Aanschrijving 6/1954 d.d. 18.01.1954

Verklaringen van overlijden en van vermoedelijk overlijden

Mijnheer de Directeur,

Ik heb de eer U de tekst te laten geworden:

van de wet van 20 Augustus 1948 betreffende de verklaringen van overlijden en van vermoedelijk overlijden, alsmede betreffende.de overschrijving en de administratieve verbetering van sommige akten van overlijden (Belgisch Staatsblad van 27 Augustus 1948);

van de wet van 30 Juni 1953 houdende goedkeuring van het Verdrag inzake de verklaring van overlijden van vermiste personen en van de Slotakte, ondertekend op 6 April 1950, te Lake‑Success, alsmede de tekst van deze beide documenten (Belgisch Staatsblad van 22 Augustus 1953).

§ 1. De wet van 20 Augustus 1948 heeft het besluit van de Regent van 14 Februari 1946, met betrekking tot dezelfde materie, vervangen (get. aanschr. van 2 April 1946, nr 31); de .toepassingsduur van dit besluit was verlengd geweest achtereenvolgens door de besluitwet van 28 Februari 1947 (get. aanschr. van 21 April 1947, nr 21) en door de wet van 20 Mei 1948 (get. aanschr. van 8 Juni 1948.

§ 2. Gedurende heel de tijd dat het Verdrag in voege zal zijn, t.t.z. tot en met 23 Januari 1957 (zie art. 14, § 1, en 17), stelt dit laatste zich in de plaats van de ermede strijdige bepalingen van de wet van 20 Augustus 1948.

Zoals de voorbereidende werken der voormelde wet van 30 Juni 1953 er de nadruk hebben op gelegd, wijzigt bewust Verdrag de artikelen 1, 2, 4, 5 en 7 van de Wet van 20 Augustus 1948 in zover zij betrekking hebben op de personen wier overlijden kan verklaard worden, de daartoe bevoegde rechtbank, de voorwaarden in dewelke het overlijden wordt verklaard, de personen die de verklaring kunnen aanvragen, het bepalen van de datum van het overlijden en de gevolgen van de verklaring.

Het brengt geen wijziging aan de in artikelen 2 en 3 der wet van 1948 vervatte bepalingen betreffende de procedure tot verklaring van overlijden, noch aan artikel 6 van deze wet waarbij de overschrijving in de registers van de burgerlijke stand voorgeschreven wordt van de gerechtelijk beslissing tot verklaring van overlijden.

Zijn evenmin gewijzigd de artikelen 8 en volgende van dezelfde wet met betrekking namelijk tot de overschrijving van sommige akten van de burgerlijke stand, de administratieve verklaring van vermoedelijk overlijden, de administratieve verbetering van sommige akten van de burgerlijke stand en de fiscale bepalingen.

§ 3. In verband met de heffing der registratie-, griffie- en zegelrechten wordt de aandacht gevestigd op de artikelen 19 en. 20 van de wet van 20 Augustus 1948, waarbij de vrijstellingen hernomen werden die voordien uit de artikelen 24 en 25 van het besluit van de Regent van 14 Februari 1946 voortvloeiden. Het spreekt vanzelf dat de uit voornoemde teksten voortspruitende vrijstellingen, die onderscheidenlijk in het Wetboek der registratierechten onder artikel 301, 9° (zie get, aanschr. van 12 Maart 1953, nr 13), en in het Wetboek der zegelrechten onder artikel 82^1, 5°, werden ingelast, toepasselijk zijn zowel voor de uitvoering van het Verdrag van 6 April 1950 als voor de uitvoering der wet van 20 Augustus 1948 (zie bovendien art. 12 van het Verdrag),

§ 4. Het zal U niet ontgaan dat de verklaringen van overlijden welke uitgesproken worden overeenkomstig het gezegd Verdrag of de wet van 20 Augustus 1948 de vordering mogelijk maken, volgens het geval, van het successierecht of van het recht van overgang bij overlijden.

§ 5. Wat betreft de in hoofdstuk III van voormelde wet van 20 Augustus 1948 bedoelde administratieve verklaringen van vermoedelijk overlijden, zij volstaan op zich zelf niet om de successiebelasting opvorderbaar te maken. In de regel mag deze belasting, uit hoofde van de nalatenschap van een persoon wiens overlijden aldus vermoed wordt, dan alleen gevorderd worden wanneer het feit van het overlijden vaststaat.

Vooraleer het overlijden van deze persoon bewezen is, wordt het recht evenwel eisbaar wanneer zijn vermoedelijke erfgenamen, legatarissen of begiftigden in voorlopig of definitief bezit gesteld werden of wanneer dé inbezitneming door hen, bij gebrek aan vonnis, uit akten blijkt (Wetboek der successierechten, art. 3),

§ 6. Ik herinner dat, in principe, de termijnen om de erfenisaangifte in te dienen en om de rechten te betalen lopen met ingang van de dag van het overlijden, maar dat indien de erfgenamen volstrekt geen kennis hadden van het overlijden, ingevolge de buitengewone omstandigheden waarin het zich voordeed, de termijnen slechts beginnen te lopen vanaf de dag waarop die onwetendheid heeft opgehouden (besl. van 26 Juli 1941, Revue, nr 689).

Gaat het om het overlijden van Rijksinwoners dat, tengevolge van omstandigheden te wijten aan de oorlog, niet in de registers van de burgerlijke stand van een Belgische gemeente werd vastgesteld, dan dient op algemene wijze aangenomen dat de onwetendheid van de erfgenamen nopens het overlijden slecht heeft opgehouden de dag van de inschrijving der akte van overlijden in bedoelde registers, of van de overschrijving in laatstgemelde van een vonnis of arrest tot verklaring van overlijden.

Zo de erfgenamen, in het bij voorgaande alinea voorziene geval, spontaan de aangifte indienen vooraleer het overlijden wettelijk Vastgesteld is en vóór een vonnis van inbezitstelling of een akte die van de inbezitneming der goederen van de overledene laat blijken, dan is het de datum van de indiening der aangifte welke dient beschouwd als het vertrekpunt van de termijnen.

§ 7. De voorgaande onderrichtingen vervangen die welke het voorwerp hebben uitgemaakt van de getypte aanschrijving van 2 April 1946, nr 31.

Namens de Minister:

De Directeur‑generaal,

E. Schreuder

Bijlagen

Wet van 20 augustus 1948

Wet van 30 juni 1953