de vergunning BTW-entrepot (de rechthebbende, de uitreiking, de duur, de intrekking).
Hoofdstuk 2 zet de eigenlijke werking van de regeling uiteen : welke de vrijgestelde handelingen zijn bij de inslag, bij de overdracht met handhaving van de regeling en bij de uitslag van de goederen; in welke gevallen er bij de uitslag uit het entrepot BTW verschuldigd is; wie schuldenaar van de belasting is.
In dit hoofdstuk wordt tevens in detail een concreet voorbeeld geanalyseerd waarin het merendeel van de handelingen is verwerkt die onder de regeling BTW-entrepot kunnen worden verricht.
Hoofdstuk 3 is gewijd aan de verplichtingen die moeten worden nageleefd door de diverse betrokken partijen; de wijze waarop in geval van regularisatie de BTW moet worden voldaan; de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de voldoening van de belasting; de fiscale vertegenwoordiging van belastingplichtigen die niet in België zijn gevestigd.
Dit hoofdstuk wordt vervolledigd met de analyse op het stuk van de verplichtingen van het voorbeeld uit hoofdstuk 2.
Hoofdstuk 4 omschrijft de regels die van toepassing zijn in een aantal bijzondere situaties zoals de diensten van de depothouders, de tussenkomst van tussenpersonen, de overbrenging van goederen naar een ander BTW-entrepot in België, alsmede de overgangsmaatregelen tussen het huidig stelsel en datgene dat van toepassing was vóór 1996.
Bijlage 1 bij onderhavige aanschrijving bevat de tekst van de nieuwe artikelen 16, §§ 1 en 1bis van de Zesde Richtlijn. In bijlage 2 gaat de tekst van artikel 39quater van het Wetboek, van het koninklijk besluit nr. 54 van 25 februari 1996 alsmede van andere nationale wettelijke bepalingen in verband met de regeling BTW-entrepot. In bijlage 3 worden de handelingen opgenomen die met vrijstelling van BTW op grond van artikel 39quater van het BTW-Wetboek mogen worden verricht aan goederen die zich in een BTW-entrepot bevinden.
In het verloop van de aanschrijving zal regelmatig verwezen worden naar de bijlagen.
| HOOFDSTUK | 1. ALGEMEENHEDEN. |
AFDELING 1. OMSCHRIJVING VAN HET BTW-ENTREPOT.
8. Artikel 39quater, § 2, van het Wetboek bepaalt dat uitsluitend als BTW-entrepot kunnen worden erkend :
1° voor accijnsproducten, de in België gelegen plaatsen die worden gedefinieerd als belastingentrepot in de zin van artikel 4, punt b, van de Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 februari 1992, betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controle daarop (Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 23 maart 1992 nr. L 76). Deze Richtlijn werd omgezet in nationaal recht door het koninklijk besluit van 29 december 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controle daarop (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 3de editie). Het werd gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 december 1992 (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 3de editie) en van 30 juni 1995 betreffende de accijnzen (Belgisch Staatsblad van 1 augustus 1995);
2° voor andere goederen dan accijnsproducten, de in België gelegen plaatsen die bedoeld zijn in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 54, met name :
- voor de in België in de zin van artikel 23 van het Wetboek ingevoerde goederen, de in België gelegen plaatsen die als douane-entrepot worden aangemerkt door de Communautaire douanereglementering, meer bepaald door de artikelen 98 en 99 van het Communautair douanewetboek (Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 19 oktober 1992 nr. L 302) en artikel 504 van de toepassingsbepalingen van dit Wetboek (Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 11 oktober 1993 nr. L 253);
- voor de andere goederen dan deze bedoeld in het eerste streepje hiervoor, de in België gelegen plaatsen die door de Centrale Administratie van de BTW, registratie en domeinen worden erkend als BTW-entrepot.
10. Uit de bepalingen vervat in de nrs. 8 en 9 blijkt dat BTW-entrepots in België gelegen plaatsen zijn, die door de bevoegde autoriteiten erkend zijn om goederen met vrijstelling van de belasting te ontvangen. Het gaat steeds om duidelijk omschreven fysieke plaatsen (entrepots, delen van gebouwen, fabrieken. silo's, industriële sites, tanks en netwerken van pijpleidingen, ...). Er bestaan drie soorten BTW-entrepot die elk hun eigen karakteristieken hebben in functie van het soort opgeslagen goederen, met name :
- goederen onder schorsing van communautaire accijnsrechten, ongeacht of deze goederen werden ingevoerd, afkomstig zijn uit een andere Lid-Staat of nationale goederen zijn;
- in België ingevoerde goederen, andere dan communautaire accijnsproducten;
- nationale goederen of goederen afkomstig uit een andere Lid-Staat, andere dan communautaire accijnsproducten.
11. Uit hetgeen gezegd is in de nummers 8 en 9, volgt tevens dat communautaire accijnsproducten die zich niet bevinden op een plaats die is erkend als belastingentrepot in de zin van artikel 4, punt b), van de Richtlijn 92/12/EEG, omdat ze ten verbruik werden aangegeven met betaling van de accijns, niet onder de regeling BTW-entrepot kunnen worden geplaatst en er evenmin onder kunnen blijven. Artikel 39quater van het Wetboek sluit immers elke toevlucht tot een ander soort BTW-entrepot, voorbehouden voor andere goederen dan accijnsproducten, uit.
Onder belastingentrepot moet worden verstaan iedere plaats waar de erkende entrepothouder bij de bedrijfsuitoefening, accijnsproducten onder schorsing van accijns, produceert, verwerkt, voorhanden heeft, ontvangt of verzendt.
AFDELING 2. BEPERKING VAN DE GOEDEREN TOEGELATEN TOT DE REGELING BTW-ENTREPOT.
12. Artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 54 stelt twee criteria in die de plaatsing van goederen onder de regeling BTW-entrepot beperken. Eén criterium houdt verband met de herkomst van de goederen en het tweede met de bestemming van de goederen.
| A. | Het criterium inzake herkomst. |
13. De plaatsing onder de regeling BTW-entrepot van in België ingevoerde goederen in de zin van artikel 23 van het Wetboek, accijnsproducten en andere goederen, is beperkt tot dezelfde goederen als deze die onder de regeling van douane-entrepot mogen worden geplaatst.
Vooraleer ze in het vrije verkeer zijn gebracht, komen alle goederen, accijnsproducten inbegrepen, in aanmerking voor plaatsing onder de regeling douane-entrepot.
Niettemin kan de opslag worden ontzegd aan bepaalde goederen, bijvoorbeeld om redenen van goede zeden, openbare orde, publieke veiligheid, volksgezondheid, milieu, enz ... (z. inzonderheid de omzendbrief D.L. 3/31.730 van 25 september 1989 (D.I. 595.0) van de Administratie der douane en accijnzen. Deze omzendbrief kan worden besteld bij de dienst documentatie van de genoemde Administratie waarvan het adres te vinden is onder het nr. 44).
14. Artikel 504 van het communautair toepassingswetboek inzake douane somt zes types van douane-entrepot op (de publieke entrepots van type A, B of F en de particuliere entrepots van type C, D of E). Niet om het even welk goed mag in elk van die types van douane-entrepot worden opgeslagen. Omdat de plaatsen die erkend zijn als douane-entrepot, eveneens worden erkend als BTW-entrepot voor de ingevoerde goederen andere dan accijnsproducten (z. nr. 8), kunnen enkel die goederen onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst die zijn toegelaten in het type van douane-entrepot dat als BTW-entrepot is erkend.
De douane-instructie betreffende de entrepots (D.I. 540) van de Administratie der douane en accijnzen becommentarieert de bepalingen van voornoemd artikel 504. Deze instructie kan worden bekomen bij de documentatiedienst van genoemde administratie waarvan het adres is vermeld onder nr. 44.
15. Wanneer de ingevoerde goederen onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst en ze vóór hun opslag in het BTW-entrepot een bewerking ondergaan (z. nrs. 29 tot 32), dan is het eindproduct dat moet beantwoorden aan het beperkende criterium inzake de toelating tot de regeling.
Voorbeeld : Azijnzuur kan in België worden ingevoerd onder de regeling BTW-entrepot met vrijstelling van de belasting op grond van artikel 39quater, § 1, van het Wetboek, omdat het goed mag worden opgeslagen in een publiek of een particulier douane-entrepot.
Wanneer daarentegen het in België ingevoerde azijnzuur vóór zijn effectieve opslag door uitdroging wordt verwerkt tot azijnzuuranhydride, kan het eindproduct niet worden opgeslagen in een douane-entrepot. Inderdaad, hoewel azijnzuuranhydride frekwent wordt aangewend in de scheikundige- en farmaceutische nijverheid, kan dit product echter ook voor onwettige toepassingen worden aangewend, zoals in de bereiding van drugs. Het azijnzuur wordt om deze reden volledig uitgesloten uit de regeling douane-entrepot. In deze omstandigheden kan het ingevoerde azijnzuur niet onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst en kan de invoer niet worden vrijgesteld van de belasting op basis van artikel 39quater, § 1, 1° van het Wetboek.
16. Indien de bewerking van ingevoerde goederen bestaat in de toevoeging van communautaire goederen of in de vermenging ervan met communautaire goederen, blijven de voorwaarden inzake de beperking voor ingevoerde goederen zoals uiteengezet in de nummers 13 tot 15, van toepassing op de bekomen goederen.
EG-goederen.
17. Nationale goederen of goederen afkomstig uit een andere Lid-Staat, accijnsproducten en andere goederen, kunnen slechts onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst in de mate dat ze voorkomen op de lijst van de goederen die zijn opgesomd in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54.
De in deze bijlage opgenomen goederen zijn voornamelijk metalen en grondstoffen die het voorwerp uitmaken van kettingverkopen, zoals die plaatsvinden op internationale grondstoffenmarkten. De enige accijnsproducten die op deze lijst voorkomen, zijn de minerale oliën.
Voor een nadere omschrijving van de goederen opgenomen in de bijlage, wordt verwezen naar de toelichtingen bij het Geharmoniseerd Systeem inzake de Omschrijving en Codering van Goederen.
De in deze bijlage opgenomen bulkgoederen zijn stortgoederen die niet verpakt zijn.
18. Wanneer nationale goederen of goederen afkomstig uit een andere Lid-Staat, het voorwerp uitmaken van een handeling met plaatsing onder de regeling BTW-entrepot die is vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 1° van het Wetboek en wanneer die goederen vóór hun opslag in het BTW-entrepot nog een bewerking ondergaan (z. nrs. 29 tot 32), dan is het eindproduct dat moet beantwoorden aan het beperkende criterium inzake de toelating tot de regeling.
Voorbeelden : Aluminium in ruwe toestand (GN-Code 7601 - een goed opgenomen in de lijst van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54) kan niet met toepassing van de vrijstelling van de belasting bedoeld in artikel 39quater, § 1, 1° van het Wetboek worden aangekocht indien dat aluminium vóór de opslag werd verwerkt tot staven, draad of platen (GN-Code 7604, 7605 of 7606) die niet zijn opgenomen in de lijst.
Bauxiet daarentegen (mineraal van aluminium - GN-Code 2606 - een goed dat niet is opgenomen in de lijst van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54) dat wordt verwerkt tot ruwe gietblokken (een goed dat voorkomt in de lijst - GN-Code 7601) en bestemd is om in een BTW-entrepot te worden opgeslagen, kan met vrijstelling van de belasting worden aangekocht op grond van artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek.
| B. | Criterium inzake de bestemming. |
Uit deze bepalingen volgt dat de plaatsen waar eindgebruikers toegang hebben, niet kunnen worden erkend of aangemerkt als BTW-entrepot (grootwarenhuizen, benzinestations, ...).
| C. | Afwijkingen op de criteria inzake beperking. |
- voor belastingplichtigen, met het oog op leveringen die ze onder de voorwaarden van artikel 39ter van het Wetboek verrichten ofwel in taksvrije verkooppunten van havens en luchthavens aan reizigers die een intracommunautaire vlucht of zeereis maken, ofwel aan boord van een vliegtuig of een vaartuig tijdens een intracommunautair vervoer van reizigers;
- voor belastingvrije verkooppunten, in de zin van artikel 39ter van het Wetboek en gedefinieerd in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 49 van 29 december 1992, met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van leveringen van goederen door de taksvrije verkooppunten, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4de editie), met het oog op leveringen aan reizigers die zich via een vlucht of zeereis naar een derde land begeven en die overeenkomstig artikel 39, § 1, van het Wetboek zijn vrijgesteld;
- voor belastingplichtigen, met het oog op leveringen aan boord van een vliegtuig of een schip tijdens een vlucht of zeereis waarvan de plaats van aankomst buiten de Gemeenschap is gelegen;
- voor belastingplichtigen, met het oog op leveringen die worden verricht met vrijstelling van de belasting overeenkomstig artikel 42, § 3, 1° tot 4°bis van het Wetboek (diplomatieke en consulaire posten, internationale organisaties, strijdkrachten van vreemde Staten toegetreden tot het NAVO-Verdrag).
21. Naast de invoeren, de intracommunautaire verwervingen en de leveringen waarbij goederen in een BTW-entrepot worden geplaatst en die zijn vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 1° van het Wetboek (z. nr. 7), voorziet artikel 39quater, § 1, 2° en 3° van het Wetboek eveneens in een vrijstelling voor de leveringen van goederen die zich onder de regeling BTW-entrepot bevinden, met handhaving van die regeling, alsmede voor diensten, andere dan die vrijgesteld bij de artikelen 41 en 42 van het Wetboek, die betrekking hebben op goederen die het voorwerp uitmaken van een plaatsing onder de regeling BTW-entrepot of op goederen die zich reeds onder die regeling bevinden.
22. Bijgevolg komen alle handelingen die in België aan de BTW onderworpen zijn (invoer, intracommunautaire verwerving, levering, dienst) met betrekking tot een goed dat bestemd is om in een BTW-entrepot te worden geplaatst of er zich reeds bevindt, in aanmerking voor vrijstelling van de BTW, onder de voorwaarden bepaald in het koninklijk besluit nr. 54.
| A. | Handelingen inzake plaatsing. |
- via een binnenlandse levering;
- via een intracommunautaire verwerving;
- via een invoer;
- via een binnenlandse verzending.
De vrijstelling blijft daarentegen vreemd aan de plaatsing die het gevolg is van een binnenlandse verzending van goederen. Inderdaad, het verzenden of vervoeren van goederen van een onderneming, door of voor rekening van de belastingplichtige, van een plaats in België naar een andere plaats in België, buiten elke handelstransactie om, vormt geen belastbare handeling en behoeft derhalve niet te worden vrijgesteld.
24. De toepassing van de vrijstelling van de BTW op de handelingen waarbij goederen onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst, houdt de verplichting in om de goederen vanaf het ogenblik dat het belastbaar feit met betrekking tot deze handelingen zich voordoet (z. de artikelen 17, 24 en 25septies van het Wetboek), zonder uitstel in het entrepot op te slaan. Uiteraard dient daarbij rekening te worden gehouden met de tijd nodig om de goederen naar het entrepot te vervoeren (z. evenwel de nrs. 29 en 30 in geval een dienst wordt verricht die de opslag in het BTW-entrepot voorafgaat).
25. Er wordt tevens opgemerkt dat ingevoerde goederen ter gelegenheid van hun plaatsing onder de regeling BTW-entrepot, ten verbruik moeten worden aangegeven.
Artikel 15 van het koninklijk besluit van 25 februari 1996, dat het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 (Belgisch Staatsblad van 5 maart 1996), met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde wijzigt, heeft inderdaad de bestemming "entrepot ander dan douane-entrepot" afgeschaft. Vóór 1 januari 1996 kon deze bestemming voor de BTW worden gegeven aan ingevoerde goederen (z. artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4de editie)).
| B. | Leveringen van goederen onder de regeling BTW-entrepot. |
In dat verband wordt opgemerkt dat de uitslag van de goederen uit het BTW-entrepot, de regeling beëindigt (z. nr. 69). Bijgevolg kan de levering van goederen die van een BTW-entrepot naar een ander BTW-entrepot worden vervoerd of verzonden, niet worden beschouwd als een levering met handhaving van de regeling en vindt de hiervoor bedoelde vrijstelling geen toepassing (voor de verzending van goederen van een BTW-entrepot naar een ander in België gelegen BTW-entrepot, z. nrs. 296 tot 303).
| C. | Diensten verricht onder de regeling BTW-entrepot. |
Onder diensten die betrekking hebben op goederen in de zin van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek, moet worden verstaan de materiële werken of expertises bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Wetboek en waarvan de plaats wordt bepaald op grond van artikel 21, § 3, 2° van het Wetboek.
28. De in artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek bedoelde diensten kunnen betrekking hebben :
- op goederen die onder de regeling BTW-entrepot in België werden ingevoerd, er werden geleverd of er intracommunautair werden verworven, maar die niet onmiddellijk in het BTW-entrepot worden opgeslagen omdat ze voorafgaandelijk de bedoelde diensten moeten ondergaan;
- op goederen die zich reeds in het BTW-entrepot bevinden.
29. Wat de diensten betreft, andere dan die vrijgesteld door de artikelen 41 en 42 van het Wetboek, die worden verricht aan goederen die het voorwerp uitmaken van een handeling met plaatsing onder de regeling BTW-entrepot, bedoeld in artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek, kunnen alle materiële werken en expertises verricht aan de goederen vóór hun effectieve opslag in het entrepot, vrijgesteld worden op grond van artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek.
Om de controle op de regeling BTW-entrepot mogelijk te maken, moeten de werken en expertises in ieder geval materieel in België worden verricht (z. Hoofdstuk III i.v.m. de verplichtingen).
30. Wanneer de diensten voltooid zijn in de zin van artikel 22 van het Wetboek, moeten de goederen zonder uitstel in het BTW-entrepot worden opgeslagen daarbij rekening houdend met de tijd nodig voor het vervoer naar dat entrepot. De plaatsing in het BTW-entrepot vormt het eindpunt van de vrijstelling voor de handeling met betrekking tot de plaatsing en voor de werken. Bij ontstentenis van opslag kunnen deze handelingen de vrijstelling bedoeld in artikel 39quater, § 1, van het Wetboek niet genieten.
Bijgevolg mogen de materiële werken welke worden verricht vóór de effectieve opslag van de goederen in het BTW-entrepot er niet toe leiden dat er goederen worden geproduceerd die niet meer beantwoorden aan de beperkende voorwaarden bedoeld in de nrs. 12 tot 20, gezien deze goederen niet tot de regeling mogen worden toegelaten. In dat verband wordt eraan herinnerd dat wanneer de bewerking van ingevoerde goederen erin bestaat communautaire goederen toe te voegen aan of te vermengen met de ingevoerde goederen, de voorwaarden inzake de beperking voor ingevoerde goederen, van toepassing blijven op de bekomen goederen (z. nr. 16),
31. Wat de accijnsproducten betreft, wordt opgemerkt dat krachtens de communautaire reglementering inzake accijnzen, zowel de productie, de verwerking als elke andere behandeling verplicht moet worden verricht in een belastingentrepot, dus na de inslag van de goederen. Bijgevolg mogen deze goederen vóór hun opslag in het BTW-entrepot, wanneer ze er toegang toe hebben (z. nr. 17), geen enkele dienst ondergaan omdat het belastingentrepot voor deze goederen ambtshalve als BTW-entrepot wordt beschouwd (z. nr. 49).
32. Bovendien kan de vrijstelling bedoeld in artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek niet worden toegepast op de diensten die betrekking hebben op goederen die het voorwerp uitmaken van een binnenlandse verzending (z. nr. 23). Deze verzending is immers geen handeling die wordt vrijgesteld door artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek.
Diensten met betrekking tot goederen die zich onder de regeling bevinden en die opgeslagen zijn in het BTW-entrepot.
Beperking van de vrijstelling tot de gebruikelijke behandelingen opgenomen in bijlage 3 bij de aanschrijving.
33. Wat de in artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek bedoelde diensten betreft die betrekking hebben op goederen die zich onder de regeling bevinden en die in het BTW-entrepot zijn opgeslagen, beperkt artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 54 de vrijstelling tot de verrichtingen die door de communautaire douanereglementering zouden zijn toegelaten wanneer deze goederen zich onder de regeling van douane-entrepot zouden bevinden.
Overeenkomstig artikel 522 van de toepassingsbepalingen van het communautair douanewetboek, worden de door de communautaire douanereglementering toegelaten verrichtingen aan goederen die zich onder de regeling douane-entrepot bevinden, beperkt tot de gebruikelijke behandelingen opgesomd in bijlage 69 bij deze toepassingsbepalingen.
De tekst van deze bijlage 69 is opgenomen in bijlage 3 bij deze aanschrijving.
De vrijstelling van artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek voor diensten is in deze situatie aldus beperkt tot de gebruikelijke behandelingen die tot doel hebben de bewaring van onder de regeling BTW-entrepot geplaatste goederen te verzekeren, de presentatie of de handelskwaliteit ervan te verbeteren of om de distributie of de wederverkoop ervan voor te bereiden. Er wordt opgemerkt dat het goed na één van de behandelingen bedoeld in bijlage 3 bij deze aanschrijving niet mag komen te vallen onder een andere code van acht cijfers van de gecombineerde nomenclatuur, tenzij andere beschikkingen werden voorzien in de bijlage (z. voorbeeld in het nr. 36).
Indien de goederen, na hun inslag in het BTW-entrepot, het voorwerp uitmaken van andere diensten dan deze bedoeld in vorige alinea, dan is de vrijstelling niet van toepassing op die handelingen.
34. Ter herinnering wordt in dit verband opgemerkt overeenkomstig de communautaire accijnsreglementering, de productie de verwerking van goederen onderworpen aan accijnsrechten, verplicht moet worden verricht in het belastingentrepot. Aangezien voor accijnsproducten het belastingentrepot ambtshalve als BTW-entrepot wordt beschouwd, kunnen deze verrichtingen enkel met vrijstelling van de BTW worden verricht, indien zij voorkomen op de lijst van bijlage 3 bij deze aanschrijving.
De communautaire douanereglementering beperkt anderzijds de handelingen die kunnen worden verricht aan goederen die zich onder de regeling van douane-entrepot bevinden, tot de gebruikelijke behandelingen. De plaatsen die worden erkend als douane-entrepot, zijn bijgevolg eenvoudige stockageplaatsen en over het algemeen plaatsen waar geen andere belangrijke verrichtingen dan de gebruikelijke behandelingen aan de opgeslagen goederen mogen worden verricht. Gezien de plaatsen die in aanmerking komen voor erkenning als douane-entrepot, eveneens worden erkend als BTW-entrepot om ingevoerde goederen, andere dan accijnsproducten, op te slaan (z. nr. 8), zijn de diensten die in het BTW-entrepot mogen worden verricht met betrekking tot deze goederen, beperkt tot de handelingen die materieel mogen worden verricht in het afgebakende gebied van het ermee overeenstemmende douane-entrepot.
In dat verband wordt de aandacht erop gevestigd dat, in tegenstelling tot de communautaire douanereglementering inzake douane-entrepots, het niet mogelijk is de goederen tijdelijk uit te slaan uit het BTW-entrepot waarin ze zich bevinden met het oog op een bewerking buiten het afgebakende gebied van het entrepot. Het wegnemen van de goederen uit het BTW-entrepot stelt inderdaad een einde aan de regeling (z. nr. 69) met alle fiscale gevolgen die deze uitslag met zich brengt.
35. Vermelden we ook nog dat goederen aan de regeling BTW-entrepot moeten worden onttrokken wanneer ze in het BTW-entrepot diensten ondergaan als gevolg waarvan de goederen niet meer beantwoorden aan de beperkende voorwaarden van de nrs. 12 tot 20. In dat verband wordt eraan herinnerd dat wanneer de bewerking van ingevoerde goederen erin bestaat communautaire goederen toe te voegen aan of te vermengen met de ingevoerde goederen, de voorwaarden inzake de beperking voor ingevoerde goederen, van toepassing blijven op de bekomen goederen (z. nr. 16).
Als deze diensten voorkomen op de lijst van de gebruikelijke behandelingen opgenomen in bijlage 3, dan zijn ze van de belasting vrijgesteld op basis van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek, zonder dat daarbij echter afbreuk mag worden gedaan aan de in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 54 voorziene beperkingen op de toepassing van deze vrijstelling (z. nr. 36).
Voorbeelden :
- Belgische ruwe suiker is opgeslagen in een BTW-entrepot (een goed dat is opgenomen in de lijst van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54 - GN-Code 1701 11 en 1701 12) en wordt er geraffineerd. Deze bewerking is niet opgenomen in de bijlage 3 bij deze aanschrijving. Ze kan, indien zij plaats heeft in België en onder bezwarende titel wordt verricht door een als zodanig handelende belastingplichtige, de vrijstelling van de belasting bedoeld in artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek niet genieten.
- Scheikundige producten (een goed dat is opgenomen in de lijst van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54 - GN-Code hoofdstuk 28 of 29) afkomstig uit Duitsland worden in bulk opgeslagen in een BTW-entrepot. Ze worden er verpakt in zakken van 50 kg. Deze behandeling is opgenomen in de bijlage 3 bij deze aanschrijving. Ze geniet derhalve de voorlopige vrijstelling van de belasting (z. nr. 64) bedoeld in artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek indien zij in België plaats heeft en onder bezwarende titel wordt verricht door een als zodanig handelende belastingplichtige.
- Ruwe petroleum (goederen opgenomen in de lijst van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54 - GN-Code 2709) afkomstig uit Denemarken is opgeslagen in een BTW-entrepot waar ze door raffinering wordt omgevormd tot lichte, halfzware of zware olie.
De lichte, halfzware en zware oliën (goederen opgenomen in de lijst van de bijlage van het koninklijk besluit nr. 54 - GN-Code 2710) kunnen gehandhaafd blijven onder de regeling BTW-entrepot waaronder zij werden geproduceerd.
- Tunesische wijn wordt in België ingevoerd en opgeslagen in een BTW-entrepot waar hij wordt vermengd met Franse wijn.
De bekomen wijn, die een mengeling is van ingevoerde en communautaire wijn, mag in het BTW-entrepot blijven waar die vermenging werd verricht, ongeacht het feit dat alcoholhoudende dranken geen deel uitmaken van de goederen opgenomen in de lijst van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54.
Beperking van de vrijstelling tot de diensten die betrekking hebben op goederen die niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een levering zonder handhaving van de regeling BTW-entrepot.
36. De in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 54 bedoelde diensten (met name de handelingen opgesomd in bijlage 3 bij deze aanschrijving) die betrekking hebben op goederen die zich in een BTW-entrepot bevinden, zijn slechts vrijgesteld van de belasting binnen de beperkingen vastgelegd in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 54.
Dit artikel bepaalt dat de vrijstelling van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek niet van toepassing is op diensten bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 54 die betrekking hebben op goederen die weliswaar nog fysiek aanwezig zijn in het BTW-entrepot, maar die reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een levering zonder handhaving van de regeling BTW-entrepot.
Voorbeeld : Witte Bulgaarse wijn met oorsprongvermelding waarvan het alcoholgehalte 13 % niet overschrijdt (GN-Code 22042965) wordt in een tank in België ingevoerd met vrijstelling van de BTW bij toepassing van artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek. Vervolgens wordt hij in vaten in een BTW-entrepot opgeslagen. Deze wijn maakt het voorwerp uit van verschillende leveringen met handhaving van de regeling BTW-entrepot om uiteindelijk met toepassing van de belasting te worden gekocht door een in België voor BTW-doeleinden geïdentificeerde handelaar, die de wijn voor de binnenlandse markt bestemt.
Vooraleer fysiek uit het BTW-entrepot te worden uitgeslagen, wordt deze wijn voor rekening van de uiteindelijke koper gebotteld in flessen van 0,75 liter (GN-Code 22042179).
Bottelen is opgenomen in bijlage 3 bij deze aanschrijving. Zij resulteert in de productie van goederen met een andere code van acht cijfers in de gecombineerde nomenclatuur (z. punt III, 3, van de bijlage 3). Artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 54 sluit het bottelen echter uit van het toepassingsveld van de vrijstelling van artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek, omdat het in casu verband houdt met goederen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een levering zonder handhaving van de regeling BTW-entrepot.
AFDELING 4. DE VERGUNNING BTW-ENTREPOT.
37. Artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 54 stelt de vrijstelling van artikel 39quater, § 1, van het Wetboek afhankelijk van de uitreiking van een vergunning verleend door of vanwege de Minister van Financiën.
38. De in artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 54 bedoelde vergunning kan een bijzondere of een algemene zijn, naargelang de met vrijstelling van de belasting te realiseren verrichting.
De bijzondere vergunning moet aangevraagd worden en geeft aanleiding tot de uitreiking van een titel van vergunning.
De algemene vergunning behoeft geen enkele benaarstiging. Ze vloeit voort uit de toepassing van de vrijstelling waarbij de voorwaarden opgelegd door deze aanschrijving worden nageleefd.
| A. | De bijzondere vergunning. |
Ze wordt afgeleverd ofwel aan de eigenaar van de goederen indien die tevens depothouder is ofwel aan de depothouder indien diens activiteit bestaat in het beheren van opgeslagen goederen toebehorend aan derden;
40. De vergunning wordt enkel verleend aan in België gevestigde belastingplichtigen.
De Administratie bepaalt dat een buitenlandse belastingplichtige in België is gevestigd, wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld :
- de belastingplichtige heeft in België een directiezetel, een filiaal, een werkplaats, een agentschap, een magazijn, een kantoor, een laboratorium, een inkoop- of verkoopkantoor, een depot of enige andere vaste inrichting met uitzondering van bouwwerven;
- deze inrichting wordt beheerd door een persoon die bekwaam is om de belastingplichtige te verbinden tegenover de klanten en de leveranciers;
- de activiteit van die inrichting heeft het leveren van goederen of het verstrekken van diensten in de zin van het Wetboek tot voorwerp.
Personen of ondernemingen die in het buitenland zijn gevestigd en die in België over geen vaste inrichting beschikken, worden bijgevolg beschouwd als niet in België gevestigd. Het feit om overeenkomstig artikel 55 van het Wetboek in België een aansprakelijke vertegenwoordiger te hebben aangesteld, wijzigt niets aan deze situatie.
41. De aanvraag van de bijzondere vergunning verschilt naargelang de handeling die met vrijstelling van de belasting wordt verricht en het soort BTW-entrepot (z. nrs. 8 en 10).
Plaatsing van de goederen onder de regeling BTW-entrepot.
Ingevoerde goederen, andere dan accijnsproducten.
42. Het plaatsen van ingevoerde goederen, andere dan accijnsproducten, onder de regeling BTW-entrepot is afhankelijk van het verlenen van een bijzondere vergunning door de Administratie der douane en accijnzen.
De volgende belastingplichtigen kunnen deze bijzondere vergunning aanvragen :
- de in België gevestigde eigenaar van de ingevoerde goederen, die een vergunning heeft voor een douane-entrepot;
- de persoon die een vergunning heeft voor een douane-entrepot en die daar ingevoerde goederen onder de regeling BTW-entrepot in opslaat in opdracht van de eigenaar van de goederen;
- de douane-expediteur, die in opdracht van de eigenaar van de goederen, de ingevoerde goederen opslaat in een erkend publiek douane-entrepot, waarvan hijzelf niet de titularis is, maar waarvoor hij wel de volledige verantwoordelijkheid van entreposeur draagt. zoals bedoeld in artikel 102 van het communautair douanewetboek. Hoewel de douane-expediteur volgens artikel 99 van het communautair douanewetboek als entrepositaris wordt beschouwd, wordt hij voor de reglementering inzake het BTW-entrepot toch als entreposeur aangemerkt met alle verplichtingen en verantwoordelijkheden die daaruit voortvloeien (z. hoofdstuk III).
De aanvraag om vergunning moet de volgende gegevens bevatten :
- de naam, het adres en het BTW-identificatienummer van de aanvrager;
- de hoedanigheid (eigenaar, opslagbedrijf, douane-expediteur) van de aanvrager (z. nr. 42);
- de identificatie van het douane-entrepot waarin de goederen zullen worden opgeslagen, alsmede de identiteit van de houder van het douane-entrepot;
- de aard van de opgeslagen goederen;
- de juiste aanduiding van de plaats waar de goederen zullen worden opgeslagen.
46. De volgende belastingplichtigen kunnen deze bijzondere vergunning aanvragen :
- de in België gevestigde verkrijgen of concessionaris van de goederen;
- de in België gevestigde eigenaar van de goederen;
- de in België gevestigde persoon met als activiteit het beheer van opgeslagen goederen toebehorend aan derden.
- de naam, het adres en het BTW-identificatienummer van de aanvrager;
- de hoedanigheid van de aanvrager (verkrijger, concessionaris, eigenaar van de goederen of depothouder) (z. nr. 46);
- de aard van de opgeslagen goederen;
- de GN-Code van de opgeslagen goederen;
- een nauwkeurige beschrijving van de plaats waar de goederen worden opgeslagen;
49. De plaatsing van accijnsproducten onder de regeling BTW-entrepot impliceert dat ze in een belastingentrepot worden geplaatst, ongeacht of ze afkomstig zijn uit België of uit een andere Lid-Staat of zijn ingevoerd (z. nr. 11). Bijgevolg is inzake BTW geen specifieke titel van vergunning vereist en moet deze evenmin worden aangevraagd. De vergunning inzake belastingentrepot uitgereikt door de Administratie der douane en accijnzen aan de erkende entrepothouder (z. nr. 11) geldt als bijzondere vergunning inzake BTW-entrepot voor de communautaire accijnsproducten toegelaten onder dat stelsel. Het identificatienummer van deze vergunning geldt voor het BTW-entrepot.
50. Hieruit volgt dat de toepassing van de regeling BTW-entrepot met inachtneming van de voorwaarden opgelegd in deze aanschrijving, verplicht is ten aanzien van de goederen onder schorsing van de communautaire accijnsrechten toegelaten onder dat stelsel met name :
- voor ingevoerde goederen :
minerale oliën;
tabaksfabrikaten;
alcohol en alcoholhoudende dranken
- voor nationale of communautaire goederen :
de minerale oliën, bedoeld in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54.
51. Andere goederen dan accijnsproducten, die onder de regeling BTW-entrepot zijn geplaatst maar die niet onmiddellijk in een BTW-entrepot worden opgeslagen, kunnen met toepassing van de vrijstelling op grond van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek voorafgaandelijk nog een dienst ondergaan. Deze vrijstelling is echter afhankelijk van het verlenen van een bijzondere vergunning die voor de ingevoerde goederen moet worden aangevraagd bij de ontvanger van het controlekantoor of bij elke andere ambtenaar aangeduid door de gewestelijke directeur der douane en accijnzen bedoeld in het nr. 43 hiervoor en voor de goederen afkomstig uit België of een andere Lid-Staat bij de Centrale Administratie van de BTW, registratie en domeinen zoals vermeld in nr. 47 hiervoor.
Omdat de vrijstelling van de BTW voor de handelingen met betrekking tot de plaatsing van de goederen onder de regeling BTW-entrepot ondergeschikt is aan de onmiddellijke opslag van die goederen in het entrepot (z. nr. 24), moet de bijzondere vergunning waarvan sprake in vorig lid, eveneens aangevraagd worden wanneer de werkzaamheden aan de goederen niet onder bezwarende titel werden verricht door een als zodanig handelende belastingplichtige. In dergelijk geval is er geen enkele belasting verschuldigd. Bovendien is het bepaalde in nr. 30 mutatis mutandis van toepassing op de hier bedoelde situatie.
52. Niet de dienstverrichter, maar de houder van de vergunning BTW-entrepot waar de goederen na de bewerking zullen worden opgeslagen, moet de vergunning aanvragen.
De aanvraag tot het bekomen van de hier bedoelde vergunning mag gecombineerd worden met de aanvraag tot het bekomen van de vergunning om de goederen onder de regeling BTW-entrepot te plaatsen (z. nrs. 42 en 45).
53. De aanvraag tot het bekomen van een bijzondere vergunning moet de volgende gegevens bevatten :
- het nummer van de vergunning BTW-entrepot waar de goederen na de bewerking zullen worden opgeslagen, alsmede de aanduiding van de precieze plaats waar de goederen zullen worden opgeslagen;
- de omschrijving van de te verrichten diensten;
- de identificatie van de persoon die de bewerking gaat doen;
- de duur en de voorziene einddatum van de werken.
| B. | Algemene vergunning. |
Levering, met handhaving van de regeling, van goederen die zich in een BTW-entrepot bevinden.
55. Deze aanschrijving verleent, onder de erin gestelde voorwaarden, een algemene vergunning aan de personen die met handhaving van de regeling goederen, accijnsproducten en niet-accijnsproducten, leveren, die in een BTW-entrepot werden geplaatst.
Geen enkele vergunning moet dus worden aangevraagd om deze handelingen met vrijstelling van de belasting te verrichten.
Diensten met betrekking tot goederen die zich in een BTW-entrepot bevinden.
56. Deze aanschrijving verleent, onder de erin gestelde voorwaarden, een algemene vergunning aan de personen die onder de regeling toegelaten diensten Verrichten aan goederen, accijnsproducten en niet-accijnsproducten, die in een BTW-entrepot zijn opgeslagen.
Geen enkele vergunning moet dus worden aangevraagd om deze handelingen met vrijstelling van de belasting te verrichten.
| C. | Geldigheidsduur van de vergunning. |
De bijzondere vergunningen met betrekking tot de plaatsing van de goederen onder de regeling BTW-entrepot, zijn in principe geldig voor onbepaalde duur, behalve indien in de titel van de vergunning anders is voorzien.
De bijzondere vergunningen met betrekking tot diensten verricht vóór de effectieve opslag van de goederen, zijn, in principe, geldig voor de duur van die handeling, behalve indien het gaat om diensten met een continu karakter.
| D. | Aanpassing of intrekking van de vergunning. |
Onverminderd, in voorkomend geval, de bij de wet uitgevaardigde straffen, zal de vergunning worden ingetrokken wanneer er misbruik of poging tot misbruik wordt vastgesteld of wanneer de controleopdracht van de ambtenaren van de administratie op welke wijze dan ook wordt belemmerd.
Iedere intrekking van de vergunning wordt per aangetekende brief aan de belastingplichtige genotificeerd. Het afgeven van de brief aan de post geldt als notificatie vanaf de volgende dag.
Vanaf de dag die op deze notificatie volgt, mag de vergunning niet meer worden ingeroepen.
HOOFDSTUK II. WERKING VAN DE REGELING.
AFDELING 1. ALGEMEENHEDEN.
59. De regeling BTW-entrepot die sinds 1 januari 1996 van toepassing is, vloeit voort uit de omzetting in Belgisch recht van artikel 16, §§ 1 en 1bis, van de Zesde BTW-Richtlijn, zoals dat artikel werd herschreven door artikel 1, negende lid, van de Richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995, Tweede Vereenvoudigingsrichtlijn genoemd (z. bijlage 1 bij deze aanschrijving).
Zoals voorgeschreven in artikel 16, § 1 van de Zesde BTW-Richtlijn, moeten de Lid-Staten die vrijstelling van belasting verlenen in het kader van de regeling BTW-entrepot, ervoor zorgen dat het bedrag van de verschuldigde BTW bij de onttrekking van de goederen aan de regeling, overeenkomt met het bedrag dat verschuldigd zou zijn geweest wanneer de vrijgestelde handelingen in het binnenland aan de belasting waren onderworpen.
Met andere woorden, op de goederen die aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken moet dezelfde fiscale druk rusten als die ze zouden gedragen hebben indien ze niet onder die regeling waren geplaatst, rekening houdend met het aftrekmechanisme ingeval van opeenvolgende handelingen.
60. We herinneren er inderdaad aan dat het voornaamste doel van het BTW-entrepot niet zozeer bestaat in een belastingvermindering voor goederen die onder de regeling worden geplaatst, maar wel in een vereenvoudiging van de heffing van de belasting in het kader van kettingverkopen zoals deze vaak voorkomen op de grondstoffenmarkten. Deze regeling is dus niet bedoeld om de gewone opeenvolgende handelstransacties te laten ontsnappen aan het systeem van de gefractioneerde betalingen van de belasting.
Buitenlandse belastingplichtigen worden bovendien ontheven van de verplichting zich te laten identificeren voor BTW-doeleinden in de Lid-Staat waar die handelingen plaatsvinden.
61. De principes van artikel 16 van de Zesde BTW-Richtlijn worden in het Belgisch nationaal recht omgezet door de invoering van een vrijstelling voor de handelingen die onder de voorwaarden van artikel 16 worden verricht. Kenmerkend voor het in België toepasselijk regime is dat de vrijstelling voorlopig is. De vrijstelling wordt pas definitief wanneer de verkrijger de goederen doorlevert. Hiermee samenhangend en rekening houdend met het feit dat de verkoper niet verantwoordelijk kan gesteld worden voor de bestemming die zijn koper aan de goederen geeft na de levering, wordt de verkrijger van de goederen of de ontvanger van diensten in het kader van de regeling BTW-entrepot systematisch aangewezen als schuldenaar van de belasting, die eventueel moet worden geregulariseerd bij de onttrekking van de goederen aan die regeling. Wanneer de goederen aan de regeling worden onttrokken, moet de belasting in bepaalde situaties geregulariseerd worden.
Volgende twee situaties kunnen zich in dit opzicht voordoen :
- ofwel is de onttrekking aan de regeling het gevolg van een levering zonder handhaving van de regeling BTW-entrepot. Deze levering kan bijgevolg niet worden vrijgesteld op basis van artikel 16 van de Zesde BTW-Richtlijn. In dit geval zorgen de gewone regels inzake heffing van de belasting op een binnenlandse levering of de vrijstelling van die levering om andere redenen (uitvoer, intracommunautaire levering, ...) er evenwel voor dat geen specifieke regularisatiemaatregelen nodig zijn aangezien de goederen op die manier de correcte fiscale druk hebben ondergaan;
- ofwel gaat de onttrekking aan de regeling niet gepaard met een levering. In dat geval moet er wel worden voorzien in regularisatiemaatregelen wanneer de goederen voor België bestemd zijn. De eigenaar die de goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt, moet de BTW op de aan hem met vrijstelling verrichte handelingen regulariseren door opname in zijn periodieke BTW-aangifte.
De depothouder moet er zich op zijn beurt van vergewissen dat de persoon die de goederen aan de regeling onttrekt, in België een BTW-identificatienummer heeft. Hij is bovendien samen met de schuldenaar van de belasting hoofdelijk gehouden tot voldoening van de eventueel verschuldigde belasting.
AFDELING 2. WERKINGSPRINCIPES - WETTELIJKE BEPALINGEN.
62. Artikel 39quater, § 1, van het Wetboek stelt, onder de voorwaarden opgenomen in het koninklijk besluit nr. 54 dat de uitvoering van dit artikel regelt, vrij van de belasting :
- de invoeren, de intracommunautaire verwervingen en de leveringen van goederen die worden geplaatst onder de regeling BTW-entrepot;
- de leveringen van goederen met handhaving van de regeling BTW-entrepot;
- de diensten, andere dan die vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42 van het Wetboek, die betrekking hebben op goederen die het voorwerp zijn van een vrijgestelde handeling met plaatsing onder de regeling BTW-entrepot of er zich reeds onder bevinden.
| A. | Aard van de vrijstelling. |
Deze voorlopige vrijstelling van de belasting kan voor bepaalde handelingen definitief worden, terwijl andere dan weer moeten geregulariseerd worden.
De gevallen waarbij moet worden teruggekomen op de voorlopig verleende vrijstelling, hebben uitsluitend betrekking op situaties waarbij de goederen aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken.
De onttrekking van de goederen aan de regeling BTW-entrepot maakt op zich geen nieuw belastbaar feit uit en is evenmin een belastbare handeling. Deze onttrekking moet echter tot gevolg hebben dat op de goederen de correcte fiscale druk weegt (z. nr. 59). Daarom heeft de wetgever via de techniek van de regularisatie van de voorlopige vrijstelling voor handelingen aan de persoon die de goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt, een middel gevonden dat toelaat tegemoet te komen aan de voorwaarde die in artikel 16, § 1, van de Zesde BTW-Richtlijn is vervat.
Situaties waarin de voorlopige vrijstelling van BTW definitief wordt.
65. Artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit nr. 54 somt de situaties op waarin de voorlopige vrijstelling van de BTW voor de handelingen die onder de regeling BTW-entrepot zijn verricht, definitief wordt. Het betreft :
"handelingen die voorafgaan aan :
1° een levering van goederen onder bezwarende titel met behoud van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot;
2° de onttrekking van de goederen aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot door de belastingplichtige die een levering van goederen verricht onder bezwarende titel zoals bedoeld in artikel 10, § 1, van het Wetboek;
3° de onttrekking van de goederen aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot door hun eigenaar, los van elke handelstransactie, in het kader hetzij van een overbrenging van goederen zoals bedoeld in artikel 12bis, eerste lid, van het Wetboek, hetzij van een vervoer of een verzending van die goederen buiten de Gemeenschap verricht door die eigenaar of voor zijn rekening."
| 66. | De voorlopige vrijstelling wordt derhalve definitief : |
- wanneer deze goederen worden doorverkocht in het BTW-entrepot met handhaving van de regeling. Deze verkoop is op zijn beurt voorlopig vrijgesteld van de BTW;
- wanneer de persoon die de goederen in het BTW-entrepot heeft geplaatst, deze goederen uitslaat ingevolge een door hem verrichte verkoop. Deze verkoop heeft niet plaats met handhaving van de regeling en kan derhalve de voorlopige vrijstelling van de BTW niet genieten;
- wanneer de persoon die de goederen in het BTW-entrepot heeft geplaatst, deze goederen uit het BTW-entrepot uitslaat om ze, los van elke handelstransactie, te verzenden naar een plaats buiten België (z. echter nrs. 67 en 68).
- wanneer deze goederen worden doorverkocht met handhaving van de regeling. Deze doorverkoop geniet op zijn beurt slechts een voorlopige vrijstelling van BTW;
- wanneer deze goederen uit het BTW-entrepot worden uitgeslagen door de belastingplichtige die ze heeft verkocht. Deze verkoop heeft niet plaats met handhaving van de regeling en kan niet genieten van de voorlopige vrijstelling van BTW;
- wanneer deze goederen uit het BTW-entrepot worden uitgeslagen en, los van elke handelstransactie, door de eigenaar worden verzonden naar een plaats buiten België (z. echter nrs. 67 en 68).
Situaties waarin de voorlopige vrijstelling van de BTW het voorwerp moet uitmaken van een regularisatie.
67. Artikel 7, § 3, van het koninklijk besluit nr. 54 somt de gevallen op waarin de voorlopige vrijstelling van de BTW moet geregulariseerd worden, te weten :
"Wanneer, los van elke handelstransactie, de goederen aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot zijn onttrokken door hun eigenaar en in België blijven ofwel buiten België maar binnen de Gemeenschap worden verzonden of vervoerd door of voor rekening van hun eigenaar met het oog op een handeling zoals bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° of 7°, van het Wetboek, wordt de belasting opeisbaar over :
a) de handeling waarbij de goederen onder de regeling worden geplaatst door de eigenaar, evenals over de aan hem verstrekte diensten met betrekking tot die goederen, wanneer de goederen niet het voorwerp hebben uitgemaakt van enige levering onder bezwarende titel tijdens hun verblijf in het entrepot;
b) de levering van goederen aan die eigenaar, evenals over de aan hem verstrekte diensten met betrekking tot die goederen, wanneer de goederen het voorwerp hebben uitgemaakt van een of meerdere leveringen onder bezwarende titel tijdens hun verblijf in het entrepot."
68. De vrijstelling wordt bijgevolg niet definitief. Zij moet geregulariseerd worden voor de handelingen die onder de regeling BTW-entrepot werden verricht ten behoeve van de persoon die de goederen, als eigenaar en los van elke handelstransactie (z. nr. 66), aan de regeling onttrekt en waarbij de goederen ofwel in België blijven, ofwel het voorwerp zijn van een overbrenging zoals bedoeld in artikel 12 bis, tweede lid, 5°, 6° of 7°, van het Wetboek.
In afwijking van artikel 12bis, eerste lid van het Wetboek, bepaalt artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° en 7° van het Wetboek dat de overbrenging door een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere Lid-Staat niet wordt gelijkgesteld met een levering van goederen onder bezwarende titel wanneer het gaat om één van de volgende handelingen :
- de verrichting van een dienst voor de belastingplichtige in verband met werkzaamheden betreffende dat goed, die daadwerkelijk worden uitgevoerd in de Lid-Staat van aankomst van de verzending of het vervoer van het goed, voor zover de goederen na bewerking opnieuw worden verzonden naar deze belastingplichtige in België waarvandaan zij oorspronkelijk waren verzonden of vervoerd;
- het tijdelijk gebruik van dat goed op het grondgebied van de Lid-Staat van aankomst van de verzending of het vervoer van het goed, ten behoeve van een dienstverrichting door de in België gevestigde belastingplichtige;
- het tijdelijk gebruik van dat goed voor een periode van ten hoogste 24 maanden op het grondgebied van een andere Lid-Staat waar de invoer van hetzelfde goed uit een derde land met het oog op tijdelijk gebruik in aanmerking zou komen voor de regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten.
| B. | Aanzuivering van de regeling. |
1. De regeling wordt beëindigd ingevolge een levering onder bezwarende titel zonder handhaving van de regeling.
Wanneer de onttrekking van de goederen aan de regeling BTW-entrepot het gevolg is van een levering onder bezwarende titel zonder handhaving van de regeling, dan kan die levering niet worden vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 2° van het Wetboek.
De gewone regels voor een binnenlandse levering zijn bijgevolg van toepassing op de bedoelde levering (opeisbaarheid van de belasting, schuldenaar ...), dus ook de mogelijke toepassing van een vrijstelling (artikelen 39, 39bis, 39quater, § 1, 1°, 42 ... van het Wetboek).
De goederen zijn aldus bezwaard met eenzelfde fiscale druk als wanneer de regeling BTW-entrepot niet zou zijn toegepast geweest. Er is bijgevolg geen enkele regularisatie nodig.
2. De regeling wordt beëindigd ingevolge de wegneming van de goederen uit het BTW-entrepot los van elke handelstransactie.
Wanneer de uitslag van de goederen uit het BTW-entrepot het gevolg is van hun wegneming, los van elke handelstransactie (z. nr. 66), moeten de goederen bij het beëindigen van de regeling een fiscale last ondergaan. Dat kan enkel gebeuren via een regularisatie ofwel van de levering die onder de regeling wordt verricht aan de persoon die de goederen onttrekt aan de regeling BTW-entrepot, ofwel van de handeling met plaatsing van de goederen onder de regeling door de hiervoor bedoelde persoon, in het geval de goederen tijdens hun verblijf in het BTW-entrepot niet het voorwerp zijn geweest van een levering onder bezwarende titel.
Deze regularisatie moet evenwel enkel worden verricht wanneer de goederen in België blijven of naar een andere Lid-Staat worden overgebracht met het oog op het verrichten van een handeling bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° of 7° van het Wetboek. In de andere gevallen van overbrenging naar een andere Lid-Staat of bij de uitvoer naar een derde land moeten de vervoerde of verzonden goederen immers geen fiscale druk ondergaan.
70. De persoon die de goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt, kan bijgevolg zijn :
- de belastingplichtige die de levering van de goederen verricht waarbij de regeling niet wordt gehandhaafd;
- de eigenaar van de goederen die de goederen, los van elke handelstransactie, onttrekt aan het entrepot.
Er wordt echter opgemerkt dat de commerciële leveringsvoorwaarden niet in tegenspraak mogen zijn met de op die levering toegepaste BTW-bepalingen (bijvoorbeeld een levering franco thuis bij de koper waarvoor de vrijstelling bedoeld in artikel 39quater, § 1, 2°, van het Wetboek wordt ingeroepen hetgeen de handhaving van de goederen in het BTW-entrepot veronderstelt).
71. Wanneer vóór of gedurende hun verblijf in het entrepot diensten worden verricht aan goederen, dragen zowel de taxatie van de diensten die de vrijstelling van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek niet genieten ingevolge de beperkingen voorzien door de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit nr. 54, als de opeisbaarheid van de belasting over deze dienstprestaties waarvoor de voorlopige vrijstelling van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek, niet definitief kan worden bij toepassing van artikel 7, § 3 van het koninklijk besluit nr. 54, bij tot het bereiken van de juiste fiscale druk op de goederen bij de onttrekking aan het BTW-entrepot.
72. Artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 54 voorziet dat de verschuldigde belasting over de handelingen, voor dewelke de voorlopige vrijstelling van de BTW moet geregulariseerd worden, opeisbaar wordt op het tijdstip dat de goederen aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot worden onttrokken tegen het tarief dat van toepassing zou zijn geweest op elk van die handelingen indien zij niet voorlopig waren vrijgesteld.
De wijze waarop deze belasting moet worden voldaan, wordt toegelicht in de nrs. 211 tot 216.
| C. | Schuldenaars van de belasting. |
Wanneer deze handelingen worden verricht onder de regeling BTW-entrepot genieten zij een voorlopige vrijstelling die slechts definitief wordt op voorwaarde dat de goederen worden doorverkocht met handhaving van de regeling of aan de regeling worden onttrokken onder de voorwaarden beschreven in de nrs. 65 en 66.
Het kan voorkomen dat deze voorwaarde slechts wordt vervuld lange tijd na de handeling die de voorlopige vrijstelling geniet. De gebruikelijke schuldenaar van de belasting heeft bijgevolg geen enkele controle over de naleving van de bedoelde voorwaarde. Bijgevolg is de wetgever afgeweken van de bepalingen vervat in artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek door de medecontractant van de leverancier of van de dienstverrichter aan te merken als schuldenaar van de belasting (z. artikel 51, § 2, 3°, van het Wetboek).
74. De afwijking op de algemene regel vervat in nr. 73 is uiteraard alleen van toepassing op de leveringen van goederen en op de diensten die de vrijstelling van 39quater, § 1, van het Wetboek kunnen genieten die door artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit nr. 54 voorlopig werd toegekend.
Voor de overige leveringen van goederen en diensten blijft de algemene regel bedoeld in artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek van toepassing.
75. Voor de goede werking van de regeling BTW-entrepot moest geen afwijking worden voorzien op de bestaande regels inzake de schuldenaar van de belasting bij invoer of bij een intracommunautaire verwerving van goederen, vervat in de artikelen 51, § 1, 2° en 52 van het Wetboek en waarbij een voorlopige vrijstelling werd toegepast.
76. Voor de handelingen verricht in het kader van de regeling BTW-entrepot, is de schuldenaar van de belasting bijgevolg :
1° voor de handelingen met betrekking tot goederen die onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst :
- de geadresseerde wanneer het gaat om een invoer van goederen die onder de regeling worden geplaatst (z. artikel 52, § 1, tweede lid van het Wetboek en artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 7);
- de persoon die een intracommunautaire verwerving doet van goederen die onder de regeling worden geplaatst (z. artikel 51, § 1, 2°, van het Wetboek);
- de koper wanneer het gaat om een levering van goederen die onder de regeling worden geplaatst (z. artikel 51, § 2, 3°, van het Wetboek);
- de ontvanger van de dienst wanneer het gaat om een dienst verricht aan goederen vóór hun opslag in het entrepot en die onder de regeling werden geplaatst ingevolge een handeling die is vrijgesteld bij artikel 39quater, § 1, 1° van het Wetboek (z. artikel 51, § 2, 3°, van het Wetboek);
- de dienstverrichter wanneer het gaat om een dienst verricht aan goederen die onder de regeling worden geplaatst ingevolge een binnenlandse verzending (z. artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek);
- de koper wanneer het gaat om leveringen met handhaving van de regeling (z. artikel 51, § 2, 3° van het Wetboek);
- de ontvanger van de dienst wanneer het gaat om een dienst als bedoeld in bijlage 3 bij deze aanschrijving die werd verricht aan goederen die zich in het entrepot bevinden met handhaving van de regeling (z. artikel 51, § 2, 3° van het Wetboek);
- de dienstverrichter wanneer het gaat om een dienst als bedoeld in bijlage 3 bij deze aanschrijving die werd verricht aan goederen die zich nog in het entrepot bevinden maar die het voorwerp hebben uitgemaakt van een levering zonder handhaving van de regeling (z. artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek).
- de dienstverrichter wanneer het gaat om een dienst die niet opgenomen is in bijlage 3 bij deze aanschrijving en die werd verricht aan goederen die zich in het entrepot bevinden (z. artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek).
- de belastingplichtige die een levering van goederen verricht zonder handhaving van de regeling (z. artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek).
AFDELING 3. ANALYSE VAN EEN GLOBAAL VOORBEELD.
78. Met de bedoeling de werking toe te lichten van de regeling BTW-entrepot alsmede van de vrijstellingen die er verband mee houden, zet deze afdeling een voorbeeld uiteen waarin het merendeel van de handelingen zijn verwerkt die zich kunnen voordoen in het kader van de regeling. De aan elk van deze handelingen te geven fiscale behandeling, wordt afzonderlijk en systematisch uiteengezet. Waar nodig wordt het noodzakelijk onderscheid gemaakt.
De specifieke verplichtingen die elk van de operatoren uit dit voorbeeld uit hoofde van de regeling BTW-entrepot moet naleven, zijn opgenomen in de nummers 218 tot 247. 79. X Y +------- Z -----+ binnenlandse ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ levering ¦ +------------+---------+--------+------+-+IC-levering ¦ ¦ Dienst ¦ Dienst ¦ Dienst ¦Dienst¦ ¦uitvoer ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Dienst¦ ¦ ¦ +-------------+-+uitslag door V-> ¦ ¦ + --------------------+-¦------------+¦ ¦ ¦ ¦ Verkoop Verkopen Verkoop ¦ ¦ W A --------------+-+>B------->C..------>V--------->W---+--+uitslag door W-> binnenlandse ¦ +-----------------------------------+ ¦ verzending: levering ¦ ^ Opeenvolgende verkopen met ¦ - binnen België IC-verwerving ¦ ¦ handhaving van de regeling ¦ - naar andere invoer ¦ ¦ BTW-ENTREPOT ¦ L.S. +---+------------------------------------+ - naar derde ¦ land ¦ binnenlandse verzending ¦ B ------+ We veronderstellen BTW-belastingplichtigen A tot Z :
- B, in België voor de BTW geïdentificeerd, plaatst goederen onder de regeling BTW-entrepot. Hij heeft deze goederen van A gekocht ofwel in een derde land, ofwel in een andere Lid-Staat, ofwel in België.
- Vooraleer deze goederen in het entrepot worden geplaatst, maken zij het voorwerp uit van een dienst die materieel in België wordt verricht door X voor rekening van B.
- B plaatst eveneens goederen die hij zelf heeft vervaardigd in het BTW-entrepot.
- B verkoopt de in het BTW-entrepot opgeslagen goederen aan C met handhaving van de regeling.
- Y verricht in opdracht van C een dienst aan de goederen in het entrepot.
- De goederen die door Y bewerkt werden, worden op hun beurt door C verkocht met handhaving van de regeling. Zij maken vervolgens het voorwerp uit van opeenvolgende verkopen in het entrepot om uiteindelijk door V gekocht te worden.
- V verkoopt de goederen aan W. Deze goederen worden aan de regeling onttrokken ofwel door V, ofwel door W.
- Z is eventueel belast met de opdracht om aan de goederen een dienst te verrichten vóór of na de verkoop ervan aan W, terwijl ze zich nog in het BTW-entrepot bevinden.
De vrijstelling wordt voorlopig verleend overeenkomstig artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit nr. 54.
B is schuldenaar van de belasting op deze levering bij toepassing van de afwijking voorzien in artikel 51, § 2, 3°, van het Wetboek.
81. We herinneren eraan dat de goederen slechts onder de regeling geplaatst kunnen worden, wanneer ze zijn opgenomen in de lijst die is gevoegd bij het koninklijk besluit nr. 54 (z. nr. 17), tenzij ze, vóór hun effectieve opslag, een bewerking hebben ondergaan waardoor ze beantwoorden aan de goederen van die lijst (z. nrs. 18 en 86 tot 89).
Intracommunautaire verwerving van goederen die bestemd zijn om in een BTW-entrepot te worden opgeslagen.
82. De intracommunautaire verwerving door B van goederen die afkomstig zijn van andere Lid-Staten dan België en die onder de regeling van het BTW-entrepot worden geplaatst, is eveneens voorlopig vrijgesteld van de belasting bij toepassing van artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek en van artikel 7, § 1 van het koninklijk besluit nr. 54.
Overeenkomstig artikel 51, § 1, 2°, van het Wetboek is B schuldenaar van de belasting over deze intracommunautaire verwerving.
83. Deze goederen zijn eveneens beperkt tot deze opgenomen in de bijlage van het koninklijk besluit nr. 54 (z. nr. 17), behalve wanneer ze vóór hun effectieve opslag een bewerking hebben ondergaan die hen verandert in voornoemde goederen (z.. nrs. 18 en 86 tot 89).
Invoer van goederen die bestemd zijn om in een BTW-entrepot te worden opgeslagen.
84. De invoer door B van goederen uit een derde land of een derdelands gebied die onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst, is voorlopig van de belasting vrijgesteld bij toepassing van artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek en artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit nr. 54.
B is, in de regel, de geadresseerde van de goederen in de zin van artikel 6, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992, met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde. Hij is om die reden schuldenaar van de belasting over deze invoer krachtens artikel 52, § 1, tweede lid, van het Wetboek.
In principe is er in dit geval geen enkele beperking wat betreft de aard van de goederen (z. echter de nrs. 13 tot 16).
Binnenlandse verzending van goederen bestemd om in een BTW-entrepot te worden opgeslagen
85. Indien B in België goederen bezit die hij gekocht of vervaardigd heeft en indien hij die goederen opslaat in een als BTW-entrepot erkende plaats, dan verricht hij een binnenlandse verzending, die geen belastbare handeling is.
De vrijstelling voorzien bij artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek, evenals de beperkingen voorzien in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 54 kunnen in deze situatie niet toegepast worden, ook al gaat het hier om nationale goederen.
Het spreekt echter vanzelf dat, wanneer deze goederen worden verkocht of wanneer ze een dienst ondergaan, de vrijstelling bedoeld bij artikel 39quater van het Wetboek eventueel kan toegepast worden op handelingen met betrekking tot goederen die beantwoorden aan de beperkingen.
B. Diensten vóór de opslag ( Relatie X-B) X Y +------- Z -----+ binnenlandse ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ levering ¦ +------------+---------+--------+------+-+IC-levering ¦ ¦ Dienst ¦ Dienst ¦ Dienst ¦Dienst¦ ¦uitvoer ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Dienst¦ ¦ ¦ +-------------+-+uitslag door V-> ¦ ¦ + --------------------+-¦------------+¦ ¦ ¦ ¦ Verkoop Verkopen Verkoop ¦ ¦ W A --------------+-+>B------->C..------>V--------->W---+--+uitslag door W-> binnenlandse ¦ +-----------------------------------+ ¦ verzending: levering ¦ ^ Opeenvolgende verkopen met ¦ - binnen België IC-verwerving ¦ ¦ handhaving van de regeling ¦ - naar andere invoer ¦ ¦ BTW-ENTREPOT ¦ L.S. +---+------------------------------------+ - naar derde ¦ land ¦ binnenlandse verzending ¦ B ------+ 86. Goederen die onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst met toepassing van de vrijstelling bedoeld in artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek (invoer, intracommunautaire verwerving, levering) kunnen, vooraleer ze in het entrepot worden opgeslagen, eventueel één of meerdere diensten ondergaan. Na afloop van deze handelingen moeten de goederen echter beantwoorden aan de beperkingen voorzien in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 54 (z. nrs. 12 tot 20, 29 en 30). 87. We herinneren eraan dat krachtens de communautaire wetgeving inzake accijnzen zowel de vervaardiging als de omvorming van accijnsproducten, alsmede andere bewerkingen steeds verplicht in een belastingentrepot moeten worden verricht. Bijgevolg kan vóór de opslag van deze goederen geen enkele dienst plaatsvinden, aangezien het belastingentrepot ambtshalve als BTW-entrepot wordt aangemerkt voor de erin toegelaten goederen (z. nr. 49).
88. Overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, a), van het Wetboek wordt de plaats waar X het materieel werk verricht aan de goederen die B onder de regeling BTW-entrepot heeft opgeslagen, geacht zich in België te bevinden. Deze dienst is in principe aan de Belgische BTW onderworpen.
Deze handeling wordt echter bij toepassing van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek vrijgesteld. De vrijstelling wordt voorlopig verleend overeenkomstig artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit nr. 54.
Overeenkomstig artikel 51, § 2, 3°, van het Wetboek is B als medecontractant schuldenaar van de terzake verschuldigde belasting.
89. De afwijking inzake de plaatsbepaling van diensten bestaande uit materiële werken aan roerende goederen waarin artikel 21, § 3, 2° b, van het Wetboek voorziet en waarbij de plaats van de dienst verlegd wordt naar het grondgebied van de Lid-Staat die aan de ontvanger het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst aan hem is verleend wanneer de dienst wordt verstrekt aan een ontvanger die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere Lid-Staat dan die waarin de dienst materieel wordt verricht, kan in onderhavig geval niet worden toegepast.
Inderdaad, uit de tekst zelf van het artikel blijkt dat deze afwijking niet toepasselijk is wanneer de goederen niet worden verzonden of vervoerd buiten de Lid-Staat waar de dienst materieel werd verricht. Dit is steeds het geval voor goederen die vóór hun effectieve opslag in het entrepot onder de regeling BTW-entrepot werden bewerkt en waarbij die opslag na de bewerking steeds verplicht is (z. nr. 30).
90. We merken tot slot op dat de vrijstelling van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek niet kan toegepast worden op diensten die betrekking hebben op goederen die ingevolge een binnenlandse verzending onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst, aangezien deze verzending zelf niet is vrijgesteld bij artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek (z. nrs. 32 en 85).
De dienstverrichter is in dit geval schuldenaar van de belasting overeenkomstig de algemene regel van artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek.
C. Opeenvolgende leveringen in het BTW-entrepot (Relaties B - C en C...V). X Y +------- Z -----+ binnenlandse ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ levering ¦ +------------+---------+--------+------+-+IC-levering ¦ ¦ Dienst ¦ Dienst ¦ Dienst ¦Dienst¦ ¦uitvoer ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Dienst¦ ¦ ¦ +-------------+-+uitslag door V-> ¦ ¦ + --------------------+-¦------------+¦ ¦ ¦ ¦ Verkoop Verkopen Verkoop ¦ ¦ W A --------------+-+>B------->C..------>V--------->W---+--+uitslag door W-> binnenlandse ¦ +-----------------------------------+ ¦ verzending: levering ¦ ^ Opeenvolgende verkopen met ¦ - binnen België IC-verwerving ¦ ¦ handhaving van de regeling ¦ - naar andere invoer ¦ ¦ BTW-ENTREPOT ¦ L.S. +---+------------------------------------+ - naar derde ¦ land ¦ binnenlandse verzending ¦ B ------+ 91. Leveringen van goederen die zich onder de regeling BTW-entrepot bevinden met handhaving van die regeling, zijn vrijgesteld van de belasting krachtens artikel 39quater, § 1, 2°, van het Wetboek. 92. De levering door B aan C is dus vrijgesteld op grond van deze bepaling. De vrijstelling wordt voorlopig verleend bij toepassing van artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit nr. 54.
C is schuldenaar van de belasting over deze handeling overeenkomstig artikel 51, § 2, 3°, van het Wetboek.
De levering van goederen onder bezwarende titel door B aan C met handhaving van de regeling heeft tot gevolg dat de vrijstelling, die voorlopig werd verleend voor de levering met plaatsing van de goederen onder de regeling door B, evenals de dienst verricht door X, definitief worden (z. artikel 7, § 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 54).
93. De levering van goederen door C evenals de daaropvolgende leveringen zijn eveneens vrijgesteld van de belasting overeenkomstig artikel 39quater, § 1, 2°, van het Wetboek aangezien het gaat om leveringen van goederen met handhaving van de regeling BTW-entrepot. Deze vrijstellingen worden voorlopig verleend bij toepassing van artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit nr. 54.
Overeenkomstig artikel 51, § 2, 3°, van het Wetboek zijn de opeenvolgende medecontractanten schuldenaar van de belasting die verschuldigd is op de levering van goederen die aan hen werd verricht.
94. De levering van goederen onder bezwarende titel verricht door C met handhaving van de regeling BTW-entrepot heeft de definitieve vrijstelling van de levering door B aan C tot gevolg (z. artikel 7, § 2, 1° van het koninklijk besluit nr. 54).
Op dezelfde wijze wordt de voorlopige vrijstelling die aan elk van de daaropvolgende verkopen werd verleend, definitief van zodra de goederen het voorwerp uitmaken van een nieuwe levering onder bezwarende titel met handhaving van de regeling.
| D. | Diensten tijdens de opslag (Relatie Y - C). |
Deze handeling kan echter worden vrijgesteld bij artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek wanneer ze bedoeld is in bijlage 3 bij deze aanschrijving (z. nr. 33).
Om onder de regeling BTW-entrepot te kunnen blijven, moeten de goederen na beëindiging van de dienst blijven beantwoorden aan de beperkingen voorzien in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 54 (z. nrs 12 tot 20 en 35).
96. Er wordt opgemerkt dat de afwijking inzake de plaatsbepaling van materiële werken aan roerende goederen waarin artikel 21, § 3, 2°, b) van het Wetboek voorziet en waarbij de plaats van de dienst verlegd wordt naar het grondgebied van de Lid-Staat die aan de ontvanger het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst aan hem is verleend wanneer de dienst wordt verstrekt aan een ontvanger die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere Lid-Staat dan die waarin de dienst materieel wordt verricht, in onderhavig geval niet kan worden toegepast.
Inderdaad, zoals uit de tekst zelf van het artikel blijkt, wordt deze afwijking niet toegepast wanneer de goederen niet worden verzonden of vervoerd buiten de Lid-Staat waar de dienst materieel werd verricht. Dit laatste is steeds het geval voor goederen die bewerkt zijn onder de regeling BTW-entrepot en die onder deze regeling gehandhaafd blijven.
1. de dienst verricht door Y is bedoeld in bijlage 3 bij deze aanschrijving.
97. In onderhavig geval gaat het om een dienst verricht aan goederen die zich onder de regeling BTW-entrepot bevinden en geniet de dienst de voorlopige vrijstelling voorzien bij artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek (z. artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 54).
C is schuldenaar van de belasting over deze handeling krachtens artikel 51, § 2, 3°, van het Wetboek.
98. De levering van de goederen door C met handhaving van de regeling maakt de vrijstelling die voor deze dienst werd verleend, definitief overeenkomstig artikel 7, § 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 54.
2. de dienst verricht door Y is niet bedoeld in bijlage 3 bij deze aanschrijving.
99. Het gaat om een dienst verricht aan goederen die zich onder de regeling BTW-entrepot bevinden maar die op grond van artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 54 wordt uitgesloten van de vrijstelling bedoeld in artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek (z. nr. 33).
De gewone regels inzake heffing zijn derhalve van toepassing op deze handelingen. Y is schuldenaar van de belasting overeenkomstig artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek.
E. Onttrekking van de goederen aan de regeling BTW-entrepot (Relaties V - W en W - W).
100. Om uit te maken welke BTW-regeling van toepassing is bij de onttrekking van de goederen aan de regeling BTW-entrepot, moet in de relatie V-W volgend onderscheid gemaakt worden :
- ofwel onttrekt V de goederen aan het BTW-entrepot in het kader van een levering van deze goederen zonder handhaving van de regeling;
- ofwel heeft de levering van de goederen door V aan W plaats met handhaving van de regeling BTW-entrepot en onttrekt W de goederen aan het BTW-entrepot, los van elke handelstransactie.
V onttrekt de goederen aan de regeling BTW-entrepot ingevolge hun levering zonder handhaving van de regeling X Y +------- Z -----+ binnenlandse ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ levering ¦ +------------+---------+--------+------+-+IC-levering ¦ ¦ Dienst ¦ Dienst ¦ Dienst ¦Dienst¦ ¦uitvoer ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Dienst¦ ¦ ¦ +-------------+-+uitslag door V-> ¦ ¦ + --------------------+-¦------------+¦ ¦ ¦ ¦ Verkoop Verkopen Verkoop ¦ ¦ W A --------------+-+>B------->C..------>V--------->W---+--+uitslag door W-> binnenlandse ¦ +-----------------------------------+ ¦ verzending: levering ¦ ^ Opeenvolgende verkopen met ¦ - binnen België IC-verwerving ¦ ¦ handhaving van de regeling ¦ - naar andere invoer ¦ ¦ BTW-ENTREPOT ¦ L.S. +---+------------------------------------+ - naar derde ¦ land ¦ binnenlandse verzending ¦ B ------+ 101. Wanneer de levering door V de onttrekking van de goederen aan de regeling BTW-entrepot met zich meebrengt. dan kan die levering de vrijstelling niet genieten voorzien in artikel 39quater, § 1, 2°, van het Wetboek wegens de niet-handhaving van de regeling. V is dus de persoon die de goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt (z. nr. 70). Deze levering is onderworpen aan de normale regels inzake heffing en maakt in principe de belasting opeisbaar over de overeengekomen prijs tussen V en W. Krachtens artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek is V schuldenaar van deze belasting.
De levering van goederen door V aan W heeft tot gevolg dat de vrijstelling die voorlopig werd verleend voor de levering verricht aan V, definitief wordt overeenkomstig artikel 7, § 2, 2° van het koninklijk besluit nr. 54.
102. Er moet echter nog een bijkomend onderscheid gemaakt worden, om uit te maken of de in principe verschuldigde belasting over deze levering ook effectief moet betaald worden of dat deze levering een vrijstelling kan genieten.
a) de goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken in het kader van een binnenlandse levering.
103. Wanneer goederen aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken in het kader van een binnenlandse levering, dan laat de heffing van de belasting volgens de normale regels over de binnenlandse levering van de goederen door V aan W toe de voorwaarde te respecteren die wordt opgelegd aan de Lid-Staten die de regeling van het BTW-entrepot invoeren en die erin bestaat erop toe te zien dat het bedrag van de BTW dat verschuldigd is bij de onttrekking van de goederen aan de regeling BTW-entrepot, overeenkomt met het belastingbedrag dat verschuldigd zou zijn geweest indien elk van de handelingen in het binnenland was belast (z. nr. 59).
De opeisbare belasting moet in deze situatie door V worden betaald overeenkomstig de gewone bepalingen voor een binnenlandse levering.
Deze levering kan echter eventueel dezelfde vrijstellingen genieten als deze voorzien voor binnenlandse leveringen (bijvoorbeeld de vrijstellingen van artikel 42 van het Wetboek) of vrijgesteld worden op grond van artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek wanneer de goederen naar een ander BTW-entrepot in België worden verzonden en deze verzending toegelaten is (z. nrs. 296 tot 303).
b) de goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken in het kader van een intracommunautaire levering.
104. Wanneer de goederen aan de regeling van het BTW-entrepot worden onttrokken in het kader van een intracommunautaire levering, dan is de levering van de goederen door V van de belasting vrijgesteld bij toepassing van artikel 39bis van het Wetboek, voor zover voldaan is aan de daarbij gestelde voorwaarden.
105. De intracommunautaire verwerving door W is normaal gezien aan de belasting onderworpen in de Lid-Staat van aankomst van het vervoer of van de verzending van de goederen. Bijgevolg is voldaan aan de voorwaarde dat op de goederen eenzelfde fiscale druk moet wegen als wanneer ze niet onder de regeling BTW-entrepot waren geplaatst (z. nr. 59).
106. Er wordt opgemerkt dat als W gehouden is zijn intracommunautaire verwervingen aan de belasting te onderwerpen in de Lid-Staat van aankomst van de goederen, de verwerving in voorkomend geval kan vrijgesteld worden van de belasting op basis van de fiscale bepalingen die van toepassing zijn in die Lid-Staat (bijvoorbeeld wanneer de goederen onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst in deze Lid-Staat gesteld dat het er is toegestaan).
c) de goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken in het kader van een uitvoer.
107. Wanneer de goederen aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken met het oog op een uitvoer, kan de levering van de goederen door V in België van de belasting worden vrijgesteld bij toepassing van artikel 39, § 1, 1° of 2°, van het Wetboek voor zover voldaan is aan de daarbij gestelde voorwaarden.
Aangezien op uitgevoerde goederen in principe geen enkele fiscale druk mag wegen, impliceert de vrijstelling van deze levering dat de voorwaarde gesteld in artikel 16, § 1, van de Zesde BTW-Richtlijn in dit geval eveneens gerespecteerd is (z. nr. 59).
W onttrekt de goederen aan de regeling BTW-entrepot, los van elke handelstransactie X Y +------- Z -----+ binnenlandse ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ levering ¦ +------------+---------+--------+------+-+IC-levering ¦ ¦ Dienst ¦ Dienst ¦ Dienst ¦Dienst¦ ¦uitvoer ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Dienst¦ ¦ ¦ +-------------+-+uitslag door V-> ¦ ¦ + --------------------+-¦------------+¦ ¦ ¦ ¦ Verkoop Verkopen Verkoop ¦ ¦ W A --------------+-+>B------->C..------>V--------->W---+--+uitslag door W-> binnenlandse ¦ +-----------------------------------+ ¦ verzending: levering ¦ ^ Opeenvolgende verkopen met ¦ - binnen België IC-verwerving ¦ ¦ handhaving van de regeling ¦ - naar andere invoer ¦ ¦ BTW-ENTREPOT ¦ L.S. +---+------------------------------------+ - naar derde ¦ land ¦ binnenlandse verzending ¦ B ------+ 108. Wanneer W, los van elke handelstransactie, de goederen als eigenaar onttrekt aan de regeling BTW-entrepot, betekent dit dat de verkoop V - W hoe dan ook geen aanleiding gaf tot de onttrekking van de goederen aan de regeling. Deze levering had bijgevolg plaats met voorlopige vrijstelling van de belasting, krachtens artikel 39quater, § 1, 2° van het Wetboek en artikel 7, § 1 van het koninklijk besluit nr. 54.
W is schuldenaar van de belasting over deze levering, bij toepassing van artikel 51, § 2, 3° van het Wetboek.
Al naargelang de bestemming die de goederen krijgen, wordt de voorlopige vrijstelling op de levering V - W definitief of moet deze worden geregulariseerd bij de onttrekking van de goederen aan de regeling.
a) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en blijven in het binnenland.
109. Wanneer W de goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt en de goederen blijven in België, dan verricht hij een binnenlandse verzending die niet aan de belasting onderworpen is.
110. Aan de Lid-Staten die een regeling BTW-entrepot instellen, werd de verplichting opgelegd om bij de onttrekking van de goederen aan de regeling BTW-entrepot een bedrag te innen dat overeenkomt met het bedrag dat zou verschuldigd zijn geweest wanneer elk van de handelingen die plaatsvonden onder de regeling, belast was geweest in het binnenland (z. nr. 59). Dit heeft in onderhavig geval tot gevolg dat de voorlopige vrijstelling die aan W werd verleend voor de aankoop van de goederen, niet definitief kan worden.
111. Overeenkomstig artikel 7, § 3, b) van het koninklijk besluit nr. 54 wordt de belasting op de door V verrichte levering opeisbaar in hoofde van W over de prijs die tussen de partijen werd overeengekomen. Dit belet echter niet dat eventueel toepassing wordt gemaakt van de vrijstellingen die voorzien zijn voor leveringen van goederen in het binnenland (bijvoorbeeld de vrijstellingen bedoeld in artikel 42 van het Wetboek).
Artikel 9 van dit koninklijk besluit stelt dat de belasting opeisbaar wordt op het tijdstip dat de goederen aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken tegen het tarief dat van toepassing zou zijn geweest indien de levering niet voorlopig was vrijgesteld.
De opeisbare belasting moet in deze situatie worden voldaan op de wijze uiteengezet in het nr. 213.
b) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en maken het voorwerp uit van een met een intracommunautaire levering gelijkgestelde overbrenging.
112. Wanneer W de goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt en ze, los van elke handelstransactie, verzendt of vervoert naar een andere Lid-Staat, verricht hij een intracommunautaire overbrenging van goederen.
De overbrenging door een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere Lid-Staat wordt, overeenkomstig artikel 12bis, eerste lid van het Wetboek, met een levering van goederen onder bezwarende titel gelijkgesteld en is derhalve een belastbare handeling.
Deze handeling is bij toepassing van artikel 39bis van het Wetboek vrijgesteld, voor zover de in dat artikel gestelde voorwaarden zijn vervuld.
113. Het bestemmen van een goed door W voor de doeleinden van zijn economische activiteit in de Lid-Staat van aankomst wordt bij toepassing van artikel 28bis, § 6 van de Zesde BTW-Richtlijn gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel. Deze verwerving is in die Lid-Staat in de regel aan de belasting onderworpen, over de aankoopprijs van de goederen door W. Hierdoor is voldaan aan de voorwaarde dat de fiscale druk gelijk moet zijn aan deze die de goederen hadden moeten dragen wanneer ze niet onder de regeling BTW-entrepot waren geplaatst (z. nr. 59).
De voorlopige vrijstelling voor de levering V - W wordt dus overeenkomstig artikel 7, § 2, 3° van het koninklijk besluit nr. 54 definitief bij het onttrekken van de goederen voor deze bestemming.
c) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en maken het voorwerp uit van een overbrenging bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° of 7° van het Wetboek.
114. In afwijking van artikel 12bis, eerste lid van het Wetboek, bepaalt artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° en 7° van het Wetboek dat de overbrenging door een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere Lid-Staat niet wordt gelijkgesteld met een levering van goederen onder bezwarende titel wanneer het gaat om één van de volgende handelingen :
- de verrichting van een dienst voor de belastingplichtige in verband met werkzaamheden betreffende dat goed, die daadwerkelijk worden uitgevoerd in de Lid-Staat van aankomst van de verzending of het vervoer van het goed, voor zover de goederen na bewerking opnieuw worden verzonden naar deze belastingplichtige in België waarvandaan zij oorspronkelijk waren verzonden of vervoerd;
- het tijdelijk gebruik van dat goed op het grondgebied van de Lid-Staat van aankomst van de verzending of het vervoer van het goed, ten behoeve van een dienstverrichting door de in België gevestigde belastingplichtige;
- het tijdelijk gebruik van dat goed voor een periode van ten hoogste 24 maanden op het grondgebied van een andere Lid-Staat waar de invoer van hetzelfde goed uit een derde land met het oog op tijdelijk gebruik in aanmerking zou komen voor de regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten.
116. Bijgevolg dient deze situatie op dezelfde manier behandeld te worden als deze beschreven onder letter a) (z. nrs. 109 tot 111), waarbij de goederen in België blijven wanneer ze aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken.
117. In de veronderstelling dat W de goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt en ze verzendt of vervoert naar een plaats buiten België maar binnen de Gemeenschap met het oog op het verrichten van een handeling als bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° of 7° van het Wetboek, dan wordt, overeenkomstig artikel 7, § 3, b) van het koninklijk besluit nr. 54, de belasting opeisbaar op de hem door V verrichte levering, over de prijs die tussen de partijen werd overeengekomen.
Overeenkomstig artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 54 wordt deze belasting opeisbaar op het tijdstip dat de goederen aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken, tegen het tarief dat van toepassing zou zijn geweest indien de levering V - W niet voorlopig was vrijgesteld.
De opeisbare belasting moet in deze situatie worden voldaan op de wijze uiteengezet in het nr. 213.
De levering V - W kan eventueel een vrijstelling genieten die voorzien is voor leveringen van goederen in het binnenland (bijvoorbeeld de vrijstelling bedoeld in artikel 42 van het Wetboek).
d) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en vervolgens uitgevoerd.
118. Wanneer W de goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt om ze uit te voeren buiten de Gemeenschap, verricht hij een verzending die niet aan de belasting is onderworpen.
Vermits er in de Gemeenschap geen verbruik plaatsvindt, moet op uitgevoerde goederen geen belasting drukken. De vrijstelling die voorlopig werd verleend voor de levering V - W, wordt dus definitief bij het onttrekken van de goederen voor deze bestemming, overeenkomstig artikel 7, § 2, 3° van het koninklijk besluit nr. 54.
De voorwaarde gesteld in artikel 16, § 1 van de Zesde BTW-Richtlijn wordt in deze situatie eveneens nageleefd (z. nr. 59).
F. Dienstverrichting op het einde van de opslag (Relatie Z-V en Z-W). X Y +------- Z -----+ binnenlandse ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ levering ¦ +------------+---------+--------+------+-+IC-levering ¦ ¦ Dienst ¦ Dienst ¦ Dienst ¦Dienst¦ ¦uitvoer ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ Dienst¦ ¦ ¦ +-------------+-+uitslag door V-> ¦ ¦ + --------------------+-¦------------+¦ ¦ ¦ ¦ Verkoop Verkopen Verkoop ¦ ¦ W A --------------+-+>B------->C..------>V--------->W---+--+uitslag door W-> binnenlandse ¦ +-----------------------------------+ ¦ verzending: levering ¦ ^ Opeenvolgende verkopen met ¦ - binnen België IC-verwerving ¦ ¦ handhaving van de regeling ¦ - naar andere invoer ¦ ¦ BTW-ENTREPOT ¦ L.S. +---+------------------------------------+ - naar derde ¦ land ¦ binnenlandse verzending ¦ B ------+ 119. Wanneer de goederen nog één of meerdere diensten ondergaan vooraleer ze daadwerkelijk uit het BTW-entrepot worden uitgeslagen, moeten de fiscale gevolgen voor deze diensten worden onderzocht, alsmede de eventuele invloed ervan op het BTW-stelsel dat van toepassing is bij het onttrekken van de goederen aan de regeling BTW-entrepot, zoals uiteengezet in de nrs. 100 tot 118. A. De goederen maken het voorwerp uit van een dienst verricht door Z vóór de verkoop V - W.
120. In de veronderstelling dat V aan de goederen een dienst laat verrichten door Z vooraleer ze te verkopen aan W, wordt deze dienst geacht plaats te vinden in België bij toepassing van artikel 21, § 3, 2°, a)) van het Wetboek. Deze handeling is in principe in België aan de belasting onderworpen.
Deze dienst is evenwel vrijgesteld van de belasting bij toepassing van artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek indien hij is opgenomen in bijlage 3 bij deze aanschrijving (z. nr. 33).
De goederen kunnen slechts onder de regeling BTW-entrepot blijven indien ze, na uitvoering van de dienst, nog steeds beantwoorden aan de beperkingen voorzien in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 54 (z. nrs. 12 tot 20 en 35).
121. Er wordt opgemerkt dat de afwijking voorzien in artikel 21, § 3, 2°, b)) van het Wetboek in dit geval niet kan toegepast worden. Dit artikel situeert de plaats van een materieel werk dat betrekking heeft op een roerend goed in de Lid-Staat die aan de ontvanger van de dienst het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst aan hem is verleend wanneer de dienst wordt verstrekt aan een ontvanger die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere Lid-Staat dan die waarin de dienst materieel wordt verricht.
Het bedoelde artikel stelt immers uitdrukkelijk dat de afwijking niet van toepassing is indien de goederen niet zijn verzonden of vervoerd buiten de Lid-Staat waar de dienst materieel is verricht. Dit is steeds het geval voor materieel werk verricht aan goederen die zich onder de regeling BTW-entrepot bevinden en waarbij deze regeling gehandhaafd blijft vermits de goederen nog niet werden verkocht door V aan W.
1. De door Z verrichte dienst is opgenomen in bijlage 3 bij deze aanschrijving.
122. Het gaat in dit geval om een dienst met betrekking tot goederen die zich onder de regeling BTW-entrepot bevinden. Deze dienst geniet de voorlopige vrijstelling bedoeld in artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek (z. artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 54).
V is schuldenaar van de belasting over deze handeling, bij toepassing van artikel 51, § 2, 3° van het Wetboek.
123. Ingevolge de levering van de bewerkte goederen door V aan W, wordt de vrijstelling voor de door Z verrichte dienst definitief, bij toepassing van artikel 7, § 2, 1° of 2° van het koninklijk besluit nr. 54, naargelang de levering aan W plaatsvindt met of zonder handhaving van de regeling BTW-entrepot (z. nr. 100).
124. Aangezien de waarde van de dienst verrekend zal zijn in de tussen V en W overeengekomen verkoopprijs van de goederen, heeft de definitieve vrijstelling van deze dienst geen enkele invloed op het belastingbedrag dat verschuldigd is bij de aanzuivering van de regeling BTW-entrepot. Deze aanzuivering gebeurt volgens hetzelfde onderscheid en volgens dezelfde regels als uiteengezet in de nrs. 100 tot 118.
2. De door Z verrichte dienst is niet opgenomen in bijlage 3 bij deze aanschrijving.
125. Hoewel het in dit geval om een dienst gaat met betrekking tot goederen die zich onder de regeling BTW-entrepot bevinden, wordt deze dienst door artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 54 uitgesloten van de vrijstelling bedoeld in artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek (z. nr. 33).
De normale regels inzake belastingheffing zijn dan ook van toepassing op deze handeling. Z is overeenkomstig artikel 51, § 1, 1° van het Wetboek schuldenaar van de op de handeling verschuldigde belasting.
126. Aangezien de waarde van de dienst verrekend zal zijn in de tussen V en W overeengekomen verkoopprijs van de goederen, moet het bedrag van de verschuldigde belasting ter gelegenheid van de aanzuivering van de regeling BTW-entrepot, worden vastgesteld volgens hetzelfde onderscheid en volgens dezelfde regels als uiteengezet in de nrs. 100 tot 118.
B. De goederen maken het voorwerp uit van een dienst verricht door Z na de verkoop V - W zonder handhaving van de regeling.
127. Z verricht voor rekening van Veen dienst aan goederen die door V zonder handhaving van de regeling reeds werden verkocht aan W, maar die door V nog niet uit het BTW-entrepot werden uitgeslagen. Deze dienst is aan de belasting onderworpen, hetzij overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, a) van het Wetboek in België waar hij materieel wordt verricht, hetzij in de Lid-Staat die V als ontvanger van de dienst het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst aan die ontvanger is verleend indien de voorwaarden voorzien in artikel 21, § 3, 2°, b) van het Wetboek zijn nageleefd.
128. In laatstgenoemde veronderstelling valt de handeling buiten het toepassingsgebied van de Belgische BTW en geeft ze in principe aanleiding tot een belastingheffing in de Lid-Staat waar de ontvanger van de dienst geïdentificeerd is.
De aanzuivering van de regeling BTW-entrepot in hoofde van V moet in deze situatie dan ook gebeuren volgens hetzelfde onderscheid en volgens dezelfde regels als uiteengezet in de nrs. 104 tot 107.
129. Wanneer de dienst die wordt verricht vooraleer de door V aan W verkochte goederen effectief uit het BTW-entrepot worden uitgeslagen, geacht wordt in België plaats te vinden, kan hij niet worden vrijgesteld bij toepassing van artikel 39quater van het Wetboek. Dit belet de eventuele toepassing echter niet van andere vrijstellingen die voorzien zijn voor die diensten (bijvoorbeeld deze voorzien in artikel 39, § 1, 3° of artikel 42 van het Wetboek).
130. Artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 54 bepaalt inderdaad dat de diensten die opgenomen zijn in bijlage 3 bij deze aanschrijving, uitgesloten zijn van de vrijstelling, wanneer ze betrekking hebben op goederen die zich in een BTW-entrepot bevinden. maar die het voorwerp hebben uitgemaakt van een levering zonder handhaving van de regeling (z. nr. 36).
Overeenkomstig artikel 51, § 1, 1° van het Wetboek is dienstverrichter Z in dat geval schuldenaar van de belasting (z. nr. 74).
131. Indien de door Z verrichte dienst niet is opgenomen in bijlage 3 bij deze aanschrijving, is ze uitgesloten van de bedoelde vrijstelling ingevolge artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 54 (z. nr. 33).
Overeenkomstig artikel 51, § 1, 1° van het Wetboek is dienstverrichter Z ook in dat geval schuldenaar van de belasting.
132. De aanzuivering van de regeling BTW-entrepot in hoofde van V moet ook in deze situatie gebeuren volgens hetzelfde onderscheid en volgens dezelfde regels als uiteengezet in de nrs. 101 tot 107.
C. De goederen maken het voorwerp uit van een dienst verricht door Z na de verkoop V - W met handhaving van de regeling.
133. Z verricht voor rekening van W een dienst aan goederen die met handhaving van de regeling reeds werden verkocht door V aan W, maar die door W nog niet uit het BTW-entrepot werden uitgeslagen. Deze dienst is aan de belasting onderworpen, hetzij overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, a) van het Wetboek in België waar hij materieel wordt verricht, hetzij in de Lid-Staat die aan de ontvanger van de dienst het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst aan die ontvanger is verleend indien de voorwaarden voorzien in artikel 21, § 3, 2°, b) van het Wetboek zijn nageleefd.
134. In laatstgenoemde veronderstelling valt de handeling buiten het toepassingsgebied van de Belgische BTW en geeft ze in principe aanleiding tot een belastingheffing in de Lid-Staat waar de ontvanger van de dienst geïdentificeerd is.
De aanzuivering van de regeling BTW-entrepot in hoofde van W moet dan gebeuren volgens hetzelfde onderscheid en volgens dezelfde regels als uiteengezet in de nrs. 112 tot 118.
135. Wanneer de dienst geacht wordt plaats te vinden in België, waar hij materieel wordt verricht, moet een onderscheid gemaakt worden naargelang de handeling al dan niet is opgenomen in bijlage 3 bij deze aanschrijving.
1. De door Z Verrichte dienst is opgenomen in bijlage 3 bij deze aanschrijving.
136. In dat geval is de dienst voorlopig vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek en artikel 7, § 1, 3° van het koninklijk besluit nr. 54.
Overeenkomstig artikel 51, § 2, 3° van het Wetboek is W schuldenaar van de belasting op deze handeling.
De aanzuivering van de regeling BTW-entrepot in hoofde van W moet gebeuren in functie van de bestemming die aan de goederen wordt gegeven.
a) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en blijven in het binnenland.
137. Zowel de levering van goederen door V aan W, als de dienst verricht door Z voor rekening van W, werden voorlopig vrijgesteld.
W is voor de beide handelingen schuldenaar van de belasting.
Wanneer hij los van elke handelstransactie, de goederen onttrekt aan de regeling BTW-entrepot en de goederen blijven in België, verricht hij een binnenlandse verzending. Deze verzending is niet aan de belasting onderworpen vermits ze in het binnenland plaatsvindt.
138. Vermits de onttrekking van de goederen aan de regeling, niet onderworpen is aan de belasting is niet voldaan aan de voorwaarde die artikel 16, § 1 van de Zesde BTW-Richtlijn oplegt aan de Lid-Staten die een regeling BTW-entrepot instellen (z. nr. 59).
Bijgevolg kunnen de voorlopige vrijstellingen die W geniet, niet definitief worden.
139. Overeenkomstig artikel 7, § 3, b) van het koninklijk besluit nr. 54, wordt de belasting opeisbaar in hoofde van W, zowel voor de hem verrichte levering als voor de hem verstrekte dienst, over de prijs die tussen de partijen werd overeengekomen.
Krachtens artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 54 wordt de belasting op deze twee handelingen opeisbaar op het tijdstip dat de goederen aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken, tegen het tarief dat van toepassing zou geweest zijn op elk van deze handelingen indien zij niet voorlopig waren vrijgesteld.
De levering V - W en de dienst Z - W kunnen eventueel wel de vrijstelling genieten die voorzien is voor dergelijke handelingen in het binnenland (bijvoorbeeld de vrijstelling van artikel 42 van het Wetboek).
b) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en maken het voorwerp uit van een met een intracommunautaire levering gelijkgestelde overbrenging.
140. Wanneer W de goederen onttrekt aan de regeling BTW-entrepot en ze vervolgens, los van elke handelstransactie, verzendt of vervoert naar een andere Lid-Staat, verricht hij een intracommunautaire overbrenging van goederen.
De overbrenging door een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere Lid-Staat wordt gelijkgesteld met een levering van goederen onder bezwarende titel op grond van artikel 12bis van het Wetboek en is dus een belastbare handeling.
Deze handeling is vrijgesteld bij toepassing van artikel 39bis van het Wetboek, voor zover voldaan is aan de in dat artikel gestelde voorwaarden.
141. Het bestemmen van een goed door W voor de doeleinden van zijn economische activiteit in de Lid-Staat van aankomst, wordt bij toepassing van artikel 28bis, § 6 van de Zesde BTW-Richtlijn gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel. Deze verwerving is in die Lid-Staat in de regel aan de belasting onderworpen, over de kostprijs van de goederen overeenkomstig de artikelen 28sexies en 11, A, § 1, b) van de Zesde BTW-Richtlijn.
De maatstaf van heffing van de belastbare overbrenging omvat dus niet alleen de aankoopprijs van de goederen door W, maar ook de dienst die Z verricht onder de regeling BTW-entrepot. Hierdoor is voldaan aan de voorwaarde dat de fiscale druk gelijk moet zijn aan deze die de goederen hadden moeten dragen wanneer ze niet onder de regeling BTW-entrepot waren geplaatst (z. nr. 59). De vrijstelling die voorlopig werd verleend voor de levering V - W en de dienst Z - W, wordt dus overeenkomstig artikel 7, § 2, 3° van het koninklijk besluit nr. 54 definitief bij het onttrekken van de goederen.
c) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en maken het voorwerp uit van een overbrenging bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° of 7° van het Wetboek.
142. Om dezelfde redenen als uiteengezet in de nrs. 114 en 115, moet deze situatie op identieke wijze worden behandeld als deze onder letter a) (z. nrs. 137 tot 139), waarbij de goederen in België blijven wanneer ze aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken.
143. Overeenkomstig artikel 7, § 3, b) van het koninklijk besluit nr. 54, wordt de belasting opeisbaar in hoofde van W, zowel voor de hem door V verrichte levering als voor de hem door Z verstrekte dienst, over de prijs die tussen de partijen werd overeengekomen.
Krachtens artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 54 wordt de belasting over deze twee handelingen opeisbaar op het tijdstip dat de goederen aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken tegen het tarief dat van toepassing zou geweest zijn op elk van deze handelingen indien zij niet voorlopig waren vrijgesteld.
De levering V - W en de dienst Z - W kunnen eventueel wel een vrijstelling genieten die voorzien is voor dergelijke handelingen in het binnenland (bijvoorbeeld de vrijstelling van artikel 42 van het Wetboek).
d) De goederen worden aan de regeling BTW-entrepot onttrokken en vervolgens uitgevoerd
144. Wanneer W, los van elke handelstransactie, de goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt om ze uit te voeren buiten de Gemeenschap. verricht hij een verzending die niet aan de belasting is onderworpen.
Vermits er in de Gemeenschap geen verbruik is, moet op uitgevoerde goederen geen belasting drukken. De vrijstelling die voorlopig werd verleend voor de levering V - W en voor de dienst Z - W wordt dus overeenkomstig artikel 7, § 2, 3° van het koninklijk besluit nr. 54 definitief bij het onttrekken van de goederen voor deze bestemming.
De voorwaarde gesteld in artikel 16, § 1 van de Zesde BTW-Richtlijn wordt in deze situatie eveneens nageleefd (z. nr. 59), niettegenstaande de vrijstelling voor de levering van de goederen en voor de dienst.
2. De door Z verrichte dienst is niet opgenomen in bijlage 3 bij deze aanschrijving.
145. Artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 54 sluit deze dienst uit van de vrijstelling voorzien bij artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek (z. nr. 33).
De normale regels inzake belastingheffing zijn dan ook van toepassing op deze handeling, zonder afbreuk te doen aan de eventuele toepassing van andere vrijstellingen die voorzien zijn voor diensten (bijvoorbeeld deze van artikel 39, § 1, 3° of 42 van het Wetboek). Overeenkomstig artikel 51, § 1, 1° van het Wetboek is Z schuldenaar van de belasting op deze handeling.
146. De aanzuivering van de regeling BTW-entrepot moet in deze situatie gebeuren volgens hetzelfde onderscheid en volgens dezelfde regels als uiteengezet in de nrs. 108 tot 118.
HOOFDSTUK III. DE VERPLICHTINGEN.
147. Dit hoofdstuk geeft een uiteenzetting van de specifieke verplichtingen die worden opgelegd in het kader van de toepassing van de regeling BTW-entrepot.
De eerste afdeling van dit hoofdstuk handelt over de verplichtingen die rechtstreeks verband houden met de eigenlijke werking van de regeling BTW-entrepot : de verplichtingen ten aanzien van goederen en diensten opgelegd aan de betrokken partijen bij de inslag, bij de overdracht met handhaving van de regeling en bij de uitslag uit het BTW-entrepot alsmede de manier waarop de BTW moet worden voldaan ingeval van regularisatie.
De tweede afdeling van dit hoofdstuk herneemt het praktijkvoorbeeld uit hoofdstuk II en geeft een opsomming van de verplichtingen bij elke handeling uit dat voorbeeld.
De derde afdeling van dit hoofdstuk handelt over de verplichtingen die niet rechtstreeks verbonden zijn aan de eigenlijke werking van het BTW-entrepot : de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de voldoening van de belasting en de fiscale vertegenwoordiging van niet in België gevestigde belastingplichtigen.
| AFDELING | 1. VERPLICHTINGEN IN VERBAND MET DE WERKING VAN DE REGELING. |
| A. | Algemeenheden. |
De goederen die via het BTW-entrepot worden verhandeld, moeten bovendien fiscaal gevolgd kunnen worden : welke bestemming hebben de goederen gekregen bij de uitslag ? Zijn alle ingeslagen goederen ook uitgeslagen ? Zijn er goederen die ontbreken ?
149. Volgende specifieke verplichtingen zijn noodzakelijk voor de goede werking van het BTW-entrepot :
- de vergunninghouder moet een voorraadadministratie voeren voor de goederen die zich onder de regeling BTW-entrepot bevinden;
- de opslag in het BTW-entrepot alsmede de uitslag uit het BTW-entrepot moeten steeds worden vastgesteld aan de hand van een document, hierna opslag- respectievelijk uitslagdocument genoemd;
- met betrekking tot de inslag en de uitslag van de goederen moet de vergunninghouder een afzonderlijke opgave bijhouden, hierna genoemd opgave van opslagdocumenten, respectievelijk uitslagdocumenten, waarin zonder uitstel en in volgorde van de data van hun inslag of uitslag de goederenbewegingen worden ingeschreven. De inschrijvingen moeten gebeuren aan de hand van de opslag- en uitslagdocumenten. De opgave van opslagdocumenten, respectievelijk uitslagdocumenten omvat de bewegingen voor het geheel van plaatsen die in eenzelfde bijzondere vergunning zijn erkend;
- de persoon die de goederen op- of uitslaat of voor wiens rekening ze worden op- of uitgeslagen, moet zich tegenover de vergunninghouder steeds identificeren met opgave van zijn BE-identificatienummer;
- wanneer ter gelegenheid van de onttrekking van de goederen aan de regeling BTW-entrepot, de BTW opeisbaar wordt (z. nrs. 67 en 68), moet een regularisatie worden doorgevoerd.
Wanneer hierna de term vergunninghouder wordt gebruikt, wordt daarmee de persoon bedoeld waarvan sprake in de nrs. 42, 46 en 49 hiervoor.
| B. | Voorraadadministratie. |
Wanneer in de bijzondere vergunning meerdere plaatsen zijn erkend, waar goederen onder de regeling kunnen worden opgeslagen, moet in de voorraadadministratie worden aangegeven welke goederen zich op welke plaats bevinden. In de bijzondere vergunning is de plaats vermeld waar de voorraadadministratie zich moet bevinden ter inzage van de ambtenaren belast met het toezicht en de controle van de regeling BTW-entrepot.
De voorraadadministratie moet worden gevoerd ongeacht de aard van de goederen en het type BTW-entrepot.
De voorraadadministratie bestaat eigenlijk uit de opgave van opslagdocumenten, de opgave van uitslagdocumenten alsmede uit een verzameling voorraadfiches waarop per type van goederen de in- en uitslagen worden aangetekend.
152. De vorm van de fiches mag worden aangepast aan de noodwendigheden van de vergunninghouder (bvb. bij geautomatiseerd beheer).
De fiches moeten evenwel ten minste de volgende vermeldingen bevatten :
- een volgnummer;
- de naam, het adres en het Belgisch BTW-identificatienummer van de vergunninghouder;
- het nummer van het BTW-entrepot of van het belastingentrepot indien het accijnsproducten betreft;
- de aard van de goederen;
- de GN-Code van de goederen (De te vermelden code is de code van de goederen in de staat waarin ze zich bevinden op het tijdstip van hun opslag in het BTW-entrepot (z. nrs. 16 en 18));
- per opslag van goederen in het entrepot :
- de datum van opslag;
- de hoeveelheid of het aantal goederen;
- een verwijzing naar het opslagdocument;
- per uitslag van goederen uit het entrepot :
- de datum van uitslag;
- de hoeveelheid of het aantal goederen;
- een verwijzing naar het uitslagdocument;
- een omschrijving van de in het entrepot aan de goederen verrichte behandelingen;
- het saldo van de goederen in stock.
| C. | Verplichtingen in verband met de inslag in het BTW-entrepot. |
Invoer.
Het opslagdocument.
154. Uit derde landen of derdelandsgebieden afkomstige goederen, zowel accijnsproducten als niet-accijnsproducten, die bestemd zijn om onder de regeling BTW-entrepot te worden geplaatst, worden voor de toepassing van de BTW voor het verbruik aangegeven met vrijstelling van de BTW op basis van een formulier "Enig Document" gebruikt als aangifte IM4, EU4 of COM4 (z. nr. 25). Vervolgens worden ze ingeslagen in het BTW-entrepot aan de hand van dezelfde aangifte.
De aangifte IM4, EU4 of COM4 dient als opslagdocument.
Er wordt opgemerkt dat accijnsproducten enkel kunnen worden opgeslagen in een BTW-entrepot als die opslag geschiedt in een belastingentrepot. De aangifte IM4, EU4 of COM4 zal in die gevallen vergezeld gaan van een accijnsgeleidedocument.
Het gebruik en de wijze van invullen van het formulier "Enig Document" maakt het voorwerp uit van een instructie van de administratie der douane en accijnzen over het enig document, die kan worden besteld bij de dienst bedoeld in nr. 44.
155. Voor de toepassing van de vrijstelling van BTW in het kader van de regeling BTW-entrepot moeten op de bedoelde aangifte specifiek volgende gegevens voorkomen :
- in vak 8 voorbehouden voor de geadresseerde : de naam, het adres en het BE-nummer van de geadresseerde van de ingevoerde goederen bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992.
- in vak 37 betreffende de regeling waarvoor de goederen worden aangegeven, de code 45 vermelden. Dit is het codenummer dat op communautair vlak werd voorbehouden voor de aangifte ten verbruik van goederen die in een BTW-entrepot worden geplaatst.
- in vak 44 voorbehouden voor bijzondere vermeldingen : de naam, het adres en het eigen BE-identificatienummer van de vergunninghouder, alsmede het nummer van de hem uitgereikte vergunning. Indien de vergunninghouder titularis zou zijn van meerdere vergunningen, moet het nummer worden opgegeven van de vergunning die betrekking heeft op de plaats van de opslag. Indien de vergunninghouder tevens de geadresseerde is, moeten dezelfde gegevens worden vermeld als in vak 8. In het geval de vergunninghouder de geadresseerde dient te vertegenwoordigen onder zijn globaal BTW-identificatienummer, wordt in vak 44 het eigen BTW-identificatienummer vermeld van de vergunninghouder en niet zijn globaal nummer. Wanneer goederen vóór hun eigenlijke opslag in het BTW-entrepot een bewerking of een verwerking ondergaan, moet daarvan melding worden gemaakt in vak 44;
- in vak 49 met betrekking tot de identificatie van het entrepot : het nummer van het douane-entrepot of van het belastingentrepot wanneer het gaat om de invoer van accijnsproducten, waarin de goederen worden opgeslagen.
156. Een kopie van de vergunning BTW-entrepot moet ter inzage aan de douane worden overgelegd. Indien de vergunninghouder een niet in België gevestigde persoon vertegenwoordigt onder een globaal BTW-identificatienummer (BE 796.6), moet bovendien een kopie worden overgelegd van het attest van het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen betreffende de toekenning van dat globaal identificatienummer BE 796.6.
De opgave van de opslagdocumenten.
157. De vergunninghouder moet een opgave van opslagdocumenten aanleggen waarin de in het BTW-entrepot opgeslagen goederen zonder uitstel en in volgorde van de data van effectieve opslag worden ingeschreven. Voor ingevoerde goederen, zowel accijnsproducten als andere goederen, moet deze opgave tenminste de volgende gegevens bevatten :
- een volgnummer;
- de datum van opslag;
- het BE-identificatienummer van de geadresseerde;
- een verwijzing naar de aangifte ten verbruik;
- het volgnummer van de voorraadfiche(s) van de betreffende goederen waaronder de opslag is ingeschreven in de voorraadadministratie.
Specifieke verp1ichtingen inzake facturatie.
159. Voor de opslag in het BTW-entrepot van ingevoerde goederen, moet de geadresseerde geen specifieke vermeldingen aanbrengen op de factuur, die aan de douane moet worden voorgelegd samen met de aangifte ten verbruik van de goederen.
Intracommunautaire verwervingen.
Het opslagdocument.
160. De persoon die de intracommunautaire verwerving van de goederen verricht en de goederen opslaat of voor wiens rekening ze worden opgeslagen, moet zich tegenover de vergunninghouder identificeren. De vergunninghouder van zijn kant moet een opslagdocument opstellen en ondertekenen.
161. Het opslagdocument moet worden opgesteld op het tijdstip dat de goederen in het BTW-entrepot worden opgeslagen. Dit document moet tenminste de volgende gegevens bevatten :
- de datum van de opslag;
- de naam, het adres en het BE-identificatienummer van de vergunninghouder;
- het nummer van de vergunning;
- de plaats van het BTW-entrepot;
- de naam, het adres en het BE-identificatienummer van de verwerver. Indien de verwerver in België niet beschikt over een individueel BE-identificatienummer, moet de vergunninghouder deze persoon fiscaal vertegenwoordigen onder zijn globaal BE-identificatienummer (796.6);
- het volgnummer waaronder het is ingeschreven in de opgave van opslagdocumenten;
- een nauwkeurige omschrijving van de aard en de hoeveelheid van de goederen;
- een verwijzing naar de door de verwerven ontvangen factuur of naar het door hem opgemaakte stuk als bedoeld in artikel 9, § 1 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4de editie) of, ingeval van overbrenging naar België, naar het voor deze doeleinden opgestelde transfertdocument. Een dubbel van de factuur, van het bedoelde stuk of van het transfertdocument moet in het bezit gesteld worden van de vergunninghouder.
163. Het opslagdocument mag worden vervangen door een ander document voor zover het de voornoemde vermeldingen bevat en ondertekend is door de vergunninghouder.
164. Er is ontheffing van de verplichting tot de opmaak van een specifiek opslagdocument wanneer de opslag betrekking heeft op in een belastingentrepot toegelaten accijnsproducten waarvoor bij die gelegenheid een accijnsgeleidedocument werd opgemaakt. In dat geval vervult het accijnsgeleidedocument de functie van opslagdocument. De ontheffing mag enkel worden toegepast op voorwaarde dat op het geleidedocument de naam, het adres en het BE-identificatienummer van de verwerver is vermeld. Dit BE-identificatienummer is desgevallend het globaal BE-identificatienummer waaronder de vergunninghouder de niet in België gevestigde verwerver vertegenwoordigt. Bovendien moet op het geleidedocument worden verwezen naar het volgnummer waaronder dat geleidedocument is ingeschreven in de opgave van opslagdocumenten.
De opgave van de opslagdocumenten.
165. De vergunninghouder moet een opgave van opslagdocumenten aanleggen waarin de in het BTW-entrepot opgeslagen goederen zonder uitstel en in volgorde van de data van effectieve opslag worden ingeschreven.
Voor de opslag van de intracommunautair verworven goederen, zowel accijnsproducten als niet-accijnsproducten, moet deze opgave tenminste de volgende vermeldingen bevatten :
- het volgnummer;
- de datum van opslag;
- het BE-identificatienummer van de verwerver;
- een verwijzing naar het opslagdocument;
- het volgnummer van de voorraadfiche(s) van de betreffende goederen waaronder de opslag is ingeschreven in de voorraadadministratie.
Specifieke verplichtingen inzake facturatie.
167. Voor de opslag in het BTW-entrepot van intracommunautair verworven goederen, moet de verwerver geen specifieke vermeldingen aanbrengen op de hem uitgereikte faktuur of op het stuk bedoeld in artikel 9, § 1 van het koninklijk besluit nr. 1 of op het transfertdocument.
Levering of binnenlandse verzending.
Het opslagdocument.
168. De persoon die in België ofwel goederen koopt en vervolgens in een BTW-entrepot opslaat of voor wiens rekening ze er worden opgeslagen, ofwel de goederen naar een BTW-entrepot verzendt of doet verzenden, moet zich tegenover de vergunninghouder identificeren. De vergunninghouder van zijn kant moet een opslagdocument opstellen en ondertekenen.
169. Het opslagdocument moet worden opgesteld op het tijdstip dat de goederen in het BTW-entrepot worden opgeslagen. Dit document moet tenminste de volgende gegevens bevatten :
- de datum van de opslag;
- de naam, het adres en het BE-identificatienummer van de vergunninghouder;
- het nummer van de vergunning;
- de plaats van het BTW-entrepot;
- de naam, het adres en het BE-identificatienummer van de persoon die de goederen onder de regeling opslaat. Indien de bedoelde persoon in België niet beschikt over een individueel BE-identificatienummer, moet de vergunninghouder deze persoon fiscaal vertegenwoordigen onder zijn globaal BE-identificatienummer (796.6);
- het volgnummer waaronder het is ingeschreven in de opgave van de opslagdocumenten;
- een nauwkeurige omschrijving van de aard en de hoeveelheid van de goederen;
- een verwijzing naar de factuur van de leverancier of naar het bijzonder stuk opgemaakt door de eigenaar van de goederen wanneer de opslag het gevolg is van een binnenlandse verzending (z. nr.177). Een dubbel van de factuur of van het bedoelde bijzonder stuk moet in het bezit gesteld worden van de vergunninghouder.
171. Wanneer de koper de hem in België geleverde goederen opslaat in het BTW-entrepot, blijft de verkoper ertoe gehouden aan te tonen dat de levering die hij heeft verricht, een handeling is bedoeld in artikel 39quater, § 1, 1° van het Wetboek. Daarom moet die verkoper eveneens in het bezit worden gesteld van een door de vergunninghouder ondertekend exemplaar van het opslagdocument.
172. Het opslagdocument mag worden vervangen door een ander document voor zover het de voornoemde vermeldingen bevat en ondertekend is door de vergunninghouder.
173. Er is ontheffing van de verplichting tot opmaak van een specifiek opslagdocument wanneer de opslag betrekking heeft op in een belastingentrepot toegelaten accijnsproducten waarvoor bij die gelegenheid een accijnsgeleidedocument werd opgemaakt. In dit geval vervult het accijnsgeleidedocument de functie van opslagdocument. De ontheffing mag enkel worden toegepast op voorwaarde dat op het geleidedocument de naam, het adres en het BE-identificatienummer is vermeld van de persoon die de goederen onder de regeling opslaat. Dit BE-identificatienummer is desgevallend het globaal BE-identificatienummer waaronder de vergunninghouder de bedoelde niet in België gevestigde persoon vertegenwoordigt. Bovendien moet op het geleidedocument worden verwezen naar het volgnummer waaronder dat geleidedocument is ingeschreven in de opgave van opslagdocumenten.
De opgave van de opslagdocumenten.
174. De vergunninghouder moet een opgave van de opslagdocumenten aanleggen waarin de in het BTW-entrepot opgeslagen goederen, zowel accijnsproducten als niet-accijnsproducten, zonder uitstel en in volgorde van de data van effectieve opslag worden ingeschreven. In deze opgave moeten ten minste de volgende vermeldingen voorkomen :
- het volgnummer;
- de datum van opslag;
- het BE-identificatienummer van de persoon die de goederen opslaat;
- een verwijzing naar het opslagdocument;
- het volgnummer van de voorraadfiche(s) van de betreffende goederen waaronder de opslag is ingeschreven in de voorraadadministratie.
Specifieke verplichtingen inzake facturatie.
176. Wanneer de opslag in het BTW-entrepot het gevolg is van een binnenlandse levering, moet de factuur naast de gegevens bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr.1, de volgende specifieke vermeldingen bevatten :
- de naam, het adres en het eigen BE-identificatienummer van de vergunninghouder;
- het nummer van de vergunning BTW-entrepot waar de goederen zijn opgeslagen;
- in plaats van de vermelding van de tarieven en van de verschuldigde belasting, de vermelding :
"Regeling BTW-entrepot. - Artikel 39quater van het Wetboek. BTW opeisbaar in hoofde van de medecontractant. - Artikel 51, § 2, 3° van het Wetboek."
Dit stuk moet de volgende gegevens bevatten :
- de naam, het adres en het BE-identificatienummer van die eigenaar. In het geval de in het buitenland gevestigde eigenaar niet over een individueel BE-identificatienummer beschikt, wordt het globaal BE-identificatienummer (796.6) van de vergunninghouder vermeld;
- de naam, het adres en het eigen BE-identificatienummer van de vergunninghouder;
- het nummer van de vergunning BTW-entrepot waar de goederen zijn opgeslagen;
- een nauwkeurige omschrijving van de aard, de hoeveelheid en de waarde van de goederen.
Diensten verricht aan goederen vóór opslag in het BTW-entrepot.
178. Er is voorlopige vrijstelling van BTW voor diensten verricht aan goederen die onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst, doch die nog niet effectief in dat BTW-entrepot zijn opgeslagen ongeacht de herkomst van deze goederen : een derde land, een andere Lid-Staat of België. Op deze regel zijn er twee uitzonderingen. Diensten verricht aan goederen die vervolgens worden opgeslagen ingevolge een binnenlandse verzending, genieten geen vrijstelling van BTW (z. nr. 32). Accijnsproducten kunnen alleen diensten ondergaan wanneer ze zich in het belastingentrepot en derhalve in het BTW-entrepot bevinden (z. nr. 31).
179. Vooraleer de in nr. 178 bedoelde diensten aan goederen mogen worden verricht onder de regeling BTW-entrepot, moet de vergunninghouder daartoe een vergunning hebben bekomen (z. nr. 51 tot 53).
Er wordt aan herinnerd dat de vergunninghouder deze vergunning eveneens moet hebben bekomen wanneer de in nr. 178 bedoelde diensten buiten de werkingssfeer van de BTW zouden vallen omdat ze bijvoorbeeld niet onder bezwarende titel worden verricht door een als zodanig handelende belastingplichtige.
180. Nadat de dienst is uitgevoerd, moeten de goederen effectief in het BTW-entrepot worden opgeslagen. Er wordt opgemerkt dat de opslag in het entrepot steeds moet vastgesteld worden door middel van een opslagdocument.
Verplichtingen van de vergunninghouder.
181. De vergunninghouder moet met betrekking tot de bedoelde diensten een bijzonder document opstellen met daarop de volgende gegevens :
- het volgnummer van het document;
- de naam, het adres en het eigen BE-identificatienummer van de vergunninghouder;
- de naam, het adres en het BE-identificatienummer van de dienstverrichter en van de ontvanger van de dienst;
- het nummer van het entrepot waar de goederen zullen worden opgeslagen;
- de verwijzing naar de verkregen vergunning voor het uitvoeren van diensten vóór de effectieve opslag.
Ter gelegenheid van de effectieve opslag van de goederen in het BTW-entrepot moet de vergunninghouder :
- het voor hem bestemde exemplaar van dit bijzonder document aanvullen met een verwijzing naar het opslagdocument;
- een door hem ondertekend exemplaar van het opslagdocument uitreiken aan de dienstverrichter, tenzij wanneer de vergunninghouder zelf de dienstverrichter is.
Specifieke verplichtingen inzake facturatie.
184. De factuur die de dienstverrichter moet uitreiken, moet naast de gegevens bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, de volgende specifieke vermeldingen bevatten :
- de naam, het adres en het eigen BE-identificatienummer van de vergunninghouder;
- het nummer van het BTW-entrepot waar de goederen zullen worden opgeslagen;
- een verwijzing naar het bijzonder document of naar het opslagdocument wanneer er ontheffing is van de verplichting tot opmaak van een bijzonder document;
- in plaats van de vermelding van de tarieven en van de verschuldigde belasting, de vermelding :
"Regeling BTW-entrepot. - Artikel 39quater van het Wetboek. BTW opeisbaar in hoofde van de medecontractant - Artikel 51, § 2, 3° van het Wetboek."
Verplichtingen voor de vergunninghouder.
185. Er zijn geen specifieke verplichtingen voor de vergunninghouder : voor de handelingen die worden verricht met behoud van de regeling BTW-entrepot, is hij er niet toe gehouden de diverse verkopers-kopers en, in voorkomend geval, dienstverrichter(s) te identificeren. De vergunninghouder blijft niettemin hoofdelijk aansprakelijk voor de voldoening van de belasting die opeisbaar kan worden op deze handelingen (z. nr. 248 tot 252).
Specifieke verplichtingen inzake facturatie.
186. Wat de levering van goederen betreft, die zich in een BTW-entrepot bevinden met handhaving van de regeling, moet de leverancier op de factuur die hij moet uitreiken, naast de gebruikelijke vermeldingen bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, de volgende specifieke vermeldingen aanbrengen :
- de naam, het adres en het eigen BE-identificatienummer van de vergunninghouder;
- het nummer van de vergunning BTW-entrepot waar de goederen zijn opgeslagen;
- in plaats van de vermelding van de tarieven en van de verschuldigde belasting, de vermelding :
"Levering met handhaving van de regeling BTW-entrepot - Artikel 39quater, § 1, 2° van het Wetboek BTW opeisbaar in hoofde van de medecontractant - Artikel 51, § 2, 3°, van het Wetboek".
188. De diensten die bedoeld zijn in bijlage 3 bij deze aanschrijving, kunnen van de BTW worden vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek.
In die veronderstelling dient de factuur die de dienstverrichter moet uitreiken, naast de gebruikelijke vermeldingen bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, de volgende specifieke vermeldingen te bevatten :
- de naam, het adres en het eigen BE-identificatienummer van de vergunninghouder;
- het nummer van de vergunning BTW-entrepot waar de goederen zijn opgeslagen;
- in plaats van de vermelding van de tarieven en van de verschuldigde belasting, de vermelding :
"Diensten aan goederen onder de regeling BTW-entrepot - Artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek.
BTW opeisbaar in hoofde van de medecontractant - Artikel 51, § 2, 3° van het Wetboek."
| E. | Verplichtingen in verband met de uitslag uit BTW-entrepot. |
Verplichtingen van de vergunninghouder.
Het uitslagdocument.
191. Wanneer de goederen uit het BTW-entrepot worden uitgeslagen, moeten ze fiscaal kunnen worden gevolgd. De persoon die de goederen uitslaat uit het BTW-entrepot of voor wiens rekening ze worden uitgeslagen, moet zich derhalve tegenover de vergunninghouder identificeren met opgave van zijn BE-identificatienummer.
De vergunninghouder van zijn kant moet ter gelegenheid van de uitslag een uitslagdocument opstellen en ondertekenen.
Het uitslagdocument moet worden opgesteld op het tijdstip dat de goederen worden opgehaald in het BTW-entrepot. Op het document moeten de volgende vermeldingen voorkomen :
- de datum van de uitslag;
- de naam, het adres en het eigen BE-identificatienummer van de vergunninghouder;
- het nummer van de vergunning;
- de plaats van het entrepot;
- de naam, het adres en het BE-identificatienummer van de persoon die de goederen uitslaat of voor wiens rekening ze worden uitgeslagen. Indien die persoon een in het buitenland gevestigde onderneming is die niet beschikt over een individueel BE-identificatienummer, kan in bepaalde gevallen het globaal BE-identificatienummer (796.6) van de vergunninghouder worden gebruikt (z. de nrs. 253 tot 284);
- het volgnummer waaronder het is ingeschreven in de opgave van uitslagdocumenten;
- een nauwkeurige omschrijving van de aard en de hoeveelheid van de goederen;
- een verwijzing naar de factuur wanneer de goederen worden uitgeslagen ingevolge een verkoop. Een dubbel van de factuur moet in het bezit gesteld worden van de vergunninghouder;
- wanneer de goederen worden uitgeslagen los van enige handelstransactie, een verwijzing naar het stuk bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 1 ingeval van overbrenging naar een andere Lid-Staat die gelijkgesteld wordt met een levering onder bezwarende titel of, in de andere gevallen, naar het bijzonder stuk dat moet opgemaakt worden ter vaststelling van de uitslag (z. nr. 203). Een dubbel van deze documenten moet in het bezit van de vergunninghouder gesteld worden;
- wanneer de goederen worden vervoerd ter bestemming van een ander BTW-entrepot in België, waar de opslag onder de regeling BTW-entrepot is toegelaten (z. nrs. 296 tot 303), het nummer van de vergunning van dit entrepot, de plaats ervan alsmede de naam, het adres en het eigen BE-identificatienummer van de vergunninghouder van het BTW-entrepot van bestemming;
- indien de uitslag betrekking heeft op accijnsproducten en indien ter gelegenheid van deze uitslag een accijnsgeleidedocument wordt opgemaakt, een verwijzing naar dit geleidedocument.
193. Het uitslagdocument mag worden vervangen door een ander document voor zover de voornoemde vermeldingen erop voorkomen en het ondertekend is.
194. Er is ontheffing van de verplichting om een uitslagdocument op te stellen wanneer de uitslag betrekking heeft op in een belastingentrepot toegelaten accijnsproducten waarvoor bij die gelegenheid een accijnsgeleidedocument wordt opgesteld. In dit geval vervult het accijnsgeleidedocument de rol van uitslagdocument. Deze ontheffing mag enkel toegepast worden op voorwaarde dat op het geleidedocument de naam, het adres en het BE-identificatienummer is vermeld van de persoon die de goederen uitslaat. Bovendien moet op het geleidedocument worden verwezen naar het volgnummer waaronder dat geleidedocument is ingeschreven in de opgave van uitslagdocumenten.
De opgave van de uitslagdocumenten.
195. De vergunninghouder moet een opgave van de uitslagdocumenten aanleggen waarin de uit het BTW-entrepot uitgeslagen goederen zonder uitstel en in volgorde van de data van effectieve uitslag worden ingeschreven. Deze verplichting geldt ongeacht de aard en de bestemming van de goederen.
Deze opgave moet ten minste de volgende vermeldingen bevatten :
- het volgnummer;
- de datum van de uitslag;
- het BE-identificatienummer van de persoon die de goederen uitslaat;
- een verwijzing naar het uitslagdocument;
- het volgnummer van de voorraadfiche(s) van de betreffende goederen waaronder de uitslag is ingeschreven in de voorraadadministratie.
Uitslag van goederen uit het BTW-entrepot.
Verantwoording van de toepasselijke BTW-bepalingen bij uitslag.
197. Een onderscheid moet worden gemaakt naargelang de bestemming die de goederen bij uitslag uit het BTW-entrepot krijgen : België, een andere Lid-Staat of een derde land.
België
198. Wanneer de goederen in België blijven, moet er een opsplitsing gemaakt worden naargelang de uitslag al of niet gepaard gaat met een levering onder bezwarende titel.
a) de uitslag is het gevolg van een levering onder bezwarende titel. In dat geval is de BTW in de regel opeisbaar over deze levering. De leverancier is de schuldenaar van deze belasting. Opgemerkt wordt dat de accijns in principe eveneens verschuldigd is wanneer de accijnsproducten aan het belastingentrepot worden onttrokken voor de binnenlandse markt. Het bedrag van de accijns is een element van de maatstaf van heffing inzake BTW.
Nochtans kan de bedoelde levering van de BTW worden vrijgesteld. Dat is inzonderheid het geval wanneer de goederen een bestemming krijgen bedoeld in artikel 42, §§ 1, 2 of 3, 1° tot 6° van het Wetboek. De leverancier die de schuldenaar van de BTW is, zal het recht op deze vrijstelling moeten kunnen aantonen volgens de ter zake geldende bepalingen. Er wordt opgemerkt dat inzake accijns ook een vrijstelling is voorzien wanneer accijnsproducten een bestemming krijgen zoals opgesomd in voornoemd artikel 42.
De bedoelde levering is op grond van artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek vrijgesteld wanneer de goederen in België worden opgeslagen in een ander BTW-entrepot en deze opslag toegelaten is (z. nrs 296 tot 303). De uitslag wordt hierbij gevolgd door een inslag zodat de verantwoording van de vrijstelling bij uitslag dezelfde is als de verantwoording van de inslag tengevolge van een binnenlandse levering.
b) de uitslag is het gevolg van een binnenlandse verzending zonder levering onder bezwarende titel. Aangezien er zich geen belastbaar feit voordoet, is er ingevolge de uitslag geen BTW opeisbaar en moet er geen specifieke verantwoording gegeven worden. Opgemerkt wordt dat er wel een regularisatie doorgevoerd moet worden (z. nrs. 67 en 68).
Andere Lid-Staat
199. Wanneer de goederen bij de uitslag uit het BTW-entrepot naar een andere Lid-Staat worden verzonden, moet een opsplitsing worden gemaakt naargelang deze uitslag al dan niet het gevolg is van een levering onder bezwarende titel.
a) de uitslag is het gevolg van een levering onder bezwarende titel of een daarmee gelijkgestelde handeling. In dat geval is de levering vrijgesteld op grond van artikel 39bis van het Wetboek. Daarbij moet geen onderscheid gemaakt worden of het al dan niet accijnsproducten betreft. De leverancier die de schuldenaar van de belasting is, moet het recht op de vrijstelling aantonen op de wijze zoals voorzien in het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende de intracommunautaire verwervingen van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4de editie). Accijnsproducten kunnen onder schorsing van de accijns naar een andere Lid-Staat worden verzonden, waarbij in de regel een accijnsgeleidedocument is vereist.
b) de uitslag is het gevolg van een handeling bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° of 7° van het Wetboek waarbij de goederen naar een andere Lid-Staat worden verzonden. In dat geval doet zich geen belastbaar feit voor. Bijgevolg moet er geen specifieke verantwoording gegeven worden. Opgemerkt wordt dat er wel een regularisatie doorgevoerd moet worden (z. nrs. 67 en 68).
Derde land
200. Wanneer de goederen bij uitslag uit het BTW-entrepot naar een derde land worden vervoerd of verzonden, moet er een opsplitsing worden gemaakt naargelang de uitslag al of niet gepaard gaat met een levering onder bezwarende titel.
a) de uitslag is het gevolg van een levering onder bezwarende titel. In dat geval is de BTW in de regel opeisbaar. De leverancier is de schuldenaar van deze belasting. Deze levering kan niettemin van de BTW vrijgesteld worden op grond van artikel 39, § 1, van het Wetboek. De leverancier die de schuldenaar van de BTW is, moet het recht op die vrijstelling aantonen op de wijze zoals voorzien in het koninklijk besluit nr. 18, van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van de uitvoer van goederen en diensten naar een plaats buiten de Gemeenschap, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4de editie). Dit bewijs moet worden verstrekt door een geheel van overeenstemmende documenten waarvan de door de bevoegde douane voor uitvoer geviseerde aangifte ten uitvoer EXI, EU1, COM1 het essentiële is.
b) wanneer het vervoer of de verzending naar een derde land niet het gevolg is van een levering onder bezwarende titel, moet volgens de communautaire douanewetgeving alleszins een aangifte ten uitvoer worden voorgelegd. Er wordt opgemerkt dat voor het vervoer van accijnsproducten tot aan de buitengrens van de Europese Unie steeds gebruik moet gemaakt worden van een accijnsgeleidedocument.
Specifieke verplichtingen inzake facturatie.
201. Een onderscheid moet worden gemaakt naargelang de goederen uit het BTW-entrepot worden uitgeslagen ingevolge een levering onder bezwarende titel, dan wel los van enige handelstransactie.
202. Wanneer de goederen uit het BTW-entrepot worden uitgeslagen ingevolge een levering onder bezwarende titel of een op grond van artikel 12bis, eerste lid van het Wetboek daarmee gelijkgestelde handeling, dan is deze levering behoudens één enkele uitzondering (z. hierna) geen handeling bedoeld in artikel 39quater, § 1, van het Wetboek. Bijgevolg worden inzake facturatie geen specifieke verplichtingen voorzien, maar gelden de bepalingen eigen aan het wetsartikel toepasselijk op de handeling die aanleiding geeft tot de uitslag.
Een uitzondering op deze regel vormt de situatie waarbij de goederen aan het BTW-entrepot worden onttrokken ten gevolge van een levering onder bezwarende titel en worden opgeslagen in een ander BTW-entrepot in België. Indien deze opslag is toegelaten, is de levering vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 1° van het Wetboek (z. nrs. 299, 301 en 303). Bijgevolg moeten op de factuur naast de vermeldingen bedoeld in artikel 5, § 1 van het koninklijk besluit nr. 1, en de specifieke vermeldingen betreffende de inslag bedoeld in nr. 176 hierboven, de volgende gegevens worden aangebracht :
- het nummer van de vergunning van het BTW-entrepot waaruit de goederen worden uitgeslagen:
- de naam, het adres en het eigen BE-identificatienummer van de vergunninghouder van het BTW-entrepot waaruit de goederen worden uitgeslagen.
Dit stuk moet de volgende gegevens bevatten :
- de naam, het adres en het eigen BE-identificatienummer van de eigenaar;
- de naam, het adres en het BE-identificatienummer van de vergunninghouder;
- het nummer van de vergunning BTW-entrepot waar de goederen waren opgeslagen;
- wanneer de goederen naar een ander in België gelegen BTW-entrepot worden verzonden en de opslag in dat BTW-entrepot is toegestaan, het nummer van de vergunning van het BTW-entrepot waar de goederen zullen worden opgeslagen;
- een nauwkeurige omschrijving van de aard, de hoeveelheid en de waarde van de goederen.
Diensten verricht aan goederen op het einde van de opslag.
204. Diensten verricht aan goederen die op het punt staan te worden uitgeslagen uit het BTW-entrepot, vinden overeenkomstig het bepaalde in artikel 21, § 3, 2° a of b van het Wetboek in België, respectievelijk in een andere Lid-Staat plaats. Wanneer de bedoelde diensten in België plaatsvinden, kunnen deze enkel op grond van artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek van de BTW vrijgesteld worden indien ze zijn bedoeld in bijlage 3 bij deze aanschrijving en indien ze bovendien worden verricht aan goederen waarvoor de regeling gehandhaafd blijft.
205. Er moet bijgevolg een onderscheid worden gemaakt naargelang artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek al dan niet toepassing vindt.
206. Wanneer dat niet het geval is, gelden geen van de gewone regels afwijkende verplichtingen, inzake facturatie, heffing en schuldenaar van de BTW.
Er wordt aan herinnerd dat de bedoelde dienst wegens uitvoer van de BTW kan worden vrijgesteld op grond van artikel 39, § 1, 3° van het Wetboek. De dienstverrichter moet als schuldenaar van de belasting deze vrijstelling verantwoorden conform het bepaalde in het koninklijk besluit nr. 18 van 29 december 1992.
207. Wanneer daarentegen artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek wel toepassing vindt. moet de factuur die de dienstverrichter uitreikt. de vermeldingen bedoeld in artikel 5, § 1 van het koninklijk besluit nr. 1 bevatten. In plaats van de vermelding van de tarieven en van de verschuldigde belasting moeten op de factuur de volgende specifieke vermeldingen worden aangebracht :
"Diensten aan goederen onder de regeling BTW-entrepot Artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek.
BTW opeisbaar in hoofde van de medecontractant - Artikel 51, § 2, 3°, van het Wetboek".
| F. | Bewijs van het recht op de toepassing van de vrijstelling. |
209. De leverancier of de dienstverrichter die een handeling verricht bedoeld in artikel 39quater, § 1 van het Wetboek, is niet de schuldenaar van de belasting op de door hem verrichte handeling. Ze moeten niettemin kunnen aantonen dat deze handeling een handeling is bedoeld in artikel 39quater, § 1 van het Wetboek.
210. Voor de binnenlandse verzending van goederen naar of vanuit een BTW-entrepot waarbij er geen belastbaar feit plaatsvindt, dient door de betrokken persoon geen vrijstelling te worden verantwoord.
| G. | Regularisatie van de BTW. |
212. Overeenkomstig artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 54, is de BTW opeisbaar op het tijdstip waarop de goederen aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken.
213. De opeisbare BTW moet worden voldaan wanneer de te regulariseren handeling :
- een andere handeling is dan een invoer, door opname in Kader IV, C, a, van de periodieke BTW-aangifte met betrekking tot de periode waarin de BTW opeisbaar is geworden;
- een invoer is, door betaling aan de douane of door verlegging naar rooster 57 van de periodieke BTW-aangifte voor de handelingen van de periode waarin de BTW opeisbaar wordt, indien de belastingplichtige houder is van de vergunning bedoeld in artikel 5, § 3, van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 (z. aanschrijving nr. 3/1973 bijwerking 1988). Inzake het tijdstip van betaling van de BTW aan de douane gelden de gewone regels ter zake. De voldoening van de BTW op de invoer van tabaksfabrikaten, tabakssurrogaten daaronder begrepen, moet overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 13 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor tabaksfabrikaten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4de editie), gebeuren aan de ontvanger die bevoegd is voor de heffing van de accijns.
215. De opeisbare BTW is aftrekbaar binnen de grenzen van de artikelen 45 tot 48 van het Wetboek. Op grond van artikel 2, 7° van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals dit werd gewijzigd door het koninklijk besluit van 19 november 1996, ontstaat het recht op aftrek op het tijdstip waarop de te regulariseren BTW opeisbaar wordt krachtens artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 54, in casu op het tijdstip waarop de goederen aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken.
216. Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, moet de belastingplichtige in het bezit zijn van de documenten bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969.
| H. | Verplichtingen inzake bewaring en voorlegging. |
| AFDELING | 2. ANALYSE VAN EEN GLOBAAL VOORBEELD. |
| A. | De inslag, in het BTW-entrepot. |
Verplichtingen van A
220. A zal in België enkel verplichtingen hebben wanneer hij een binnenlandse levering verricht. Bijgevolg dient enkel die situatie hier te worden aangehaald. Er wordt opgemerkt dat wanneer A in België niet beschikt over een BE-identificatienummer, hij zich fiscaal niet kan laten vertegenwoordigen onder een globaal BE-identificatienummer, omdat hij in dit voorbeeld de goederen niet opslaat in het BTW-entrepot.
| 221. | A moet : |
- in het bezit zijn van een exemplaar van het opslagdocument opgesteld en ondertekend door de vergunninghouder waaruit blijkt dat de goederen zijn opgeslagen in het BTW-entrepot;
- kunnen aantonen dat de levering die hij heeft verricht, een handeling is bedoeld in artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek. Het opslagdocument kan daartoe als verantwoordingsstuk dienen;
- op de factuur die hij aan B uitreikt, de specifieke vermeldingen aanbrengen bedoeld in nr. 176;
- het ontvangen exemplaar van het opslagdocument en het dubbel van de factuur die hij aan B uitreikt, bewaren en kunnen voorleggen.
| 222. | B moet : |
- zich tegenover de vergunninghouder identificeren met opgave van zijn individueel BE-identificatienummer, tenzij B zelf de vergunninghouder zou zijn. Indien B in België niet beschikt over een individueel BE-identificatienummer, moet hij zich fiscaal laten vertegenwoordigen hetzij onder een individueel BE-identificatienummer hetzij onder het globaal BE-identificatienummer van de vergunninghouder;
- de documenten die hij in zijn bezit moet hebben of moet opmaken (z. nrs. 223 tot 228), bewaren en kunnen voorleggen.
Invoer.
224. In het voorbeeld treedt B bij de invoer op als geadresseerde inzake BTW. In de praktijk zal dit doorgaans ook het geval zijn.
B moet :
- aan de douane een op zijn naam opgestelde aangifte ten verbruik overleggen waarop de gegevens met betrekking tot het BTW-entrepot zijn vermeld;
- een dubbel van de gevalideerde aangifte ten verbruik aan de vergunninghouder bezorgen, behalve wanneer B zelf de vergunninghouder is;
- als schuldenaar van de BTW bij invoer het recht op de toegepaste voorlopige vrijstelling van BTW verantwoorden. De gevalideerde aangifte ten verbruik kan daarbij als verantwoordingsstuk dienen;
- aantonen dat de voorlopige vrijstelling definitief is geworden ingevolge de levering aan C.
| 225. | B moet : |
- in het bezit zijn van een exemplaar van het opslagdocument opgesteld en ondertekend door de vergunninghouder waaruit blijkt dat de goederen in het BTW-entrepot zijn opgeslagen. Indien B zelf de vergunninghouder is, moet hij het opslagdocument opstellen;
- als schuldenaar van de BTW op de intracommunautaire verwerving het recht op de toegepaste voorlopige vrijstelling van BTW verantwoorden. Het opslagdocument kan daarbij als verantwoordingsstuk dienen;
- aantonen dat de voorlopige vrijstelling definitief is geworden ingevolge de levering aan C.
| 226. | B moet : |
- in het bezit zijn van een exemplaar van het opslagdocument opgesteld en ondertekend door de vergunninghouder waaruit blijkt dat de goederen in het BTW-entrepot zijn opgeslagen. Indien B zelf de vergunninghouder is, moet hij het opslagdocument opstellen;
- erop toezien dat de factuur de in nr. 176 specifieke vermeldingen bevat;
- als schuldenaar van de BTW op de levering het recht op de toegepaste voorlopige vrijstelling van de BTW verantwoorden. Het opslagdocument kan daarbij als verantwoordingsstuk dienen;
- aantonen dat de voorlopige vrijstelling definitief is geworden ingevolge de levering aan C.
| 227. | B moet : |
- in het bezit zijn van een exemplaar van het opslagdocument opgesteld en ondertekend door de vergunninghouder waaruit blijkt dat de goederen in het BTW-entrepot zijn ingeslagen. Indien B zelf de vergunninghouder is, moet hij het opslagdocument opstellen;
- een bijzonder stuk opmaken (z. nr. 177), ook wanneer hij de vergunninghouder is;
- een ondertekend exemplaar van dit bijzonder stuk aan de vergunninghouder bezorgen, behalve indien B zelf de vergunninghouder is.
| 228. | B moet : |
- in het bezit zijn van een exemplaar van het document bedoeld in nr. 181 opgesteld en ondertekend door de vergunninghouder waaruit blijkt dat toelating werd bekomen de dienst te verrichten onder de regeling BTW-entrepot, tenzij wanneer X de vergunninghouder is. Indien B de vergunninghouder is, moet hijzelf dat document opstellen;
- erop toezien dat de factuur die hij van X ontvangt, de specifieke vermeldingen bevat bedoeld in nr. 184;
- als schuldenaar van de BTW op de dienst van X, het recht op de toegepaste voorlopige vrijstelling van de BTW verantwoorden. Het bedoelde document kan daarbij als verantwoordingsstuk dienen;
- aantonen dat de voorlopige vrijstelling definitief is geworden ingevolge de levering aan C.
| 229. | X moet : |
- in het bezit zijn van een bijzonder document opgesteld en ondertekend door de vergunninghouder (z. nr. 181), waaruit blijkt dat de toelating werd bekomen de dienst te verrichten onder de regeling BTW-entrepot. Dit document moet niet opgemaakt worden, wanneer X zelf de vergunninghouder is;
- in het bezit zijn van een exemplaar van het opslagdocument opgesteld en ondertekend door de vergunninghouder;
- kunnen aantonen dat de handeling die hij verricht, een handeling is bedoeld in artikel 39quater, § 1, van het Wetboek. Het bijzonder document en het exemplaar van het opslagdocument kunnen daarbij als verantwoordingsstuk dienen;
- aan B een factuur uitreiken die de specifieke vermeldingen bevat bedoeld in nr. 184;
- het bijzonder document en het exemplaar van het opslagdocument die hij van de vergunninghouder ontvangt en het dubbel van de factuur die hij aan B uitreikt, bewaren en kunnen voorleggen.
230. Bij de opsomming van de specifieke verplichtingen van de vergunninghouder bij de opslag van goederen in het BTW-entrepot, moet steeds voor ogen worden gehouden dat de vergunninghouder nog andere hoedanigheden kan aannemen. Zo kan de vergunninghouder ook de persoon zijn die de goederen als eigenaar opslaat of nog, de persoon die vóór de opslag diensten verricht aan de goederen. Hier worden enkel de verplichtingen opgesomd die betrokkene heeft in zijn hoedanigheid van vergunninghouder.
| 231. | De vergunninghouder moet : |
- de vereiste vergunning(en) hebben aangevraagd en bekomen voor de erkenning van een bepaalde plaats als BTW-entrepot (z. nrs. 42 tot 50);
- zich het BE-identificatienummer doen mededelen van de persoon die de goederen opslaat en hem desgevallend fiscaal vertegenwoordigen. Wanneer de persoon die de goederen in het BTW-entrepot opslaat, in België niet beschikt over een individueel BE-identificatienummer, moet de vergunninghouder een globaal BE-identificatienummer (796.6) aanvragen en bekomen op het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen;
- wanneer de goederen worden ingevoerd het origineel (indien hij de goederen als eigenaar opslaat) of een dubbel (in het andere geval) van de aangifte ten verbruik in zijn bezit hebben;
- wanneer de goederen afkomstig zijn uit een andere Lid-Staat of vanuit België, een opslagdocument opstellen dat de voorgeschreven vermeldingen bevat (z. nrs. 161 en 169). Voor de opslag van accijnsproducten mag het accijnsgeleidedocument de rol van opslagdocument vervullen wanneer het voldoet aan bepaalde voorwaarden (z. nr. 164 en 173);
- een door hem ondertekend exemplaar van dat opslagdocument uitreiken aan B, alsook aan A wanneer de opslag het gevolg is van een binnenlandse levering;
- een bijzondere vergunning aanvragen en bekomen voor de dienst die de goederen vóór hun effectieve opslag in het BTW-entrepot in België nog ondergaan (z. nrs. 51 tot 53 );
- het bijzonder document bedoeld in nr. 181 opstellen waarvan hij een door hem ondertekend exemplaar moet uitreiken aan dienstverrichter X. Deze verplichting moet niet nageleefd worden wanneer de vergunninghouder zelf de dienstverrichter is;
- ter gelegenheid van de effectieve opslag van de goederen, een door hem ondertekend exemplaar van het opslagdocument uitreiken aan X, tenzij X zelf de vergunninghouder is;
- de opslagdocumenten inschrijven in de opgave van opslagdocumenten;
- de opgeslagen goederen noteren op de betreffende voorraadfiche(s);
- de documenten die hij moet opstellen, aanvragen of in zijn bezit hebben en de erbij horende verantwoordingsstukken bewaren en kunnen voorleggen.
232. In het voorbeeld verkoopt B, met handhaving van de regeling, de goederen die hij in het BTW-entrepot heeft opgeslagen, door aan C. C verkoopt op zijn beurt deze goederen onder de regeling door nadat Y er in het entrepot een dienst heeft aan verricht. De goederen worden vervolgens verscheidene malen doorverkocht in het BTW-entrepot tot ze uiteindelijk door V worden gekocht.
Verplichtingen van B, C, ...
233. De hier bedoelde specifieke verplichtingen gelden voor alle personen die met handhaving van de regeling goederen leveren of aankopen in het BTW-entrepot of aan wie diensten worden verstrekt met betrekking tot goederen die zich onder de regeling bevinden.
| 234. | In hun hoedanigheid van leverancier moeten B, C, ... : |
- de facturen die ze aan hun medecontractant uitreiken, de vermeldingen aanbrengen bedoeld in nr. 186;
- kunnen aantonen dat hun leveringen handelingen zijn bedoeld in artikel 39quater, § 1, 2°, van het Wetboek;
- het dubbel van de factuur die ze uitreiken, bewaren en kunnen voorleggen.
- als schuldenaar van de BTW op de aan hen verrichte levering, het recht op de toegepaste voorlopige vrijstelling van de BTW verantwoorden;
- aantonen dat de voorlopige vrijstelling definitief is geworden ingevolge de levering van de aangekochte goederen met handhaving van de regeling;
- de van hun leverancier ontvangen factuur bewaren en kunnen voorleggen.
- als schuldenaar van de BTW op deze dienst, het recht op de toegepaste voorlopige vrijstelling van de BTW verantwoorden;
- aantonen dat de voorlopige vrijstelling definitief is geworden ingevolge de levering, met handhaving van de regeling, van de goederen waaraan de dienst werd verricht;
- de factuur die hij van de dienstverrichter Y ontvangt, bewaren en kunnen voorleggen.
235. De specifieke verplichtingen gelden enkel voor diensten verricht aan goederen die zich in een BTW-entrepot bevinden met handhaving van de regeling en welke diensten op grond van artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek voorlopig van de BTW zijn vrijgesteld, met name de diensten bedoeld in bijlage 3 bij deze aanschrijving. Wanneer de dienst niet is vrijgesteld op grond van voornoemd artikel, zijn de gewone bepalingen inzake facturatie, heffing, schuldenaar van de BTW en bewijs van een eventuele andere BTW-vrijstelling van toepassing.
236. Wanneer de dienst verricht door Y wel de voornoemde voorlopige vrijstelling van de BTW kan genieten, moet Y :
- op de factuur die hij aan zijn medecontractant uitreikt, de specifieke vermeldingen aanbrengen bedoeld in nr. 188;
- kunnen aantonen dat de dienst die hij verricht een handeling is bedoeld in artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek;
- het dubbel van de factuur die hij aan C uitreikt, bewaren en kunnen voorleggen.
Verplichtingen van de vergunninghouder
| 238. | Er zijn geen specifieke verplichtingen voor de vergunninghouder. |
| C. | De uitslag uit het BTW-entrepot. |
Verplichtingen van V
240. Hier wordt de situatie bedoeld waarbij V de goederen uit het BTW-entrepot uitslaat ingevolge zijn levering aan W zonder handhaving van de regeling. Indien de levering aan W geschiedde met handhaving van de regeling, heeft V dezelfde verplichtingen als B of C (z. nrs. 233 en 234).
| 241. | V moet : |
- zich identificeren bij de vergunninghouder met opgave van zijn BE-identificatienummer, tenzij V zelf de vergunninghouder is;
- een dubbel van de factuur die hij aan W heeft uitgereikt, bezorgen aan de vergunninghouder, tenzij V zelf de vergunninghouder is;
- in het bezit zijn van een exemplaar van het uitslagdocument opgesteld en ondertekend door de vergunninghouder, dat de voorgeschreven vermeldingen bevat (z. nr. 191), behalve wanneer V zelf de vergunninghouder is. Er wordt opgemerkt dat wanneer accijnsproducten worden uitgeslagen, het geleidedocument onder bepaalde voorwaarden de rol van uitslagdocument mag vervullen (z. nr. 194);
- het uitslagdocument, het dubbel van de door hem uitgereikte factuur alsmede de aan hem gerichte factuur van Z bewaren en kunnen voorleggen.
- moet de factuur die V aan W uitreikt geen specifieke vermeldingen bevatten met betrekking tot de regeling BTW-entrepot;
- moeten benevens de verplichtingen inzake facturatie, eveneens de andere verplichtingen die voortvloeien uit de wettelijke en reglementaire bepalingen met betrekking tot de levering door V, nageleefd worden : voldoening van de BTW op een binnenlandse levering, uitvoeraangifte ingeval van uitvoer, indiening intracommunautaire listing, verantwoording van een eventueel toegepaste vrijstelling van BTW, ...
242. V is er niet toe gehouden enige regularisatie door te voeren ten aanzien van de aankoop van de uitgeslagen goederen en in voorkomend geval ten aanzien van de dienst verricht door Z voor rekening van V.
Verplichtingen van W
243. Hier wordt de situatie bedoeld waarbij W de goederen uit het BTW-entrepot uitslaat, los van enige handelstransactie.
W moet :
- zich identificeren bij de vergunninghouder met opgave van zijn BE-identificatienummer, tenzij W zelf de vergunninghouder is;
- in het bezit zijn van een exemplaar van het uitslagdocument opgesteld en ondertekend door de vergunninghouder dat de voorgeschreven vermeldingen bevat (z. nr. 191) tenzij W zelf de vergunninghouder is. Er wordt opgemerkt dat wanneer accijnsproducten worden uitgeslagen, het accijnsgeleidedocument onder bepaalde voorwaarden de rol van uitslagdocument mag vervullen (z. nr. 194);
- wanneer de goederen in België blijven, naar een andere Lid-Staat worden verzonden tengevolge van een handeling bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° of 7° van het Wetboek of worden uitgevoerd, het bijzonder stuk aan zichzelf bedoeld in nr. 203, opmaken. W moet een ondertekend exemplaar van dat stuk aan de vergunninghouder bezorgen, behalve wanneer W zelf de vergunninghouder is. W moet het stuk aan zijn exemplaar van het uitslagdocument hechten;
- de verplichtingen nakomen in verband met de intracommunautaire levering, indien hij de goederen naar een andere Lid-Staat overbrengt en deze handeling door artikel 12bis, eerste lid van het Wetboek gelijkgesteld wordt met een levering onder bezwarende titel;
- de BTW op de aan hem geleverde goederen regulariseren door opname in zijn periodieke aangifte (z. nr. 213), indien de goederen in België blijven, ongeacht of ze daarbij al dan niet worden verzonden naar een ander BTW-entrepot in België, of het voorwerp zijn van een handeling bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° of 7° van het Wetboek. In de mate dat de dienst verricht door Z voorlopig van de BTW is vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek, moet W bovendien de BTW op die dienst regulariseren door opname in zijn periodieke aangifte (z. nr. 213);
- in het bezit zijn van een factuur van Z waarop de specifieke vermeldingen voorkomen bedoeld in nr. 207 indien de dienst verricht door Z vrijgesteld is van de BTW op grond van artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek;
- het uitslagdocument en, in voorkomend geval, het stuk aan zichzelf bedoeld in nr. 203 dat de uitslag vaststelt, alsmede de van Z ontvangen factuur, bewaren en kunnen voorleggen.
244. Z verricht ten behoeve van V of van W een dienst waarbij de goederen bestemd zijn om uit het BTW-entrepot te worden uitgeslagen doch waarbij ze nog materieel aanwezig zijn in dat BTW-entrepot.
| a) | Dienst Z - V. |
Indien de dienst vóór de levering werd verricht, zijn de verplichtingen van Z identiek dezelfde als die van Y (z. nrs. 235 tot 237).
Indien de dienst werd verricht na de levering, kan de dienst verricht door Z aan V nooit van de BTW worden vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 3° van het Wetboek. De dienst verricht door Z kan bovendien in een andere Lid-Staat gelocaliseerd zijn. Er zijn dan ook voor de regeling BTW-entrepot geen specifieke verplichtingen : de gewone wettelijke en reglementaire bepalingen inzake facturatie, heffing, schuldenaar van de BTW en eventueel het bewijs van een andere BTW-vrijstelling die van toepassing zijn op de dienst van Z, moeten worden nageleefd.
Z moet het dubbel van de uitgereikte factuur bewaren en kunnen voorleggen.
| b) | Dienst Z - W. |
Verplichtingen van de vergunninghouder
| 247. | De vergunninghouder moet : |
- zich het BE-identificatienummer doen mededelen van de persoon die de goederen uitslaat, in casu V of W, tenzij de vergunninghouder zelf de persoon is die de goederen uitslaat. Desgevallend moet de vergunninghouder de persoon die de goederen uitslaat fiscaal vertegenwoordigen, naargelang het geval onder een globaal (796.6) of een individueel nummer;
- in het bezit zijn naargelang het geval, van het dubbel van de factuur uitgereikt door V aan W of van het bijzonder stuk aan zichzelf bedoeld in nr. 203 opgesteld door W;
- het uitslagdocument opstellen dat de voorgeschreven vermeldingen bevat (z. nr. 191) zelfs wanneer de vergunninghouder de goederen zelf uitslaat;
- een door hem ondertekend exemplaar van het uitslagdocument uitreiken aan V of W naargelang de persoon die de goederen uitslaat, tenzij wanneer de vergunninghouder zelf de goederen onttrekt. Er wordt opgemerkt dat voor de uitslag van accijnsproducten het geleidedocument onder bepaalde voorwaarden de rol van uitslagdocument mag vervullen;
- het uitslagdocument inschrijven in de opgave voor uitslagdocumenten;
- de uitslag noteren op de voorraadfiche(s) van de betreffende goederen;
- de uitslagdocumenten, de opgave van uitslagdocumenten, de voorraadfiche(s), de facturen of de bijzondere stukken alsmede de erbij horende verantwoordingsstukken bewaren en kunnen voorleggen.
| A. | Hoofdelijke aansprakelijkheid voor de voldoening van de belasting. |
De belasting kan derhalve van de vergunninghouder geëist worden wanneer in de gevallen bedoeld in artikel 7, § 3 van het koninklijk besluit nr. 54, de voorlopige vrijstelling van BTW niet definitief is geworden en de BTW bijgevolg opeisbaar is (z. nrs, 67 en 68).
249. Anderzijds stelt artikel 8, tweede lid van het koninklijk besluit nr. 54 dat goederen die in het BTW-entrepot ontbreken, behoudens tegenbewijs geacht worden te zijn onttrokken onder de voorwaarden die de BTW opeisbaar maken. De vergunninghouder zal derhalve aansprakelijk zijn voor de voldoening van de BTW met betrekking tot de goederen waarvan hij de bestemming niet kan verantwoorden of die in het BTW-entrepot ontbreken.
250. De vergunninghouder moet derhalve steeds de bestemming kunnen aantonen die de goederen bij hun uitslag uit het BTW-entrepot hebben gekregen.
251. Artikel 51bis, § 3, van het Wetboek heeft eenzelfde hoofdelijke aansprakelijkheid bij de uitslag ingesteld ten aanzien van de vervoerder van de uitgeslagen goederen. De vergunninghouder heeft er derhalve alle belang bij, om de identiteit van de vervoerder en, in voorkomend geval, van zijn lastgever te kennen.
252. In geval van diefstal of van verliezen door overmacht, of door oorzaken die inherent zijn aan de aard van de goederen, bijvoorbeeld verdamping van minerale oliën, of nog wanneer goederen onder toezicht van de bevoegde administratie worden vernietigd, zal geen betaling worden geëist voor zover de nodige bewijzen geleverd worden.
| B. | Fiscale vertegenwoordiging. |
253. Overeenkomstig artikel 55 van het Wetboek dient een niet in België gevestigde belastingplichtige, alvorens er handelingen te verrichten andere dan die waarvoor de BTW krachtens artikel 51, § 2, 1° en 2° van dat Wetboek door de afnemer is verschuldigd, een in België gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen.
De aansprakelijke vertegenwoordiger wordt in de plaats gesteld van zijn buitenlandse lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend en van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd, door of ter uitvoering van het Belgische Wetboek.
Hij is met zijn lastgever hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten waarvan de opeisbaarheid voortvloeit uit de hier te lande verrichte handelingen.
In de gevallen en onder de voorwaarden te bepalen door of vanwege de Minister van Financiën, kunnen de niet in België gevestigde belastingplichtigen worden ontslagen van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen.
Bij overlijden van de aansprakelijke vertegenwoordiger, bij intrekking van zijn erkenning of bij een feit dat zijn onbekwaamheid tot gevolg heeft, moet onmiddellijk in zijn vervanging worden voorzien.
Bij ontstentenis van erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger kan de invordering van de belasting, interesten en de geldboeten geschieden ten laste van de medecontractant van de niet in België gevestigde belastingplichtige.
De reglementaire bepalingen zijn vervat in het koninklijk besluit nr. 31 van 29 december 1992 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen, zoals dit laatst werd gewijzigd door het koninklijke besluit van 28 oktober 1996.
254. Overeenkomstig hetgeen voorafgaat dient in principe een niet in België gevestigde belastingplichtige een aansprakelijke vertegenwoordiger hier te lande te laten erkennen vooraleer in België de hiernavolgende handelingen te verrichten :
- goederen te leveren of diensten te verstrekken, andere dan die waarvoor overeenkomstig artikel 51, § 2, 1° en 2°, van het Wetboek de belasting verschuldigd is door de ontvanger van de handeling,
- goederen in te voeren, een intracommunautaire verwerving van goederen te verrichten of een handeling te stellen waarvoor hij schuldenaar is van de BTW krachtens artikel 51, § 2, 3° en 4°, van het Wetboek,
- een handeling te verrichten van plaatsing van goederen onder de regeling BTW-entrepot die niet aan de belasting is onderworpen (binnenlandse verzending - z. nr. 23).
Handelingen in verband met de regeling BTW-entrepot.
256. De niet in België gevestigde belastingplichtige dient een hier te lande gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen wanneer deze belastingplichtige in België een of meerdere van de hiernavolgende handelingen in verband met de regeling BTW-entrepot verricht :
| a) | de plaatsing van goederen onder de regeling BTW-entrepot ingevolge : |
- een invoer van goederen;
- een intracommunautaire verwerving van goederen;
- een aankoop hier te lande van goederen;
| c) | de onttrekking van goederen aan de regeling BTW-entrepot. |
258. Anderzijds wordt er bij toepassing van artikel 55, vierde lid, van het Wetboek ontheffing verleend van de verplichting hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen aan de niet in België gevestigde belastingplichtige die
- in België uitsluitend de volgende handelingen verricht :
b) verstrekken van diensten die van de BTW zijn vrijgesteld op grond van artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek;
c) aankopen van goederen met vrijstelling van BTW krachtens artikel 39quater, § 1, 2°, van het Wetboek op voorwaarde dat die goederen nadien het voorwerp uitmaken van een door deze belastingplichtige gedane levering die op grond van dezelfde bepaling van de BTW is vrijgesteld (aankopen van goederen onder de regeling BTW-entrepot met handhaving van die regeling gevolgd door de verkoop ervan met handhaving van dezelfde regeling);
- en/of die diensten ontvangt met betrekking tot de in het voorgaande streepje, c, bedoelde goederen die van de BTW zijn vrijgesteld krachtens artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek.
In afwijking van bovengenoemd principe wordt echter in bepaalde gevallen de mogelijkheid geboden dat de niet in België gevestigde belastingplichtige hier te lande wordt vertegenwoordigd door een welbepaalde aansprakelijke vertegenwoordiger die beschikt over een Belgisch globaal BTW-identificatienummer.
Eerste categorie van aansprakelijke vertegenwoordiger - Toekenning van een individueel BTW-identificatienummer aan niet in België gevestigde belastingplichtigen
| a) | Erkenningsprocedure. |
Die vertegenwoordiger moet bekwaam zijn om contracten aan te gaan, in België gevestigd zijn, voldoende solvabel zijn om de door het Wetboek of ter uitvoering ervan aan belastingplichtigen opgelegde verplichtingen na te komen en aanvaarden de belastingplichtige te vertegenwoordigen.
De BTW-administratie beoordeelt de solvabiliteit van de aansprakelijke vertegenwoordiger rekening houdend met zijn verbintenissen. De verbintenis is in principe onbeperkt, maar kan in de praktijk, mits akkoord van de administratie, worden beperkt tot een bepaald bedrag.
Indien de aansprakelijke vertegenwoordiger niet voldoende solvabel is, wordt een zekerheid gevraagd tot waarborg van de invordering van al wat ten laste van de vertegenwoordigde belastingplichtige opeisbaar zou kunnen worden uit hoofde van belasting, geldboeten, interesten en kosten. Ze wordt periodiek herzien rekening houdend met de verbintenissen van de aansprakelijke vertegenwoordiger.
Het bedrag van de zekerheid wordt vastgesteld op ten hoogste een vierde van de belasting welke door de niet in België gevestigde belastingplichtige verschuldigd is over een periode van twaalf kalendermaanden.
De zekerheid kan bestaan uit een hypotheek in eerste rang op in België gelegen onroerende goederen, een borgtocht in speciën, een borgtocht in effecten of een persoonlijke borgstelling van een verzekeringsonderneming of van een bank of private spaarkas die hun activiteiten in België uitoefenen (z. aanschrijving nr. 3/1982).
Wanneer het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen de niet in België gevestigde belastingplichtige en de aansprakelijke vertegenwoordiger kennis geeft van de erkenning, deelt het tegelijk ook het in artikel 50 van het Wetboek bedoelde individueel identificatienummer voor de belasting over de toegevoegde waarde mee dat aan de niet in België gevestigde belastingplichtige is toegekend.
| b) | Rechten en verplichtingen van de aansprakelijk vertegenwoordiger. |
De aansprakelijke vertegenwoordiger dient derhalve overeenkomstig de gewone regels inzake fiscale vertegenwoordiging alle verplichtingen die de BTW-reglementering oplegt aan de niet in België gevestigde belastingplichtige na te leven. Anderzijds kan de aansprakelijke vertegenwoordiger de Belgische voorbelasting die aan zijn lastgever in rekening werd gebracht, in aftrek brengen door opname ervan in de periodieke BTW-aangiften.
Tweede categorie van aansprakelijke vertegenwoordiger - Toekenning van een globaal BTW-identificatienummer aan de aansprakelijke vertegenwoordiger
262. In afwijking van de normale regels op het stuk van de fiscale vertegenwoordiging, staat artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit nr. 31, van 29 december 1992, toe dat de niet in België gevestigde belastingplichtige die hier te lande uitsluitend handelingen verricht als bedoeld in nr. 263, wordt vertegenwoordigd door een persoon die door de Administratie vooraf is erkend onder de voorwaarden die zij bepaalt. Die vertegenwoordiger moet bekwaam zijn om contracten aan te gaan, in België gevestigd zijn, voldoende solvabel zijn om de door het Wetboek of ter uitvoering ervan aan belastingplichtigen opgelegde verplichtingen na te leven en aanvaarden de belastingplichtige te vertegenwoordigen. Bovendien kan de Administratie de erkenning als aansprakelijke vertegenwoordiger beperken tot bepaalde categorieën van personen.
De bovengenoemde vereenvoudiging bestaat enerzijds in de erkenning van aansprakelijke vertegenwoordigers om de in het voorgaande lid bedoelde belastingplichtigen te vertegenwoordigen zonder dat iedere belastingplichtige de erkenning van een vertegenwoordiger aan de Administratie dient voor te stellen en anderzijds in de toekenning van een globaal BTW-identificatienummer dat de aansprakelijke vertegenwoordiger moet gebruiken voor alle belastingplichtigen die hij vertegenwoordigt.
Anderzijds laat deze vereenvoudiging niet toe dat Belgische voorbelasting in aftrek wordt gebracht door middel van de periodieke BTW-aangiften. In voorkomend geval dient de niet in België gevestigde belastingplichtige de aftrek van de voorbelasting uit te oefenen door het indienen van een aanvraag om teruggaaf.
263. De in nr. 262 hiervoor bedoelde vereenvoudigde regeling, ook regeling van het globale BTW-identificatienummer genaamd, kan door de niet in België gevestigde belastingplichtige die niet beschikt over een Belgisch individueel BTW-identificatienummer worden ingeroepen wanneer deze belastingplichtige in België uitsluitend de volgende handelingen verricht :
a) invoeren van goederen met vrijstelling van BTW krachtens artikel 40, § 1, 1°, d, van het Wetboek om reden dat de daaropvolgende handeling in hoofde van deze belastingplichtige een intracommunautaire levering van goederen betreft die vrijgesteld is van de BTW krachtens artikel 39bis van hetzelfde Wetboek;
| b) | plaatsing van goederen onder de regeling BTW-entrepot ingevolge : |
- de invoer van die goederen waarbij de niet in België gevestigde belastingplichtige de hoedanigheid van geadresseerde aanneemt in de zin van artikel 6, § 2, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992, met name dat hij op het tijdstip van de invoer de verkrijger of de overnemer is van de goederen of bij ontstentenis daarvan dat hij op dat tijdstip, de eigenaar van de goederen is;
- de intracommunautaire verwerving van die goederen;
- de aankoop van die goederen in België;
- de binnenlandse verzending van die goederen;
- hetzij een levering van deze goederen die van de BTW is vrijgesteld ingevolge de uitvoer van de goederen naar een derde land of ingevolge een intracommunautaire levering van de goederen (Wetboek, artikelen 39, § 1, 1° en 2°, en 39bis);
- hetzij een materiële verzending van deze goederen, los van elke handelstransactie, met bestemming een derde land;
- hetzij een levering van deze goederen die van de BTW is vrijgesteld krachtens artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek om reden dat de goederen in België worden opgeslagen in een ander BTW-entrepot en deze opslag toegelaten is;
264. Om na te gaan of de regeling van het globale BTW-identificatienummer in hoofde van een niet in België gevestigde belastingplichtige van toepassing kan zijn, moet evenwel geen rekening worden gehouden met de door deze belastingplichtige in België verrichte handelingen waarvoor bij toepassing van artikel 55, vierde lid, van het Wetboek een ontheffing wordt verleend van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen. De niet in België gevestigde belastingplichtige die hier te lande uitsluitend handelingen verricht als bedoeld in nr. 258 waarvoor hij gebruik maakt van de ontheffing van de verplichting om een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen en in nr. 263, kan derhalve een beroep doen op de regeling van het globale BTW-identificatienummer.
Daarentegen kan de regeling van het globale BTW-identificatienummer nooit worden toegepast ten aanzien van een niet in België gevestigde belastingplichtige die, om welke reden ook, reeds beschikt over een Belgisch individueel BTW-identificatienummer via de erkenning van een hier te lande gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger.
Er wordt opgemerkt dat de regeling van het globale BTW-identificatienummer facultatief is. De niet in België gevestigde belastingplichtige die uitsluitend handelingen verricht als bedoeld in nr. 263 behoudt de mogelijkheid om een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen met toekenning door de Administratie van een individueel BTW-identificatienummer. Deze belastingplichtige is gehouden als zodanig te handelen wanneer hij in België ook handelingen verricht andere dan deze bedoeld in nr. 263 en waarvoor geen ontslag van de verplichting tot erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger wordt verleend. Dit is onder meer het geval wanneer deze belastingplichtige goederen onttrekt aan de regeling BTW-entrepot voor andere doeleinden als deze bedoeld in nr. 263, c.
265. De persoon die de bedoeling heeft niet in België gevestigde belastingplichtigen te vertegenwoordigen voor het verrichten van de in nr. 263 bedoelde handelingen dient te beschikken over :
a) een globaal BTW-identificatienummer met het beginkenmerk BE 796.5 voor de handelingen als bedoeld in nr. 263, a;
b) een globaal BTW-identificatienummer met het beginkenmerk BE 796.6 voor de handelingen als bedoeld in nr. 263, b, c en d.
GLOBAAL BTW-IDENTIFICATIENUMMER MET HET BEGINKENMERK BE 796.5.
266. Het globaal BTW-identificatienummer met het beginkenmerk BE 796.5 kan worden gebruikt voor het vertegenwoordigen van de in nr. 263 bedoelde niet in België gevestigde belastingplichtige die hier te lande goederen invoert met vrijstelling van BTW krachtens artikel 40, § 1, 1°, d, van het Wetboek om reden dat deze belastingplichtige gelijktijdig een levering van goederen verricht die vrijgesteld is krachtens artikel 39bis van het Wetboek (z. artikel 39 van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992).
267. Met ingang van 1 januari 1996 dienen ingevoerde goederen die worden geplaatst onder de regeling BTW-entrepot te worden aangegeven voor het verbruik op het tijdstip waarop die goederen in het vrije verkeer worden gebracht (z. nr. 25). Bij de aangifte ten verbruik wordt de vrijstelling van BTW ingeroepen wegens de plaatsing van de goederen in het BTW-entrepot (Wetboek, artikel 39quater, § 1, 1°). Aangezien bij deze aangifte ten verbruik de in artikel 40, § 1, 1°, d, van het Wetboek bedoelde vrijstelling van BTW nooit toepasselijk is, mag geen gebruik worden gemaakt van het globale BTW-identificatienummer met het beginkenmerk BE 796.5. Dit verbod geldt eveneens wanneer op het tijdstip van de inslag in het BTW-entrepot het reeds vaststaat dat de goederen aan de regeling BTW-entrepot zullen worden onttrokken met het oog op de verzending ervan naar een BTW-belastingplichtige in een andere Lid-Staat van de Europese Unie.
268. Voor de goederen die vóór 1 januari 1996 zijn ingevoerd onder de oude regeling inzake BTW-entrepot en waarop de overgangsmaatregelen bedoeld in artikel 108 van het Wetboek van toepassing zijn (z. nrs. 304 tot 306) kan bij de aangifte ten verbruik de in artikel 40, § 1, 1°, d, van het Wetboek bedoelde vrijstelling van BTW worden ingeroepen voor zover uiteraard de voor dit artikel vereiste voorwaarden zijn voldaan. In het geval de in artikel 40, § 1, 1°, d, van het Wetboek bedoelde vrijstelling van BTW van toepassing is in hoofde van een in nr. 263 bedoelde belastingplichtige kan gebruik worden gemaakt van een globaal BTW-identificatienummer met het beginkenmerk BE 796.5.
269. De in België gevestigde douane-expediteurs die als zodanig zijn erkend door de Administratie der douane en accijnzen kunnen ambtshalve een aanvraag tot het bekomen van een globaal BTW-identificatienummer met het beginkenmerk BE 796.5 (voor zover ze er nog niet over beschikken) indienen bij het voormelde Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen.
De andere in België gevestigde personen die voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 2, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 31, van 29 december 1992 (z. nr. 260, tweede lid), kunnen eveneens een dergelijke aanvraag indienen bij het genoemde Centraal BTW-kantoor voor zover zij op het tijdstip van de aanvraag het bewijs leveren dat zij tenminste twee belastingplichtigen als bedoeld in nr. 263 op geregelde wijze zullen vertegenwoordigen voor het verrichten van handelingen als bedoeld in nr. 266.
De aansprakelijke vertegenwoordiger wordt in de plaats gesteld van al zijn lastgevers ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemden zijn verleend of van alle verplichtingen die hen zijn opgelegd, door of ter uitvoering van het Wetboek. De aansprakelijke vertegenwoordiger is met zijn lastgevers hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten waarvan de opeisbaarheid voortvloeit uit de handelingen waarvoor het globale BTW-identificatienummer van die vertegenwoordiger werd gebruikt.
Bij de regeling van het globaal BTW-identificatienummer kan de financiële verbintenis van de aansprakelijke vertegenwoordiger niet worden beperkt tot een bepaald bedrag.
Indien de aansprakelijke vertegenwoordiger niet voldoende solvabel is. wordt een zekerheid gevraagd tot waarborg van de invordering van al wat ten laste van de vertegenwoordigde belastingplichtigen opeisbaar zou kunnen worden uit hoofde van belasting, geldboeten, interesten en kosten. Ze wordt periodiek herzien rekening houdend met de verbintenissen van de aansprakelijke vertegenwoordiger. De zekerheid wordt vastgesteld op maximum 10 percent van de BTW waarover de vrijstelling van BTW wordt ingeroepen wegens de intracommunautaire leveringen van goederen waarvan sprake in artikel 40, § 1, 1°, d, van het Wetboek. De zekerheid die de Administratie kan vragen bedraagt derhalve maximum 10 percent van de BTW waarvoor de vrijstelling wordt ingeroepen voor de handelingen die op jaarbasis moeten worden opgenomen in rooster 46 van de periodieke BTW-aangiften die onder dit globaal BTW-identificatienummer worden ingediend.
Het bedrag van deze zekerheid wordt gecombineerd met het bedrag van de zekerheid dat vereist is wanneer ook een globaal BTW-identificatienummer met het beginkenmerk BE 796.6 wordt aangevraagd. In dat geval wordt één bedrag aan zekerheid gevraagd dat geldt voor beide globale BTW-identificatienummers.
Het globaal BTW-identificatienummer met het beginkenmerk BE 796.5 dat aan de aansprakelijke vertegenwoordiger wordt toegekend, zal door hem worden gebruikt om al zijn buitenlandse lastgevers die handelingen verrichten als bedoeld in nr. 266 te vertegenwoordigen.
De in nr. 263 bedoelde buitenlandse belastingplichtige kan, per aangifte ten verbruik, de keuze maken voor wat betreft de aansprakelijke vertegenwoordiger met een globaal BTW-identificatienummer waarop hij een beroep zal doen.
270. De aansprakelijke vertegenwoordiger wordt in de plaats gesteld van zijn lastgever voor alle verplichtingen die aan de niet in België gevestigde belastingplichtige zijn opgelegd krachtens de BTW-reglementering ten aanzien van de handelingen waarvoor het globale BTW-identificatienummer werd gebruikt. De verplichtingen van de aansprakelijke vertegenwoordiger ten aanzien van de door zijn lastgevers in het kader van de door artikel 108 van het Wetboek ingestelde overgangsmaatregelen gedane onttrekkingen van goederen aan de regeling BTW-entrepot onder de voorwaarden vermeld in nr. 268 zijn de volgende :
- hij dient per niet in België gevestigde belastingplichtige die hij vertegenwoordigt (d.w.z. per geadresseerde vermeld op de aangifte ten verbruik) een boek voor inkomende facturen en een boek voor uitgaande facturen bij te houden. In het boek voor inkomende facturen dienen inzonderheid te worden vermeld : de aangifte ten verbruik alsmede de inkoopfactuur van de niet in België gevestigde belastingplichtige (de geadresseerde bij invoer) die dient tot staving van die aangifte alsmede de stukken met betrekking tot de hier te lande gemaakte kosten. In het boek voor uitgaande facturen wordt de door de niet in België gevestigde belastingplichtige aan zijn klant uitgereikte factuur of, in voorkomend geval, het transfertdocument geboekt. Door middel van beide boeken en door een geheel van overeenstemmende documenten moet op een duidelijke en eenvoudige wijze worden aangetoond dat alle ingevoerde goederen in hoofde van de niet in België gevestigde belastingplichtige (geadresseerde bij invoer) nadien het voorwerp hebben uitgemaakt van leveringen die vrijgesteld zijn van de Belgische BTW bij toepassing van artikel 39bis van het Wetboek;
- ter vervollediging van de door de niet in België gevestigde belastingplichtige opgemaakte verkoopfactuur dient de aansprakelijke vertegenwoordiger het aanvullend stuk als bedoeld in artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 31 op te maken in tweevoud en het origineel ervan uit te reiken aan de klant van die belastingplichtige. De Administratie staat in beginsel geen afwijking toe op deze verplichting;
- op de aangifte ten verbruik wordt in vak 8 de volledige identiteit vermeld van de niet in België gevestigde belastingplichtige die als geadresseerde bij de invoer van de goederen optreedt (naam of benaming en volledig adres) alsmede het globale BTW-identificatienummer waaronder die belastingplichtige in België wordt vertegenwoordigd.
- hij dient alle stukken m.b.t. de in België verrichte handelingen te bewaren en op ieder verzoek van de controleambtenaren ter inzage voor te leggen;
- hij moet, per aangiftetijdvak, één periodieke BTW-aangifte indienen (in voorkomend geval een nihil-aangifte). De BTW-aangifte wordt als volgt ingevuld : rooster (46) : het totaalbedrag van de intracommunautaire leveringen van goederen, rooster (81) : het totaalbedrag van de invoerhandelingen waarvoor een aangifte ten verbruik werd ingereikt, rooster (82) : in voorkomend geval het totaalbedrag van de in België gedane kosten. Rooster (59) kan nooit een bedrag aan aftrekbare BTW bevatten, daar onder het globaal BTW-identificatienummer onder geen enkel beding aftrek van voorbelasting mogelijk is. Per periodieke BTW-aangifte dient de aansprakelijke vertegenwoordiger een lijst bij te houden van het aandeel van iedere niet in België gevestigde belastingplichtige in de aangegeven bedragen. Deze lijst moet niet bij de ingediende BTW-aangifte zijn gevoegd;
- hij is gehouden tot het indienen van de kwartaalopgave van de intracommunautaire handelingen (Wetboek, artikel 53sexies).
GLOBAAL BTW-IDENTIFICATIENUMMER MET HET BEGINKENMERK BE 796.6.
| a) | Toepassingssfeer. |
| a) | de plaatsing van goederen onder de regeling BTW-entrepot ingevolge : |
- een invoer van goederen waarbij de niet in België gevestigde belastingplichtige de hoedanigheid van geadresseerde aanneemt in de zin van artikel 6, § 2, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 (z. nr. 263);
- een intracommunautaire verwerving van goederen;
- een aankoop hier te lande van goederen;
c) onttrekking van goederen aan de regeling BTW-entrepot met het oog op :
- hetzij een levering van deze goederen die van de BTW is vrijgesteld ingevolge de uitvoer van de goederen naar een derde land of ingevolge een intracommunautaire levering van de goederen (Wetboek, artikelen 39, § 1, 1° en 2°, en 39bis);
- hetzij een materiële verzending van deze goederen, los van elke handelstransactie, met bestemming een derde land;
- hetzij een levering van deze goederen die van de BTW is vrijgesteld krachtens artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek om reden dat de goederen in België worden opgeslagen in een ander BTW-entrepot en deze opslag toegelaten is;
273. Wanneer de in nr. 263 bedoelde niet in België gevestigde belastingplichtige goederen onttrekt aan de regeling BTW-entrepot voor andere doeleinden dan die vermeld in nr. 272, c, dient deze belastingplichtige een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen met toekenning door de Administratie van een individueel BTW-identificatienummer.
Anderzijds wanneer goederen worden onttrokken aan de regeling BTW-entrepot in het kader van de overgangsmaatregelen als bedoeld in artikel 108 van het Wetboek, dient gebruik te worden gemaakt van het globale BTW-identificatienummer BE 796.5 in plaats van BE 796.6 wanneer de aangifte voor het verbruik van de goederen plaatsheeft met vrijstelling van de belasting op grond van artikel 40, § 1, 1°, d, van het Wetboek (z. nr. 268).
274. De vergunninghouders van de regeling BTW-entrepot zijn verplicht ten aanzien van de handelingen bedoeld in nr. 272, a, b en c verricht in hun BTW-entrepot door de in nr. 263 bedoelde niet in België gevestigde belastingplichtigen, gebruik te maken van het globaal BTW-identificatienummer BE 796.6 voor het vertegenwoordigen van laatstgenoemde belastingplichtigen. In het kader van de regeling BTW-entrepot wordt iedere andere persoon dan de vergunninghouder uitgesloten van de mogelijkheid om onder een globaal BTW-identificatienummer buitenlandse belastingplichtigen te vertegenwoordigen (z. echter nr. 268 voor wat de overgangsmaatregel van artikel 108 van het Wetboek betreft). Deze uitsluiting geldt uiteraard niet ten aanzien van de regeling van fiscale vertegenwoordiging via individueel BTW-identificatienummer.
275. Anderzijds hebben alleen de in België gevestigde douane-expediteurs die alszodanig zijn erkend door de Administratie der douane en accijnzen de mogelijkheid om voor de handelingen als bedoeld in nr. 272, d, de niet in België gevestigde belastingplichtigen als beoogd in nr. 263 te vertegenwoordigen onder een globaal BTW-identificatienummer BE 796.6.
276. Een persoon kan slechts één globaal BTW-identificatienummer BE 796.6 bekomen. Dit houdt in dat de vergunninghouder inzake de regeling BTW-entrepot die in die hoedanigheid beschikt over een globaal BTW-identificatienummer BE 796.6, hetzelfde nummer rechtsgeldig kan gebruiken voor handelingen als bedoeld in nr. 272, d, op voorwaarde dat hij ook de hoedanigheid heeft van douane-expediteur. Anderzijds zal de douane-expediteur het hem toegekende nummer BE 796.6 ook moeten gebruiken voor de handelingen met betrekking tot het BTW-entrepot (z. nr. 272, a, b en c) waarvoor hij de vergunninghouder is.
| b) | Erkenningsprocedure. |
Wanneer de vergunninghouder evenwel reeds over een globaal BTW-identificatienummer BE 796.6 beschikt ingevolge een gedane aanvraag na het bekomen van een vroegere vergunning ofwel ingevolge zijn hoedanigheid van douane-expediteur (z. nr. 276), dient hij een kopie van de ontvangen vergunning te zenden naar het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen met verwijzing naar het hem reeds toegekende globale BTW-identificatienummer.
Wanneer, bij ontstentenis van handelingen als bedoeld in nr. 272, a, b en c, verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen, het vaststaat dat de vergunninghouder geen buitenlandse belastingplichtigen zal moeten vertegenwoordigen, heeft hij uiteraard geen globaal BTW-identificatienummer nodig. De vergunninghouder dient dit schriftelijk mede te delen aan voormeld kantoor. Bij deze mededeling voegt hij een kopie van de ontvangen vergunning.
278. Overeenkomstig het bepaalde in nr. 275 kunnen tenslotte de douane-expediteurs, indien nodig, een verzoek tot het bekomen van een globaal BTW-identificatienummer BE 796.6 indienen bij het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen.
279. De aansprakelijke vertegenwoordiger wordt in de plaats gesteld van al zijn lastgevers ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemden zijn verleend of van alle verplichtingen die hen zijn opgelegd, door of ter uitvoering van het Wetboek. De aansprakelijke vertegenwoordiger is met zijn lastgevers hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten waarvan de opeisbaarheid voortvloeit uit de handelingen waarvoor het globale BTW-identificatienummer van die vertegenwoordiger werd gebruikt of diende te worden gebruikt.
Bij de regeling van het globaal BTW-identificatienummer kan de financiële verbintenis van de aansprakelijke vertegenwoordiger niet worden beperkt tot een bepaald bedrag.
Indien de aansprakelijke vertegenwoordiger niet voldoende solvabel is, wordt een zekerheid gevraagd tot waarborg van de invordering van al wat ten laste van de vertegenwoordigde belastingplichtigen opeisbaar zou kunnen worden uit hoofde van belasting, geldboeten, interesten en kosten. Ze wordt periodiek herzien rekening houdend met de verbintenissen van de aansprakelijke vertegenwoordiger. De zekerheid wordt vastgesteld op maximum 10 percent van het bedrag van de BTW waarvoor de vrijstelling van BTW wordt ingeroepen bij toepassing van de artikelen 39quater, § 1 en 40bis van het Wetboek. De zekerheid die de Administratie kan vragen, wordt in de praktijk beperkt tot maximum 10 percent van de BTW met betrekking tot de bedragen die op jaarbasis moeten worden opgenomen in rooster 81 van de periodieke BTW-aangiften die onder dit globaal BTW-identificatienummer worden ingediend en waarvoor de voornoemde vrijstellingen worden ingeroepen (z. nr. 284).
De wijze waarop de periodieke BTW-aangiften moeten worden ingediend, wordt uiteengezet in nr. 283.
Het bedrag van de zekerheid wordt gecombineerd met het bedrag van de zekerheid dat vereist is wanneer ook een globaal BTW-identificatienummer met het beginkenmerk BE 796.5 wordt aangevraagd. In dat geval wordt één bedrag aan zekerheid gevraagd dat geldt voor beide globale BTW-identificatienummers.
Het globaal BTW-identificatienummer met het beginkenmerk BE 796.6 dat aan de aansprakelijke vertegenwoordiger wordt toegekend, zal door hem worden gebruikt om al zijn buitenlandse lastgevers die handelingen verrichten als bedoeld in nr. 272 te vertegenwoordigen.
De in nr. 263 bedoelde buitenlandse belastingplichtige kan per handeling als bedoeld in nr. 272, d (intracommunautaire verwerving van goederen buiten het kader van de regeling BTW-entrepot gevolgd door een uitvoer naar een derde land) de keuze maken voor wat betreft de aansprakelijke vertegenwoordiger met globaal BTW-identificatienummer waarop hij een beroep zal doen. Voor de handelingen als bedoeld in nr. 272, a, b en c, heeft genoemde belastingplichtige die keuze niet; hij is verplicht zich te laten vertegenwoordigen door de vergunninghouder van het BTW-entrepot waar de goederen werden opgeslagen of uitgeslagen.
Het hoofd van het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen reikt aan iedere titularis van een globaal BTW-identificatienummer BE 796.6 die dat nummer gebruikt voor de regeling BTW-entrepot een attest uit waarin de toekenning van dat nummer voor het vertegenwoordigen van in het buitenland gevestigde belastingplichtigen, die in België niet beschikken over een individueel BTW-identificatienummer, bij de regeling BTW-entrepot wordt bevestigd.
Dit attest vermeldt tevens de datum vanaf wanneer het nummer rechtsgeldig voor deze doeleinden kan worden gebruikt. In geval van doorhaling van het nummer of wanneer het nummer niet meer wordt gebruikt voor de regeling BTW-entrepot dient de betrokkene het origineel exemplaar van het attest terug te bezorgen aan het voormelde kantoor.
| c) | Verplichtingen van de aansprakelijke vertegenwoordiger. |
De aansprakelijke vertegenwoordiger die onder zijn globaal BTW-identificatienummer de niet in België gevestigde belastingplichtigen vertegenwoordigt voor handelingen als bedoeld in nr. 272, a, b en e, dient de volgende verplichtingen na te leven :
- enerzijds de verplichtingen eigen aan zijn hoedanigheid van vergunninghouder (z. Hoofdstuk III, Afdelingen 1, 2 en 3 A);
- anderzijds de verplichtingen verbonden aan zijn hoedanigheid van aansprakelijke vertegenwoordiger van de niet in België gevestigde belastingplichtigen.
Plaatsing van de goederen onder de geding BTW-entrepot.
281. De aansprakelijke vertegenwoordiger dient de volgende verplichtingen na te leven :
a) hij dient een summiere individuele boekhouding bij te houden voor iedere niet in België gevestigde belastingplichtige als bedoeld in nr. 263 die goederen opslaat in het BTW-entrepot waarvoor eerstgenoemde optreedt als vergunninghouder. De boekhouding bestaat uit een boek voor inkomende facturen, gehouden per buitenlandse belastingplichtige, waarin de volgende handelingen worden vermeld :
- iedere invoer van goederen met verwijzing naar het gevalideerde exemplaar 8 van de aangifte ten verbruik en naar de aankoopfactuur of daarmee gelijkstaand stuk gebruikt tot staving van die aangifte;
- iedere intracommunautaire verwerving of aankoop hier te lande van goederen met verwijzing naar de aankoopfactuur, het in artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde stuk of het transfertdocument en naar het opslagdocument of, in voorkomend geval, het accijnsgeleidedocument;
- iedere andere plaatsing van goederen onder de regeling BTW-entrepot zonder dat die plaatsing gepaard gaat met een handeling die aan de BTW is onderworpen (binnenlandse verzending) met verwijzing naar het stuk bedoeld in nr. 177 en naar het opslagdocument of het accijnsgeleidedocument. De waarde van de goederen beoogd op dat document wordt alszodanig opgenomen in het boek voor inkomende facturen;
- iedere door de niet in België gevestigde belastingplichtige die de goederen opslaat onder de regeling BTW-entrepot ontvangen dienstverrichting met betrekking tot die goederen onder verwijzing naar de ontvangen factuur en, in voorkomend geval, naar het bijzonder document als bedoeld in nr. 181;
c) hij dient bij toepassing van het bepaalde in nr. 280, eerste lid, erover te waken dat alle verplichtingen die de Belgische BTW-reglementering en deze aanschrijving voorschrijven inzake het houden, het opmaken of het uitreiken van boeken en stukken worden nageleefd;
d) hij dient de verplichtingen na te leven als bedoeld in de artikelen 60 en volgende van het Wetboek (bewaren en voorleggen van boeken en stukken, verstrekken van inlichtingen. ...);
e) voor de handelingen als bedoeld in punt a, eerste, tweede en vierde streepje hiervoor, dient hij, in voorkomend geval, het recht op de toegepaste voorlopige vrijstelling van de BTW aan te tonen. Hij dient bovendien aan te tonen dat de toegepaste vrijstelling definitief is geworden.
Merk op dat voor de plaatsing van goederen onder de regeling BTW-entrepot de bovengenoemde aansprakelijke vertegenwoordiger in hoofde van de persoon die de goederen plaatst onder die regeling geen boek voor uitgaande facturen moet bijhouden tenzij in het geval dezelfde persoon de goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt met het oog op één van de doeleinden als bedoeld in nr. 272, c.
Onttrekking van de goederen aan de regeling BTW-entrepot.
282. De aansprakelijke vertegenwoordiger dient de volgende verplichtingen na te leven :
a) hij dient een summiere individuele boekhouding bij te houden voor iedere niet in België gevestigde belastingplichtige als bedoeld in nr. 263 die voor de in nr. 272, c, beoogde doeleinden goederen onttrekt uit het BTW-entrepot waarvoor eerstgenoemde optreedt als vergunninghouder. De boekhouding bestaat uit een boek voor inkomende en een boek voor uitgaande facturen;
b) in het boek voor inkomende facturen worden de volgende handelingen vermeld :
- iedere aankoop van goederen gedaan met vrijstelling van de BTW op grond van artikel 39quater, § 1, 2°, van het Wetboek, die de onttrekking van die goederen aan de regeling BTW-entrepot onmiddellijk voorafgaat met verwijzing naar de aankoopfactuur;
- iedere ontvangen dienstverrichting met betrekking tot bovengenoemde goederen met verwijzing naar de ontvangen factuur.
c) in het boek voor uitgaande facturen worden de hiernavolgende handelingen die zijn verricht naar aanleiding van de onttrekking van de goederen aan de regeling BTW-entrepot vermeld :
- iedere levering van goederen die van de BTW is vrijgesteld ingevolge de uitvoer van de goederen naar een derde land met verwijzing naar de verkoopfactuur, het uitslagdocument en het gevalideerde exemplaar 3 van de aangifte ten uitvoer.
- iedere levering van goederen die van de BTW is vrijgesteld ingevolge een intracommunautaire levering van de goederen met verwijzing naar de verkoopfactuur of het stuk bedoeld in artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit nr. 1, van 29 december 1992 (transfertdocument) en naar het uitslagdocument;
- iedere materiële verzending van goederen, los van elke handelstransactie, met bestemming een derde land met verwijzing naar het stuk bedoeld in nr. 203, het uitslagdocument en het gevalideerde exemplaar 3 van de aangifte ten uitvoer. De waarde van de goederen bedoeld op het in nr. 203 beoogde stuk, wordt alszodanig opgenomen in het boek voor uitgaande facturen;
- iedere levering van goederen die van de BTW is vrijgesteld krachtens artikel 39quater, § 1, 1°, van het Wetboek om reden dat de goederen in België worden opgeslagen in een ander BTW-entrepot en deze opslag toegelaten is, met verwijzing naar de verkoopfactuur en het uitslagdocument.
d) hij dient, ter vervollediging van de door de niet in België gevestigde belastingplichtige opgemaakte verkoopfactuur, het aanvullend stuk als bedoeld in artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 31 op te maken in tweevoud en het origineel ervan uit te reiken aan de klant van die belastingplichtige. De Administratie staat in beginsel geen afwijking toe op deze verplichting.
Merk op dat voor het geval bedoeld in punt c, vierde streepje hiervoor, het genoemde aanvullend stuk behalve de vermeldingen van artikel 5, § 1, van het voormelde koninklijk besluit nr. 1, bovendien de specifieke vermeldingen als bedoeld in nr. 202, tweede lid, dient te bevatten;
e) hij moet per aangiftetijdvak één periodieke BTW-aangifte indienen (z. nr. 283). Per periodieke BTW-aangifte dient hij een lijst bij te houden van het aandeel van iedere niet in België gevestigde belastingplichtige in de aangegeven bedragen. Deze lijst moet niet bij de ingediende aangifte zijn gevoegd;
f) hij dient bij toepassing van het bepaalde in nr. 280, eerste lid, erover te waken dat alle verplichtingen die de Belgische BTW-reglementering en deze aanschrijving voorschrijven inzake het houden, het opmaken of het uitreiken van boeken en stukken worden nageleefd;
g) hij dient de verplichtingen na te leven als bedoeld in de artikelen 60 en volgende van het Wetboek (bewaren en voorleggen van boeken en stukken, verstrekken van inlichtingen, ...);
h) voor de handelingen die overeenkomstig hetgeen voorafgaat moeten worden opgenomen in het boek voor inkomende of uitgaande facturen en waarvoor een vrijstelling van BTW werd ingeroepen, dient hij aan te tonen dat de voorwaarden en de toepassingsmodaliteiten voor het bekomen van de vrijstelling zijn vervuld;
i) hij is gehouden tot het indienen van de kwartaalopgave van de intracommunautaire handelingen (Wetboek, artikel 53sexies), alsmede van de jaarlijkse opgave van de afnemers-belastingplichtigen (Wetboek, artikel 53quinquies).
Inhoud van de periodieke BTW-aangifte.
283. De periodieke BTW-aangifte onder het globaal BTW-identificatienummer BE 796.6 wordt als volgt ingevuld :
| 1) | Regeling BTW-entrepot. |
| a) | Plaatsing. |
- invoeren van goederen (nr. 281, a, eerste streepje) (*)
- intracommunautaire verwervingen van goederen (nr. 281, a, tweede streepje) (*)
- aankopen hier te lande van goederen (nr. 281, a, tweede streepje) (*)
- andere plaatsingen van goederen (nr. 281, a, derde streepje)
| (*) | ontvangen diensten (naargelang hun aard) met betrekking tot bovengenoemde goederen, vrijgesteld van de BTW krachtens artikel 39quater, § 1, 3, van het Wetboek (nr. 281, a, vierde streepje) |
- andere ontvangen diensten (naargelang hun aard) met betrekking tot bovengenoemde goederen (nr. 281, a, vierde streepje)
Rooster (86) : intracommunautaire verwervingen van goederen zoals reeds vermeld in rooster 81 (nr. 281, a, tweede streepje)
| b) | Onttrekking. |
- aankopen van goederen met vrijstelling van BTW krachtens artikel 39quater, § 1, 2° van het Wetboek (nr. 282, b, eerste streepje)(*)
- ontvangen diensten (naargelang hun aard) met betrekking tot bovengenoemde goederen, vrijgesteld van de BTW krachtens artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek (nr. 282, b, tweede streepje)(*)
- andere ontvangen diensten (naargelang hun aard) met betrekking tot bovengenoemde goederen (nr, 282, b, tweede streepje)
Noot : In het geval de goederen aan de regeling BTW-entrepot worden onttrokken door dezelfde persoon als degene die de goederen onder die regeling heeft geplaatst, is de inschrijving in de roosters 81, 82 en 86 reeds gebeurd bij de plaatsing (z. supra en nr. 282, b, laatste lid).
Rooster (46) : intracommunautaire leveringen van goederen en de daarmee gelijkgestelde transferten (nr. 282, e, tweede streepje)
Rooster (47) : uitvoeren van goederen naar derde landen en leveringen van goederen met opslag in een ander BTW-entrepot (nr. 282, e, eerste, derde en vierde streepje)
2) Intracommunautaire verwervingen van de regeling BTW-entrepot, gevolgd door uitvoeren naar een derde land (z. nr. 272, d).
Rooster (81) : (*) intracommunautaire verwervingen van goederen en daarmee gelijkgestelde handelingen
Rooster (82) : ontvangen diensten met betrekking tot de goederen vermeld in rooster 81
Rooster (86) : hetzelfde bedrag als vermeld in rooster 81 hiervoor
Rooster (47) : uitvoeren van goederen naar derde landen
Tenslotte wordt opgemerkt dat het rooster 59 van de periodieke BTW aangifte nooit kan worden ingevuld, aangezien onder het globaal BTW-identificatienummer onder geen enkel beding aftrek van voorbelasting mogelijk is. In voorkomend geval dient de niet in België gevestigde belastingplichtige een aanvraag om teruggaaf van de voorbelasting in te dienen.
284. De bedragen die overeenkomstig nr, 283 in rooster 81 van de periodieke BTW-aangiften moeten worden opgenomen en aangeduid zijn met het teken (*) vormen, op jaarbasis, het uitgangspunt voor het berekenen van het bedrag van de zekerheid die de aansprakelijke vertegenwoordiger moet stellen indien hij niet voldoende solvabel is (z. nr. 279, derde lid).
HOOFDSTUK IV. BIJZONDERE SITUATIES.
285. In dit hoofdstuk worden de regels uiteengezet die van toepassing zijn in de volgende bijzondere situaties :
- depothouders stellen bergruimte ter beschikking van andere personen;
- tussenpersonen bemiddelen bij handelingen verricht onder de regeling BTW-entrepot;
- goederen worden verzonden van een BTW-entrepot naar een ander BTW-entrepot in België;
- goederen ingevoerd onder de regeling BTW-entrepot van kracht vóór 1 januari 1996, werden vóór deze datum niet aan die regeling onttrokken.
| AFDELING | 1. DIENSTEN VAN DEPOTHOUDERS. |
287. Rekening houdend met de beperkte draagwijdte die aan de uitzondering bepaald in artikel 44, § 3, 2°, a) van het BTW-Wetboek moet worden gegeven is de dienst die bestaat in de terbeschikkingstelling van bergruimte enkel aan de BTW onderworpen wanneer hij betrekking heeft op afzonderlijke gebouwen die uitsluitend als bergruimte voor het opslaan van goederen zijn ontworpen of ingericht en als zodanig kunnen worden gebruikt. De omstandigheid dat van dezelfde eigenaar nog een afzonderlijk gebouw wordt gehuurd onder de vrijstellingsregeling van voornoemd artikel 44 omdat het gebruikt wordt als exploitatiezetel of kantoorruimte, doet geen afbreuk aan de belastbaarheid van de terbeschikkingstelling van bergruimte.
Anderzijds is ten aanzien van de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen de vrijstelling als bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek van toepassing wanneer die terbeschikkingstelling nauw verbonden is met een op grond van hetzelfde artikel vrijgestelde huurovereenkomst betreffende een voor een ander gebruik bestemd goed (b.v. bewoning, commerciële doeleinden, ...) zodanig dat beide verhuringen economisch één enkele handeling vormen. Dit is inzonderheid het geval wanneer de bergruimte voor het opslaan van goederen en het gehuurde, voor een ander gebruik bestemd gebouw, deel uitmaken van eenzelfde onroerend geheel en beide goederen door dezelfde eigenaar, zelfs bij afzonderlijk gesloten huurovereenkomsten aan dezelfde huurder worden verhuurd.
Derhalve is de terbeschikkingstelling aan dezelfde huurder van een entrepot en een bedrijfsgebouw die deel uitmaken van eenzelfde onroerend geheel niet aan de BTW onderworpen. Deze handeling wordt voor het geheel beschouwd als een onroerende verhuur op grond van artikel 44, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek.
Zo ook is de vrijstelling van voornoemd artikel 44 voor het geheel van toepassing ten aanzien van de terbeschikkingstelling van eenzelfde gebouw dat terzelfdertijd wordt gebruikt als bergruimte van goederen en als verkoopruimte van die goederen. In dat geval gaat het om de verhuur van een onroerend goed dat niet uitsluitend kan worden gebruikt als bergruimte.
Er wordt evenwel aanvaard dat de vrijstelling niet geldt wanneer in de bergruimte een kantoor of een plaats is voorzien voor de personen belast met het beheer van de opgeslagen goederen voor zover de oppervlakte van dat kantoor of die plaats niet meer bedraagt dan 10 pct. van de totale oppervlakte van het gebouw.
288. Wanneer derhalve een persoon een bergruimte in een installatie of in een ruimte in België die bestemd is voor het opslaan van goederen ter beschikking stelt van een andere persoon, bestaat de handeling, gelet op hetgeen in het vorige punt werd gezegd, in een dienstverrichting die onderworpen is aan de BTW ongeacht of de bewaring van de goederen al dan niet wordt verzekerd door de dienstverrichter.
Volgende handelingen behoren onder meer tot de werkingssfeer van voornoemd artikel 18, § 1, tweede lid, 9° en zijn niet vrijgesteld door voornoemd artikel 44, § 3, 2° :
- het ter beschikking stellen van het geheel van de ruimten waaruit een bergruimte bestaat voor zover deze ontworpen of ingericht zijn als bergruimte voor het opslaan van goederen en slechts voor die doeleinden kunnen worden gebruikt;
- de opslag van granen en oliehoudend zaad in silo's;
- de opslag van goederen op de kades en loodsen van havens;
- de opslag van petroleum, benzine, gasolie of brandstof in reservoirs en in tanks;
- het ter beschikking stellen van afgesloten ruimten in een complex dat inzonderheid is ingericht om goederen in op te slaan of te bewaren. (b.v. zogenaamde "mini- of self-storage");
- de handeling waarbij een persoon een derde toestaat op een hem toebehorend terrein goederen, zoals b.v. containers, op te slaan voor zover dit terrein effectief voor die doeleinden wordt gebruikt.
290. Onder voorbehoud van hetgeen voorafgaat voor handelingen inzake de terbeschikkingstelling van bergruimten waarvoor de vrijstelling van voornoemd artikel 44 geldt, is het opslaan en het bewaren van goederen in plaatsen aangemerkt als BTW-entrepots uitdrukkelijk vrijgesteld van de BTW op grond van artikel 41, § 1, 4° en 5° van het BTW-Wetboek.
Dat recht op vrijstelling moet worden gestaafd door bewijskrachtige stukken en documenten zoals fakturen, huurcontracten met vermelding van het nummer van de vergunning van BTW-entrepot waarin de goederen zich bevinden (z. artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 6 van 27 december 1977).
| AFDELING | 2. DIENSTEN VAN TUSSENPERSONEN. |
292. De hier bedoelde makelaars en lasthebbers zijn deze die, voor de contracten waarin ze tussenkomen, niet handelen in eigen naam of onder firma voor rekening van hun lastgever en die geen op hun naam gestelde factuur, debetnota of daarmee gelijkstaand stuk ontvangen of uitreiken.
293. Opdat de diensten van dergelijke makelaars of lasthebbers, die tussenkomen bij handelingen verricht onder de regeling BTW-entrepot, zouden vrijgesteld zijn, moeten de leveringen van goederen of de diensten waarin ze tussenkomen, in België plaatsvinden en vrijgesteld zijn krachtens artikel 39quater van het Wetboek.
294. Zo is bijvoorbeeld aan de belasting onderworpen, de dienst van een makelaar die tussenkomt bij een dienst met betrekking tot goederen die zich in een BTW-entrepot bevinden en waarbij die dienst op grond van artikel 21, § 3, 2°, b) van het Wetboek, geacht wordt in een andere Lid-Staat plaats te vinden (z. nrs. 127, 128, 133 en 134), of nog wanneer hij tussenkomt bij een levering die aanleiding geeft tot het onttrekken van de goederen aan de regeling BTW-entrepot en waarbij die levering niet kan vrijgesteld worden door de artikelen 39 of 42 van het Wetboek (z. nrs. 101 tot 106).
Wanneer makelaars en lasthebbers tussenkomen bij handelingen die vrijgesteld zijn bij toepassing van artikel 39quater van het Wetboek, zijn hun diensten vrijgesteld bij toepassing van artikel 41, § 2 van het Wetboek, niettegenstaande het feit dat de vrijstelling voor de handeling waarin ze tussenkomen, slechts een voorlopige vrijstelling is.
De vrijstelling waarvan de makelaars of lasthebbers genieten, moet niet worden geregulariseerd wanneer de voorlopig verleende vrijstelling niet definitief wordt.
295. De aanspraak op de vrijstelling moet worden aangetoond aan de hand van bewijskrachtige stukken en documenten zoals facturen of schriftelijke bestelbonnen van de opdrachtgever, waarop het nummer is vermeld van de vergunning BTW-entrepot waarin de goederen zich bevinden (z. artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 6 van 27 december 1977).
AFDELING 3. VERZENDING VAN EEN BTW-ENTREPOT NAAR EEN ANDER BTW-ENTREPOT IN BELGIE.
296. In België bestaan er drie types van BTW-entrepot (z. nrs. 8 en 9) die elk hun eigen karakteristieken hebben, naargelang de goederen die er worden in opgeslagen, te weten :
- producten onder schorsing van communautaire accijnsrechten;
- ingevoerde goederen, andere dan communautaire accijnsproducten;
- nationale goederen of goederen afkomstig van een andere Lid-Staat, andere dan communautaire accijnsproducten.
Er wordt opgemerkt dat wanneer een BTW-entrepot meerdere plaatsen van opslag omvat, het geheel van deze erkende plaatsen als één enkel entrepot moet worden beschouwd. De verzending van goederen binnen een dergelijk entrepot van één plaats naar een andere, is derhalve geen verzending in de zin van onderhavige afdeling.
297. De verzending van goederen van één BTW-entrepot naar een ander in België is niet altijd toegestaan, ongeacht of het gaat om een verzending die voortvloeit uit de levering van de goederen of om een loutere verplaatsing van de goederen door hun eigenaar.
Eén en ander vloeit voort uit de werking van de regeling BTW-entrepot, inzonderheid uit de beperkingen die gelden ten aanzien van bepaalde goederen om onder de regeling geplaatst te kunnen worden.
De plaatsing onder de regeling BTW-entrepot van nationale goederen of van goederen herkomstig uit een andere Lid-Staat, is immers beperkt tot de goederen die opgesomd zijn in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54 (z. nr. 17).
Anderzijds is de plaatsing van accijnsproducten onder de regeling BTW-entrepot ondergeschikt aan hun plaatsing in een belastingentrepot (z. nr. 11).
Bovendien beëindigt de uitslag van de goederen uit het BTW-entrepot de regeling (z. nr. 69). Dit is ook het geval bij een verzending van goederen van een BTW-entrepot naar een ander BTW-entrepot.
De combinatie van hetgeen voorafgaat kan leiden tot volgende mogelijke verzendingen.
Ingevoerde goederen.
298. Ingevoerde goederen, accijnsproducten en niet-accijnsproducten, die worden uitgeslagen uit het BTW-entrepot waarin ze werden geplaatst op het tijdstip van hun invoer, kunnen in België slechts opnieuw onder de regeling BTW-entrepot worden geplaatst indien het gaat om goederen opgesomd in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54.
Inderdaad, doordat ze in het vrije verkeer zijn gebracht en ten verbruik zijn aangegeven, worden deze goederen nationale goederen en zijn ze volledig onderworpen aan de fiscale principes die op zulke goederen van toepassing zijn. Na hun uitslag uit het BTW-entrepot waarin ze bij de invoer werden geplaatst, kunnen zij bijgevolg niet meer in een BTW-entrepot worden geplaatst of er verblijven, tenzij ze beantwoorden aan de beperkingen die voorzien zijn in artikel 3, § 1, 2° van het koninklijk besluit nr. 54 voor goederen andere dan deze ingevoerd in België in de zin van artikel 23 van het Wetboek.
Bovendien moet het BTW-entrepot waarin goederen worden heropgeslagen :
- ten aanzien van andere goederen dan accijnsproducten, een BTW-entrepot zijn waarin nationale goederen of goederen herkomstig uit een andere Lid-Staat kunnen worden geplaatst en dat erkend is door de Centrale administratie van de BTW, registratie en domeinen (z. nrs. 47 tot 50).
- ten aanzien van accijnsproducten, een belastingentrepot zijn dat erkend is door de Administratie der douane en accijnzen om deze goederen te ontvangen. De goederen moeten onder de regeling inzake schorsing van de accijns blijven om de regeling BTW-entrepot te kunnen genieten.
Indien de verzending evenwel gebeurt door de eigenaar, los van elke handelstransactie, kan de handeling of de handelingen waarvoor de belasting, overeenkomstig artikel 7, § 3 van het koninklijk besluit nr. 54, opeisbaar is geworden bij de uitslag uit het eerste BTW-entrepot, de vrijstelling van artikel 39quater, § 1, 1° van het Wetboek niet genieten vermits die handelingen los staan van de plaatsing van de goederen in het tweede BTW-entrepot.
Nationale goederen of goederen herkomstig uit een andere Lid-Staat, andere dan accijnsproducten.
300. Nationale goederen of goederen herkomstig uit een andere Lid-Staat, andere dan accijnsproducten, die in een BTW-entrepot werden geplaatst, kunnen worden verzonden naar een ander BTW-entrepot in België, voor zover dat ander entrepot erkend is door de Centrale administratie van de BTW, registratie en domeinen om dergelijke goederen op te slaan.
De verzending naar een BTW-entrepot dat voorbehouden is voor ingevoerde goederen en erkend is door de Administratie der douane en accijnzen, is in dit geval dus niet toegestaan.
301. Hetgeen gezegd werd in nr. 299 is ook van toepassing op nationale goederen of goederen herkomstig uit een andere Lid-Staat, andere dan accijnsproducten.
Nationale accijnsproducten of accijnsproducten herkomstig uit een andere Lid-Staat.
302. Nationale accijnsproducten of accijnsproducten herkomstig uit een andere Lid-Staat, kunnen worden verzonden van een belastingentrepot in de zin van de Richtlijn 92/12/EEG naar een ander belastingentrepot in België dat erkend is door de Administratie der douane en accijnzen.
De verzending naar een BTW-entrepot dat erkend is door de Administratie der douane en accijnzen om ingevoerde goederen, andere dan accijnsproducten op te slaan of door de Administratie van de BTW, registratie en domeinen om nationale goederen of goederen herkomstig uit een andere Lid-Staat, andere dan accijnsproducten op te slaan, is in dit geval dus niet toegestaan.
303. Hetgeen gezegd werd in nr. 299 is ook van toepassing op nationale goederen of goederen herkomstig uit een andere Lid-Staat, andere dan accijnsproducten.
| AFDELING | 4. OVERGANGSMAATREGELEN. |
Het entrepot ander dan douane-entrepot was inderdaad één de twee fiscale bestemmingen (het ten verbruik aangeven en het entrepot ander dan douane-entrepot) die men overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 moest geven aan goederen die in België werden ingevoerd.
De goederen die bij de uitslag uit het BTW-entrepot op de communautaire markt terechtkwamen, moesten pas op dat tijdstip voor het verbruik worden aangegeven.
305. Voortaan moeten ingevoerde goederen ter gelegenheid van hun plaatsing in een BTW-entrepot onmiddellijk voor het verbruik worden aangegeven.
De bestemming entrepot ander dan douane-entrepot die aan ingevoerde goederen kon worden gegeven, werd vanaf 1 januari 1996 inderdaad afgeschaft (z. nr. 25).
Om te vermijden dat alle ingevoerde goederen die zich op 31 december 1995 nog onder de oude regeling BTW-entrepot bevonden, op 1 januari 1996 ten verbruik moesten worden aangegeven, voorziet het nieuwe artikel 108 van het Wetboek in overgangsmaatregelen. Deze stellen dat de bepalingen die van toepassing waren vóór 1 januari 1996, toepassing blijven gedurende het verblijf van die goederen onder de regeling BTW-entrepot. De goederen die zich op 31 december 1996 nog onder de oude regeling bevinden. moeten evenwel op dat ogenblik voor het verbruik worden aangegeven.
306. De aangifte ten verbruik van de goederen bij de uitslag uit de oude regeling BTW-entrepot kan gebeuren met vrijstelling van de belasting bij toepassing van artikel 39quater, § 1, 1° van het Wetboek indien de goederen onder de nieuwe regeling BTW-entrepot worden geplaatst.
Aangezien het goederen betreft die worden ingevoerd in de van artikel 23 van het Wetboek, moeten zij in een BTW-entrepot worden geplaatst dat erkend is door de Administratie der douane en accijnzen om ingevoerde goederen op te slaan. De beperkingen die voorzien zijn in artikel 3, § 1, 2° van het koninklijk besluit nr. 54 zijn in dit geval dus niet van toepassing.
Namens de Minister :
De Directeur-generaal,
BIJLAGENF. BURNONVILLE
BIJLAGE 1 :COMMUNAUTAIRE BEPALINGEN
Zesde BTW-Richtlijn.
Artikel 16.
1. Onverminderd de andere communautaire belastingbepalingen kunnen de Lid-Staten, onder voorbehoud van de in artikel 29 bedoelde raadpleging, bijzondere maatregelen nemen teneinde vrijstelling te verlenen voor de volgende handelingen of sommige daarvan, mits zij geen betrekking hebben op eindgebruik en/of eindverbruik en het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde dat verschuldigd is bij het onttrekken van de goederen aan de onder A tot en met E bedoelde regelingen of situaties overeenkomt met het belastingbedrag dat verschuldigd zou zijn geweest indien elk van deze handelingen in het binnenland was belast :
A. de invoer van goederen die komen te vallen onder een ander stelsel van entrepots dan douane-entrepots;
| B. | leveringen van goederen : |
| b) | die in een vrije zone of een vrij entrepot worden geplaatst; |
| d) | die in de territoriale zee worden toegelaten : |
- en bestemd zijn voor de bouw, de reparatie, het onderhoud, de verbouwing of de uitrusting van boor- of werkeilanden, dan wel om die boor- of werkeilanden met het vasteland te verbinden;
- voor de bevoorrading van boor- of werkeilanden;
In de zin van dit artikel worden als andere entrepots dan douane-entrepots beschouwd :
- voor accijnsproducten, de als belastingentrepots in de zin van artikel 4, onder b), van Richtlijn 92/12/EEG aangemerkte plaatsen,
- voor andere goederen dan accijnsproducten, de als zodanig door de Lid-Staten aangemerkte plaatsen.
De Lid-Staten kunnen een dergelijke regeling evenwel invoeren voor goederen die bestemd zijn voor :
- belastingplichtigen, met het oog op leveringen die worden verricht onder de in artikel 28 duodecies vermelde voorwaarden;
- verkooppunten in de zin van artikel 28 duodecies, met het oog op leveringen aan reizigers die zich via een vlucht of zeereis naar een derde land begeven en die overeenkomstig artikel 15 vrijgesteld zijn;
- belastingplichtigen, met het oog op leveringen aan reizigers aan boord van een vliegtuig of schip tijdens een vlucht of zeereis waarvan de plaats van aankomst buiten de Gemeenschap is gelegen;
- belastingplichtigen, met het oog op leveringen die worden verricht met vrijstelling van belasting overeenkomstig artikel 15, punt 10.
| C. | diensten betreffende de in punt B bedoelde leveringen van goederen; |
| D. | leveringen van goederen en dienstverrichtingen : |
b) in de in deel B, onder c), genoemde plaatsen met handhaving, in het binnenland, van de in dat punt genoemde situatie.
Wanneer voor handelingen die worden verricht in een douane-entrepot, gebruik wordt gemaakt van de onder a) bepaalde mogelijkheid, nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om te verzekeren dat zij andere stelsels van entrepots dan douane-entrepots hebben gedefinieerd die de toepassing van het bepaalde onder b) mogelijk maken op dezelfde handelingen met betrekking tot in de lijst van bijlage J opgenomen goederen die worden verricht in die andere entrepots dan douane-entrepots.
| E. | leveringen : |
- van goederen als bedoeld in artikel 7, lid 1, onder a), die nog onderworpen zijn aan een regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten of aan een regeling voor extern douanevervoer,
- van goederen zoals bedoeld in artikel 7, lid 1, onder b), die nog onderworpen zijn aan de in artikel 33 bis bedoelde regeling voor intern communautair douanevervoer.
In afwijking van artikel 21, lid 1, onder a), eerste alinea, is de tot voldoening van de overeenkomstig de eerste alinea verschuldigde belasting gehouden persoon die welke de goederen aan de in dit lid genoemde regelingen of situaties onttrekt.
Wanneer het onttrekken van de goederen aan de in dit lid bedoelde regelingen of situaties aanleiding geeft tot invoer in de zin van artikel 7, lid 3, neemt de Lid-Staat van invoer de nodige maatregelen om dubbele belasting in het binnenland te voorkomen.
1bis. Wanneer zij van de in lid 1 bedoelde mogelijkheid gebruik maken, nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om te waarborgen dat de intracommunautaire verwervingen van goederen die bestemd zijn om onder één van de in lid 1, deel B, bedoelde regelingen of situaties te worden geplaatst, onder dezelfde bepalingen vallen als de leveringen van goederen die in het binnenland onder dezelfde voorwaarden worden verricht.
BIJLAGE 2: NATIONALE BEPALINGEN
BTW-Wetboek
Artikel 39quater.
| § | 1. Van de belasting zijn vrijgesteld : |
2° de leveringen van goederen geplaatst onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot, met handhaving van die regeling;
3° de diensten andere dan die vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42, die betrekking hebben op goederen die het voorwerp uitmaken van de in 1° bedoelde handelingen of die zich bevinden onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot.
De Koning bepaalt de beperkingen en de voorwaarden voor de toepassing van deze vrijstelling en kan daarbij afwijken van de artikelen 17, 22, 24 en 25septies.
§ 2. In de zin van onderhavig artikel worden als andere entrepots dan douane-entrepots beschouwd :
1° voor accijnsproducten, de in België gelegen plaatsen die aangemerkt worden als belastingentrepots in de zin van artikel 4, b, van de Richtlijn 92/12/EEG;
2° voor andere goederen dan accijnsproducten, de in België gelegen plaatsen die als zodanig door de Koning worden aangemerkt.
Artikel 41. § 1. Van de belasting zijn vrijgesteld :
1° het zeevervoer van personen; het internationale luchtvervoer van personen; het vervoer van door reizigers begeleide bagage en auto's bij het onder 1° genoemd vervoer;
2° het vervoer, en de daarmee samenhangende handelingen, van goederen herkomstig uit een derde land, wanneer de waarde van dat vervoer en van die handelingen opgenomen is in de maatstaf van heffing bij invoer;
3° het vervoer van goederen dat rechtstreeks verband houdt met de uitvoer van goederen buiten de Gemeenschap;
4° het vervoer van goederen die vallen onder een regeling zoals bepaald bij artikel 23, § 4 en 5, of onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot;
5° de volgende diensten gebruikt voor het onder 3° en 4° bedoeld vervoer :
a) laden, lossen, overslaan, behandelen, stouwen, verstouwen, wegen, meten, peilen, nazien, onderzoeken en in ontvangst nemen van goederen;
| b) | opbergen en bewaren van goederen; |
7° het intracommunautaire vervoer van goederen naar of vanaf de eilanden die de autonome regio's van de Azoren en van Madeira vormen, alsmede de daarmee samenhangende handelingen.
§ 2. Van de belasting zijn vrijgesteld de diensten door makelaars en lasthebbers die niet handelen als bedoeld in artikel 13, § 2, wanneer die makelaars en lasthebbers tussenkomst verlenen bij leveringen van goederen of diensten die niet in de Gemeenschap plaatsvinden of die zijn vrijgesteld ingevolge de artikelen 39, 39quater, 40, 41 en 42.
Die vrijstelling is niet van toepassing op de diensten van reisbureaus die tussenkomst verlenen bij het verschaffen van vervoer, logies, van ter plaatse verbruikte spijzen of dranken, van vermaak of van één of meer van deze in artikel 18 bedoelde diensten, tenzij wanneer het reisbureau handelt in naam en voor rekening van de verrichter van die diensten.
| § | 3. De koning bepaalt de toepassingsvoorwaarden van dit artikel. |
| § | 1. De belasting is verschuldigd : |
2° door degene die in België een belastbare intracommunautaire verwerving van goederen verricht;
3° door eenieder die op een factuur of op een als zodanig geldend stuk de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt. Hij wordt schuldenaar van de belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk.
| § | 2. In afwijking van § 1, 1°, is de belasting verschuldigd : |
a) hetzij de plaats van de dienst krachtens artikel 21, § 3, 7°, geacht wordt zich in België te bevinden;
b) hetzij de ontvanger van de dienst overeenkomstig artikel 50, § 1 voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd en de plaats van de dienst overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, b), 3°bis, 3°ter, 4°bis, 4°ter en 8, geacht wordt zich in België te bevinden;
2° door de medecontractant die overeenkomstig artikel 50, § 1, voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd, wanneer het gaat om leveringen van goederen als bedoeld in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 3°, en voor zover de in artikel 53, eerste lid, 2°, beoogde factuur de door de Koning te bepalen vermeldingen bevat;
3° door de medecontractant wanneer het gaat om leveringen van goederen of diensten als bedoeld in de artikelen 39, § 2 en 39quater;
4° door degene die de goederen onttrekt aan één van de regelingen bedoeld in de artikelen 39, § 2, en 39quater.
§ 3. Wanneer ten aanzien van goederen en diensten waarvoor de in artikel 59, § 2, bedoelde deskundige schatting kan worden gevorderd, wordt vastgesteld dat de belasting werd voldaan over een onvoldoende maatstaf, is de aanvullende belasting verschuldigd door degene tegen wie de schattingsprocedure wordt ingesteld.
§ 4. De Koning kan afwijken van § 1, 1°, om de medecontractant van de leverancier van goederen of van de dienstverrichter tot voldoening van de belasting te verplichten in de mate dat Hij zulks noodzakelijk acht om die voldoening te vrijwaren.
Artikel 51bis.
| § | 1. De medecontractant van de schuldenaar van de belasting : |
2° krachtens artikel 51, § 1, 2°, is met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk niet werd uitgereikt of een onjuiste vermelding bevat ten aanzien van de naam, het adres of het BTW-identificatienummer van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de verworven goederen of de prijs of het toebehoren ervan;
3° krachtens artikel 51, § 1, 1°, is eveneens met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk het bedrag van de op de handeling verschuldigde belasting niet of onjuist vermeldt;
4° krachtens artikel 51, §§ 2 en 4, is eveneens met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer hij een bedrag aanrekent als belasting.
§ 2. De medecontractant van degene die krachtens artikel 51, § 1, 1°, schuldenaar is van de belasting, die de identiteit van zijn leverancier of dienstverrichter aantoont en bewijst hem de prijs en de bijhorende belasting of een deel daarvan te hebben betaald, is evenwel in die mate van de hoofdelijke aansprakelijkheid ontslagen.
§ 3. In de regeling entrepot ander dan douane-entrepot, zijn de depothouder, degene die zich belast met het vervoer van de goederen uit het entrepot alsook, in voorkomend geval, zijn lastgever, tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting met de persoon die er krachtens de artikelen 51, § 1, 1° en 2°, § 2, 3° en 4°, of 52, § 1, tweede lid, schuldenaar van is.
Artikel 52.
§ 1. Ten aanzien van de belasting verschuldigd ter zake van invoer, stelt de Koning de voorwaarden waaronder de goederen in België mogen worden gebracht en schrijft Hij onder meer de verplichting voor ze op de door Hem te bepalen wijze aan te geven.
Onverminderd artikel 51bis, § 3, wijst de Koning aan op wiens naam de ter zake van invoer verschuldigde belasting mag of moet worden voldaan, en wie voor deze voldoening aansprakelijk is; Hij bepaalt het tijdstip waarop de belasting moet worden voldaan en de formaliteiten die daarbij moeten worden nagekomen.
§ 2. Er is overtreding van de verplichting de belasting te voldoen wanneer goederen in België worden gebracht zonder dat de ter uitvoering van § 1, eerste lid, genomen besluiten zijn nageleefd.
Bij invoer zonder aangifte kunnen de goederen en de ervoor gebezigde vervoermiddelen, in de gevallen en overeenkomstig de regelen inzake invoerrecht, in beslag genomen worden, verbeurdverklaard en vervolgens verkocht of teruggegeven worden, ook al zijn die goederen om welke reden ook niet aan invoerrecht onderworpen; de genoemde regelen vinden eveneens toepassing voor de schadeloosstelling van de persoon wiens goederen onrechtmatig in beslag zijn genomen. De inbeslagneming, de verbeurdverklaring, de verkoop of de teruggaaf worden verricht door of op verzoek van de Administratie der douane en accijnzen of de Administratie van de BTW, registratie en domeinen.
§ 3. Wanneer regelmatig in België binnengebrachte goederen onder douanetoezicht zijn en niemand de aangifteformaliteiten komt voltooien, kan de Administratie der douane en accijnzen over die goederen beschikken overeenkomstig de regelen inzake invoerrecht, ook al zijn de goederen om welke reden ook niet aan invoerrechten onderworpen.
Artikel 55. Eenieder die niet in België is gevestigd moet, alvorens in België enige andere handeling te verrichten dan een handeling waarvoor de belasting krachtens artikel 51, § 2, 1° en 2°, verschuldigd is door de afnemer, door of vanwege de Minister van Financiën een in België gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen.
De aansprakelijke vertegenwoordiger wordt in de plaats gesteld van zijn lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend of van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd, door of ter uitvoering van dit Wetboek.
Hij is met zijn lastgever hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten waarvan de opeisbaarheid voortvloeit uit de in het eerste lid bedoelde handelingen.
In de gevallen en onder de voorwaarden te bepalen door of vanwege de Minister van Financiën, kunnen zij die in het eerste lid worden bedoeld, worden ontslagen van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen.
Bij overlijden van de aansprakelijke vertegenwoordiger, bij intrekking van zijn erkenning of bij een feit dat zijn onbekwaamheid tot gevolg heeft, moet onmiddellijk in zijn vervanging worden voorzien.
Bij ontstentenis van erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger kan de invordering van de belasting, de interesten en de geldboeten geschieden ten lage van de medecontractant van de niet in België gevestigde belastingplichtige.
De medecontractant te goeder trouw, die bewijst dat hij aan zijn leverancier wiens identiteit hij aantoont, de belasting geheel of gedeeltelijk heeft betaald, is evenwel in dezelfde mate ontslagen van de verplichting om de belasting te betalen.
Artikel 108.
| § | 1. Wanneer goederen : |
- vóór 1 januari 1996 in België zijn ingevoerd,
- vanaf hun invoer in België werden geplaatst onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot,
- niet vóór 1 januari 1996 aan die regeling zijn onttrokken,
§ 2. De goederen bedoeld in § 1 moeten uiterlijk op 31 december 1996 ten verbruik worden aangegeven.
Koninklijke besluiten.
Koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.
Afdeling 1. - Voorwaarden waaraan het uitoefenen van het recht op aftrek onderworpen is.
Artikel 1. § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 45, §§ 1bis, 2 en 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, brengt de belastingplichtige, onder de voorwaarden gesteld bij de artikelen 2 tot 4 van dit besluit, de belasting in aftrek geheven van de goederen en diensten die hij bestemt voor het verrichten van in artikel 45, § 1, 1° tot 5°, van het Wetboek bedoelde handelingen.
Indien de belastingplichtige in de uitoefening van zijn economische activiteit andere handelingen verricht waarvoor geen aanspraak op aftrek bestaat, gedraagt hij zich, voor het vaststellen van de te verrichten aftrek, naar het bepaalde in de artikelen 46 en 48 van het Wetboek en 12 tot 21 van dit besluit.
§ 2. Voor aftrek komt in geen geval in aanmerking de belasting geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit.
Wanneer een goed of een dienst bestemd is om gedeeltelijk voor zulke doeleinden te worden gebruikt, is het recht op aftrek naar verhouding van dat gebruik uitgesloten. Die verhouding dient door de belastingplichtige te worden bepaald onder controle van de administratie.
Artikel 2.
Het recht op aftrek ontstaat :
1° ten aanzien van de belasting geheven van de aan de belastingplichtige geleverde goederen en verleende diensten, op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt krachtens de artikelen 17 en 22 van het Wetboek;
2° ten aanzien van de belasting geheven van een handeling die de belastingplichtige verricht voor de behoeften van zijn economische activiteit en die wordt gelijkgesteld met een levering door artikel 12, § 1, 3° en 4°, van het Wetboek, of met een dienst door artikel 19, § 2, 1°, of § 3, van het Wetboek, op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt krachtens de artikelen 17 en 22 van het Wetboek;
3° ten aanzien van de belasting geheven van een invoer, op het tijdstip waarop die belasting opeisbaar wordt krachtens artikel 24 van het Wetboek;
4° ten aanzien van de belasting geheven van een intracommunautaire verwerving, op het tijdstip waarop die belasting opeisbaar wordt krachtens artikel 25septies van het Wetboek;
5° ten aanzien van de belasting geheven van een handeling die de belastingplichtige verricht voor de behoeften van zijn economische activiteit en die wordt gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving door artikel 25quater van het Wetboek, op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt krachtens artikel 25septies van het Wetboek;
6° ten aanzien van de belasting die verschuldigd is of voldaan wordt in de omstandigheden bedoeld in artikel 58, § 4, 7°, tweede lid, van het Wetboek, op het tijdstip bepaald in artikel 58, § 4, 7°, derde lid, van het Wetboek;
7° ten aanzien van de belasting geheven van een handeling bedoeld in artikel 7, § 3, van het koninklijk besluit nr. 54 met betrekking tot de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot bedoeld in artikel 39quater van het Wetboek, op het tijdstip waarop die belasting opeisbaar wordt krachtens artikel 9 van datzelfde besluit.
Artikel 3.
§ 1. Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen moet de belastingplichtige :
1° ten aanzien van de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, in het bezit zijn van een factuur opgemaakt overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992;
2° ten aanzien van de belasting geheven van een handeling die hij verricht voor de behoeften van zijn economische activiteit en die wordt gelijkgesteld met een levering door artikel 12, § 1, 3° en 4°, van het Wetboek, of met een dienst door artikel 19, § 2, 1°, of § 3, van het Wetboek, het in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde stuk opmaken en de belasting opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin ze opeisbaar wordt;
3° ten aanzien van de belasting geheven van de andere invoeren dan die bedoeld onder 4°, in het bezit zijn van een invoerdocument dat hem als geadresseerde aanwijst en dat de betaling van de belasting vaststelt;
4° ten aanzien van de belasting geheven van de invoeren gedaan onder het stelsel van de verlegging van de heffing naar het binnenland, de belasting opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin ze opeisbaar wordt;
5° ten aanzien van de belasting geheven van intracommunautaire verwervingen van goederen, in het bezit zijn van een door de medecontractant uitgereikte factuur of, bij gebreke van een dergelijk factuur, het stuk bedoeld in artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde en hetzij de belasting opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin ze opeisbaar wordt, hetzij in de gevallen bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit nr. 46 tot regeling van de aangifte van de intracommunautaire verwerving van vervoermiddelen en van de betaling van de ter zake verschuldigde BTW in het bezit zijn van de in artikel 1 van genoemd besluit bedoelde bijzondere aangifte; deze factuur dient de naam, het adres en het voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde identificatienummer van de bij de handeling betrokken partijen, de aard en de hoeveelheid van de verworven goederen, de prijs en het toebehoren ervan te vermelden en moet door de verwerver worden aangevuld met de overige vermeldingen bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde;
6° ten aanzien van de belasting geheven van een handeling die de belastingplichtige verricht voor de behoeften van zijn economische activiteit en die met een intracommunautaire verwerving wordt gelijkgesteld door artikel 25quater van het Wetboek. in het bezit zijn van een in artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde stuk en de belasting opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin ze opeisbaar wordt.
§ 2. Wanneer bij toepassing van artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 1 de leverancier of de dienstverrichter ontslagen is van de verplichting een factuur uit te reiken of op de factuur het bedrag van de belasting te vermelden, kan de aftrek worden verricht met inachtneming van de door of vanwege de Minister van Financiën gestelde voorwaarden.
§ 3. Wanneer de medecontractant van de leverancier van goederen of diensten bij toepassing van artikel 51, § 2 of § 4, van het Wetboek, ertoe gehouden is zelf de belasting te voldoen die opeisbaar is voor de aan hem gedane levering of de aan hem verleende dienst, moet hij, om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, in het bezit zijn van een door de leverancier van goederen of diensten uitgereikte factuur en de belasting hebben voldaan op de wijze voorgeschreven ter uitvoering van bovengenoemde bepaling; deze factuur dient dezelfde vermeldingen te bevatten als bedoeld in artikel 3, § 1, 5°, en moet door de medecontractant van de leverancier van goederen of diensten worden aangevuld met de overige vermeldingen bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.
Artikelen 4 tot 23 (...).
Koninklijk besluit nr. 31 van 29 december 1992 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen.
Artikel 1.
Vooraleer in België :
- goederen te leveren of diensten te verstrekken, andere dan die waarvoor overeenkomstig artikel 51, § 2, 1° en 2°, van het Wetboek de belasting verschuldigd is door de ontvanger van de handeling,
- goederen in te voeren, een intracommunautaire verwerving van goederen te verrichten of een handeling te stellen waarvoor hij schuldenaar is van de BTW krachtens artikel 51, § 2, 3° en 4°, van het Wetboek,
- een handeling te verrichten van plaatsing van goederen onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot die niet aan de belasting is onderworpen.
Artikel 2.
§ 1. Om de erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger te verkrijgen richt de niet in België gevestigde belastingplichtige aan het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen een verzoek waarin hij de bij artikel 53, eerste lid, 1°, van het Wetboek voorgeschreven aangifte van aanvang van werkzaamheid doet en de volledige identiteit vermeldt van de aansprakelijke vertegenwoordiger die hij de administratie ter erkenning voorstelt.
Die vertegenwoordiger moet bekwaam zijn om contracten aan te gaan, in België gevestigd zijn, voldoende solvabel zijn om de door het Wetboek of ter uitvoering ervan aan belastingplichtigen opgelegde verplichtingen na te komen en aanvaarden de belastingplichtige te vertegenwoordigen.
§ 2. In afwijking van § 1, eerste lid, kan de niet in België gevestigde belastingplichtige vertegenwoordigd worden door een persoon die door of vanwege de Minister van Financiën vooraf erkend is onder de voorwaarden die hij bepaalt :
1° wanneer hij invoeren verricht bedoeld in artikel 40, § 1, 1°, d, van het Wetboek;
2° wanneer hij handelingen verricht van plaatsing van goederen onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot die niet aan de belasting zijn onderworpen of wanneer hij schuldenaar is van de belasting ingevolge handelingen bedoeld in artikel 39quater, § 1, 1° en 3°, van het Wetboek;
3° wanneer hij de goederen aan de in artikel 39quater van het Wetboek bedoelde regeling onttrekt met het oog op een volgende levering van deze goederen die van de belasting is vrijgesteld overeenkomstig de artikelen 39, § 1, 1° en 2°, en 39bis van het Wetboek;
4° wanneer hij intracommunautaire verwervingen van goederen of krachtens artikel 25quater, § 1, van het Wetboek daarmee gelijkgestelde handelingen verricht en die goederen niet geplaatst zijn onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot en de daaropvolgende levering vrijgesteld is van de belasting bij toepassing van artikel 39, § 1, 1° en 2°, van het Wetboek.
Die persoon moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in § 1, tweede lid. Bovendien kan door of vanwege de Minister van Financiën de erkenning beperkt worden tot de categorieën van personen die zij bepalen.
Deze afwijking is slechts van toepassing indien de niet in België gevestigde belastingplichtige uitsluitend handelingen verricht als bedoeld in het eerste lid, 1° tot 4°.
§ 3. Door of vanwege de Minister van Financiën wordt de solvabiliteit van de aansprakelijke vertegenwoordiger beoordeeld rekening houdend met zijn verbintenissen.
Indien de aansprakelijke vertegenwoordiger niet voldoende solvabel is, wordt een zekerheid gevraagd tot waarborg van de invordering van al wat ten laste van de vertegenwoordigde belastingplichtige opeisbaar zou kunnen worden uit hoofde van belasting, geldboeten, interesten en kosten. Ze wordt periodiek herzien rekening houdend met de verbintenissen van de aansprakelijke vertegenwoordiger.
Het bedrag van de zekerheid wordt vastgesteld op ten hoogste een vierde van de belasting welke door de niet in België gevestigde belastingplichtige verschuldigd is over een periode van twaalf kalendermaanden. In het geval bedoeld, in § 2 wordt de zekerheid vastgesteld op ten hoogste 10 pct. van de opeisbare belasting voor het geheel van de vertegenwoordigde belastingplichtigen.
De zekerheid kan bestaan uit een hypotheek in eerste rang op in België gelegen onroerende goederen, een borgtocht in speciën, een borgtocht in effecten of een persoonlijke borgstelling van een verzekeringsonderneming of van een bank of private spaarkas die hun activiteiten in België uitoefenen.
Artikel 3.
Wanneer het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen de niet in België gevestigde belastingplichtige en de aansprakelijke vertegenwoordiger kennis geeft van de erkenning, deelt het tegelijk ook het in artikel 50 van het Wetboek bedoelde identificatienummer voor de belasting over de toegevoegde waarde mee dat aan de niet in België gevestigde belastingplichtige is toegekend.
In het geval bedoeld in artikel 2, § 2, kent het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen twee globale BTW-identificatienummers toe, verschillend naargelang de handelingen bedoeld zijn hetzij in 1°, hetzij in 2°, 3° en 4°, van die paragraaf. Dit Centraal kantoor stelt de erkende aansprakelijke vertegenwoordiger hiervan in kennis.
Artikel 4.
§ 1. De niet in België gevestigde belastingplichtige stuurt de voor zijn medecontractant bestemde factuur naar zijn aansprakelijke vertegenwoordiger zonder het bedrag van de verschuldigde belasting erop te vermelden.
§ 2. De aansprakelijke vertegenwoordiger stelt in die hoedanigheid een stuk in tweevoud op, waarin de bij artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde vermeldingen voorkomen. Hij stuurt het origineel van dat stuk naar de medecontractant van de niet in België gevestigde belastingplichtige na de factuur welke die belastingplichtige voor zijn medecontractant heeft bestemd eraan gehecht te hebben. Hij bewaart het dubbel van dat stuk.
§ 3. Door of vanwege de Minister van Financiën kan in elk geval dat zij aanwijzen en onder de voorwaarden die zij bepalen de aansprakelijke vertegenwoordiger van de niet in België gevestigde belastingplichtige worden toegestaan het in § 2 bedoelde stuk niet op te stellen.
Artikel 5.
§ 1. Wanneer de niet in België gevestigde belastingplichtige geen aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen voor handelingen waarvoor hij overeenkomstig artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek schuldenaar is van de belasting, voldoet de medecontractant de belasting die verschuldigd is over de aan hem verrichte leveringen van goederen en de aan hem verstrekte diensten :
1° wanneer hij een belastingplichtige is die gehouden is de in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde aangifte in te dienen, door ze op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting dat wordt vermeld in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting opeisbaar is geworden;
2° wanneer hij een andere belastingplichtige is of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, door ze op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting in de in artikel 53ter van het Wetboek bedoelde aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting opeisbaar is;
3° wanneer hij een andere persoon is, door het aanbrengen en het onbruikbaar maken van gehele fiscale plakzegels op één van de in § 2 hierna bedoelde stukken, binnen tien dagen te rekenen vanaf het verstrijken van de termijn bepaald in artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.
2. De in § 1 bedoelde medecontractant voldoet de belasting op basis van de ontvangen factuur of, bij ontstentenis van een factuur, op een stuk dat hij daarvoor opmaakt. Het in het eerste lid bedoelde stuk moet de datum waarop het is opgesteld bevatten, een verwijzing naar de inschrijving in de boekhouding van de medecontractant, de vermeldingen bedoeld in artikel 9, § 2, 1°, 2°, 4° en 5°, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, evenals de datum van de levering van de goederen of van de voltooiing van de dienst en, in de in artikel 1, § 1, 2°, van hetzelfde koninklijk besluit bedoelde gevallen, de datum waarop de belasting opeisbaar wordt, of, indien de datum niet nauwkeurig kan worden bepaald, het tijdvak waarin de handeling is verricht.
§ 3. De in § 1, 3°, bedoelde gehele fiscale plakzegels worden met duidelijke lettertekens onbruikbaar gemaakt hetzij door middel van een met onuitwisbare inkt geschreven vermelding die de datum van de onbruikbaarmaking en de handtekening van de medecontractant omvat. hetzij door middel van een naamstempel die, met vette inkt, naast de datum ook de familienaam, de maatschappelijke benaming of firma van de medecontractant afdrukt. De vermelding of de afdruk van de stempel moet worden aangebracht in de richting van de langste afmeting van de plakzegel; de handtekening moet volledig zijn, maar mag gedeeltelijk buiten de rand van de plakzegel komen.
§ 4. Wanneer de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon voor de in § 1, 2°, bedoelde voldoening de in artikel 53ter van het Wetboek bedoelde aangifte een eerste maal moet indienen en hij nog niet voor de belasting over de toegevoegde waarde is geïdentificeerd bij toepassing van artikel 50 van het Wetboek, dient hij zich vooraf kenbaar te maken bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde dat bevoegd is voor de plaats waar de schuldenaar van de belasting gevestigd is.
§ 5. In afwijking van § 1, 3°, kan door of vanwege de Minister van Financiën onder de voorwaarden die zij vaststellen vergunning worden verleend om de verschuldigde belasting te voldoen door middel van een storting of overschrijving op de postrekening van het in die vergunning aangewezen kantoor. De aanvraag voor het bekomen van de vergunning moet worden ingediend bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde dat bevoegd is voor de plaats waar de schuldenaar van de belasting is gevestigd.
Artikel 6.
§ 1. De niet in België gevestigde belastingplichtige die vertegenwoordigd wordt door een in artikel 2, § 2, bedoelde persoon of die niet gehouden is een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen omdat hij in België uitsluitend handelingen stelt waarvoor overeenkomstig artikel 51, § 2, 1° en 2°, van het Wetboek, de belasting verschuldigd is door de ontvanger van de handeling, of die bij toepassing van artikel 55, vierde lid, van het Wetboek ontslagen is van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen, kan teruggaaf verkrijgen van de belasting die geheven is van de hem geleverde goederen, van de hem verstrekte diensten en van de door hem verrichte invoeren, mits een aanvraag tot teruggaaf wordt ingediend bij het hoofd van het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen.
§ 2. De aanvraag moet binnen vijf jaar na de datum waarop de vordering tot teruggaaf is ontstaan, in drievoud, bij de in § 1 bedoelde ambtenaar toekomen.
De vorm van de aanvraag tot teruggaaf, de over te leggen stukken en de modaliteiten van de teruggaaf worden door of vanwege de Minister van Financiën bepaald.
§ 3. De teruggaaf geschiedt hetzij door overschrijving op de in België of in het buitenland geopende postrekening op naam van de rechthebbende op teruggaaf, hetzij door overmaking op de rekening geopend op zijn naam bij een bank, instelling of onderneming bedoeld in artikel 12, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, of bij een bank in het buitenland.
De teruggaaf welke niet kan worden uitgevoerd op de in het eerste lid beschreven wijze, geschiedt door middel van een postassignatie gesteld op naam van de rechthebbende op teruggaaf.
§ 4. Op de aanvraag tot teruggaaf wordt niet ingegaan indien zij betrekking heeft op een bedrag van minder dan 1.100 frank.
Artikel 7.
Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen van de belasting geheven van de hem geleverde goederen en verstrekte diensten door een niet in België gevestigde belastingplichtige moet de medecontractant :
- hetzij in het bezit zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig artikel 4;
- hetzij, in het geval bedoeld in artikel 5, de verschuldigde belasting hebben betaald overeenkomstig dat artikel en in het bezit zijn van een regelmatige factuur.
| Artikel | 9. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1993. |
Koninklijk besluit nr. 54 van 26 februari 1996 met betrekking tot de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot bedoeld in artikel 39quater van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
Artikel 1.
De vrijstelling voorzien in artikel 39quater, § 1, van het Wetboek, wordt verleend onder de voorwaarden en beperkingen gesteld in de artikelen 3 tot 13.
Artikel 2.
Voor de andere goederen dan accijnsproducten, worden als ander entrepot dan douane-entrepot beschouwd :
1° voor de opslag van goederen die in België worden ingevoerd in de zin van artikel 23 van het Wetboek, de overeenkomstig de communautaire douanereglementering als douane-entrepot gedefinieerde plaatsen;
2° voor de opslag van andere goederen dan die bedoeld onder 1°, de plaatsen erkend door of vanwege de Minister van Financiën.
Artikel 3.
§ 1. De plaatsing van goederen onder de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot is beperkt :
1° voor de goederen ingevoerd in België in de zin van artikel 23 van het Wetboek, tot dezelfde goederen als deze die overeenkomstig de geldende communautaire douanereglementering onder de regeling van douane-entrepot mogen worden geplaatst;
2° voor de andere goederen dan die bedoeld onder 1°, tot de goederen opgenomen in de bijlage bij dit besluit.
§ 2. Zijn uitgesloten van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot, de goederen die bestemd zijn om in het kleinhandelsstadium te worden geleverd.
Artikel 4.
Artikel 3 is niet van toepassing op goederen die bestemd zijn :
1° voor belastingplichtigen, met het oog op leveringen die worden verricht onder de in artikel 39ter van het Wetboek vermelde voorwaarden;
2° voor verkooppunten in de zin van artikel 39ter van het Wetboek en gedefinieerd in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 49 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van de leveringen van goederen door de taksvrije verkooppunten, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, met het oog op leveringen aan reizigers die zich via een vlucht of zeereis naar een derde land begeven en die overeenkomstig artikel 39, § 1, van het Wetboek zijn vrijgesteld;
3° voor belastingplichtigen, met het oog op leveringen aan reizigers aan boord van een vliegtuig of schip tijdens een vlucht of zeereis waarvan de plaats van aankomst buiten de Gemeenschap is gelegen;
4° voor belastingplichtigen, met het oog op leveringen die worden verricht met vrijstelling van belasting overeenkomstig artikel 42, § 3, 1° tot 4°bis, van het Wetboek.
Artikel 5. De dienstverrichtingen bedoeld in artikel 39quater, § 1, 3°, van het Wetboek, die betrekking hebben op goederen die zich bevinden onder de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot, zijn beperkt tot de verrichtingen die door de communautaire douanereglementering zouden toegelaten zijn wanneer deze goederen zich onder de regeling van douane-entrepot zouden bevinden.
Artikel 6.
De vrijstelling is van toepassing op alle handelingen bedoeld in artikel 39quater, § 1, van het Wetboek, met uitzondering van de diensten bedoeld in artikel 5 die betrekking hebben op goederen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een levering zonder behoud van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot.
Artikel 7.
§ 1. De vrijstelling voor de handelingen bedoeld in artikel 39quater, § 1, van het Wetboek, wordt voorlopig verleend.
§ 2. De vrijstelling bedoeld in § 1 wordt definitief voor de handelingen die voorafgaan aan :
1° een levering van goederen onder bezwarende titel met behoud van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot;
2° de onttrekking van de goederen aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot door de belastingplichtige die een levering van goederen verricht onder bezwarende titel zoals bedoeld in artikel 10, § 1, van het Wetboek;
3° de onttrekking van de goederen aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot door hun eigenaar, los van elke handelstransactie, in het kader hetzij van een overbrenging van goederen zoals bedoeld in artikel 12bis, eerste lid, van het Wetboek, hetzij van een vervoer of een verzending van die goederen buiten de Gemeenschap verricht door die eigenaar of voor zijn rekening.
§ 3. Wanneer, los van elke handelstransactie, de goederen aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot zijn onttrokken door hun eigenaar en in België blijven ofwel buiten België maar binnen de Gemeenschap worden verzonden of vervoerd door of voor rekening van hun eigenaar met het oog op een handeling zoals bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 5°, 6° of 7°, van het Wetboek, wordt de belasting opeisbaar over :
a) de handeling waarbij de goederen onder de regeling worden geplaatst door de eigenaar, evenals over de aan hem verstrekte diensten met betrekking tot die goederen, wanneer de goederen niet het voorwerp hebben uitgemaakt van enige levering onder bezwarende titel tijdens hun verblijf in het entrepot;
b) de levering van goederen aan die eigenaar, evenals over de aan hem verstrekte diensten met betrekking tot die goederen, wanneer de goederen het voorwerp hebben uitgemaakt van een of meerdere leveringen onder bezwarende titel tijdens hun verblijf in het entrepot.
Artikel 8.
Behoudens tegenbewijs, wordt eenieder die goederen onttrekt aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot verondersteld ze te hebben onttrokken onder de voorwaarden van artikel 7, § 3.
Behoudens tegenbewijs, worden de tekorten van goederen in het entrepot ander dan douane-entrepot, verondersteld te zijn onttrokken aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot onder de voorwaarden van artikel 7, § 3.
Artikel 9.
De verschuldigde belasting over de handelingen bedoeld in artikel 7, § 3, wordt opeisbaar op het tijdstip dat de goederen aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot worden onttrokken tegen het tarief dat van toepassing zou zijn geweest op elk van die handelingen indien zij niet voorlopig waren vrijgesteld.
Artikel 10.
De toepassing van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot is afhankelijk van een vergunning verleend door of vanwege de Minister van Financiën.
Artikel 11.
Door of vanwege de Minister van Financiën worden de aard en de vorm bepaald van de stukken en documenten die het recht op vrijstelling rechtvaardigen, evenals de wijze waarop de opeisbare belasting, overeenkomstig artikel 7, § 3, moet worden voldaan.
Artikel 12.
Indien de vergunning die werd afgeleverd op grond van artikel 10, werd verkregen ingevolge een onjuiste verklaring of indien de voorwaarden waarvan de vrijstelling afhangt niet worden nagekomen, kan de administratie de vergunning bij een met redenen omklede beslissing intrekken.
Artikel 13.
De persoon die ingevolge de niet-naleving van de in dit besluit voorgeschreven formaliteiten het voordeel van de vrijstelling verloren heeft, kan door of vanwege de Minister van Financiën gehele of gedeeltelijke ontheffing van het opgelopen verval worden verleend.
Artikel 14.
Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1996.
Artikel 15.
Onze Vice-Eerste Minister, Minister van Financiën en Buitenlandse Handel is belast met de uitvoering van dit besluit.
BIJLAGE -------------------------------------------------------------------------- Omschrijving GN-code -------------------------------------------------------------------------- Tin 8001 -------------------------------------------------------------------------- Koper 7402 7403 7405 7408 -------------------------------------------------------------------------- Zink 7901 7905 -------------------------------------------------------------------------- Nikkel 7502 -------------------------------------------------------------------------- Aluminium 7601 -------------------------------------------------------------------------- Lood 7801 -------------------------------------------------------------------------- Indium ex 8112 91 ex 8112 99 -------------------------------------------------------------------------- Granen 1001 t/m 1005 1006: uitsluitend padie 1007 t/m 1008 -------------------------------------------------------------------------- Oliehoudende zaden en vruchten 1201 t/m 1207 Kokosnoten, paranoten en cashewnoten 0801 Andere noten 0802 Olijven 0711 20 -------------------------------------------------------------------------- Zaden en zaaigoed (sojabonen daaronder begrepen) 1201 t/m 1207 -------------------------------------------------------------------------- Koffie, ongebrand 0901 11 00 0901 12 00 -------------------------------------------------------------------------- Thee 0902 -------------------------------------------------------------------------- Cacaobonen, ook indien gebroken, al dan niet gebrand 1801 -------------------------------------------------------------------------- Ruwe suiker 1701 11 1701 12 -------------------------------------------------------------------------- Rubber, in primaire vormen of in platen, 4001 vellen of strippen 4002 -------------------------------------------------------------------------- Wol 5101 -------------------------------------------------------------------------- Chemische produkten (in bulk) hoofdstukken 28 en 29 -------------------------------------------------------------------------- Polyethyleen in bulk 3901 -------------------------------------------------------------------------- Minerale oliën (met inbegrip van propaan en 2707 butaan en ruwe olie uit aardolie) 2709 2710 2711 -------------------------------------------------------------------------- Zilver 7106 -------------------------------------------------------------------------- Goud 7108 -------------------------------------------------------------------------- Platina (palladium, rhodium) 7110 11 00 7110 21 00 7110 31 00 -------------------------------------------------------------------------- Aardappelen 0701 -------------------------------------------------------------------------- Plantaardige vetten en oliën, alsmede fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd 1507 t/m 1515 -------------------------------------------------------------------------- BIJLAGE 3: HANDELINGEN DIE MET VRIJSTELLING VAN DE BTW MOGEN WORDEN VERRICHT AAN GOEDEREN DIE ZICH IN EEN BTW-ENTREPOT BEVINDEN BIJLAGE 69 VAN DE TOEPASSINGSBEPALINGEN VAN HET COMMUNAUTAIR BOEK. (z. nr. 13 van de aanschrijving).
Tenzij dit anders is aangegeven, kan geen der navolgende behandelingen aanleiding geven tot een andere GN-code van acht cijfers.
I. Eenvoudige verrichtingen om gedurende de opslag van de invoergoederen de bewaring in goede staat ervan te verzekeren :
1. Het luchten, uitspreiden, drogen, stof wegruimen, eenvoudige schoonmaakhandelingen, herstelling van de verpakking, eenvoudige herstellingen van gedurende het vervoer of de opslag opgelopen beschadigingen in zoverre dit eenvoudige handelingen betreft, het aanbrengen of weghalen van beschermende bekleding met het oog op het vervoer.
| 2. | Voorraadopneming, monsterneming en weging van de goederen. |
| 3. | Het verwijderen van beschadigde of aangetaste delen. |
| 5. | Het behandelen tegen parasieten. |
H. De volgende verrichtingen om de presentatie of handelskwaliteit van de invoergoederen te verbeteren :
| 1. | Het verwijderen van stelen en/of ontpitten van vruchten. |
| 3. | Het ontzilten, schoonmaken en crouponeren van huiden. |
5. Het verdunnen van vloeistoffen, zelfs indien dit tot een andere GN-code van acht cijfers leidt.
6. Het onderling vermengen van dezelfde soort goederen. van verschillende kwaliteit, ten einde te komen tot een constante kwaliteit waarom door de afnemer is verzocht, zonder de aard van de goederen te wijzigen.
7. Het van elkaar scheiden van de goederen. doch uitsluitend indien dit eenvoudige verrichtingen betreft.
III. De volgende verrichtingen om de invoergoederen voor distributie of wederverkoop voor te bereiden :
1. Het sorteren, mechanisch filtreren, indelen en zeven.
2. Het afstellen en instellen.
3. Het verpakken, uitpakken, ompakken, het overgieten of overbrengen in een andere verpakking zelfs als dit tot een andere GN-code van acht cijfers leidt.
4. Het aanbrengen en wijzigen van merken. verzegelingen, etiketten, vermeldingen van behaalde prijzen of enig ander onderscheidend merkteken; dit mag niet leiden tot het verkrijgen van een schijnbaar andere dan de werkelijke oorsprong.
5. Het uitproberen, bijstellen en gebruiksklaar maken van machines, toestellen en voertuigen voor zover het eenvoudige verrichtingen betreft.
6. Het uitproberen om na te gaan of aan de Europese technische normen wordt voldaan.
7. Het versnijden en kleiner maken van gedroogde vruchten of van groenten.
8. Het behandelen tegen roest.
9. Het herconstrueren van goederen na het vervoer.
10. Het verhogen van de temperatuur om vervoer van de goederen mogelijk te maken.
11. Het strijken van textiel.
12. Het elektrostatisch behandelen van textiel.
Bron: FisconetPlus
