Circulaire AAFisc nr. 25/2013 d.d. 27.06.2013 (E.T.123.777)

Federale Overheidsdienst FINANCIEN

Algemene Administratie van de Fiscaliteit - Centrale diensten

Belasting over de toegevoegde waarde.

Aan alle diensten (sector Btw)

[deze circulaire in PDF]

Voldoening van de belasting - Bijzondere wijze van betaling - Verlegging van de heffing – Invoer - Inverbruikstelling

Bijlagen: zie de versie in PDF

A. VOORWERP

  1. Artikel 5, §3 van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 september 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, genomen in uitvoering van artikel 52, tweede lid, van het Btw-Wetboek, machtigt de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde, om aan belastingplichtigen die periodieke aangiften indienen bedoeld in artikel 53, §1, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek, een vergunning te verlenen om de wegens invoer verschuldigde btw niet te voldoen op het tijdstip van de aangifte ten verbruik, mits die belasting als zodanig wordt opgenomen in de vorenbedoelde periodieke aangiften. Die vergunning kan evenwel niet worden verleend aan de niet in België gevestigde belastingplichtigen bedoeld in artikel 55, § 3, tweede lid, van het Btw- Wetboek.

Deze bepaling voert dus een regeling in waarbij de bij invoer verschuldigde btw wordt verlegd naar de periodieke aangifte, zodat die belasting niet meer aan de douane moet worden betaald.

Deze bijzondere wijze van betaling was het voorwerp van de circulaire nr. 3 van 11 januari 1973, laatst bijgewerkt door de circulaire AOIF nr. 1/2008 van 2 januari 2008.

  1. Het koninklijk besluit van 13 juni 2013 (Belgisch Staatsblad van 24 juni 2013) heeft artikel

5 van het koninklijk besluit 7 gewijzigd. Dat artikel 5 bepaalt voortaan de voorwaarden waaraan de nieuwe verleggingsregeling van de wegens invoer verschuldigde btw onderworpen is. Genoemd besluit treedt in werking op 4 juli 2013.

  1. Aan de huidige regeling worden twee belangrijke wijzigingen aangebracht.
  1. Enerzijds kan de vergunning voortaan ook worden verleend aan de personen bedoeld in artikel 55, §3, tweede lid, van het Btw-Wetboek die vooraf zijn erkend om niet in België gevestigde belastingplichtigen te vertegenwoordigen.
  1. Anderzijds kan de vergunning om de verleggingsregeling toe te passen, voortaan worden verkregen zonder een bedrag aan btw te moeten vooruitbetalen. Deze wijziging is een onderdeel van het economische relanceplan van de regering voor ons land dat de verplichte voorfinanciering van de btw wil afschaffen en vervangen door een nieuwe verleggingsregeling van de wegens invoer verschuldigde btw zonder financiële impact voor de invoerders. Als gevolg daarvan verdwijnt ook de verplichting tot de jaarlijkse herziening van dat bedrag.
  1. De specifieke maatregelen die werden genomen ter begeleiding van voornoemde regeringsbeslissing tot afschaffing van de voorfinanciering van de belasting (z. punt 5), worden besproken in de circulaire AAFisc nr. 30/2012 van 28 september 2012. Ze regelen met name de overgang naar het nieuwe stelsel en bepalen de wijze waarop de invoerders teruggaaf kunnen vragen van de sommen die ze als voorfinanciering gestort hebben.
  1. Onderhavige circulaire treedt in werking op 4 juli 2013. Ze heeft tot doel de nieuwe verleggingsregeling van de ter zake van invoer verschuldigde btw te becommentariëren en regelt tevens de toepassingsmodaliteiten van dat stelsel.
  1. Bijlage IV geeft de wettelijke bepalingen weer die verband houden met deze bijzondere wijze van voldoening van de belasting. In de loop van de uiteenzetting van deze circulaire zal ernaar verwezen worden.

B. ALGEMEENHEDEN

Personen die de bijzondere wijze van betalen bij invoer kunnen aanvragen

  1. Artikel 5, § 3, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 7 bepaalt wie een vergunning kan bekomen om de verlegging van de wegens invoer verschuldigde btw toe te passen, met name:

- de belastingplichtigen die maand- of kwartaalaangiften bedoeld in artikel 53, §1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek indienen, met uitsluiting van de niet in België gevestigde belastingplichtigen zoals bedoeld in artikel 55, §3, tweede lid, van het Btw-Wetboek;

- de personen die overeenkomstig artikel 55, §3, tweede lid, van het Btw-Wetboek vooraf zijn erkend voor het vertegenwoordigen van belastingplichtigen die niet in België zijn gevestigd.

  1. Komen derhalve in aanmerking:

a) de in België gevestigde belastingplichtigen (daaronder begrepen een btw-eenheid als bedoeld in artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek) die periodieke aangiften indienen en die handelingen verrichten waarvoor een volledig of gedeeltelijk recht op aftrek is ontstaan;

b) de niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen die handelingen verrichten waarvoor een volledig of gedeeltelijk recht op aftrek is ontstaan en die periodieke aangiften indienen via een aansprakelijke vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 55, §1, van het Btw-Wetboek;

c) de in een andere lidstaat van de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen die handelingen verrichten waarvoor een volledig of gedeeltelijk recht op aftrek is ontstaan en die periodieke aangiften indienen. Het feit dat die belastingplichtige al dan niet een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen overeenkomstig artikel 55, §2 van het Btw-Wetboek, speelt daarbij geen rol;

d) de personen die overeenkomstig artikel 55, §3, tweede lid, van het Btw-Wetboek vooraf zijn erkend en aan wie een globaal nummer met beginkenmerk BE 0796.5… is toegekend voor de vertegenwoordiging van niet in België gevestigde belastingplichtigen die er niet zijn geïdentificeerd op grond van artikel 50, §1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek (1).

(1) z. de punten 209 en volgende van de circulaire AOIF nr. 4/2003

  1. Er wordt opgemerkt dat de vooraf erkende personen die enkel over een globaal nummer beschikken met beginkenmerk BE 0796.6…, geen vergunning kunnen bekomen om deze bijzondere wijze van betaling van de btw bij invoer toe te passen. Dit globaal nummer laat immers niet toe om invoeren te verrichten die de btw opeisbaar maken (2).

(2) z. punt 214 van de circulaire AOIF nr. 4/2003

Dit principe heeft tot gevolg dat de vooraf erkende personen die over een globaal nummer beschikken met beginkenmerk BE0796.6, geen vergunning kunnen bekomen voor het uitzonderlijke geval, bedoeld in artikel 7, §3 van het koninklijk besluit nr. 54, van 25 februari 1996, waarbij de voorlopig bekomen vrijstelling van btw bij de invoer van goederen die onder de regeling btw-entrepot werden geplaatst, moet worden geregulariseerd.

Invoeren waarop deze wijze van betalen betrekking heeft

  1. De verlegging van de heffing van de ter zake van invoer verschuldigde btw is toepasselijk op de invoeren van goederen in de zin van artikel 23 van het Btw-Wetboek die in België plaatsvinden en de btw opeisbaar maken.
  1. Met de invoer van een goed wordt bedoeld, het binnenkomen in het btw-gebied van de Gemeenschap van een goed uit een derde land of een derdelands gebied.
  1. Onder derde landen en derdelands gebieden wordt verstaan de Staten die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap alsmede de hierna bedoelde nationale gebieden van bepaalde lidstaten die buiten de werkingssfeer van de btw vallen :

- Koninkrijk Denemarken :

  • de Faeröer-eilanden;
  • Groenland;

- Bondsrepubliek Duitsland :

  • het eiland Helgoland;
  • het grondgebied van Büsingen;

- Koninkrijk Spanje :

  • Ceuta;
  • Melilla;
  • de Canarische eilanden;

- Italiaanse Republiek :

  • Livigno;
  • Campione d'Italia;
  • de nationale wateren van het meer van Lugano;

- Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland :

  • De overzeese gebieden;
  • Gibraltar;
  • de Anglo-Normandische eilanden;

- Franse Republiek :

  • de overzeese gebieden;
  • het eiland Mayotte;
  • het eiland St. Pierre en Miquelon;
  • de overzeese departementen;

- Helleense Republiek :

  • de Berg Athos;

- Republiek Finland :

  • de Åland-Eilanden;

- Koninkrijk der Nederlanden :

  • de overzeese gebieden;

- Republiek Cyprus :

  • de zones waarover de regering niet feitelijk het gezag uitoefent.
  1. Er wordt evenwel opgemerkt dat voor de toepassing van de btw worden geacht deel uit te maken:

- van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland:

  • het eiland Man;

- van de Franse Republiek:

  • het Vorstendom Monaco;

- van de Republiek Cyprus:

  • Akrotiri en Dhekelia, de zones die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen.
  1. De invoer van een goed vindt plaats in België wanneer dat goed het btw-gebied van de Gemeenschap binnenkomt via België of in België onttrokken wordt aan één van de opschortende regelingen bedoeld in artikel 23, §§ 4 en 5 van het Btw-Wetboek.
  1. Overeenkomstig artikel 5, §3, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 7 moeten belastingplichtigen die de vergunning hebben verkregen om de bijzondere wijze van betalen toe te passen, deze wijze toepassen voor alle invoeren die zij in België verrichten en waarvoor de btw opeisbaar is bij het indienen van de aangifte ten verbruik. Tijdens de geldigheidsduur van de vergunning mogen zij dus de bij invoer verschuldigde btw niet aan de douane betalen.
  1. Dit betekent dat de personen die overeenkomstig artikel 55, §3, tweede lid, van het Btw- Wetboek vooraf zijn erkend, en titularis zijn van een vergunning tot verlegging van heffing, deze regeling moeten toepassen ten aanzien van alle invoeren van goederen die de belasting in België opeisbaar maken en die worden verricht door hun lastgevers waarvoor ze als aansprakelijke vertegenwoordiger optreden onder hun globaal nummer met beginkenmerk BE 0796.5.

Zo ook moeten alle invoeren van goederen die de btw opeisbaar maken in België en die verricht worden door de leden van een btw-eenheid die houder is van een vergunning om de verleggingsregeling toe te passen, onder die regeling plaatsvinden.

Ten slotte moet een gemengde of gedeeltelijke belastingplichtige die houder is van een vergunning tot verlegging van heffing, deze regeling ook toepassen ten aanzien van de invoeren van goederen die hij bestemt voor zijn activiteit die is vrijgesteld op grond van artikel 44 van het Btw-Wetboek of die niet in het Btw-Wetboek bedoeld wordt.

C. VERGUNNING

Aanvraag tot het bekomen van een vergunning

  1. De belastingplichtige die de wegens invoer verschuldigde btw wil voldoen volgens de verleggingsregeling moet vooraf een vergunning hebben bekomen die door of vanwege de Minister van Financiën wordt uitgereikt.

De vergunning draagt de referte E.T. 14.000/…, gevolgd door het vergunningsnummer.

  1. De vergunning dient aangevraagd te worden op het volgende adres:

Federale Overheidsdienst Financiën

Algemene Administratie van de Fiscaliteit

Administratie Kleine en Middelgrote Ondernemingen - Centrale diensten Managementondersteuning - Vergunningen

Koning-Albert II-laan 33 bus 28

1030 BRUSSEL

  1. De aanvraag moet worden ingediend op briefpapier van de aanvrager en zijn opgesteld conform het model in bijlage I van onderhavige circulaire wanneer de aanvrager geregistreerd is onder een individueel btw-nummer, of het model in bijlage II wanneer de aanvraag gebeurt voor een globaal btw-nummer. Desgewenst kan de aanvrager ook op de website www.myminfin.be (« tabblad formulieren ») van de FOD Financiën een voorgedrukte aanvraag downloaden. Hij moet dat formulier alsdan zelf aanvullen en het vervolgens aan voornoemd adres toesturen.

Indien de aanvrager een belastingplichtige is die in België is geïdentificeerd onder een individueel nummer, dient hij, naargelang het geval, te vermelden dat hij reeds één of meerdere invoeren heeft verricht in de twaalf maanden die zijn aanvraag tot vergunning voorafgaan dan wel dat hij in de nabije toekomst één of meerdere invoeren zal verrichten (z. punt 25). In dat laatste geval dient de aanvraag te zijn vergezeld van de documenten die de geplande invoeractiviteit staven (contracten, bestelbons, betalingen, …).

  1. Indien de daartoe gestelde voorwaarden zijn vervuld wordt de vergunning verleend binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de datum van aanvraag. Wanneer niet aan die voorwaarden is voldaan wordt de aanvraag binnen diezelfde termijn verworpen door een met reden omklede beslissing die per aangetekende brief aan de aanvrager wordt genotificeerd.

Toekenningsvoorwaarden van de vergunning

  1. Artikel 5, §4, eerste of tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 7 bepaalt de voorwaarden waaronder de vergunning wordt verleend om de ter zake van invoer verschuldigde btw te voldoen met verlegging van de heffing. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt naargelang de aanvrager een belastingplichtige is die in België onder een individueel nummer is geïdentificeerd dan wel een vooraf erkend persoon die beschikt over een globaal identificatienummer met beginkenmerk BE 0796.5.

De aanvrager is een belastingplichtige die in België is geïdentificeerd onder een individueel nummer.

  1. De vergunning wordt uitgereikt aan de belastingplichtigen bedoeld in punt 10, a), b), c), die aan de volgende voorwaarden voldoen:

- ze hebben een invoeractiviteit of kunnen aantonen dat dat in de nabije toekomst het geval zal zijn;

- ze hebben alle periodieke aangiften bedoeld in artikel 53, §1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek ingediend met betrekking tot de handelingen die zij hebben verricht sinds de vier kalenderkwartalen die aan de aanvraag om vergunning voorafgaan en hebben de belasting voldaan waarvan de opeisbaarheid blijkt uit die aangiften;

- ze hebben geen belastingschuld die voortvloeit uit overtredingen inzake btw en waarvoor de administratie beschikt over een schuldvordering die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is.

  1. De administratie reikt de vergunning niet uit wanneer de aanvrager gedurende de twaalf maanden die zijn aanvraag voorafgaan, geen enkele invoer heeft verricht die de btw in België opeisbaar heeft gemaakt en hij bovendien geen contracten of andere documenten kan voorleggen die een invoeractiviteit in de nabije toekomst in het vooruitzicht stellen en dus het belang van de verleggingsregeling bij invoer aantonen.
  1. De vergunning zal ook niet uitgereikt worden wanneer blijkt dat de belastingplichtige aanvrager, voor de handelingen die hij heeft verricht sinds de vier kalenderkwartalen die zijn aanvraag om vergunning voorafgingen, niet alle periodieke btw-aangiften heeft ingediend of de belasting niet heeft betaald waarvan de opeisbaarheid blijkt uit één of meerdere aangiften die hij m.b.t. die periode heeft ingediend.

De belastingplichtige die in gebreke was, maar die op het tijdstip van de aanvraag van de vergunning alsnog aan al zijn verplichtingen heeft voldaan, behoudt echter zijn recht op de vergunning.

  1. Tenslotte wordt de vergunning evenmin uitgereikt wanneer de aanvrager nog schuldenaar is van een niet-betwiste btw-schuld.

De aanvrager is een vooraf erkend persoon die titularis is van een globaal identificatienummer met beginkenmerk BE 0796.5

  1. De vergunning wordt uitgereikt aan de vooraf erkende personen bedoeld in punt 10, d), die aan de volgende voorwaarden voldoen:

- ze hebben alle periodieke aangiften bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek ingediend met betrekking tot de handelingen die hun lastgevers hebben verricht sinds de vier kalenderkwartalen die voorafgaan aan de aanvraag om vergunning en hebben de belasting voldaan waarvan de verschuldigdheid blijkt uit die aangiften;

- ze zijn op grond van artikel 55, § 4, tweede lid, van het Btw-Wetboek met hun lastgevers niet gehouden tot betaling van een belastingschuld voortvloeiend uit overtredingen inzake btw, waarvoor de administratie over een schuldvordering beschikt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is.

Aangezien het globaal nummer met beginkenmerk BE 0796.5 enkel kan worden toegekend als de aanvrager-lasthebber tegenover de administratie aantoont dat zijn niet in België gevestigde lastgevers in België een invoeractiviteit hebben of zullen ontplooien (3), is er in principe geen beletsel voor de uitreiking van de vergunning, onmiddellijk na de toekenning van het globaal nummer, indien supplementair wordt aangetoond dat de invoer de belasting opeisbaar zal maken.

(3) Z. punt 224 van de circulaire AOIF nr. 4/2003

  1. De administratie reikt de vergunning niet uit wanneer blijkt dat de vooraf erkende persoon niet alle periodieke btw-aangiften heeft ingediend m.b.t. de handelingen die zijn lastgevers hebben verricht sinds de vier kalenderkwartalen die zijn aanvraag om vergunning voorafgingen, of dat hij de belasting niet heeft betaald waarvan de opeisbaarheid blijkt uit één of meerdere van de aangiften die hij m.b.t. die periode heeft ingediend.

De vooraf erkende persoon die in gebreke was, maar die op het tijdstip van de aanvraag van de vergunning alsnog aan al zijn verplichtingen heeft voldaan, behoudt zijn recht op de vergunning.

  1. De vergunning wordt ook niet uitgereikt aan de vooraf erkende persoon die, op het tijdstip van de aanvraag om vergunning, krachtens artikel 55, §4, tweede lid, van het Btw- Wetboek met zijn lastgever hoofdelijk gehouden is tot voldoening van een niet-betwiste btw- schuld.

Inwerkingtreding van de vergunning

  1. De vergunning treedt in werking op de datum waarop ze wordt verleend en is dus toepasselijk op alle aangiften voor het verbruik die vanaf die datum door de douane worden aanvaard en die de opeisbaarheid van de belasting vaststellen.

Duur van de vergunning

  1. De vergunning wordt verleend voor onbepaalde duur.

Afzien van de vergunning

  1. De vergunninghouder mag op ieder ogenblik afzien van de vergunning. In dat geval moet hij dit melden aan de administratie. Hij stelt daartoe een brief op, conform het model in bijlage III bij deze aanschrijving. Deze verzaking stuurt hij per aangetekend schrijven naar het volgende adres:

Federale Overheidsdienst Financiën Algemene Administratie van de Fiscaliteit

Administratie Kleine en Middelgrote Ondernemingen - Centrale diensten Managementondersteuning - Vergunningen

Koning-Albert II-laan 33 bus 28

1030 Brussel

  1. Desgewenst kan de belastingplichtige op de website www.myminfin.be (« tabblad formulieren ») van de FOD Financiën een voorgedrukte kennisgeving van verzaking downloaden. Hij moet dat formulier alsdan zelf aanvullen en het vervolgens per aangetekend schrijven toesturen aan voornoemd adres.

Ambtshalve verval van de vergunning

  1. De vergunning vervalt ambtshalve wanneer de vergunninghouder:

- niet meer gehouden is tot het indienen van maand- of kwartaalaangiften bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek . Dat kan onder meer het geval zijn bij stopzetting van de activiteit, faillissement, fusie, toetreding tot een btw- eenheid, ontbinding van een btw-eenheid…;

- de hoedanigheid verliest van vooraf erkend persoon zoals bedoeld in artikel 55, §3, tweede lid, van het Btw-Wetboek.

Intrekking van de vergunning

  1. Onverminderd de gebeurlijke straffen die bij de wet zijn uitgevaardigd, kan de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde, bij toepassing van artikel 5, §6, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 7, de vergunning intrekken indien zij werd verleend op grond van een onjuiste verklaring of als de vergunninghouder niet meer voldoet aan de verplichtingen die hem zijn opgelegd door artikel 53, §1, 2° en 3° van het Btw-Wetboek of de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Zo kan de vergunning o.m. worden ingetrokken wanneer de vergunninghouder:

- één of meerdere periodieke btw-aangiften niet of laattijdig indient;

- belastbare handelingen niet, slechts gedeeltelijk dan wel laattijdig opneemt in zijn periodieke btw-aangiften;

- btw ten onrechte heeft afgetrokken, bijvoorbeeld invoer-btw waarvan het verschuldigde bedrag niet of nog niet werd opgenomen in rooster 57 van zijn periodieke btw-aangiften;

- de btw waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de ingediende periodieke btw-aangiften niet of laattijdig betaalt.

  1. De administratie kan de vergunning ook intrekken wanneer de belastingplichtige gedurende de voorbije twee kalenderjaren geen enkele invoer heeft verricht.
  1. Iedere intrekking van de vergunning wordt gemotiveerd en per aangetekende brief aan de belastingplichtige betekend. De afgifte van de brief aan de post geldt als notificatie vanaf de derde dag volgend op de dag van afgifte.

De vergunning kan niet niet meer worden toegepast vanaf de dag volgend op deze waarop de notificatie heeft plaatsgevonden.

  1. Ingeval van intrekking op grond van het bepaalde in punt 36, kan de vergunning slechts opnieuw worden aangevraagd na het verstrijken van een periode van twaalf maanden volgend op de maand waarin de beslissing tot intrekking werd betekend (artikel 5, § 6, tweede lid, van het koninklijk besluit nr.7). Indien een gunstig gevolg kan worden gegeven aan die aanvraag zal de oorspronkelijke vergunning opnieuw worden geactiveerd.
  1. Ingeval van intrekking op grond van het bepaalde in punt 37, kan de vergunning opnieuw worden aangevraagd wanneer een invoeractiviteit in de nabije toekomst in het vooruitzicht wordt gesteld (z. punt 25). Indien een gunstig gevolg kan worden gegeven aan die aanvraag zal de oorspronkelijke vergunning opnieuw worden geactiveerd.

Overgangsbepaling

  1. De vergunningen die op 3 juli 2013 om middernacht rechtsgeldig van kracht waren, blijven geldig met behoud van hun nummer. Er dient ter zake geen enkele demarche te worden verricht.

D. WERKING VAN DE REGELING

Bij de invoer te vervullen formaliteiten invoerdocument

  1. Voor elke invoer die de btw in België opeisbaar maakt moeten de vergunninghouders bij de douane een Enig document indienen dat als aangifte ten verbruik (4) wordt gebruikt.
  1. De aangever moet op eigen verantwoordelijkheid de code “G” aanbrengen in de kolom “WB” (wijze van betaling) van het vak 47 van het Enig document. Daarenboven moet vak 48 van dat document worden aangevuld met het nummer van de uitgereikte vergunning.

(4) De regels die bij het gebruik van het Enig document moeten worden in acht genomen, worden uiteengezet in de Instructie Enig document – 1999 (D.I. 530.11) van de Administratie der douane en accijnzen

Boekhoudkundige verplichtingen

  1. De Enige documenten waarmee de ingevoerde goederen voor het verbruik zijn aangegeven moeten worden ingeschreven in het boek voor inkomende facturen.
  1. Het bedrag van de btw waarvan de verschuldigdheid blijkt uit vak 47 van het Enig document dat als aangifte ten verbruik werd gebruikt, moet worden opgenomen in rooster 57 van de maand- of kwartaalaangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de aangifte ten verbruik van de ingevoerde goederen door de douane werd aanvaard (5). Datzelfde bedrag mag worden opgenomen in rooster 59 van dezelfde aangifte, voor het gedeelte waarvan de aftrek bij toepassing van de artikelen 45 en 46 van het Btw-Wetboek is toegestaan.

(5) In geval van maandelijkse globalisatie van de aangiften, aanvaardt de douane de invoeraangifte in de loop van de maand volgend op die waarin de invoeren werden verricht.

  1. Het rooster 57 mag niet verminderd worden met een bedrag van de belasting dat betrekking heeft op invoeren waarvoor een creditnota werd ontvangen.
  1. De maatstaf van heffing bij invoer die voorkomt in het vak 47 van het Enig document, wordt opgenomen in rooster 87 van de periodieke btw-aangifte alsook, naargelang de aard der ingevoerde goederen, in rooster 81, 82 of 83.

E. BIJZONDERHEDEN M.B.T. DE BTW-EENHEID

Algemeen

  1. Sinds 1 april 2007 kunnen in België gevestigde belastingplichtigen die financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar zijn verbonden, worden aangemerkt als één belastingplichtige voor de toepassing van de btw, de zogenaamde btw-eenheid.
  1. Een belastingplichtige die deel uitmaakt van een btw-eenheid wordt lid van een btw- eenheid genoemd. De leden van een btw-eenheid duiden één van hen aan om in hun naam en voor hun rekening de rechten uit te oefenen die aan de btw-eenheid zijn verleend en de verplichtingen na te komen die haar zijn opgelegd door of ter uitvoering van het Btw- Wetboek. Dit lid wordt vertegenwoordiger van de btw-eenheid genoemd.
  1. De btw-eenheid wordt als één enkele belastingplichtige aangemerkt zowel vanuit het oogpunt van de goederen die haar door derden worden geleverd, als vanuit het oogpunt van de levering van goederen tussen de leden onderling.

Daaruit volgt dat de invoeren van goederen verricht door een lid, geacht worden te zijn verricht door de btw-eenheid zelf, die hier zal optreden als geadresseerde zoals bepaald in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 7, zelf. De regeling van de verlegging van heffing bij invoer moet dan ook worden toegepast in hoofde van de btw-eenheid en niet in hoofde van haar leden afzonderlijk.

Niettegenstaande het feit dat de btw-eenheid de geadresseerde bij invoer is, bepaalt artikel 9, §1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 7 dat op de invoeraangifte de naam, het adres en het sub-btw-identificatienummer moeten vermeld worden van het betrokken lid dat de invoer heeft verricht.

  1. De regels uiteengezet in de punten 9 tot en met 47 van onderhavige circulaire, zijn toepasselijk op de btw-eenheid. Toch moeten voor de toepassing van het stelsel van de verlegging van heffing bij invoer, bepaalde bijzonderheden in acht genomen worden ter gelegenheid van de vorming, tijdens het bestaan en bij de ontbinding van een btw-eenheid alsmede bij de eventuele wijzigingen in de samenstelling van de leden van die eenheid. Deze bijzonderheden worden toegelicht in de hierna volgende punten.

Vorming van een btw-eenheid

  1. Wanneer de btw-eenheid de verlegging van de heffing bij invoer wil toepassen, moet haar vertegenwoordiger daartoe een aanvraag indienen op de wijze uiteengezet in de punten 20 en 21. De btw-eenheid kan geen gebruik maken van de vergunning om de ter zake van invoer verschuldigde btw te verleggen waarvan één van haar leden in voorkomend geval titularis was vóór zijn toetreding tot de btw-eenheid (z. punt 50).
  1. De voorwaarden die in de punten 23 tot 27 zijn gesteld voor het bekomen van de vergunning, moeten zijn voldaan in hoofde van de btw-eenheid. Daaruit volgt onder meer dat een btw-eenheid de vergunning slechts kan bekomen wanneer ze gehouden is tot het indienen van periodieke btw-aangiften bedoeld in artikel 53, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek (z. punt. 10, a)).
  1. De vergunning om de btw bij invoer te voldoen met verlegging van de heffing wordt aan de btw-eenheid uitgereikt en draagt een eigen nummer. Dit nummer moet gebruikt worden door elk lid van de btw-eenheid dat invoeren verricht die de btw in België opeisbaar maken.
  1. Wanneer een belastingplichtige die houder is van een vergunning om de btw bij invoer te voldoen met verlegging van de heffing tot een btw-eenheid toetreedt, vervalt die vergunning ambtshalve op het tijdstip van zijn toetreding.

De vervallen vergunning kan derhalve niet meer rechtsgeldig worden ingeroepen door het betrokken lid of door de btw-eenheid voor een invoer die een lid van de btw-eenheid zou verrichten.

Uittreding van een lid uit een btw-eenheid

  1. Ingevolge de uittreding van een lid kunnen zich op het niveau van de btw-eenheid twee situaties voordoen:

- de btw-eenheid doet nog invoeren en ziet niet af van haar vergunning om de btw bij invoer te voldoen met verlegging van de heffing;

- de btw-eenheid verzaakt aan haar vergunning.

  1. Het lid dat uit een btw-eenheid uittreedt kan zich vanaf het tijdstip van de uittreding niet meer beroepen op de vergunning om de btw bij invoer te voldoen volgens de verlegging van de heffing waarvan de btw-eenheid in voorkomend geval houder is.

In de mate dat het uittredend lid invoeren verricht, kan het desgewenst een nieuwe vergunning op zijn naam aanvragen om de bijzondere wijze van betalen bij invoer in zijnen hoofde te kunnen toepassen.

Toetreding van een nieuw lid tot een bestaande btw-eenheid

  1. Wanneer een nieuw lid toetreedt tot een bestaande btw-eenheid die houder is van een vergunning om de btw bij invoer te voldoen volgens de verlegging van de heffing, moet dat lid zich vanaf de datum van toetreding beroepen op die vergunning voor al zijn invoeren die de btw in België opeisbaar maken.
  1. In geval dat toetredend lid zelf houder is van een vergunning om de bijzondere wijze van betalen bij invoer toe te passen, vervalt die vergunning ambtshalve op het tijdstip van de toetreding van dat lid tot de btw-eenheid.

De vervallen vergunning kan derhalve niet meer rechtsgeldig worden ingeroepen door het betrokken lid of door de btw-eenheid voor een invoer die een lid van de btw-eenheid zou verrichten.

  1. Wanneer de btw-eenheid geen houder is van een vergunning om de ter zake van invoer verschuldigde btw te voldoen met verlegging van de heffing, kan ze die vergunning desgewenst aanvragen.

Ontbinding van een btw-eenheid

  1. Bij de ontbinding van een btw-eenheid die houder is van een vergunning om de bij invoer verschuldigde btw te voldoen met verlegging van de heffing, vervalt die vergunning ambtshalve op de datum van de ontbinding.
  1. Vanaf de datum van de ontbinding van de btw-eenheid kunnen de leden zich niet meer beroepen op de vergunning van de btw-eenheid.

De leden die dat wensen kunnen een aanvraag indienen om een vergunning op hun naam te bekomen om de bijzondere wijze van betalen bij invoer toe te passen.

NAMENS DE MINISTER:

Voor de administrateur-generaal van de Fiscaliteit,

J. MARCKX

Auditeur-generaal van Financiën

BIJLAGEN: Zie de versie in PDF