Circulaire nr. Ci.RH.421/528.010 van 26.04.2000
CIRC 26.04.00/1
Bull. nr. 805, pag. 1018
VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ
Technische voorziening.
VOORZIENING
Technische voorziening.
Technische voorziening.
VOORZIENING
Technische voorziening.
Technische voorzieningen van verzekeringsondernemingen: fiscaal regime van de aanvullende voorziening "leven" als bedoeld in art. 86, § 4, KB 17.12.1992 betreffende de levensverzekeringsactiviteit.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2 + en 2.
1. INLEIDING
1. Overeenkomstig art. 194bis, WIB 92, zoals ingevoegd door art. 13, W 4.5.1999 houdende diverse fiscale bepalingen (V 2703 - Bull. 796), worden de technische voorzieningen bedoeld in art. 16, § 1, van de W 9.7.1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, vrijgesteld binnen de grenzen en onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
Thans maken twee voorzieningen het voorwerp uit van bijzondere reglementaire bepalingen. Het betreft enerzijds de voorziening voor egalisatie en catastrofen en anderzijds de voorziening voor niet-verdiende premies (zie art. 73/1 tot 73/4, KB/WIB 92, zoals ingevoegd door art. 1, KB 13.5.1999 tot uitvoering van artikel 194bis, WIB 92 en tot wijziging van het KB/WIB 92, op het vlak van de technische voorzieningen - V 2720 - Bull. 797). Deze nieuwe maatregelen treden in werking vanaf het aj. 2000 (zie art. 2 van hetzelfde KB 13.5.1999). Ze zullen later het voorwerp uitmaken van een specifieke commentaar.
In dit stadium is het van belang te benadrukken dat, ingevolge de beginselen van behoorlijk bestuur, de bestaande richtlijnen m.b.t. de vrijstelling van de andere technische reserves van toepassing blijven tot bij de inwerkingtreding van de desbetreffende toekomstige reglementaire bepalingen (zie Verslag aan de Koning bij hetzelfde KB 13.5.1999, titel "Overgangsregeling").
2. In dat verband wil deze circulaire, rekening houdende met de richtlijnen die voorkomen in het nr. 183/17, 1°, a), Com.IB 92, het fiscaal regime verduidelijken dat van toepassing is op de aanvullende voorziening "leven" als bedoeld in art. 86, § 4, KB 17.12.1992 betreffende de levensverzekeringsactiviteit (BS 31.12.1992 - hierna KB 17.12.1992) zoals vervangen door art. 5, 2°, KB 30.4.1999 tot wijziging van voormeld KB 17.12.1992 (BS 16.7.1999).
II. AANVULLENDE VOORZIENING "LEVEN"
A. Definitie
3. Art. 86, § 4, KB 17.12.1992 bepaalt dat, voor de overeenkomsten waarvoor de gewaarborgde rentevoet vastgesteld is krachtens de bepalingen van art. 22, § 2 van hetzelfde besluit, de verzekeringsonderneming een aanvullende voorziening dient samen te stellen zodra de gewaarborgde rentevoet 80 % van de gemiddelde rentevoet over de laatste 5 jaar van de OLO's op 10 jaar met 0,1 % overschrijdt.
Deze samen te stellen aanvullende voorziening maakt deel uit van de voorziening voor verzekering "leven". Zij is, voor alle overeenkomsten, gelijk aan de som van het positief verschil tussen de inventarisreserve van de overeenkomst waarbij de technische rentevoet wordt vervangen door de rentevoet die overeenstemt met 80 % van de gemiddelde rentevoet vermeld in het vorig lid, en, de inventarisreserve van deze overeenkomst in haar technische grondslagen (eventueel aangepast volgens § 3 van hetzelfde art. 86).
B. Fiscaal regime
4. Uit de definitie zelf van de aanvullende voorziening "leven" als vermeld in art. 86, § 4, KB 17.12.1992, vloeit voort dat deze niet wordt bedoeld in de richtlijnen opgenomen onder het nr. 183/17, 1°, Com.IB 92.
Bijgevolg moet deze voorziening, en iedere gelijkaardige voorziening, overeenkomstig art. 25, 5°, WIB 92, volledig onder de belastbare reserves worden opgenomen (zie eveneens nr. 25/44, Com.IB 92).
Namens de Minister:Voor de Directeur-generaal:De Auditeur-generaal van financiën,
G. DELSOIR.
Bron: FisconetPlus
