Circulaire nr. AFZ/2005-1124 (AFZ 12/2006) dd. 06.06.2006
CIRC 06.06.06/1
Circulaire nr. AFZ/2005-1124 (AFZ 12/2006) dd. 06.06.2006
WETBOEK VAN DE MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE BELASTINGEN
WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992
WETBOEK VAN DE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE
Invoering van een fiscale definitie van het begrip "lichte vrachtauto" in de fiscale wetgeving
Commentaar op de programmawet van 27 december 2005 en de bijzondere wet van 27 december 2005 tot wijziging van de belastbare materie bepaald in artikel 94, 1°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen inzake de belasting op de inverkeerstelling (BS 30.12.2005, Ed. 2).
Aan al de ambtenaren van de niveau's A, B en C.
I. INLEIDING
1. Deze circulaire geeft een eerste commentaar op Hoofdstuk IV van de programmawet van 27 december 2005 tot wijzigingen aan het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met betrekking tot het begrip "lichte vrachtauto", en aan het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
2. Deze circulaire geeft eveneens een eerste commentaar op de bijzondere wet van 27 december 2005 tot wijziging van de belastbare materie bepaald in artikel 94, 1°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen inzake de belasting op de inverkeerstelling.
II. WETTELIJKE BEPALINGEN
a) Programmawet van 27 december 2005
"PROGRAMMAWET
…………
TITEL VII. - Financiën
…………
HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen aan het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met betrekking tot het begrip "lichte vrachtauto", en aan het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
Afdeling 1. - Wijzigingen aan het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
3. Art. 101. Artikel 4 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt aangevuld met de §§ 2 en 3, luidende :
« § 2. In afwijking van § 1, wordt, voor de toepassing van de bepalingen van Titel II, Hoofdstuk VI, en van Titel VI, onder motorvoertuig bestemd voor het vervoer van goederen waarvan de maximaal toegelaten massa 3 500 kilogram niet overschrijdt, ook « lichte vrachtauto » genoemd, verstaan :
a) elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximaal toegelaten massa 3 500 kg niet overschrijdt, bestaande uit een volledig van de laadruimte afgesloten enkele cabine die ten hoogste twee plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak;
b) elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximaal toegelaten massa 3 500 kg niet overschrijdt, bestaande uit een volledig van de laadruimte afgesloten dubbele cabine die ten hoogste zes plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak;
c) elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximaal toegelaten massa 3 500 kg niet overschrijdt, gelijktijdig bestaande uit een passagiersruimte die ten hoogste twee plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen en een daarvan afgesloten laadruimte waarvan de afstand, tussen elk punt van de scheidingswand achter de zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, steeds minstens 50 % dient te bedragen van de lengte van de wielbasis. Deze laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een van het koetswerk deel uitmakende, vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor bijkomende banken, zetels of veiligheidsgordels;
d) elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximaal toegelaten massa 3 500 kg niet overschrijdt, gelijktijdig bestaande uit een passagiersruimte die ten hoogste zes plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen en een daarvan volledig afgesloten laadruimte waarvan de afstand, tussen elk punt van de scheidingswand achter de laatste rij zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, steeds minstens 50 % dient te bedragen van de lengte van de wielbasis. Deze laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een van het koetswerk deel uitmakende, vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor bijkomende banken, zetels of veiligheidsgordels.
§ 3. Indien het in de voormelde reglementering als lichte vrachtauto aangeduid voertuig, niet beantwoordt aan één van de in § 2 opgesomde voertuigtypes, wordt het in de zin van Titel II, Hoofdstuk VI, en van Titel VI, afhankelijk van zijn constructie, beschouwd als een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus. »
4. Art. 102. In artikel 12, § 1, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden «, met inbegrip van de lichte vrachtauto's die zijn bedoeld in artikel 4, § 3, » ingevoegd tussen het woord « minibussen » en de woorden « waarvan de motor, ».
5. Art. 103. In artikel 108 van hetzelfde Wetboek, worden de woorden «, met inbegrip van de lichte vrachtauto's die zijn bedoeld in artikel 4, § 3, » ingevoegd tussen het woord « minibussen » en de woorden « met gasoliemotor. »
Afdeling 2. - Wijzigingen aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
6. Art. 104. In artikel 65 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het woord « vermelde » vervalt;
2° de woorden « met inbegrip van de lichte vrachtauto's bedoeld in artikel 4, § 3, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, » worden ingevoegd tussen de woorden « inschrijving van motorvoertuigen, » en de woorden « worden de in artikel 62 vermelde bedoelde bijkomende kosten »..
7. Art. 105. In artikel 66 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 6 juli 1994 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
« § 1. Met uitzondering van de kosten van brandstof zijn beroepskosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen en op die voertuigen geleden minderwaarden, slechts tot 75 pct. aftrekbaar. »;
2° de Franse tekst van § 2 wordt vervangen als volgt :
« § 2. Le § 1er ne s'applique pas :
1° aux véhicules qui sont affectés exclusivement à un service de taxis ou à la location avec chauffeur et sont exemptés à ce titre de la taxe de circulation sur les véhicules automobiles;
2° aux véhicules qui sont affectés exclusivement à l'enseignement pratique dans des écoles de conduite agréées et qui sont spécialement équipés à cet effet;
3° aux véhicules qui sont donnés exclusivement en location à des tiers. »;
3° in de Franse tekst van § 3, worden de woorden « aux voitures visées au § 2, 1° et 3°, » vervangen door de woorden « aux véhicules visés au § 2, 1° et 3°, ». »
8. Art. 106. In artikel 75, 5°, van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de inleidende zin worden de woorden « met inbegrip van de lichte vrachtauto's bedoeld in artikel 4, § 3, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, » ingevoegd tussen de woorden « inschrijving van motorvoertuigen, » en de woorden « daaronder niet begrepen : »;
2° de Franse tekst van a) en b) wordt vervangen als volgt :
« a) de véhicules qui sont affectés exclusivement à un service de taxis ou à la location avec chauffeur et qui sont exemptés à ce titre de la taxe de circulation sur les véhicules automobiles;
b) de véhicules qui sont affectés exclusivement à l'enseignement pratique dans des écoles de conduite agréées et qui sont spécialement équipés à cet effet; ».
Afdeling 3. - Wijzigingen aan het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
9. Art. 107. Artikel 45, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van 28 december 1992, wordt vervangen als volgt :
« § 2. Ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van autovoertuigen bestemd voor het vervoer van personen en/of goederen over de weg, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 pct. van de betaalde belasting.
Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de volgende autovoertuigen :
a) de voertuigen met een maximaal toegelaten massa van meer dan 3 500 kg;
b) de voertuigen voor personenvervoer met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet inbegrepen;
c) de voertuigen die speciaal zijn ingericht voor het vervoer van zieken, gewonden en gevangenen en voor lijkenvervoer;
d) de voertuigen die, omwille van hun technische kenmerken, niet kunnen worden ingeschreven in het repertorium van de Dienst voor Inschrijving van de Voertuigen;
e) de voertuigen die speciaal zijn uitgerust voor het kamperen;
f) de voertuigen bedoeld in artikel 4, § 2, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen;
g) de bromfietsen en de motorfietsen;
h) de voertuigen bestemd om te worden verkocht door een belastingplichtige die een economische activiteit uitoefent die bestaat in de verkoop van autovoertuigen;
i) de voertuigen bestemd om te worden verhuurd door een belastingplichtige die een economische activiteit uitoefent die bestaat in de verhuur van autovoertuigen aan om het even wie;
j) de voertuigen bestemd om uitsluitend te worden gebruikt voor bezoldigd personenvervoer;
k) de nieuwe voertuigen in de zin van artikel 8bis, § 2, 2°, eerste gedachtestreep, andere dan deze bedoeld onder h), i) en j), die het voorwerp uitmaken van een op grond van artikel 39bis vrijgestelde levering. In dit geval wordt de aftrek slechts uitgeoefend binnen de grenzen of ten belope van het bedrag van de belasting dat op deze levering opeisbaar zou zijn indien ze niet vrijgesteld zou zijn op grond van voornoemd artikel 39bis. ».
b) Bijzondere wet van 27 december 2005 tot wijziging van de belastbare materie bepaald in artikel 94, 1°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen inzake de belasting op de inverkeerstelling
10. Art. 2. In artikel 94, 1°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, worden de woorden « zoals zij worden verstaan in de zin van artikel 4, § 3, » ingevoegd tussen de woorden « de aanhangwagens en » en de woorden « voorzover ».
III. INWERKINGTREDING
11. De wijzigingen aangebracht aan de artikelen 4 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (zie punt 3) en 45, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (zie punt 9) bij de programmawet treden in werking op 1 januari 2006.
12. De wijzigingen aangebracht aan de artikelen 12 en 108 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (zie respectievelijk punten 4 en 5) bij de programmawet en aan artikel 94, 1°, van hetzelfde Wetboek bij de bijzondere wet (zie punt 10) treden in werking vanaf het aanslagjaar 2006.
13. De wijzigingen aangebracht aan de artikelen 65 en 66 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (zie respectievelijk punten 6 en 7) bij de programmawet zijn van toepassing vanaf het aanslagjaar 2007.
14. De wijzigingen aangebracht aan artikel 75, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (zie punt 8) bij de programmawet zijn van toepassing op de voertuigen verkregen vanaf 1 januari 2006.
IV. COMMENTAAR OP DE WETTELIJKE BEPALINGEN
a) Algemeen
15. In België wordt het segment van de motorvoertuigen hoofdzakelijk bestemd voor het vervoer van goederen (lichte vrachtauto's, vrachtauto's, trekkers, aanhangwagens en opleggers) om economische redenen, maar met respect voor de Europese regelgeving, steeds op een fiscaal gunstiger manier behandeld dan het segment van de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen.
16. Om vanzelfsprekende praktische redenen met betrekking tot de autovoertuigen, heeft de administratie, voor de toepassing van de diverse fiscale maatregelen, zich voor de bepaling van de aard van een motorvoertuig steeds gebaseerd op de categorie waaronder een voertuig is ingeschreven in het repertorium van de Directie voor de Inschrijving van de Voertuigen (DIV) van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.
17. De technische evolutie in de auto-industrie, in combinatie met de Europese regelgeving betreffende de technische kenmerken van de voertuigen en het vrij verkeer van goederen (één der basisprincipes van het EG-Verdrag) hebben er echter voor gezorgd dat bepaalde constructeurs van de hiaten in de fiscale bepalingen ter zake gebruik hebben gemaakt om hun voertuigen van het type monovolume en andere luxueuze terreinvoertuigen bij de DIV te laten homologeren tot de categorie van de "lichte vrachtauto's" en aldus te genieten van een fiscaal voorkeurstelsel die, naar de geest van de wetgever, in principe niet op hen van toepassing was.
18. Om een einde stellen aan deze praktijk, acht de fiscale administratie, voor bepaalde types van voertuigen, dat de verwijzing naar de classificatie bij de DIV niet langer opportuun is. De wettelijke bepalingen voeren een specifieke definitie in van het begrip "lichte vrachtauto" in het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen en passen dientengevolge de verwijzingen inzake vervat in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en in het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde aan.
b) Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (WGB)
19. De progammawet voert, in het WGB, een definitie in van het begrip "lichte vrachtauto" (zie punt 3) en wijzigt, in hetzelfde Wetboek, de verwijzingen voor de toepassing van de aanvullende verkeersbelasting (zie punt 4) en de accijnscompenserende belasting (zie punt 5).
20. Voor de toepassing van de verkeersbelasting op de autovoertuigen, behoort het tot de exclusieve bevoegdheid van de Gewesten, overeenkomstig artikel 4, § 3, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, om deze definitie in te voeren, in hetzelfde Wetboek, door middel van een decreet respectievelijk ordonnantie. Deze procedure werd afgewerkt door de afkondiging in het Belgisch Staatsblad van het decreet van 15 december 2005 (BS 25.01.2006), het decreet van 23 december 2005 (BS 16.02.2006) en de ordonnantie van 16 februari 2006 (BS 28.02.2006) voor wat betreft respectievelijk het Waals Gewest, het Vlaams Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
21. Hoewel de belasting op de inverkeerstelling, in principe, eveneens tot de bevoegdheid van de Gewesten behoort, heeft de Raad van State echter in haar adviezen uitdrukkelijk gesteld dat alleen de bijzondere wetgever bevoegd is om de wettelijke bepaling te wijzigen met de bedoeling om de belastbare materie van de belasting op de inverkeerstelling uit te breiden tot voertuigen die momenteel niet door deze belasting worden beoogd. Deze wetgevende wijziging vormt derhalve het onderwerp van een bijzondere wet die, in hetzelfde Wetboek, de verwijzing wijzigt voor de toepassing van de belasting op de inverkeerstelling.
22. De fiscale definitie wijkt van de technische definitie gehanteerd door de bevoegde diensten van de FOD Mobiliteit en Vervoer, voor wat betreft de voertuigen van het type "bestelwagen", voornamelijk af op het gebied van de verhouding lengte van de laadruimte/wielbasis. Inderdaad, terwijl voor de FOD Mobiliteit en Vervoer de verhouding slechts 30 % moet bedragen, dient voor de FOD Financiën de lengte van de laadruimte minstens 50 % van de wielbasis te bedragen.
23. Hoewel de regel waarbij de classificatie van een voertuig bepaald is door zijn inschrijving bij de DIV gehandhaafd is, heeft de fiscale administratie, al naargelang hun configuratie, bijkomende technische criteria ingevoerd waaraan de als lichte vrachtauto's bij de DIV ingeschreven autovoertuigen moeten voldoen om als dusdanig behandeld te worden op het fiscaal vlak en om aldus van het fiscaal voorkeurstelsel te genieten.
24. De punten a) en b) van artikel 4, § 2, WGB, hebben betrekking op de voertuigen van het type "pick-up" waarvan de cabine, respectievelijk enkele of dubbele, volledig afgesloten is van de laadruimte. Hoewel de wettelijke maatregelen bepalen dat de laadbak dient "open" te zijn, mag het niettemin, ter bescherming van de lading, afgesloten worden met een dekzeil, een plat, horizontaal deksel of een opbouw, zonder verlies van het gunstiger fiscaal stelsel. De verhouding laadruimte/wielbasis is, voor dit type voertuig, van geen belang zodat een "pick-up", ongeacht zijn configuratie, steeds fiscaal zal behandeld worden als een lichte vrachtauto.
25. De punten c) en d) van artikel 4, § 2, WGB, bepalen de technische voorwaarden waaraan de voertuigen van het type "bestelwagen" moeten voldoen om van het gunstiger stelsel te genieten. De weergehouden criteria verschillen echter naargelang de configuratie van het voertuig.
Voor de bestelwagens met enkele cabine moet de laadruimte afgesloten zijn van de passagiersruimte met een tussenschot van minstens 20 cm hoogte of, bij gebrek hieraan, door de rugleuning van de enige rij zetels. Bovendien moet de lengte van deze laadruimte, bepaald in de langsrichting van het voertuig, minstens 50 % bedragen van de lengte van de wielbasis en over haar hele oppervlakte bestaan uit een vaste horizontale laadvloer zonder verankeringspunten voor bijkomende banken, zetels of veiligheidsgordels.
Voor de bestelwagens met dubbele cabine moet de laadruimte, naast het voldoen aan de verhouding van 50 % laadruimte/wielbasis en aan de aanwezigheid van een vaste horizontale laadvloer zonder verankeringspunten voor bijkomende banken, zetels of veiligheidsgordels over de hele oppervlakte, verplicht volledig afgesloten zijn van de passagiersruimte over de volle breedte en hoogte van de binnenruimte door een niet afneembare, ononderbroken scheidingswand uit een hard materiaal.
26. Van zodra de beoogde voertuigen, naargelang hun type, niet voldoen aan de voormelde voorwaarden worden zij volgens hun constructie beschouwd als een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus en als dusdanig onderworpen, naarmate het geval, aan de aanvullende verkeersbelasting of aan de accijnscompenserende belasting, aan de belasting op de inverkeerstelling en aan de in artikel 9, A, WGB, bedoelde verkeersbelasting.
27. Teneinde de rechtszekerheid voor de belastingschuldige te vrijwaren en de eenvormigheid te verzekeren, treedt de fiscale definitie ingevoegd in artikel 4, § 2, WGB, in werking op 1 januari 2006.
Inzake de verkeersbelasting op de autovoertuigen, de aanvullende verkeersbelasting, de accijnscompenserende belasting en de belasting op de inverkeerstelling, is iedere belastbare periode onderverdeeld in opeenvolgende tijdperken van twaalf achtereenvolgende maanden, waarvan het eerste ingaat de eerste dag van de maand waarin het voertuig is of moet worden ingeschreven. Ieder belastbaar tijdperk vormt een aanslagjaar genoemd naar het jaar waarin het tijdperk aanvangt. Daar de wettelijke bepalingen geen terugwerkende kracht hebben, was het aangewezen deze in werking te doen treden vanaf de eerste belastbare periode gebonden aan het aanslagjaar 2006. Door deze formulering wordt bovendien vermeden dat belastingsupplementen moeten gevraagd worden van belastingplichtigen voor wie de vervalmaand van hun reeds ingeschreven voertuig na de maand januari 2006 is.
c) Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92)
28. Voor de toepassing van sommige wetsbepalingen inzake de inkomstenbelastingen, verwijst het WIB 92, voor de vaststelling van de aard van een voertuig, naar de reglementering betreffende de inschrijving van motorvoertuigen. De programmawet stemt deze verwijzingen af op de nieuwe fiscale definitie ingevoerd in het WGB.
29. Artikel 65, WIB 92, bepaalt in zijn huidige versie dat alle bijkomende kosten met betrekking tot de personenauto's, auto's dubbel gebruik en minibussen die niet uitsluitend voor bezoldigd personenvervoer worden gebruikt, op dezelfde wijze worden afgeschreven als de aanschaffings- of beleggingswaarde van die voertuigen. De verwijzing naar het bedoelde artikel uit het WGB, ingevoegd door artikel 104 van de programmawet (zie punt 6), breidt het toepassingsgebied van die maatregel uit naar de, bij de DIV als lichte vrachtauto ingeschreven voertuigen, maar die niet beantwoorden aan de genoemde fiscale definitie.
30. In dezelfde logica, passen de artikelen 105 en 106 van de programmawet respectievelijk de bepalingen van de artikelen 66, § 1 (zie punt 7) en 75, 5°, WIB 92 (zie punt 8) aan, zodat de lichte vrachtvoertuigen die niet vallen onder een van de vier categorieën die zijn vastgelegd in artikel 4, § 2, WGB, onderworpen worden aan het stelsel van beperking tot 75 % van de aftrekbaarheid van de beroepskosten en aan het stelsel van de uitsluiting van investeringaftrek, naar analogie met het stelsel dat toepasselijk is op personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen.
31. De aan de artikelen 66, §§ 2 en 3 en 75, 5°, a) en b) WIB 92 aangebrachte wijzigingen betreffen een eenvoudige aanpassing van de Franstalige tekst teneinde een eenvormigheid in het woordgebruik (het woord "voitures" wordt vervangen door het woord "véhicules") te verzekeren en hebben geen weerslag op het vlak van de administratieve praktijk.
32. De bepalingen betreffende de afschrijving van de bijkomende kosten (artikel 65, WIB 92) en de beperking van de aftrek als beroepskosten (artikel 66, WIB 92) treden in werking vanaf aanslagjaar 2007.
De bepaling betreffende de uitsluiting van de investeringsaftrek is slechts toepasselijk op de voertuigen verworven vanaf 1 januari 2006.
d) Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (BTW-Wetboek)
33. Wat de aftrekregeling inzake BTW betreft, bepaalde artikel 45, § 2, eerste lid, van het BTW-Wetboek vóór 1 januari 2006 dat ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, de aftrek in geen geval hoger mocht zijn dan 50 pct. van de betaalde belasting.
Het tweede lid van deze bepaling voorzag drie gevallen waarin de beperking van het recht op aftrek niet van toepassing was, namelijk voor de voertuigen bestemd om te worden verkocht of te worden verhuurd door beroepsmensen uit de automobielsector, voor voertuigen bestemd om uitsluitend te worden gebruikt voor bezoldigd personenvervoer en tenslotte voor de nieuwe voertuigen die het voorwerp uitmaken van een vrijgestelde intracommunautaire levering.
34. Hoewel de aftrek van de belasting geheven van uitgaven op voertuigen van bij de aanvang door de wetgever op een uitermate beperkende manier werd opgevat en iedere afwijking limitatief moet worden benaderd (zie Kamer, BZ 1968, Parl. St. 88/1, blz 119 en Kamer, GZ 1971-1972, Parl. St. 97/1, blz 1-2), bevatte geen enkele bepaling in het BTW-Wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten evenwel welomschreven criteria die toelieten om vast te stellen welke voertuigen al dan niet werden beoogd door de beperking bedoeld in het voornoemd artikel 45, § 2, eerste lid.
35. Het onderscheid tussen de voertuigen werd tot op heden enkel bepaald door administratieve aanschrijvingen (criteria opgenomen in de aanschrijvingen nr. 10 van 11 september 1987 en nr. 25 van 11 december 1990, die oorspronkelijk gewoon overeenstemden met de categorie waaronder het voertuig in het repertorium van de DIV werd ingeschreven).Terwijl er zich geen enkele moeilijkheid voordeed voor inzonderheid vrachtwagens gebruikt voor het vervoer van goederen (zonder beperking van het recht op aftrek), bleek het onderscheid daarentegen tussen personenauto's, auto's voor dubbel gebruik (bedoeld door de beperking) en lichte vrachtauto's (niet bedoeld door de beperking) veel delicater te zijn.
De criteria voor de definitie van het begrip lichte vrachtauto werden in de loop van de laatste jaren ingevolge de omzetting van communautaire bepalingen met betrekking tot de inschrijving van voertuigen gewijzigd (zie punt 17) waardoor ze gingen afwijken van de criteria die inzake BTW worden weerhouden wat derhalve kan leiden tot een restrictieve interpretatie van de toepassing van de beperking van het recht op aftrek.
36. Om elke betwisting te vermijden drong een specifieke, nauwkeurige en strikte wettelijke bepaling zich op.
Dit is het doel van het nieuwe artikel 45, § 2, van het BTW-Wetboek en meer in het bijzonder van het tweede lid ervan, gewijzigd bij artikel 107 van de programmawet (zie punt 9).
Deze nieuwe bepaling maakt inderdaad een einde aan bepaalde inventieve interpretaties van handelaars in de automobielsector en aan bepaalde twistpunten. Er wordt onder meer gezinspeeld op de aftrek met betrekking tot pseudo-bedrijfswagens alsook vervangwagens die ter beschikking worden gesteld aan de klanten van handelaars in voertuigen.
37. Artikel 45, § 2, nieuw, dat de eerder toegepaste uitsluitingen behoudt maar evenmin uitbreidt (standstill-clausule) is anders opgesteld. Het eerste lid houdt voortaan een algemene beperking in van het recht op aftrek dat van toepassing is op alle soorten autovoertuigen, dus met inbegrip van vrachtwagens, lichte vrachtauto's, autobussen en motorfietsen. Het tweede lid bevat een restrictieve lijst van uitzonderingen op de beperking van het recht op aftrek.
38. Behalve de reeds bestaande uitsluitingen bedoeld in punt 33 hiervoor, somt het nieuwe tweede lid de autovoertuigen op waarop de afwijking op de beperking van het recht op aftrek van toepassing is.
39. Onder meer in punt f) wordt verduidelijkt dat de beperking van het recht op aftrek niet van toepassing is op de voertuigen die in artikel 4, § 2, WGB als lichte vrachtauto's worden omschreven.
Wat de inzake de belasting over de toegevoegde waarde weerhouden definitie van «lichte vrachtauto» betreft, wordt bijgevolg uitdrukkelijk verwezen naar de definitie inzake de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zoals ingevoegd bij onderhavige programmawet. Aldus wordt de fiscale definitie van het begrip «lichte vrachtauto» in de verschillende fiscale wetgevingen op elkaar afgestemd.
Wat de voertuigen van het type «pick-up» met dubbele cabine betreft, wordt de toepassing van de beperking van het recht op aftrek voortaan beperkt. Rekening houdend met het feit dat de datum van de opeisbaarheid van de belasting de omvang van het recht op aftrek bepaalt, spreekt het evenwel van zelf dat er niet kan worden teruggekomen op de handelingen waarvoor het recht op aftrek is ontstaan vóór 1 januari 2006.
40. Ter verduidelijking en om een eenvormigheid in het woordgebruik te verzekeren, wordt de uitdrukking « automobiel » in artikel 45, § 2, vervangen door de uitdrukking « autovoertuig ».
41. Tenslotte wordt de afwijking die het voorwerp uitmaakte van artikel 45, § 2, tweede lid, a), oud, voortaan gesplitst in twee onderscheiden punten: de handelaars in voertuigen zijn bedoeld in punt h) van het nieuwe tweede lid en de beroepsverhuurders in punt i) van dat lid. Deze splitsing was noodzakelijk om zo ondubbelzinnig mogelijk en op uitdrukkelijke wijze te preciseren dat de afwijking op de beperking van het recht op aftrek slechts de voertuigen beoogt die bestemd zijn om te worden verhuurd door een belastingplichtige die een economische activiteit uitoefent die bestaat in de verhuur van autovoertuigen aan om het even wie.
De beperking van het recht op aftrek betreft niet de belastingplichtigen waarvan de specifieke economische activiteit bestaat in de verhuur van autovoertuigen, dit wil zeggen de ondernemingen die op de markt zijn gekend als verhuurders van voertuigen en die hun diensten aan het publiek in het algemeen op een zodanige manier aanbieden, dat elkeen die een autovoertuig voor het vervoer van personen in huur wenst te nemen, zich tot zo een bedrijf kan wenden.
V. GEMENE BEPALINGEN
42. De bij de DIV als lichte vrachtauto ingeschreven voertuigen die niet beantwoorden, naargelang hun type, aan de voorwaarden vastgelegd in artikel 4, § 2, WGB, worden dus, volgens hun constructie, beschouwd als een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus, krachtens artikel 4, § 3, WGB, en als dusdanig fiscaal belast op het vlak van de inkomstenbelastingen, de belasting over de toegevoegde waarde en de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen.
43. Het toezicht op de technische kenmerken eigen aan de fiscale definitie van de beoogde voertuigen zal, in principe, uitsluitend uitgevoerd worden in de stations voor de technische keuring van de voertuigen waar elk bedrijfsvoertuig (zowel nieuw als tweedehands), naargelang het geval, voor zijn inverkeerstelling of jaardag moet worden aangeboden.
Deze nieuwe procedure wijzigt echter geenszins de categorie waaronder het voertuig is ingeschreven bij de DIV en heeft dus niet als gevolg dat het voormeld voertuig aan een nieuwe homologatie dient onderworpen te worden bij de bevoegde diensten van de FOD Mobiliteit en Vervoer.
44. De op deze manier ingezamelde gegevens door de stations van technische keuring zullen gecentraliseerd worden bij de Groepering van erkende ondernemingen voor autokeuring en rijbewijs (GOCA) en doorgegeven worden aan de DIV voor verdere verwerking. Op het einde van dit verloop, verzendt de DIV een bijwerking van de gegevensbestanden aan de FOD Financiën die haar bestanden dientengevolge aanpast.
45. Om de fiscale aard van een voertuig te raadplegen en aldus het toe te passen stelsel te bepalen dienen de fiscale diensten de op de Intranet site van de Administraties ondernemings- en inkomensfiscaliteit en invordering beschikbare toepassing Belconet-on-web op te starten.
Nadat de identificatiegegevens (gebruikersnaam en paswoord) zijn ingevuld, selecteer in het menu de toepassing "VB" (Verkeersbelasting).
In het submenu, selecteer de functie "Consultatie verkeersbelasting". Het scherm zal het bestand VBDIS1 weergeven.
Nadat het vak "Plaat Nr;" is ingevuld en de keuze bevestigd (Enter), zal het scherm het bestand VBDIS2 weergeven dat de nodige informatie verbonden aan het voertuig vermeldt (identiteit van de eigenaar-belastingschuldige, bedrag van de verschuldigde belasting, …). In het vak voorbehouden aan de "Technische gegevens voertuig", vindt men, onder de benaming "Soort (fin) :", de fiscale aard van het bedoelde voertuig die voortvloeit uit de toepassing van de nieuwe wetsbepalingen : VP, SW, OM of CT naargelang het bedrijfsvoertuig respectievelijk als een personenauto, een auto voor dubbel gebruik, een minibus of een lichte vrachtauto moet worden beschouwd.
De voertuigen van het type "pick-up" worden, ongeacht hun configuratie, steeds fiscaal beschouwd als lichte vrachtauto's en geïdentificeerd als dusdanig op het scherm door de code "PU" onder de rubriek "Soort (fin) :".
Aanvankelijk zullen slechts de codes "VP", "CT" of "PU" op het scherm voorkomen om de fiscale aard van de bedoelde voertuigen te bepalen. In een latere fase zullen de overige codes in gebruik genomen worden om de juiste fiscale aard van de voertuigen te bepalen die niet voldoen aan de nieuwe technische voorwaarden.
Wanneer de fiscale aard van het voertuig verschillend is van de categorie waaronder dit voertuig ingeschreven is bij de DIV, verschijnt het bericht " DIS2: GENRE (FIN) VP > GENRE (DIV) CT/FA/LT" onder in het scherm VBDIS2. Door te klikken op de functie "Andere" in het vak voorbehouden aan "Verdere opzoekmogelijkheden" zal het scherm het bestand VBDIS6 weergeven dat onder andere het genre vermeldt waaronder het voertuig bij de DIV is ingeschreven en het werkelijk verhoudingspercentage laadruimte/wielbasis zoals dat voortkomt uit de meting uitgevoerd door het station van technische keuring.
VI. PRAKTISCHE BEPALINGEN INZAKE DE VERKEERSBELASTING
46. Wanneer het motorvoertuig niet beantwoordt aan de in artikel 4, § 2, WGB, vastgestelde voorwaarden, zal de situatie van de betreffende belastingplichtige op automatische wijze worden geregulariseerd hetzij bij de eerste ingebruikname van het voertuig op de openbare weg hetzij op de jaarmaand in de overige gevallen.
47. De regularisatie is van toepassing vanaf het eerste belastbaar tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 2006. In geen geval zal er een regularisatie plaatsvinden voor de maanden begrepen tussen 1 januari 2006 en de jaarmaand van het voertuig indien de eerste maand van het belastbaar tijdperk verbonden is met een aanslagjaar dat voorafgaat aan het jaar 2006.
48. De volgende voorbeelden verduidelijken het verloop van de regularisatie.
Voorbeelden:
1. Dhr X bezit een autovoertuig waarvan de motor gedreven wordt met gasolie, met een maximaal toegelaten massa (MTM) van 3.150 kg en een fiscaal vermogen van 16 PK. Dit voertuig is als lichte vrachtauto ingeschreven bij de DIV op 14.05.2004.
Overeenkomstig de geldende bepalingen, verstuurt de Dienst Belastingen-Auto's, begin juni 2004, een uitnodiging tot betaling naar de belastingplichtige met betrekking tot enkel de jaarlijkse verkeersbelasting op de autovoertuigen (VB), daar de lichte vrachtauto's niet onderworpen zijn aan de aanvullende verkeersbelasting (AVB), de accijnscompenserende belasting (ACOB) en de belasting op de inverkeerstelling (BIV). Het bedrag van de belasting is vastgesteld op grond van de MTM.
Tijdens het jaarlijks verplicht aanbieden van het voertuig aan een station voor technische keuring op 04.05.2006, zullen de kenmerken van het voertuig getoetst worden aan de nieuwe bepalingen die in werking zijn getreden op 1 januari 2006. Door een uitwisseling van gegevens tussen de GOCA, de DIV en de FOD Financiën zullen de fiscale diensten over de juiste technische gegevens van het voertuig beschikken.
Voor het belastbaar tijdperk van 01.05.2006 tot 30.04.2007, zal de Dienst Belastingen-Auto's een bericht van betaling naar de belastingplichtige versturen, eventueel aangepast aan de nieuwe fiscale situatie naargelang:
a) het voertuig voldoet aan de nieuwe technische voorwaarden
In dit geval, zal het scherm VBDIS2, onder de rubriek "soort (fin)", de vermelding "CT Lichte vrachtwagen" weergeven en zal er geen bijzonder bericht verschijnen onder in het scherm. Dit kenmerk zal zich ook uitdrukken op het scherm VBDIS6 met de weergave van een verhoudingspercentage laadruimte/wielbasis die gelijk of hoger is dan 50. De Dienst Belastingen-Auto's zal een uitnodiging tot betaling versturen van de jaarlijkse VB, berekend op grond van de MTM van het voertuig.
b) het voertuig voldoet niet aan de nieuwe technische voorwaarden
Het scherm VBDIS2 zal, onder de rubriek "soort (fin)", de vermelding "VP Personenauto" weergeven en een bericht zal verschijnen onder in het scherm (zie hierboven). Het scherm VBDIS6 zal, onder de rubriek "Meting (tech. c.)", een verhoudingspercentage laadruimte/wielbasis weergeven die lager is dan 50. De Dienst Belastingen-Auto's zal een uitnodiging tot betaling versturen van de jaarlijkse VB en ACOB, berekend op grond van het vermogen van de motor. Er zullen geen supplementen verrekend worden voor de maanden januari, februari, maart en april 2006, daar deze deel uitmaken van de belastbare periode verbonden aan het aanslagjaar 2005. Bovendien is er ook geen BIV verschuldigd daar het voertuig voor het eerst aangekocht en ingeschreven werd op naam van de belastingplichtige in de loop van de maand mei 2004.
2. De belastingplichtige schaft op 7 februari 2006 een autovoertuig aan die eerder als lichte vrachtauto werd ingeschreven bij de DIV en waarvan de motor gedreven wordt met LPG. De belastingplichtige is verplicht, voorafgaand aan zijn inschrijvingsaanvraag bij de DIV, zijn voertuig aan te bieden aan een station voor technische keuring.
a) het voertuig voldoet aan de nieuwe technische voorwaarden
Hetzelfde resultaat als in voorbeeld 1, a), hierboven. In dit geval, is de belasting verbonden aan het voor het eerst in het verkeer brengen van het voertuig op naam van de belastingplichtige, voor de periode van 01.02.2006 tot 31.01.2007, beperkt tot de jaarlijkse VB, berekend op grond van de MTM van het voertuig. Inderdaad, daar aan de voorwaarden is voldaan, zal het voertuig fiscaal beschouwd worden als een lichte vrachtauto en derhalve genieten van de vrijstelling van de BIV en AVB.
b) het voertuig voldoet niet aan de nieuwe technische voorwaarden
Hetzelfde resultaat als in voorbeeld 1, b), hierboven, maar bedraagt de belasting verbonden aan het voor het eerst in het verkeer brengen van het voertuig op naam van de belastingplichtige, voor de periode van 01.02.2006 tot 31.01.2007, naast de VB en AVB, eveneens de BIV, berekend op grond van het vermogen van de motor (voertuig aangekocht en voor het eerst ingeschreven op naam van de belastingplichtige in februari 2006).
49. De diensten van de fiscale administraties zijn gebonden aan de gegevens, medegedeeld door de DIV, die zijn opgenomen in de voornoemde bestanden. Wanneer de belastingplichtige, bij ontvangst van zijn/haar groen keuringsbewijs of uitnodiging tot betaling, de fiscale aard van het voertuig betwist, dient hij/zij uitgenodigd te worden zijn/haar voertuig, na een eventuele aanpassing, te onderwerpen aan een nieuwe meting in het door hem/haar gekozen station voor technische keuring. Indien deze nieuwe meting tot gevolg heeft dat het voertuig wel degelijk voldoet aan de nieuwe technische voorwaarden, zal de eerste uitnodiging tot betaling voor de als personenauto beschouwde voertuig vernietigd worden en zullen de nieuwe gegevens in acht worden genomen voor de berekening van de belasting voor het desbetreffend belastbaar tijdperk.
50. Daar de technische kenmerken vanaf 1 januari 2006 van toepassing zijn, zal de regularisatie van de fiscale aard van het geheel van het segment van de voertuigen bedoeld door deze bepalingen slechts gerealiseerd worden bij het verstrijken van het kalenderjaar 2006, wanneer alle als lichte vrachtauto ingeschreven voertuigen bij de DIV zich zullen aangeboden hebben bij een station van technische keuring. Derhalve zal een gericht toezicht zin hebben na het verstrijken van het kalenderjaar 2006.
NAMENS DE MINISTER :
De Adjunct-administrateur-generaal,
Paul NECKEBROECK
Circulaire nr. AFZ/2005-1124 (AFZ 12/2006) dd. 06.06.2006
WETBOEK VAN DE MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE BELASTINGEN
WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992
WETBOEK VAN DE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE
Invoering van een fiscale definitie van het begrip "lichte vrachtauto" in de fiscale wetgeving
Commentaar op de programmawet van 27 december 2005 en de bijzondere wet van 27 december 2005 tot wijziging van de belastbare materie bepaald in artikel 94, 1°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen inzake de belasting op de inverkeerstelling (BS 30.12.2005, Ed. 2).
Aan al de ambtenaren van de niveau's A, B en C.
I. INLEIDING
1. Deze circulaire geeft een eerste commentaar op Hoofdstuk IV van de programmawet van 27 december 2005 tot wijzigingen aan het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met betrekking tot het begrip "lichte vrachtauto", en aan het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
2. Deze circulaire geeft eveneens een eerste commentaar op de bijzondere wet van 27 december 2005 tot wijziging van de belastbare materie bepaald in artikel 94, 1°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen inzake de belasting op de inverkeerstelling.
II. WETTELIJKE BEPALINGEN
a) Programmawet van 27 december 2005
"PROGRAMMAWET
…………
TITEL VII. - Financiën
…………
HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen aan het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met betrekking tot het begrip "lichte vrachtauto", en aan het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
Afdeling 1. - Wijzigingen aan het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
3. Art. 101. Artikel 4 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt aangevuld met de §§ 2 en 3, luidende :
« § 2. In afwijking van § 1, wordt, voor de toepassing van de bepalingen van Titel II, Hoofdstuk VI, en van Titel VI, onder motorvoertuig bestemd voor het vervoer van goederen waarvan de maximaal toegelaten massa 3 500 kilogram niet overschrijdt, ook « lichte vrachtauto » genoemd, verstaan :
a) elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximaal toegelaten massa 3 500 kg niet overschrijdt, bestaande uit een volledig van de laadruimte afgesloten enkele cabine die ten hoogste twee plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak;
b) elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximaal toegelaten massa 3 500 kg niet overschrijdt, bestaande uit een volledig van de laadruimte afgesloten dubbele cabine die ten hoogste zes plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak;
c) elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximaal toegelaten massa 3 500 kg niet overschrijdt, gelijktijdig bestaande uit een passagiersruimte die ten hoogste twee plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen en een daarvan afgesloten laadruimte waarvan de afstand, tussen elk punt van de scheidingswand achter de zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, steeds minstens 50 % dient te bedragen van de lengte van de wielbasis. Deze laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een van het koetswerk deel uitmakende, vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor bijkomende banken, zetels of veiligheidsgordels;
d) elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximaal toegelaten massa 3 500 kg niet overschrijdt, gelijktijdig bestaande uit een passagiersruimte die ten hoogste zes plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen en een daarvan volledig afgesloten laadruimte waarvan de afstand, tussen elk punt van de scheidingswand achter de laatste rij zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, steeds minstens 50 % dient te bedragen van de lengte van de wielbasis. Deze laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een van het koetswerk deel uitmakende, vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor bijkomende banken, zetels of veiligheidsgordels.
§ 3. Indien het in de voormelde reglementering als lichte vrachtauto aangeduid voertuig, niet beantwoordt aan één van de in § 2 opgesomde voertuigtypes, wordt het in de zin van Titel II, Hoofdstuk VI, en van Titel VI, afhankelijk van zijn constructie, beschouwd als een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus. »
4. Art. 102. In artikel 12, § 1, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden «, met inbegrip van de lichte vrachtauto's die zijn bedoeld in artikel 4, § 3, » ingevoegd tussen het woord « minibussen » en de woorden « waarvan de motor, ».
5. Art. 103. In artikel 108 van hetzelfde Wetboek, worden de woorden «, met inbegrip van de lichte vrachtauto's die zijn bedoeld in artikel 4, § 3, » ingevoegd tussen het woord « minibussen » en de woorden « met gasoliemotor. »
Afdeling 2. - Wijzigingen aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
6. Art. 104. In artikel 65 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het woord « vermelde » vervalt;
2° de woorden « met inbegrip van de lichte vrachtauto's bedoeld in artikel 4, § 3, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, » worden ingevoegd tussen de woorden « inschrijving van motorvoertuigen, » en de woorden « worden de in artikel 62 vermelde bedoelde bijkomende kosten »..
7. Art. 105. In artikel 66 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 6 juli 1994 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
« § 1. Met uitzondering van de kosten van brandstof zijn beroepskosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen en op die voertuigen geleden minderwaarden, slechts tot 75 pct. aftrekbaar. »;
2° de Franse tekst van § 2 wordt vervangen als volgt :
« § 2. Le § 1er ne s'applique pas :
1° aux véhicules qui sont affectés exclusivement à un service de taxis ou à la location avec chauffeur et sont exemptés à ce titre de la taxe de circulation sur les véhicules automobiles;
2° aux véhicules qui sont affectés exclusivement à l'enseignement pratique dans des écoles de conduite agréées et qui sont spécialement équipés à cet effet;
3° aux véhicules qui sont donnés exclusivement en location à des tiers. »;
3° in de Franse tekst van § 3, worden de woorden « aux voitures visées au § 2, 1° et 3°, » vervangen door de woorden « aux véhicules visés au § 2, 1° et 3°, ». »
8. Art. 106. In artikel 75, 5°, van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de inleidende zin worden de woorden « met inbegrip van de lichte vrachtauto's bedoeld in artikel 4, § 3, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, » ingevoegd tussen de woorden « inschrijving van motorvoertuigen, » en de woorden « daaronder niet begrepen : »;
2° de Franse tekst van a) en b) wordt vervangen als volgt :
« a) de véhicules qui sont affectés exclusivement à un service de taxis ou à la location avec chauffeur et qui sont exemptés à ce titre de la taxe de circulation sur les véhicules automobiles;
b) de véhicules qui sont affectés exclusivement à l'enseignement pratique dans des écoles de conduite agréées et qui sont spécialement équipés à cet effet; ».
Afdeling 3. - Wijzigingen aan het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
9. Art. 107. Artikel 45, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van 28 december 1992, wordt vervangen als volgt :
« § 2. Ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van autovoertuigen bestemd voor het vervoer van personen en/of goederen over de weg, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 pct. van de betaalde belasting.
Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de volgende autovoertuigen :
a) de voertuigen met een maximaal toegelaten massa van meer dan 3 500 kg;
b) de voertuigen voor personenvervoer met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet inbegrepen;
c) de voertuigen die speciaal zijn ingericht voor het vervoer van zieken, gewonden en gevangenen en voor lijkenvervoer;
d) de voertuigen die, omwille van hun technische kenmerken, niet kunnen worden ingeschreven in het repertorium van de Dienst voor Inschrijving van de Voertuigen;
e) de voertuigen die speciaal zijn uitgerust voor het kamperen;
f) de voertuigen bedoeld in artikel 4, § 2, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen;
g) de bromfietsen en de motorfietsen;
h) de voertuigen bestemd om te worden verkocht door een belastingplichtige die een economische activiteit uitoefent die bestaat in de verkoop van autovoertuigen;
i) de voertuigen bestemd om te worden verhuurd door een belastingplichtige die een economische activiteit uitoefent die bestaat in de verhuur van autovoertuigen aan om het even wie;
j) de voertuigen bestemd om uitsluitend te worden gebruikt voor bezoldigd personenvervoer;
k) de nieuwe voertuigen in de zin van artikel 8bis, § 2, 2°, eerste gedachtestreep, andere dan deze bedoeld onder h), i) en j), die het voorwerp uitmaken van een op grond van artikel 39bis vrijgestelde levering. In dit geval wordt de aftrek slechts uitgeoefend binnen de grenzen of ten belope van het bedrag van de belasting dat op deze levering opeisbaar zou zijn indien ze niet vrijgesteld zou zijn op grond van voornoemd artikel 39bis. ».
b) Bijzondere wet van 27 december 2005 tot wijziging van de belastbare materie bepaald in artikel 94, 1°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen inzake de belasting op de inverkeerstelling
10. Art. 2. In artikel 94, 1°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, worden de woorden « zoals zij worden verstaan in de zin van artikel 4, § 3, » ingevoegd tussen de woorden « de aanhangwagens en » en de woorden « voorzover ».
III. INWERKINGTREDING
11. De wijzigingen aangebracht aan de artikelen 4 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (zie punt 3) en 45, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (zie punt 9) bij de programmawet treden in werking op 1 januari 2006.
12. De wijzigingen aangebracht aan de artikelen 12 en 108 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (zie respectievelijk punten 4 en 5) bij de programmawet en aan artikel 94, 1°, van hetzelfde Wetboek bij de bijzondere wet (zie punt 10) treden in werking vanaf het aanslagjaar 2006.
13. De wijzigingen aangebracht aan de artikelen 65 en 66 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (zie respectievelijk punten 6 en 7) bij de programmawet zijn van toepassing vanaf het aanslagjaar 2007.
14. De wijzigingen aangebracht aan artikel 75, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (zie punt 8) bij de programmawet zijn van toepassing op de voertuigen verkregen vanaf 1 januari 2006.
IV. COMMENTAAR OP DE WETTELIJKE BEPALINGEN
a) Algemeen
15. In België wordt het segment van de motorvoertuigen hoofdzakelijk bestemd voor het vervoer van goederen (lichte vrachtauto's, vrachtauto's, trekkers, aanhangwagens en opleggers) om economische redenen, maar met respect voor de Europese regelgeving, steeds op een fiscaal gunstiger manier behandeld dan het segment van de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen.
16. Om vanzelfsprekende praktische redenen met betrekking tot de autovoertuigen, heeft de administratie, voor de toepassing van de diverse fiscale maatregelen, zich voor de bepaling van de aard van een motorvoertuig steeds gebaseerd op de categorie waaronder een voertuig is ingeschreven in het repertorium van de Directie voor de Inschrijving van de Voertuigen (DIV) van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.
17. De technische evolutie in de auto-industrie, in combinatie met de Europese regelgeving betreffende de technische kenmerken van de voertuigen en het vrij verkeer van goederen (één der basisprincipes van het EG-Verdrag) hebben er echter voor gezorgd dat bepaalde constructeurs van de hiaten in de fiscale bepalingen ter zake gebruik hebben gemaakt om hun voertuigen van het type monovolume en andere luxueuze terreinvoertuigen bij de DIV te laten homologeren tot de categorie van de "lichte vrachtauto's" en aldus te genieten van een fiscaal voorkeurstelsel die, naar de geest van de wetgever, in principe niet op hen van toepassing was.
18. Om een einde stellen aan deze praktijk, acht de fiscale administratie, voor bepaalde types van voertuigen, dat de verwijzing naar de classificatie bij de DIV niet langer opportuun is. De wettelijke bepalingen voeren een specifieke definitie in van het begrip "lichte vrachtauto" in het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen en passen dientengevolge de verwijzingen inzake vervat in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en in het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde aan.
b) Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (WGB)
19. De progammawet voert, in het WGB, een definitie in van het begrip "lichte vrachtauto" (zie punt 3) en wijzigt, in hetzelfde Wetboek, de verwijzingen voor de toepassing van de aanvullende verkeersbelasting (zie punt 4) en de accijnscompenserende belasting (zie punt 5).
20. Voor de toepassing van de verkeersbelasting op de autovoertuigen, behoort het tot de exclusieve bevoegdheid van de Gewesten, overeenkomstig artikel 4, § 3, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, om deze definitie in te voeren, in hetzelfde Wetboek, door middel van een decreet respectievelijk ordonnantie. Deze procedure werd afgewerkt door de afkondiging in het Belgisch Staatsblad van het decreet van 15 december 2005 (BS 25.01.2006), het decreet van 23 december 2005 (BS 16.02.2006) en de ordonnantie van 16 februari 2006 (BS 28.02.2006) voor wat betreft respectievelijk het Waals Gewest, het Vlaams Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
21. Hoewel de belasting op de inverkeerstelling, in principe, eveneens tot de bevoegdheid van de Gewesten behoort, heeft de Raad van State echter in haar adviezen uitdrukkelijk gesteld dat alleen de bijzondere wetgever bevoegd is om de wettelijke bepaling te wijzigen met de bedoeling om de belastbare materie van de belasting op de inverkeerstelling uit te breiden tot voertuigen die momenteel niet door deze belasting worden beoogd. Deze wetgevende wijziging vormt derhalve het onderwerp van een bijzondere wet die, in hetzelfde Wetboek, de verwijzing wijzigt voor de toepassing van de belasting op de inverkeerstelling.
22. De fiscale definitie wijkt van de technische definitie gehanteerd door de bevoegde diensten van de FOD Mobiliteit en Vervoer, voor wat betreft de voertuigen van het type "bestelwagen", voornamelijk af op het gebied van de verhouding lengte van de laadruimte/wielbasis. Inderdaad, terwijl voor de FOD Mobiliteit en Vervoer de verhouding slechts 30 % moet bedragen, dient voor de FOD Financiën de lengte van de laadruimte minstens 50 % van de wielbasis te bedragen.
23. Hoewel de regel waarbij de classificatie van een voertuig bepaald is door zijn inschrijving bij de DIV gehandhaafd is, heeft de fiscale administratie, al naargelang hun configuratie, bijkomende technische criteria ingevoerd waaraan de als lichte vrachtauto's bij de DIV ingeschreven autovoertuigen moeten voldoen om als dusdanig behandeld te worden op het fiscaal vlak en om aldus van het fiscaal voorkeurstelsel te genieten.
24. De punten a) en b) van artikel 4, § 2, WGB, hebben betrekking op de voertuigen van het type "pick-up" waarvan de cabine, respectievelijk enkele of dubbele, volledig afgesloten is van de laadruimte. Hoewel de wettelijke maatregelen bepalen dat de laadbak dient "open" te zijn, mag het niettemin, ter bescherming van de lading, afgesloten worden met een dekzeil, een plat, horizontaal deksel of een opbouw, zonder verlies van het gunstiger fiscaal stelsel. De verhouding laadruimte/wielbasis is, voor dit type voertuig, van geen belang zodat een "pick-up", ongeacht zijn configuratie, steeds fiscaal zal behandeld worden als een lichte vrachtauto.
25. De punten c) en d) van artikel 4, § 2, WGB, bepalen de technische voorwaarden waaraan de voertuigen van het type "bestelwagen" moeten voldoen om van het gunstiger stelsel te genieten. De weergehouden criteria verschillen echter naargelang de configuratie van het voertuig.
Voor de bestelwagens met enkele cabine moet de laadruimte afgesloten zijn van de passagiersruimte met een tussenschot van minstens 20 cm hoogte of, bij gebrek hieraan, door de rugleuning van de enige rij zetels. Bovendien moet de lengte van deze laadruimte, bepaald in de langsrichting van het voertuig, minstens 50 % bedragen van de lengte van de wielbasis en over haar hele oppervlakte bestaan uit een vaste horizontale laadvloer zonder verankeringspunten voor bijkomende banken, zetels of veiligheidsgordels.
Voor de bestelwagens met dubbele cabine moet de laadruimte, naast het voldoen aan de verhouding van 50 % laadruimte/wielbasis en aan de aanwezigheid van een vaste horizontale laadvloer zonder verankeringspunten voor bijkomende banken, zetels of veiligheidsgordels over de hele oppervlakte, verplicht volledig afgesloten zijn van de passagiersruimte over de volle breedte en hoogte van de binnenruimte door een niet afneembare, ononderbroken scheidingswand uit een hard materiaal.
26. Van zodra de beoogde voertuigen, naargelang hun type, niet voldoen aan de voormelde voorwaarden worden zij volgens hun constructie beschouwd als een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus en als dusdanig onderworpen, naarmate het geval, aan de aanvullende verkeersbelasting of aan de accijnscompenserende belasting, aan de belasting op de inverkeerstelling en aan de in artikel 9, A, WGB, bedoelde verkeersbelasting.
27. Teneinde de rechtszekerheid voor de belastingschuldige te vrijwaren en de eenvormigheid te verzekeren, treedt de fiscale definitie ingevoegd in artikel 4, § 2, WGB, in werking op 1 januari 2006.
Inzake de verkeersbelasting op de autovoertuigen, de aanvullende verkeersbelasting, de accijnscompenserende belasting en de belasting op de inverkeerstelling, is iedere belastbare periode onderverdeeld in opeenvolgende tijdperken van twaalf achtereenvolgende maanden, waarvan het eerste ingaat de eerste dag van de maand waarin het voertuig is of moet worden ingeschreven. Ieder belastbaar tijdperk vormt een aanslagjaar genoemd naar het jaar waarin het tijdperk aanvangt. Daar de wettelijke bepalingen geen terugwerkende kracht hebben, was het aangewezen deze in werking te doen treden vanaf de eerste belastbare periode gebonden aan het aanslagjaar 2006. Door deze formulering wordt bovendien vermeden dat belastingsupplementen moeten gevraagd worden van belastingplichtigen voor wie de vervalmaand van hun reeds ingeschreven voertuig na de maand januari 2006 is.
c) Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92)
28. Voor de toepassing van sommige wetsbepalingen inzake de inkomstenbelastingen, verwijst het WIB 92, voor de vaststelling van de aard van een voertuig, naar de reglementering betreffende de inschrijving van motorvoertuigen. De programmawet stemt deze verwijzingen af op de nieuwe fiscale definitie ingevoerd in het WGB.
29. Artikel 65, WIB 92, bepaalt in zijn huidige versie dat alle bijkomende kosten met betrekking tot de personenauto's, auto's dubbel gebruik en minibussen die niet uitsluitend voor bezoldigd personenvervoer worden gebruikt, op dezelfde wijze worden afgeschreven als de aanschaffings- of beleggingswaarde van die voertuigen. De verwijzing naar het bedoelde artikel uit het WGB, ingevoegd door artikel 104 van de programmawet (zie punt 6), breidt het toepassingsgebied van die maatregel uit naar de, bij de DIV als lichte vrachtauto ingeschreven voertuigen, maar die niet beantwoorden aan de genoemde fiscale definitie.
30. In dezelfde logica, passen de artikelen 105 en 106 van de programmawet respectievelijk de bepalingen van de artikelen 66, § 1 (zie punt 7) en 75, 5°, WIB 92 (zie punt 8) aan, zodat de lichte vrachtvoertuigen die niet vallen onder een van de vier categorieën die zijn vastgelegd in artikel 4, § 2, WGB, onderworpen worden aan het stelsel van beperking tot 75 % van de aftrekbaarheid van de beroepskosten en aan het stelsel van de uitsluiting van investeringaftrek, naar analogie met het stelsel dat toepasselijk is op personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen.
31. De aan de artikelen 66, §§ 2 en 3 en 75, 5°, a) en b) WIB 92 aangebrachte wijzigingen betreffen een eenvoudige aanpassing van de Franstalige tekst teneinde een eenvormigheid in het woordgebruik (het woord "voitures" wordt vervangen door het woord "véhicules") te verzekeren en hebben geen weerslag op het vlak van de administratieve praktijk.
32. De bepalingen betreffende de afschrijving van de bijkomende kosten (artikel 65, WIB 92) en de beperking van de aftrek als beroepskosten (artikel 66, WIB 92) treden in werking vanaf aanslagjaar 2007.
De bepaling betreffende de uitsluiting van de investeringsaftrek is slechts toepasselijk op de voertuigen verworven vanaf 1 januari 2006.
d) Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (BTW-Wetboek)
33. Wat de aftrekregeling inzake BTW betreft, bepaalde artikel 45, § 2, eerste lid, van het BTW-Wetboek vóór 1 januari 2006 dat ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, de aftrek in geen geval hoger mocht zijn dan 50 pct. van de betaalde belasting.
Het tweede lid van deze bepaling voorzag drie gevallen waarin de beperking van het recht op aftrek niet van toepassing was, namelijk voor de voertuigen bestemd om te worden verkocht of te worden verhuurd door beroepsmensen uit de automobielsector, voor voertuigen bestemd om uitsluitend te worden gebruikt voor bezoldigd personenvervoer en tenslotte voor de nieuwe voertuigen die het voorwerp uitmaken van een vrijgestelde intracommunautaire levering.
34. Hoewel de aftrek van de belasting geheven van uitgaven op voertuigen van bij de aanvang door de wetgever op een uitermate beperkende manier werd opgevat en iedere afwijking limitatief moet worden benaderd (zie Kamer, BZ 1968, Parl. St. 88/1, blz 119 en Kamer, GZ 1971-1972, Parl. St. 97/1, blz 1-2), bevatte geen enkele bepaling in het BTW-Wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten evenwel welomschreven criteria die toelieten om vast te stellen welke voertuigen al dan niet werden beoogd door de beperking bedoeld in het voornoemd artikel 45, § 2, eerste lid.
35. Het onderscheid tussen de voertuigen werd tot op heden enkel bepaald door administratieve aanschrijvingen (criteria opgenomen in de aanschrijvingen nr. 10 van 11 september 1987 en nr. 25 van 11 december 1990, die oorspronkelijk gewoon overeenstemden met de categorie waaronder het voertuig in het repertorium van de DIV werd ingeschreven).Terwijl er zich geen enkele moeilijkheid voordeed voor inzonderheid vrachtwagens gebruikt voor het vervoer van goederen (zonder beperking van het recht op aftrek), bleek het onderscheid daarentegen tussen personenauto's, auto's voor dubbel gebruik (bedoeld door de beperking) en lichte vrachtauto's (niet bedoeld door de beperking) veel delicater te zijn.
De criteria voor de definitie van het begrip lichte vrachtauto werden in de loop van de laatste jaren ingevolge de omzetting van communautaire bepalingen met betrekking tot de inschrijving van voertuigen gewijzigd (zie punt 17) waardoor ze gingen afwijken van de criteria die inzake BTW worden weerhouden wat derhalve kan leiden tot een restrictieve interpretatie van de toepassing van de beperking van het recht op aftrek.
36. Om elke betwisting te vermijden drong een specifieke, nauwkeurige en strikte wettelijke bepaling zich op.
Dit is het doel van het nieuwe artikel 45, § 2, van het BTW-Wetboek en meer in het bijzonder van het tweede lid ervan, gewijzigd bij artikel 107 van de programmawet (zie punt 9).
Deze nieuwe bepaling maakt inderdaad een einde aan bepaalde inventieve interpretaties van handelaars in de automobielsector en aan bepaalde twistpunten. Er wordt onder meer gezinspeeld op de aftrek met betrekking tot pseudo-bedrijfswagens alsook vervangwagens die ter beschikking worden gesteld aan de klanten van handelaars in voertuigen.
37. Artikel 45, § 2, nieuw, dat de eerder toegepaste uitsluitingen behoudt maar evenmin uitbreidt (standstill-clausule) is anders opgesteld. Het eerste lid houdt voortaan een algemene beperking in van het recht op aftrek dat van toepassing is op alle soorten autovoertuigen, dus met inbegrip van vrachtwagens, lichte vrachtauto's, autobussen en motorfietsen. Het tweede lid bevat een restrictieve lijst van uitzonderingen op de beperking van het recht op aftrek.
38. Behalve de reeds bestaande uitsluitingen bedoeld in punt 33 hiervoor, somt het nieuwe tweede lid de autovoertuigen op waarop de afwijking op de beperking van het recht op aftrek van toepassing is.
39. Onder meer in punt f) wordt verduidelijkt dat de beperking van het recht op aftrek niet van toepassing is op de voertuigen die in artikel 4, § 2, WGB als lichte vrachtauto's worden omschreven.
Wat de inzake de belasting over de toegevoegde waarde weerhouden definitie van «lichte vrachtauto» betreft, wordt bijgevolg uitdrukkelijk verwezen naar de definitie inzake de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zoals ingevoegd bij onderhavige programmawet. Aldus wordt de fiscale definitie van het begrip «lichte vrachtauto» in de verschillende fiscale wetgevingen op elkaar afgestemd.
Wat de voertuigen van het type «pick-up» met dubbele cabine betreft, wordt de toepassing van de beperking van het recht op aftrek voortaan beperkt. Rekening houdend met het feit dat de datum van de opeisbaarheid van de belasting de omvang van het recht op aftrek bepaalt, spreekt het evenwel van zelf dat er niet kan worden teruggekomen op de handelingen waarvoor het recht op aftrek is ontstaan vóór 1 januari 2006.
40. Ter verduidelijking en om een eenvormigheid in het woordgebruik te verzekeren, wordt de uitdrukking « automobiel » in artikel 45, § 2, vervangen door de uitdrukking « autovoertuig ».
41. Tenslotte wordt de afwijking die het voorwerp uitmaakte van artikel 45, § 2, tweede lid, a), oud, voortaan gesplitst in twee onderscheiden punten: de handelaars in voertuigen zijn bedoeld in punt h) van het nieuwe tweede lid en de beroepsverhuurders in punt i) van dat lid. Deze splitsing was noodzakelijk om zo ondubbelzinnig mogelijk en op uitdrukkelijke wijze te preciseren dat de afwijking op de beperking van het recht op aftrek slechts de voertuigen beoogt die bestemd zijn om te worden verhuurd door een belastingplichtige die een economische activiteit uitoefent die bestaat in de verhuur van autovoertuigen aan om het even wie.
De beperking van het recht op aftrek betreft niet de belastingplichtigen waarvan de specifieke economische activiteit bestaat in de verhuur van autovoertuigen, dit wil zeggen de ondernemingen die op de markt zijn gekend als verhuurders van voertuigen en die hun diensten aan het publiek in het algemeen op een zodanige manier aanbieden, dat elkeen die een autovoertuig voor het vervoer van personen in huur wenst te nemen, zich tot zo een bedrijf kan wenden.
V. GEMENE BEPALINGEN
42. De bij de DIV als lichte vrachtauto ingeschreven voertuigen die niet beantwoorden, naargelang hun type, aan de voorwaarden vastgelegd in artikel 4, § 2, WGB, worden dus, volgens hun constructie, beschouwd als een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus, krachtens artikel 4, § 3, WGB, en als dusdanig fiscaal belast op het vlak van de inkomstenbelastingen, de belasting over de toegevoegde waarde en de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen.
43. Het toezicht op de technische kenmerken eigen aan de fiscale definitie van de beoogde voertuigen zal, in principe, uitsluitend uitgevoerd worden in de stations voor de technische keuring van de voertuigen waar elk bedrijfsvoertuig (zowel nieuw als tweedehands), naargelang het geval, voor zijn inverkeerstelling of jaardag moet worden aangeboden.
Deze nieuwe procedure wijzigt echter geenszins de categorie waaronder het voertuig is ingeschreven bij de DIV en heeft dus niet als gevolg dat het voormeld voertuig aan een nieuwe homologatie dient onderworpen te worden bij de bevoegde diensten van de FOD Mobiliteit en Vervoer.
44. De op deze manier ingezamelde gegevens door de stations van technische keuring zullen gecentraliseerd worden bij de Groepering van erkende ondernemingen voor autokeuring en rijbewijs (GOCA) en doorgegeven worden aan de DIV voor verdere verwerking. Op het einde van dit verloop, verzendt de DIV een bijwerking van de gegevensbestanden aan de FOD Financiën die haar bestanden dientengevolge aanpast.
45. Om de fiscale aard van een voertuig te raadplegen en aldus het toe te passen stelsel te bepalen dienen de fiscale diensten de op de Intranet site van de Administraties ondernemings- en inkomensfiscaliteit en invordering beschikbare toepassing Belconet-on-web op te starten.
Nadat de identificatiegegevens (gebruikersnaam en paswoord) zijn ingevuld, selecteer in het menu de toepassing "VB" (Verkeersbelasting).
In het submenu, selecteer de functie "Consultatie verkeersbelasting". Het scherm zal het bestand VBDIS1 weergeven.
Nadat het vak "Plaat Nr;" is ingevuld en de keuze bevestigd (Enter), zal het scherm het bestand VBDIS2 weergeven dat de nodige informatie verbonden aan het voertuig vermeldt (identiteit van de eigenaar-belastingschuldige, bedrag van de verschuldigde belasting, …). In het vak voorbehouden aan de "Technische gegevens voertuig", vindt men, onder de benaming "Soort (fin) :", de fiscale aard van het bedoelde voertuig die voortvloeit uit de toepassing van de nieuwe wetsbepalingen : VP, SW, OM of CT naargelang het bedrijfsvoertuig respectievelijk als een personenauto, een auto voor dubbel gebruik, een minibus of een lichte vrachtauto moet worden beschouwd.
De voertuigen van het type "pick-up" worden, ongeacht hun configuratie, steeds fiscaal beschouwd als lichte vrachtauto's en geïdentificeerd als dusdanig op het scherm door de code "PU" onder de rubriek "Soort (fin) :".
Aanvankelijk zullen slechts de codes "VP", "CT" of "PU" op het scherm voorkomen om de fiscale aard van de bedoelde voertuigen te bepalen. In een latere fase zullen de overige codes in gebruik genomen worden om de juiste fiscale aard van de voertuigen te bepalen die niet voldoen aan de nieuwe technische voorwaarden.
Wanneer de fiscale aard van het voertuig verschillend is van de categorie waaronder dit voertuig ingeschreven is bij de DIV, verschijnt het bericht " DIS2: GENRE (FIN) VP > GENRE (DIV) CT/FA/LT" onder in het scherm VBDIS2. Door te klikken op de functie "Andere" in het vak voorbehouden aan "Verdere opzoekmogelijkheden" zal het scherm het bestand VBDIS6 weergeven dat onder andere het genre vermeldt waaronder het voertuig bij de DIV is ingeschreven en het werkelijk verhoudingspercentage laadruimte/wielbasis zoals dat voortkomt uit de meting uitgevoerd door het station van technische keuring.
VI. PRAKTISCHE BEPALINGEN INZAKE DE VERKEERSBELASTING
46. Wanneer het motorvoertuig niet beantwoordt aan de in artikel 4, § 2, WGB, vastgestelde voorwaarden, zal de situatie van de betreffende belastingplichtige op automatische wijze worden geregulariseerd hetzij bij de eerste ingebruikname van het voertuig op de openbare weg hetzij op de jaarmaand in de overige gevallen.
47. De regularisatie is van toepassing vanaf het eerste belastbaar tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 2006. In geen geval zal er een regularisatie plaatsvinden voor de maanden begrepen tussen 1 januari 2006 en de jaarmaand van het voertuig indien de eerste maand van het belastbaar tijdperk verbonden is met een aanslagjaar dat voorafgaat aan het jaar 2006.
48. De volgende voorbeelden verduidelijken het verloop van de regularisatie.
Voorbeelden:
1. Dhr X bezit een autovoertuig waarvan de motor gedreven wordt met gasolie, met een maximaal toegelaten massa (MTM) van 3.150 kg en een fiscaal vermogen van 16 PK. Dit voertuig is als lichte vrachtauto ingeschreven bij de DIV op 14.05.2004.
Overeenkomstig de geldende bepalingen, verstuurt de Dienst Belastingen-Auto's, begin juni 2004, een uitnodiging tot betaling naar de belastingplichtige met betrekking tot enkel de jaarlijkse verkeersbelasting op de autovoertuigen (VB), daar de lichte vrachtauto's niet onderworpen zijn aan de aanvullende verkeersbelasting (AVB), de accijnscompenserende belasting (ACOB) en de belasting op de inverkeerstelling (BIV). Het bedrag van de belasting is vastgesteld op grond van de MTM.
Tijdens het jaarlijks verplicht aanbieden van het voertuig aan een station voor technische keuring op 04.05.2006, zullen de kenmerken van het voertuig getoetst worden aan de nieuwe bepalingen die in werking zijn getreden op 1 januari 2006. Door een uitwisseling van gegevens tussen de GOCA, de DIV en de FOD Financiën zullen de fiscale diensten over de juiste technische gegevens van het voertuig beschikken.
Voor het belastbaar tijdperk van 01.05.2006 tot 30.04.2007, zal de Dienst Belastingen-Auto's een bericht van betaling naar de belastingplichtige versturen, eventueel aangepast aan de nieuwe fiscale situatie naargelang:
a) het voertuig voldoet aan de nieuwe technische voorwaarden
In dit geval, zal het scherm VBDIS2, onder de rubriek "soort (fin)", de vermelding "CT Lichte vrachtwagen" weergeven en zal er geen bijzonder bericht verschijnen onder in het scherm. Dit kenmerk zal zich ook uitdrukken op het scherm VBDIS6 met de weergave van een verhoudingspercentage laadruimte/wielbasis die gelijk of hoger is dan 50. De Dienst Belastingen-Auto's zal een uitnodiging tot betaling versturen van de jaarlijkse VB, berekend op grond van de MTM van het voertuig.
b) het voertuig voldoet niet aan de nieuwe technische voorwaarden
Het scherm VBDIS2 zal, onder de rubriek "soort (fin)", de vermelding "VP Personenauto" weergeven en een bericht zal verschijnen onder in het scherm (zie hierboven). Het scherm VBDIS6 zal, onder de rubriek "Meting (tech. c.)", een verhoudingspercentage laadruimte/wielbasis weergeven die lager is dan 50. De Dienst Belastingen-Auto's zal een uitnodiging tot betaling versturen van de jaarlijkse VB en ACOB, berekend op grond van het vermogen van de motor. Er zullen geen supplementen verrekend worden voor de maanden januari, februari, maart en april 2006, daar deze deel uitmaken van de belastbare periode verbonden aan het aanslagjaar 2005. Bovendien is er ook geen BIV verschuldigd daar het voertuig voor het eerst aangekocht en ingeschreven werd op naam van de belastingplichtige in de loop van de maand mei 2004.
2. De belastingplichtige schaft op 7 februari 2006 een autovoertuig aan die eerder als lichte vrachtauto werd ingeschreven bij de DIV en waarvan de motor gedreven wordt met LPG. De belastingplichtige is verplicht, voorafgaand aan zijn inschrijvingsaanvraag bij de DIV, zijn voertuig aan te bieden aan een station voor technische keuring.
a) het voertuig voldoet aan de nieuwe technische voorwaarden
Hetzelfde resultaat als in voorbeeld 1, a), hierboven. In dit geval, is de belasting verbonden aan het voor het eerst in het verkeer brengen van het voertuig op naam van de belastingplichtige, voor de periode van 01.02.2006 tot 31.01.2007, beperkt tot de jaarlijkse VB, berekend op grond van de MTM van het voertuig. Inderdaad, daar aan de voorwaarden is voldaan, zal het voertuig fiscaal beschouwd worden als een lichte vrachtauto en derhalve genieten van de vrijstelling van de BIV en AVB.
b) het voertuig voldoet niet aan de nieuwe technische voorwaarden
Hetzelfde resultaat als in voorbeeld 1, b), hierboven, maar bedraagt de belasting verbonden aan het voor het eerst in het verkeer brengen van het voertuig op naam van de belastingplichtige, voor de periode van 01.02.2006 tot 31.01.2007, naast de VB en AVB, eveneens de BIV, berekend op grond van het vermogen van de motor (voertuig aangekocht en voor het eerst ingeschreven op naam van de belastingplichtige in februari 2006).
49. De diensten van de fiscale administraties zijn gebonden aan de gegevens, medegedeeld door de DIV, die zijn opgenomen in de voornoemde bestanden. Wanneer de belastingplichtige, bij ontvangst van zijn/haar groen keuringsbewijs of uitnodiging tot betaling, de fiscale aard van het voertuig betwist, dient hij/zij uitgenodigd te worden zijn/haar voertuig, na een eventuele aanpassing, te onderwerpen aan een nieuwe meting in het door hem/haar gekozen station voor technische keuring. Indien deze nieuwe meting tot gevolg heeft dat het voertuig wel degelijk voldoet aan de nieuwe technische voorwaarden, zal de eerste uitnodiging tot betaling voor de als personenauto beschouwde voertuig vernietigd worden en zullen de nieuwe gegevens in acht worden genomen voor de berekening van de belasting voor het desbetreffend belastbaar tijdperk.
50. Daar de technische kenmerken vanaf 1 januari 2006 van toepassing zijn, zal de regularisatie van de fiscale aard van het geheel van het segment van de voertuigen bedoeld door deze bepalingen slechts gerealiseerd worden bij het verstrijken van het kalenderjaar 2006, wanneer alle als lichte vrachtauto ingeschreven voertuigen bij de DIV zich zullen aangeboden hebben bij een station van technische keuring. Derhalve zal een gericht toezicht zin hebben na het verstrijken van het kalenderjaar 2006.
NAMENS DE MINISTER :
De Adjunct-administrateur-generaal,
Paul NECKEBROECK
Bron: FisconetPlus
