Circulaire nr. Ci.RH.241/478.895 dd. 12.12.1996
CIRC 12.12.96/1
Circulaire nr. Ci.RH.241/478.895 dd. 12.12.1996
Bull. Nr. 768, pag. 163
HELPER VAN ZELFSTANDIGE
Begrip.
ZELFSTANDIGE
Helper van zelfstandige.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2 en 3.
I. INLEIDING
1. Inkomsten van arbeid verricht "voor rekening van" en "onder het gezag van" een werkgever worden in de regel beschouwd als bezoldigingen als bedoeld in art. 30, 1°, en 31 WIB 92. De personen die deze inkomsten verkrijgen zijn meestal verbonden door een arbeidsovereenkomst. Op het sociale vlak worden zij onderworpen aan de sociale zekerheid der werknemers.
In sommige gevallen worden de inkomsten van belastingplichtigen die een zelfstandige in de uitoefening van zijn beroepsactiviteit helpen en waarvoor geen bijdragen in het kader van de sociale zekerheid der werknemers worden betaald, fiscaal toch als bezoldigingen aangemerkt.
Er is evenwel vastgesteld dat steeds meer personen zich ten onrechte beroepen op hun sociaal statuut van "helpers van zelfstandigen" om hun beroepsinkomsten fiscaal als bezoldigingen (art. 30, 1°, en 31 WIB 92) te laten belasten.
2. Met het oog op een eenvormige behandeling van die gevallen dienen de hiernavolgende richtlijnen strikt te worden toegepast.
De aandacht wordt erop gevestigd dat deze richtlijnen geen nieuwe standpunten bevatten.
II. OP HET SOCIALE VLAK
3. Op sociaal gebied is een "helper van zelfstandige" iedere persoon die een zelfstandige in de uitoefening van zijn beroep bijstaat of vervangt, zonder door een arbeidsovereenkomst verbonden te zijn.
Het feit dat die helpers onderworpen zijn aan het stelsel van de sociale zekerheid van de zelfstandigen, houdt derhalve in dat er noch een arbeidsovereenkomst, noch een band van ondergeschiktheid bestaat.
III. OP HET FISCALE VLAK
4. Daar het begrip "helper van zelfstandige" als dusdanig in de fiscale wetgeving niet bestaat, moeten de personen die op sociaal vlak als "helpers van zelfstandigen" worden aangemerkt, voor de toepassing van de personenbelasting eveneens als zelfstandigen worden beschouwd.
5. De enige afwijking die op fiscaal vlak wordt aanvaard met betrekking tot de kwalificatie van de inkomsten van sommige "helpers van zelfstandigen" betreft de in art. 52, 4°, WIB 92 vermelde personen, namelijk de gezinsleden van de belastingplichtige die met hem samenwerken, met uitzondering van zijn echtgenoot.
Inderdaad, in een dergelijk familiaal verband mag men er in het algemeen van uitgaan dat er een band van ondergeschiktheid bestaat tussen de helpende gezinsleden en de zelfstandige, derwijze dat de vergoedingen (zowel de werkelijke als de fictieve) die de zelfstandige aan de helpende gezinsleden toekent als in art. 30, 1°, en 31 WIB 92 bedoelde bezoldigingen kunnen worden aangemerkt (Het spreekt vanzelf dat indien uit de feiten blijkt dat het inwonend gezinslid niet in een band van ondergeschiktheid werkt, doch als evenwaardige partner de zaak samen met de zelfstandige runt (bv. in de vorm van een feitelijke vereniging), de door dat gezinslid uit de zaak verkregen beroepsinkomsten niet als bezoldigingen, maar wel als in art. 23, § 1, 1° of 2°, WIB 92, bedoelde winst of baten moeten worden aangemerkt.).
6. Onder "gezinsleden" moet worden verstaan de kinderen (of andere verwanten) van de belastingplichtige die deel uitmaken van zijn gezin, d.w.z. die werkelijk met hem samenwonen.
7. Wanneer het daarentegen niet om een helpend gezinslid gaat, omdat de helper geen verwant is van de zelfstandige of omdat hij/zij niet werkelijk samenwoont met de zelfstandige, zijn de inkomsten, naargelang van het geval, winst of baten als bedoeld in art. 23, § 1, 1° of 2°, WIB 92.
IV. FISCALE VERPLICHTINGEN
8. Wat de "helpende gezinsleden van zelfstandigen" (bezoldigde inwonende verwanten) betreft:
9. Wat daarentegen de andere "helpers" betreft, nl. die welke op fiscaal vlak als zelfstandigen moeten worden beschouwd:
NAMENS DE MINISTER:
Circulaire nr. Ci.RH.241/478.895 dd. 12.12.1996
Bull. Nr. 768, pag. 163
HELPER VAN ZELFSTANDIGE
Begrip.
ZELFSTANDIGE
Helper van zelfstandige.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2 en 3.
I. INLEIDING
1. Inkomsten van arbeid verricht "voor rekening van" en "onder het gezag van" een werkgever worden in de regel beschouwd als bezoldigingen als bedoeld in art. 30, 1°, en 31 WIB 92. De personen die deze inkomsten verkrijgen zijn meestal verbonden door een arbeidsovereenkomst. Op het sociale vlak worden zij onderworpen aan de sociale zekerheid der werknemers.
In sommige gevallen worden de inkomsten van belastingplichtigen die een zelfstandige in de uitoefening van zijn beroepsactiviteit helpen en waarvoor geen bijdragen in het kader van de sociale zekerheid der werknemers worden betaald, fiscaal toch als bezoldigingen aangemerkt.
Er is evenwel vastgesteld dat steeds meer personen zich ten onrechte beroepen op hun sociaal statuut van "helpers van zelfstandigen" om hun beroepsinkomsten fiscaal als bezoldigingen (art. 30, 1°, en 31 WIB 92) te laten belasten.
2. Met het oog op een eenvormige behandeling van die gevallen dienen de hiernavolgende richtlijnen strikt te worden toegepast.
De aandacht wordt erop gevestigd dat deze richtlijnen geen nieuwe standpunten bevatten.
II. OP HET SOCIALE VLAK
3. Op sociaal gebied is een "helper van zelfstandige" iedere persoon die een zelfstandige in de uitoefening van zijn beroep bijstaat of vervangt, zonder door een arbeidsovereenkomst verbonden te zijn.
Het feit dat die helpers onderworpen zijn aan het stelsel van de sociale zekerheid van de zelfstandigen, houdt derhalve in dat er noch een arbeidsovereenkomst, noch een band van ondergeschiktheid bestaat.
III. OP HET FISCALE VLAK
4. Daar het begrip "helper van zelfstandige" als dusdanig in de fiscale wetgeving niet bestaat, moeten de personen die op sociaal vlak als "helpers van zelfstandigen" worden aangemerkt, voor de toepassing van de personenbelasting eveneens als zelfstandigen worden beschouwd.
5. De enige afwijking die op fiscaal vlak wordt aanvaard met betrekking tot de kwalificatie van de inkomsten van sommige "helpers van zelfstandigen" betreft de in art. 52, 4°, WIB 92 vermelde personen, namelijk de gezinsleden van de belastingplichtige die met hem samenwerken, met uitzondering van zijn echtgenoot.
Inderdaad, in een dergelijk familiaal verband mag men er in het algemeen van uitgaan dat er een band van ondergeschiktheid bestaat tussen de helpende gezinsleden en de zelfstandige, derwijze dat de vergoedingen (zowel de werkelijke als de fictieve) die de zelfstandige aan de helpende gezinsleden toekent als in art. 30, 1°, en 31 WIB 92 bedoelde bezoldigingen kunnen worden aangemerkt (Het spreekt vanzelf dat indien uit de feiten blijkt dat het inwonend gezinslid niet in een band van ondergeschiktheid werkt, doch als evenwaardige partner de zaak samen met de zelfstandige runt (bv. in de vorm van een feitelijke vereniging), de door dat gezinslid uit de zaak verkregen beroepsinkomsten niet als bezoldigingen, maar wel als in art. 23, § 1, 1° of 2°, WIB 92, bedoelde winst of baten moeten worden aangemerkt.).
6. Onder "gezinsleden" moet worden verstaan de kinderen (of andere verwanten) van de belastingplichtige die deel uitmaken van zijn gezin, d.w.z. die werkelijk met hem samenwonen.
7. Wanneer het daarentegen niet om een helpend gezinslid gaat, omdat de helper geen verwant is van de zelfstandige of omdat hij/zij niet werkelijk samenwoont met de zelfstandige, zijn de inkomsten, naargelang van het geval, winst of baten als bedoeld in art. 23, § 1, 1° of 2°, WIB 92.
IV. FISCALE VERPLICHTINGEN
8. Wat de "helpende gezinsleden van zelfstandigen" (bezoldigde inwonende verwanten) betreft:
- moeten de inkomsten worden aangegeven in vak II van de aangifte in de personenbelasting (Rubrieken A, 1 en I (aangifte aj. 1996));
- zijn de regels en schalen inzake bedrijfsvoorheffing van toepassing (bijlage III aan het KB/WIB 92);
- moet de zelfstandige m.b.t. die gezinsleden individuele fiches 281.10 en een samenvattende opgave 325.10 indienen.
9. Wat daarentegen de andere "helpers" betreft, nl. die welke op fiscaal vlak als zelfstandigen moeten worden beschouwd:
- dienen de inkomsten, naargelang van het geval, te worden aangegeven in vak XIV (winst) of XV (baten) van de aangifte in de personenbelasting;
- zijn de bepalingen inzake bedrijfsvoorheffing niet, maar die inzake voorafbetalingen wel van toepassing;
- moet de zelfstandige voor die personen individuele fiches 281.50 en een samenvattende opgave 325.50 indienen.
NAMENS DE MINISTER:
Voor de Directeur-generaal:
De Auditeur-generaal,
V. KINDT.
Bron: FisconetPlus
