Aanschrijving nr. 1 dd. 21.01.1981

AANSCHRIJVING 81/001

Aanschrijving nr. 1 dd. 21.01.1981


Wet van 24/12/80
KB n° 40 (30/12/80)
Vervreemding van gebouwen


Het Belgisch Staatsblad van 31 december 1980 publiceert de wet van 24 december 1980 (Z. deze Revue, blz.155.) tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, betreffende de termijn waarin nieuwe gebouwen door beroepsoprichters kunnen worden vervreemd met toepassing van de BTW. Tevens werd in het Belgisch Staatsblad van 9 januari 1981 het koninklijk besluit nr. 40, van 30 december 1980 (Z. deze Revue, blz.192.), genomen ter uitvoering van genoemde wet, met betrekking tot de vervreemding van gebouwen door beroepsoprichters overeenkomstig het bepaalde in artikel 9, § 3, eerste lid, 2°, van het BTW-Wetboek, bekendgemaakt .

Deze aanschrijving heeft ten doel de nieuwe bepalingen toe te lichten.

I. Algemene draagwijdte van de nieuwe regeling.

1. Gebouwen worden overeenkomstig artikel 9, § 3, van het BTW-Wetboek slechts aangemerkt als goederen die in de werkingssfeer van de BTW komen wanneer ze voor, tijdens of na hun oprichting, doch uiterlijk op 31 december van het jaar na dat waarvoor ze voor het eerst zijn opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing door een in artikel 8 van het Wetboek bedoelde belastingplichtige worden vervreemd.

2. Aangezien opgerichte gebouwen op grond van hun kadastraal inkomen onderworpen zijn aan de onroerende voorheffing vanaf 1 januari volgend op hun ingebruikneming hetzij door de eigenaar, hetzij door een huurder (z. Wetboek Inkomstenbelastingen, art. 159), wordt de BTW-termijn bepaald in functie van hun gebruik. Wanneer bijvoorbeeld de ingebruikneming plaatsvindt op 10 november 1978 en derhalve het gebruik effectief is op 1 januari 1979, verstrijkt de termijn waarin het in gebruik genomen gebouw kan worden vervreemd met toepassing van de BTW op 31 december 1980.

3. Wanneer een beroepsoprichter er niet in slaagt een gebouw te vervreemden voor het verstrijken van.de BTW-termijn brengt dit zware fiscale gevolgen voor hem mee, aangezien hij de aftrek van de BTW geheven bij de oprichting van het gebouw alleen maar onmiddellijk kon verrichten precies omdat hij geacht werd de woning binnen de bedoelde termijn te vervreemden met toepassing van de BTW (z. BTW-Wetboek, art. 8, § 1, tweede lid). Hij dient immers de in artikel 12, § 2, van het BTW-Wetboek bedoelde onttrekking te verrichten waardoor de BTW wordt verschuldigd over de normale waarde van het gebouw (z. Wetboek, art. 33, 1°, en 36, § 1, a). Tevens is de vervreemding van dit gebouw, die na het verstrijken van de BTW-termijn plaatsvindt, onderworpen aan het registratierecht, zonder dat de wegens de onttrekking verschuldigde BTW kan worden gerecupereerd.

4. De beroepsoprichters van gebouwen ondervinden thans moeilijkheden op het stuk van de verkoop en zien zich derhalve vaak verplicht de onverkochte woningen te verhuren, met als gevolg dat de BTW-termijn begint te lopen en dat bij het verstrijken ervan belangrijke regularisaties wegens de toepassing van de onttrekking dienen te worden verricht. Daarom heeft de nieuwe wet ten doel de BTW-termijn met twee jaar te verlengen mits het indienen van een verklaring waarin voor deze regeling wordt geopteerd (z. nr. 14).

5. De nieuwe wet heeft echter een tijdelijk karakter. De verlenging van de BTW-termijn is slechts van toepassing op de gebouwen waarvoor de normale termijn zal verstrijken op 31 december van een van de jaren 1980 tot 1983.

II. Personen bedoeld in de nieuwe wet.

6. Op de verlenging van de BTW-termijn kunnen slechts de beroepsoprichters als bedoeld in artikel 8, § 1, van het BTW-Wetboek aanspraak maken, d.w.z. de personen wiens geregelde werkzaamheid erin bestaat gebouwen op te richten of te laten oprichten om ze voor, tijdens of na de oprichting, onder bezwarende titel, geheel of ten dele te vervreemden.

7. Deze mogelijkheid geldt niet voor toevallige oprichters als bedoeld in artikel 8, § 2, van het Wetboek noch voor personen die overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, § 3, van het Wetboek met voldoening van de belasting een gebouw hebben verkregen met het doel het te vervreemden, ongeacht of deze personen al dan niet handelaar zijn in onroerende goederen.

8. Wanneer echter de uitoefening van de geregelde werkzaamheid van een beroepsoprichter op zeer bijkomstige wijze de aankoop met toepassing van de BTW van een gebouw in oprichting met zich meebrengt en de beroepsoprichter dat gebouw, na het te hebben voltooid, bestemt voor de verkoop, wordt toegestaan dat de mogelijkheid tot verlenging van de BTW-termijn erop van toepassing is.

III. Gebouwen die in aanmerking komen voor de verlenging van de BTW-termijn.

9. De verlenging van de termijn is van toepassing op opgerichte gebouwen (huizen, appartementen, enz.; z. aanschr. 76/ 1970, nr. 10) waarvoor de in artikel 9, § 3, 1°, nieuw, van het Wetboek bedoelde normale termijn respectievelijk verstrijkt op 31 december 1980, 1981, 1982 en 1983 en die op deze data door de beroepsoprichter nog niet zijn vervreemd of nog niet het voorwerp waren van een vervroegde onttrekking als bedoeld in artikel 12, § 2, tweede lid (schenking, verlies van de hoedanigheid van belastingplichtige).

10. Het gaat derhalve om gebouwen die voor het eerst zijn opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing in he jaar 1979 (verstrijken van de normale termijn op 31 december 1980), in het jaar 1980 (verstrijken van de normale termijn op 31 december 1981), in het jaar 1981 (verstrijken van de normale termijn op 31 december 1982) in het jaar 1982 (verstrijken van de normale termijn op 31 december 1983).

IV. Draagwijdte van de verlenging van de BTW-termijn.

11. Op voorwaarde dat een verklaring wordt ingediend waarin de beroepsoprichter opteert voor de verlenging van de termijn (z. nrs. 14 tot 20 hierna), wordt de normale BTW-termijn die respectievelijk verstrijkt op 31 december 1980, 1981, 1982 en 1983 met twee jaar verlengd tot respectievelijk 31 december 1982, 1983, 1984 en 1985 (z. Wetboek, art. 9, § 3, 2°).

12. Dit heeft tot gevolg :

1° dat de beroepsoprichter gedurende twee jaar het recht en de verplichting heeft gebouwen die bij het verstrijken van de normale termijn bepaald in artikel 9, § 3, 1°, nieuw, van het Wetboek niet waren verkocht, met toepassing van de BTW te vervreemden;

2° dat hij de in artikel 12, § 2, van het Wetboek bedoelde onttrekking niet dient te verrichten bij het verstrijken van de normale termijn (z. Wetboek, art. 12, § 2, eerste lid, nieuw), maar dat deze onttrekking, onder voorbehoud van het tweede lid van deze §, met twee jaar wordt uitgesteld ten aanzien van de gebouwen die bij het verstrijken van deze verlengde termijn nog niet zijn verkocht (z. Wetboek, art. 12, § 2, eerste lid, nieuw).

V. Uiterste datum waarop de levering wordt geacht plaats te vinden bij de vervreemding van gebouwen.

13. Ter zake van de vervreemding van gebouwen wordt de levering ervan geacht plaats te vinden uiterlijk bij het verstrijken van de in artikel 9, § 3, van het Wetboek bepaalde termijn.

Voor de gebouwen waarvoor deze termijn werd verlengd met twee jaar, dient bij het bepalen van het tijdstip waarop de levering wordt geacht uiterlijk plaats te vinden, rekening te worden gehouden met deze nieuwe termijn (z. Wetboek, art. 15, § 1, tweede lid, 3°, nieuw).

VI. Door de beroepsoprichter te verrichten formaliteiten voor het bekomen van de verlenging van de BTW-termijn.

Verklaring waarin wordt geopteerd.

14. Om aanspraak te kunnen maken op de verlenging van de BTW-termijn dient de beroepsoprichter een verklaring in drievoud, waarin hij; kennis geeft van zijn bedoeling de vervreemding van de door hem aangeduide gebouwen te doen mel betaling van de belasting, aan het controlekantoor waaronder hij ressorteert te zenden bij een ter post aangetekende brief. De afgifte van het stuk ter post geldt als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag. Een exemplaar van de verklaring, bekleed met een ontvangstmelding, wordt aan de belastingplichtige teruggestuurd (z. kon. besl. nr. 40, art. I en 3).

Termijn voor indiening van de verklaring.

15. De verklaring dient in beginsel bij de controlekantoor te worden ingediend uiterlijk op 31 december van het jaar na dat waarvoor de bedoelde gebouwen voor het eerst zijn opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing (z. kon. besl. nr. 40, art.1). De verklaring met betrekking tot gebouwen die voor het eerst zijn opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing voor het jaar 1979 (verstrijken van de normale termijn op 31 december 1980) mag evenwel worden ingediend uiterlijk op 9 februari 1981 (z. kon. besl. nr. 40, art. 4).

Vermeldingen op te nemen in de verklaring. Aanwijzing van de beroepsoprichter.

16. De verklaring dient te vermelden : de naam of de maatschappelijke benaming van de beroepsoprichter en het adres van zijn administratieve of maatschappelijke zetel, het registratienummer dat hem is toegekend voor de toepassing van de BTW, alsmede zijn inschrijvingsnummer in het handelsregister (z. kon. besl. nr. 40, art. 2, 1°).

Aanduiding van de gebouwen (kon. besl. nr. 40, art. 2, 2°).

17. Vooreerst dient de verklaring, voor elk gebouw, de aard ervan te vermelden (huis, appartement, bedrijfsruimte bestemd voor kantoren, werkplaatsen, fabrieksgebouw, enz.).

18. Zij vermeldt vervolgens de ligging van het gebouw, met het volledige adres, de kadastrale afdeling en het toegekende nummer.

19. De beroepsoprichter vermeldt eveneens de nauwkeurige aanwijzing van elk gebouw of gedeelte van gebouw (b.v. een appartement) waarop de verklaring betrekking heeft. Deze aanwijzing omvat :

1° voor de huizen, het bouwtype (villa, huis in de rij, belétage, met of zonder autobergplaats, enz.), de bewoonbare oppervlakte, de oppervlakte van de grond, het huidige gebruik (verhuur voor privé- of beroepsdoeleinden, gebruik door de oprichter);

2° voor de appartementen, het nummer dat eventueel aan ieder appartement werd toegekend, de bewoonbare oppervlakte, het niveau (gelijkvloers, een bepaalde verdieping), het huidige gebruik (verhuur voor privé- of beroepsdoeleiden, gebruik door de oprichter);

3° voor de andere gebouwen, een omschrijving hoofdzakelijk in functie van hun specifiek gebruik met vermelding van het aantal verdiepingen en de nuttige oppervlakte.

Opneming in het kohier van de onroerende voorheffing.

20. De verklaring dient ten slotte voor elk gebouw of gedeelte van gebouw het jaar te vermelden waarvoor he, voor het eerst is opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing (z. kon. besl. nr. 40, art. 2, 3°). Zoals reeds erop werd gewezen in de nrs. 9 en 10 kan dit slechts het jaar zijn dat het jaar voorafgaat waarvan bij het verstrijken de normale termijn een einde neemt en die wordt verlengd.

VII. Te verrichten formaliteiten op het stuk van het registratierecht.

21. Voor vervreemdingen van gebouwen die geschieden tijdens de periode waarvoor de termijn werd verlengd is de vrijstelling van het registratierecht afhankelijk van de vermelding, in de akte of een geschrift dat bij die akte is gevoegd, van de volgende gegevens :

1° het kantoor waar de vervreemder wegens zijn beroep de periodieke aangiften moet indienen voor de heffing van de BTW;

2° het jaar waarvoor de eerste inkohiering van de onroerende voorheffing der vervreemde gebouwen heeft plaatsgehad, alsmede de datum waarop de vervreemder kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de vervreemding te doen met toepassing van de BTW (datum van indiening van de verklaring bedoeld in nr. 14).

In geval van onjuistheid van die vermeldingen, verbeurt de vervreemder een geldboete gelijk aan het ontdoken recht (z. Wetboek Reg. art. 159, 8°, nieuw).