Aanschrijving nr. 20/1993 d.d. 29.09.1993
Jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen
MINISTERIE VAN FINANCIEN
Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen
Sector Registratie
E.L. 1102
Bijlagen: 3
Het Belgisch Staatsblad van 26 juli 1993 heeft de wet van 22 juli 1993 houdende fiscale en financiële bepalingen bekendgemaakt. Het artikel 73 van deze wet (bijlage 1) voegt in het Wetboek der successierechten een boek IIbis "Jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen" in. Dit nieuw boek omvat de 161" book="CATCH_ALL">161nonies en 162. Het artikel 72 van dezelfde wet wijzigt de nummering van de artikelen 158 tot 162 die de artikelen 158, 158bis, 158ter, 159 en 160 worden.
Het Belgisch Staatsblad van 7 oktober 1993 heeft het koninklijk besluit van 27 september 1993 tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten bekendgemaakt (bijlage 2). Dit besluit voegt in het algemeen reglement van de successierechten de door bij koninklijk besluit te nemen uitvoeringsmaatregelen betreffende de Jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen in.
Een ministerieel besluit van 23 september 1993 heeft het zesde registratiekantoor te Brussel belast met de invordering van de voornoemde jaarlijkse taks (zie bijlage 3).
Het artikel 73 van de wet van 22 juli 1993 is in werking getreden op 26 juli 1993.
Het koninklijk besluit van 27 september 1993 is in werking getreden op 7 oktober 1993.
De huidige aanschrijving heeft tot doel de nieuwe bepalingen betreffende deze jaarlijkse taks te becommentariëren.
1. De belastingplichtigen
Zijn onderworpen aan de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen: de beleggingsvennootschappen met veranderlijk kapitaal (de BEVEK's) en de beleggingsvennootschappen met vast kapitaal (de BEVAK's) (W.Succ., art. 161). De vennootschappen voor belegging in schuldvorderingen (V.B.S.) en de beleggingsinstellingen die geregeld zijn bij overeenkomst (de beleggingsfondsen) zijn niet aan de taks onderworpen.
De verschuldigdheid van de taks op de collectieve beleggingsinstellingen is afhankelijk van de inschrijving bij de Commissie voor het Bank- en Financiewezen. Deze inschrijving moet verkregen zijn ten laatste de dag vóór de 1ste juli van het belastbaar jaar.
2. Belastbaar feit - Opeisbaarheid van de taks
Het feit waaruit de belastingschuld is ontstaan, is het bestaan van een massa goederen in de beleggingsvennootschap op datum van 1 juli (W.Succ., art. 161).
De taks is opeisbaar vanaf dezelfde datum en voor de eerste keer in 1993.
3. Zetting van de belasting
De taks wordt vastgesteld op 0,06% (W.Succ., art. 161ter, 1ste lid), Ze wordt berekend op de inventariswaarde van de collectieve beleggingsinstellingen, zoals deze waarde wordt vastgesteld op 1 juli van het belastbaar jaar (W.Succ., art. 161bis).
Voor de BEVEK's moet er een doorlopende inventaris over de samenstelling van de beleggingsinstelling bijgehouden worden. Hij wordt elke dag opgemaakt waarop een uitgifte of een inkoop van rechten van deelneming of een verandering van compartiment plaats heeft, en in ieder geval, tweemaal per maand. Deze inventaris bevat alle patrimoniale elementen van de beleggingsinstelling of van het betreffende compartiment.
Gezien er geen rekening moet gehouden worden met de verrichtingen uitgevoerd op 1 juli, is de belastbare grondslag aldus gevormd door de inventariswaarde vastgesteld op 1 juli van het belastbaar jaar, begrijpende alle uitgevoerde handelingen tot 30 juni inbegrepen of door de laatste inventariswaarde voorafgaand aan 1 juli.
Voor de BEVAK's wordt de inventariswaarde bepaald bij het afsluiten van het boekjaar. Tussendoor worden voorlopige inventariswaarden bepaald. Het is de inventariswaarde bij de afsluiting of de laatste voorlopige inventariswaarde, die vóór 1 juli van het belastbaar jaar is vastgesteld, verhoogd met de waarde van de delen uitgekeerd sinds de vaststelling voor deze inventariswaarde tot op 1 juli van het belastbaar jaar, die de belastbare grondslag uitmaken.
De belastbare grondslag wordt, zo nodig, afgerond op het hogere of lagere miljoen, al naargelang hij al dan niet 500.000 frank overschrijdt (W.Succ., art. 161ter, 2de lid).
Indien er verschillende compartimenten, bestaan, gebeurt de afronding enkel op het totaal.
4. Betalingstermijn
De taks moet uiterlijk 30 september van het belastbaar jaar gekweten worden (W.Succ., art. 161quater, 2de lid).
Is het kantoor niet geopend op de laatste dag van de termijn van betaling, dan wordt deze termijn verlengd tot de eerstvolgende dag waarop het kantoor geopend is (W.Succ., art. 161sexies).
5. Nalatigheidsintrest
Indien de taks niet betaald wordt binnen de voorgeschreven termijn, is de wettelijke intrest volgens het percentage in burgerlijke zaken van rechtswege verschuldigd te rekenen vanaf het verstrijken van deze termijn (W.Succ., art. 161quater, 3de lid). Voor de berekening van de verschuldigde intresten wordt de belastbare grondslag, in voorkomend geval, afgerond op het hogere duizendtal en elke fractie van een maand wordt gerekend als een volle maand (W.Succ., art. 161quater, 4de en 5de lid).
6. Betalingswijzen
De betaling wordt verricht door storting of overschrijving op de postrekening-courant (nr. 000-2003161-14) van het voor de invordering van de taks bevoegde kantoor (W.Succ., art. 8quater van het algemeen reglement van de successierechten).
Geen enkele andere betalingswijze is toegelaten.
Het stortings- of overschrijvingsborderel vermeldt het belastbaar jaar, de naam en de maatschappelijke zetel van de instelling waarvoor de taks is betaald,
7. Bevoegd kantoor
Het zesde registratiekantoor van Brussel is belast met de invordering van de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen (z. min. besl. van 23 september 1993).
Zijn postrekening-courant is het nr. 000-2003161-14.
8. In te dienen aangifte
De collectieve beleggingsinstelling moet uiterlijk 30 september van het belastbaar jaar in het bevoegde kantoor een aangifte indienen (W.Succ., art. 161quinquies, 1ste lid).
Is het kantoor niet geopend op de laatste dag van de termijn van neerlegging, dan wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende dag waarop het kantoor geopend is (W.Succ., art. 161sexies).
De aangifte bevat de vermeldingen opgenomen in artikel 1bis van het algemeen reglement van de successierechten. Ze wordt opgemaakt op papier van het formaat DIN A4 (297mm x 210 mm), met inachtneming van het model bedoeld in bijlage 2 van hetzelfde reglement (zie bijlage 2).
In de veronderstelling dat de beleggingsvennootschap compartimenten opgericht heeft met de bedoeling beleggingen in een min of meer nabije toekomst te realiseren (niet actieve compartimenten op 1 juli van het belastbaar jaar) moeten deze niet vermeld worden op de keerzijde van de aangifte.
Indien de aangifte niet alle voorziene vermeldingen bevat of niet opgemaakt is volgens het voorziene model, kan de ontvanger deze aangifte weigeren. Indien de aangifte op het kantoor is afgegeven na aanpassing, maar buiten de termijnen, is de neerlegging laattijdig gebeurd en wordt de boete voor laattijdig indienen opeisbaar (zie nr. 9, a, hierna).
9. Administratieve sancties
a. Boete wegens laattijdige indiening van de aangifte (W.Succ., art. 161quinquies)
De aangifte moet uiterlijk 30 september van het aanslagjaar ingediend worden (dit komt overeen met de laatste dag van de betalingstermijn), behoudens de verlenging die voorzien is door artikel 161sexies (zie sub nr. 8).
Eenmaal deze termijn overschreden is, wordt een boete van 10.000 frank per week vertraging verbeurd. leder begonnen week wordt voor een gehele week aangerekend.
Voorbeeld
30 september valt op een zaterdag. De aangifte mag niet ingediend worden tot 2 oktober, zonder dat de boete verschuldigd is. Indien de aangifte op 4 oktober wordt ingediend, bedraagt de boete 10.000 frank.
De boete wegens laattijdige indiening van de aangifte wordt niet ambtshalve verminderd.
b. Boete wegens onnauwkeurigheid of verzuim in de aangifte alsook voor elke andere onregelmatigheid (W.Succ., art. 161octies)
Alle onnauwkeurigheden, verzuimen en onregelmatigheden die tot een vermindering van de taks leiden worden hier bedoeld.
Louter materiële vergissingen die geen weerslag hebben op het bedrag van de verschuldigde taks of die bij de eerste lezing van de aangifte opvallen geven geen aanleiding tot het opleggen van de boete.
De boete is gelijk aan tweemaal de ontdoken rechten. Ze wordt verminderd volgens de schaal in punt VI, littera A, van bijlage 1 van het algemeen reglement van de successierechten zonder dat ze minder dan 10.000 frank mag bedragen.
Voorbeeld
Volgens de aangifte bedraagt de belasting 66.000 frank. Dit terwijl er blijkt dat een verzuim begaan werd en dat de werkelijk verschuldigde belasting 90.000 frank bedraagt. De wettige boete bedraagt 48.000 frank [(90.000 F - 66.000 F) x 2], ambtshalve verminderd tot 4.800 frank volgens het barema. De uiteindelijk verschuldigde boete zal 10.000 frank zijn (het wettelijk minimum).
10. Verstrekken van informaties om de juiste heffing van de belasting te verzekeren
De beleggingsvennootschap of de bewaarder van de titels hebben de verplichting alle documenten die nodig zijn om de juistheid van de belastbare grondslag vast te stellen aan de bevoegde ambtenaar te verstrekken (W.Succ., art. 161nonies).
11. Andere bepalingen
Voor het overige gelden de bepalingen, die voor de successierechten van toepassing zijn, ook op de jaarlijkse taks van de collectieve beleggingsinstellingen. Het gaat o.m. over de bepalingen betreffende de bewijsmiddelen van verzuimen, de verjaringen, de teruggave, de vervolgingen en gedingen en de correctionele straffen (W.Succ., art. 162).
Voor de Minister:
De dienstdoende administratiechef,
J. DECUYPER
Auditeur-generaal
----------
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 26 juli 1993
22 juli 1993 - Wet houdende fiscale en financiële bepalingen
BOUDEWIJN , Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt:
(…)
TITEL II
HOOFDSTUK IV - Wijzigingen in het Wetboek der successierechten
Art. 73
In hetzelfde Wetboek wordt een boek IIbis ingevoegd, luidend als volgt:
« BOEK IIbis
Jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen
Art. 161.- De beleggingsinstellingen bedoeld in artikel 108, eerste lid, 1° en 2°, van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten en geregeld bij statuten, worden vanaf 1 juli die volgt op hun inschrijving bij de Commissie voor het Bank- en Financiewezen aan een jaarlijkse taks onderworpen.
Art. 161bis.- De taks is verschuldigd op de inventariswaarde van de beleggingsinstellingen op 1 juli van elk aanslagjaar. Wat de beleggingsinstellingen met een vast aantal rechten van deelneming betreft, is de taks verschuldigd op de inventariswaarde bij de afsluiting van het boekjaar of, later, op de laatste voorlopige inventariswaarde die vóór 1 juli is vastgesteld, verhoogd met de waarde van de rechten die sinds de vaststelling van voornoemde inventariswaarde en de eerste juli van het aanslagjaar zijn uitgegeven.
Art. 161ter.- De taks wordt vastgesteld op 0,06 pct.
De belastbare grondslag wordt, zo nodig, afgerond op het hogere of lagere miljoen frank, al naar gelang hij al dan niet 500.000 frank overschrijdt.
Art. 161quater.- De taks is opeisbaar de eerste juli van elk jaar.
Hij moet betaald zijn uiterlijk op 30 september van elk jaar.
Indien de taks niet betaald wordt binnen deze termijn, is de wettelijke interest, volgens het percentage in burgerlijke zaken, van rechtswege verschuldigd te rekenen van de dag waarop de betaling had moeten geschieden.
Voor de berekening van de interesten wordt de belastbare grondslag in franken, in voorkomend geval, afgerond op het hoger duizendtal.
Elke fractie van een maand wordt gerekend als een volle maand.
Art. 161quinquies.- De beleggingsinstellingen bedoeld in artikel 161 zijn gehouden uiterlijk op 30 september van ieder aanslagjaar op het bevoegde kantoor een aangifte in te dienen waarin de belastbare grondslag op 1 juli van het aanslagjaar wordt opgegeven.
Indien de aangifte niet ingediend wordt binnen de voorgeschreven termijn, wordt een boete verbeurd van 10.000 frank per week vertraging. Elke begonnen week wordt gerekend als een volle week.
Art. 161sexies.- Is het kantoor niet geopend op de laatste dag van de termijn van betaling of van neerlegging, dan wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende dag waarop het kantoor geopend is.
Art. 161septies.- De Minister van Financiën of zijn vertegenwoordiger bepaalt het bevoegde kantoor voor de invordering van de taks, boeten en interesten,
De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van de aangifte. Hij kan betalingsmodaliteiten bepalen alsook aanvullende regels om de juiste heffing van de belasting te verzekeren.
Art. 161octies.- Elke onnauwkeurigheid of weglating die vastgesteld wordt in de aangifte bedoeld in artikel 161quinquies, evenals iedere andere onregelmatigheid begaan in de uitvoering van de wettelijke of reglementaire bepalingen, wordt gestraft met een boete gelijk aan tweemaal het ontdoken recht, te verminderen volgens een schaal die door de Koning wordt vastgesteld, zonder dat deze boete lager mag zijn dan 10.000 frank per overtreding.
Art. 161nonies.- De ambtenaren van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen mogen kennis nemen van alle stukken van een beleggingsvennootschap of een bewaarder omtrent de waardering van het vermogen van een beleggingsinstelling.
Art. 162.- Op de belasting ingesteld bij artikel 161 zijn van toepassing de bepalingen van boek I betreffende het bewijs van het verzuim van aangifte van goederen, alsmede die betreffende de verjaring, de teruggave, de vervolgingen en gedingen en de correctionele straffen».
(…)
Gegeven te Brussel, 22 juli 1993.
BOUDEWIJN
Van Koningswege:
De Minister van Financiën,
Ph. MAYSTADT
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 7 oktober 1993
27 SEPTEMBER 1993 - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,
onze groet.
(…)
Hebben Wij besloten en besluiten Wij:
Artikel 1
In het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten wordt in de plaats van artikel 2, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 1993, dat artikel 2bis wordt, een nieuw artikel 2 ingevoegd, luidend als volgt:
«Art. 2. De jaarlijkse aangifte van de taks op de collectieve beleggingsinstellingen wordt overeenkomstig het model in bijlage 2 van dit besluit opgesteld op papier met standaardformaat DIN A4. Zij vermeldt:
1° het aanslagjaar;
2° de benaming, de maatschappelijke zetel en het nationaal nummer van de aangevende instelling;
3° de oprichtingsdatum van deze instelling;
4° de totale belastbare grondslag;
5° het bedrag van de verschuldigde taks.
Indien de collectieve beleggingsinstelling verschillende compartimenten bevat, wordt de belastbare grondslag per compartiment gedetailleerd onderaan de aangifte.
Wanneer de inventariswaarde uitgedrukt is in een buitenlandse munt, moet aangeduid worden:
a) de omrekeningskoers in Belgische frank op datum van 1 juli van het aanslagjaar of, in voorkomend geval, de laatste koers voorafgaand aan de eerste juli, bepaald overeenkomstig het koninklijk besluit van 14 september 1992 tot vaststelling van de nadere regels voor de omrekening in Belgische frank van bedragen die in de openbare en administratieve akten zijn uitgedrukt in ecu of in bepaalde munteenheden;
b) de omrekeningswaarde van deze inventariswaarde in Belgische frank.».
Art. 2
In artikel 2 van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 15 maart 1993, dat artikel 2bis wordt, wordt het eerste lid vervangen door de volgende bepaling:
«Alle schrappingen of veranderingen van woorden en van cijfers in de aangiften van nalatenschap, in de jaarlijkse aangiften van de goederen van de verenigingen zonder winstoogmerken en van de taks op de collectieve beleggingsinstellingen en in de jaarlijkse opgaven van de taks op de coördinatiecentra moeten door de aangevers in margine goedgekeurd en ondertekend of geparafeerd worden.».
Art. 3
In artikel 6, 2de lid, van hetzelfde koninklijk besluit worden de woorden «het bestuur der registratie en domeinen» vervangen door de woorden «de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen».
Art. 4
In artikel 7, 1ste lid, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen door het besluit van de Regent van 5 februari 1945 worden de woorden «de directeur der registratie en domeinen» vervangen door de woorden «de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen».
Art. 5
Een artikel 8quater, luidend als volgt, wordt in hetzelfde koninklijk besluit ingevoegd:
«Art. 8quater. De jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen en de interesten en boeten erop betrekkelijk, worden betaald door storting of overschrijving op de postrekening-courant van het kantoor belast met de invordering.
Op het stortings- of overschrijvingsformulier worden de benaming en de maatschappelijke zetel van de collectieve beleggingsinstelling op het tijdstip van de betaling alsmede het aanslagjaar waarvoor de betaling geschiedt, vermeld.
De betaling heeft uitwerking op de in artikel 8bis bepaalde datum.».
Art. 6
In de bijlage van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van .. augustus 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de punten A, II en III, wordt het getal «160» vervangen door het getal «158ter»;
2° op de plaats van punt A, VI, dat punt A, VII, wordt, wordt een nieuw punt A, VI, ingevoegd luidend als volgt:
« VI. Boeten bedoeld in artikel 161octies van het Wetboek, onverminderd het minimum van 10.000 F | |
| 1/5 van de bijkomende rechten |
B. andere onregelmatigheden die een bijkomend recht opeisbaar maken | 1/10 van de bijkomende rechten » |
Art. 7
De bijlage van het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten wordt bijlage 1 van dat koninklijk besluit en de bij dit koninklijk besluit gevoegde bijlage wordt bijlage 2 van het voornoemd koninklijk besluit van 31 maart 1936.
Art.8
Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 9
Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 27 september 1993.
ALBERT
Van Koningswege:
De Minister van Financiën,
Ph. MAYSTADT
BIJLAGE | |
|
JAARLIJKSE TAKS OP DE COLLECTIEVE BELEGGINGSINSTELLINGEN AANSLAGJAAR 19 .. | |
|
Benaming van de aangevende instelling Nationaal nummer Maatschappelijke zetel Datum van oprichting Totale belastbare grondslag (1) Bedrag van de taks Voor echt verklaard, Hoedanigheid ondertekenaar Handtekening |
: .............................................................................. : ............................................................................. : ............................................................................. : ............................................................................. : ...................................................................... BEF : ...................................................................... BEF : ...................................................................... 19.. : ............................................................................. : ............................................................................. |
|
---------- (1) Details per compartiment: te vermelden op de volgende bladzijde | |
VERMELDINGEN PER COMPARTIMENT
Naam van het actieve compartiment | Munteenheid |
Waarde van het compartiment in deze munteenheid | Omreke-ningskoers | Waarde van het compartiment in Belgische bank |
TOTAAL: |
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van
ALBERT
Van Koningswege:
De Minister van Financiën,
Ph. MAYSTADT
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 7 oktober 1993
23 SEPTEMBER 1993 - Ministerieel besluit houdende bepaling van het bevoegde kantoor voor de invordering van de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen
De Minister van Financiën,
(…)
Besluit:
Enig artikel
Het zesde registratiekantoor Brussel is bevoegd voor de invordering van de jaarlijkse taks, boeten en intresten, op de collectieve beleggingsinstellingen.
Brussel, 23 september 1993.
Voor de Minister van Financiën
De Secretaris-generaal,
A. VAN de VOORDE
