Aanschrijving nr. 6 dd. 09.03.1994

AANSCHRIJVING 94/006

Aanschrijving nr. 6 dd. 09.03.1994


Weddenschappen, loterijen en andere kans- en geldspelen
Automaten.


INHOUD Nrs. Onderwerp van de aanschrijving 1 Eerste hoofdstuk : Inleiding A. Wettelijke bepalingen 2 B. Gevolgen van de invoering van de vrijstelling 3 en 4 Hoofdstuk II : Omschrijving van de spelen Eerste afdeling : Weddenschappen en loterijen 5 tot 7 Afdeling II : Automaten Inleiding 8 Eerste onderafdeling - Voorafgaande beschouwingen : Beoogde automaten 9 Bij de exploitatie van een automaat betrokken partijen 10 Onderafdeling II - De exploitatie van een automaat : Aard van de handelingen 11 Hoedanigheid van de exploitant 12 tot 15 Vrijgestelde kans- en geldspelen 16 tot 19 Verkoopautomaten 20 tot 24 Andere automaten 25 tot 27 Onderafdeling III - De andere handelingen : Vergoedingen betaald door de exploitant 28 tot 29 Verhuur van automaten 30 tot 32 Afdeling III : Prijskampen Eerste onderafdeling : Reikwijdte van de vrijstelling 33 tot 35 Onderafdeling II : Aftrek 36 tot 37 Onderafdeling III : Bijzondere gevallen 38 tot 41 Afdeling IV : Andere spelen 42 Hoofdstuk III : Uitzonderingsbepaling 43 Onderwerp van de aanschrijving.

1. Onderhavige aanschrijving heeft tot doel de draagwijdte toe te lichten van de vrijstelling van artikel 44, § 3, 13°, van het Wetboek ten aanzien van weddenschappen, loterijen en andere kans- en geldspelen.

Door de invoering van deze vrijstelling wordt het Wetboek formeel aangepast aan artikel 13, B, f, van de Zesde Richtlijn van de Raad van 17 mei 1977, betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid- Staten inzake omzetbelasting (z. BTW-Rev. 30/301).

Deze aanschrijving heft de aanschrijving nr. 14/1973 met betrekking tot automaten, en de aanschrijving nr. 69/1972, met betrekking tot de organisatie van tombola's, competities, spelen en wedstrijden, op en geldt vanaf 1 juli 1994 (De regeling zoals bepaald in deze aanschrijving kon uiteraard reeds toegepast worden vanaf 1 januari 1993).

Eerste hoofdstuk. Inleiding.



A.Wettelijke bepalingen.
2. Overeenkomstig artikel 44, § 3, 13°, van het Wetboek zijn, met inachtneming van de door de Koning vastgestelde voorwaarden en beperkingen, de weddenschappen, loterijen en andere kans- en geldspelen van de belasting vrijgesteld.

Het koninklijk besluit nr. 45 van 14 april 1993 (B.S. 30 april 1993, nr. 85, blz. 9772) genomen ter uitvoering van bovengenoemd artikel 44, § 3, 13°, bepaalt dat onder kans- en geldspelen moet worden verstaan :

1° de spelen, onder welke benaming ook, die gelegenheid geven tot mededinging naar prijzen of premies in geld of natura, waarbij de spelers noch bij het begin, noch in de loop of bij het einde van het spel kunnen tussenkomen en de winnaars uitsluitend door het lot of enig andere kansbepaling worden aangewezen; de handelingen die door een andere bepaling van artikel 44, van het Wetboek worden vrijgesteld, worden evenwel niet bedoeld;

2° de spelen onder welke benaming ook, welke gelegenheid geven tot mededinging naar prijzen of premies in geld of natura, uitgeloofd aan de deelnemers van een prijskamp, van welke aard ook, tenzij de prijskamp het totstandbrengen van een contract tussen de winnaar(s) en de organisator ervan tot gevolg heeft.



B.Gevolgen van de invoering van de vrijstelling.
3. Door de invoering van de vrijstelling wordt er niet wezenlijk geraakt aan de administratieve praktijk. Daar waar ze van de belasting over de toegevoegde waarde vanaf 1 januari 1993 zijn vrijgesteld, werden de kans- en geldspelen, daaronder begrepen de weddenschappen en loterijen, voorheen aangemerkt als handelingen buiten de werkingssfeer van de BTW. Deze redenering is thans niet meer correct aangezien volgens het nieuwe artikel 18, § 1, van het Wetboek als een dienst wordt beschouwd, elke handeling die geen levering van een goed is in de zin van het Wetboek.

Hij die geregeld en zelfstandig in de uitoefening van een economische activiteit uitsluitend dergelijke vrijgestelde weddenschappen, loterijen, kans- en geldspelen organiseert, is derhalve mede omwille van de afschaffing van artikel 5 van het Wetboek een belastingplichtige, zonder recht op aftrek van de voorbelasting.

4. De vrijstelling van artikel 44, § 3, 13°, van het Wetboek, geldt enkel voor de weddenschappen, loterijen, kans- en geldspelen zelf en niet voor de eventueel bijkomende handelingen zoals b.v. de bezoldigde tussenkomst van een lasthebber bij de inning van de inzetten of het tegen betaling verlenen van toegang tot de ruimte waar wordt gespeeld.

Hoofdstuk II. Omschrijving van de spelen.

Eerste afdeling. Weddenschappen en loterijen.

5. Voor de toepassing van de vrijstelling beoogt in artikel 44, § 3, 13°, van het Wetboek dienen de begrippen "weddenschappen" en "loterijen" in hun gebruikelijke betekenis te worden opgevat.

Worden bijgevolg als weddenschappen aangemerkt, alle overeenkomsten, onder bezwarende titel, van wedden, d.w.z. iedere handeling waarbij een uitspraak, een bewering of een voorspelling omtrent iets onzeker wordt geponeerd met als inzet een prijs in geld of in natura.

Als loterij of tombola wordt aangemerkt elke gelegenheid om door middel van te kopen deelbewijzen (loten) van deelneming mee te dingen naar prijzen in geld of in natura waarbij de winnaars door het lot of een andere kansbepaling waarop zij geen invloed kunnen uitoefenen worden aangewezen.

6. Aldus is onder meer de inrichting van weddenschappen op paardenwedrennen, voorheen buiten de werkingssfeer, thans door artikel 44, § 3, 13°, van het Wetboek vrijgesteld. Deze vrijstelling heeft echter geen invloed op de regeling voor de agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen (aanschr. nr. 15/1974) (z. BTW-Rev. 18/377) aangezien de vrijstelling enkel geldt voor de weddenschappen zelf en niet voor de bijkomende prestaties.

Dezelfde opmerkingen gelden ten aanzien van de organisatie van loterijen en andere dergelijke kansspelen (b.v. Lotto, voetbalpronostieken, Subito, Domino, enz.). In dit verband wordt erop gewezen dat het zogenaamde kienspel wordt aangemerkt als een loterij (z. Beroep Antwerpen, 22 januari 1985, R.W. 1986-1987, blz. 1926).

7. Voor de regels inzake de heffing en de aftrek van de BTW in hoofde van de organisator ten aanzien van de prijzen in natura die in voorkomend geval door laatstgenoemde aan de winnaars van loterijen, weddenschappen of dergelijke spelen worden afgegeven, wordt verwezen naar de nummers 36 tot en met 40.

Het komt geregeld voor dat de organisator van een weddenschap, loterij of van een ander van de belasting vrijgesteld spel, de aan de winnaars afgegeven prijzen in natura van een handelaar bekomt als tegenprestatie voor de door eerstgenoemde ten bate van die handelaar gevoerde reclame tijdens of in het kader van de organisatie van de loterij of het spel.

In dat geval vinden in de relatie tussen de organisator en de handelaar wederzijdse handelingen onder bezwarende titel plaats die volgens hun eigen aard belastbaar zijn. De administratie stemt er om praktische redenen mee in dat de opeisbare BTW over de gevoerde reclame en de afgifte door de handelaar van het als prijs bestemde goed, wordt berekend over de normale waarde van het afgegeven goed. Vermits de door de organisator van de handelaar verkregen prijzen per definitie worden gebruikt voor het verrichten van handelingen die van de belasting zijn vrijgesteld, is de door de handelaar naar aanleiding van de afgifte van de geschenken verschuldigde BTW in hoofde van eerstgenoemde uiteraard niet aftrekbaar.

Afdeling II. Automaten.


Inleiding.

8. Artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 45, van 14 april 1993, beoogt tevens bepaalde automaten, zodat de exploitatie ervan eveneens van de BTW is vrijgesteld.

Hierna wordt de regeling uiteengezet die inzake BTW van toepassing is op de overeenkomsten gesloten tussen de gebruikers van automaten en de exploitanten van die toestellen en tussen deze laatsten en zij die een plaats te hunner beschikking stellen voor de exploitatie van die toestellen.

Eerste onderafdeling. Voorafgaande beschouwingen.

Beoogde automaten.

9. Onder automaat wordt verstaan, ieder toestel dat een mechanisch, elektrisch of elektronisch onderdeel bevat, dat dient voor het op gang brengen, de werking of het gebruik ervan en dat wordt ingeschakeld door het inwerpen van een geldstuk, een fiche (speelpenning) of door ieder ander middel dat hiervoor in de plaats komt.

Sommige automaten worden automatische ontspanningstoestellen genoemd, omdat ze bestemd zijn voor het vermaak van de gebruikers, waarmee dan zowel het kansspel, de behendigheidsoefening als het beluisteren van muziek wordt bedoeld. Naast die automatische ontspanningstoestellen bestaan er ook nog talrijke andere automaten die de gebruiker allerhande goederen afleveren of diensten verlenen. Deze verkoopautomaten of automaten die diensten verrichten worden eveneens in deze aanschrijving besproken.

Bij de exploitatie van een automaat betrokken partijen.

10. De exploitatie van een automaat doet steeds ten minste twee personen met elkaar in betrekking staan : de exploitant van het toestel en de gebruiker ervan.

De exploitant is hij die beschikt over de in het toestel aangetroffen ontvangsten. Over de ontvangsten wordt geacht te beschikken hij die de sleutel bezit om het toestel te openen, zelfs wanneer overeengekomen mocht zijn dat een bepaald percentage van die ontvangsten aan iemand anders moet worden afgedragen.

De gebruiker is hij die een geldstuk of een fiche in het mechanisme inwerpt, waardoor de automaat begint te werken. Soms kan de exploitant of de houder van het lokaal waar de automaat zich bevindt een geldstuk of fiche in het toestel inwerpen ten voordele van iemand anders.

Bij de exploitatie van een automaat wordt dikwijls nog een derde persoon betrokken. Deze kan de exploitant of de houder zijn van het lokaal waar het toestel ter beschikking van gebruikers wordt gesteld. Het kan ook de eigenaar zijn van een plaats, zoals een muur, een perron van een station, enz.

Tenslotte is het mogelijk dat de exploitant van een automaat niet de eigenaar ervan is. Hij kan namelijk het toestel gehuurd hebben. Zo kan men naast de exploitant van het toestel ook nog de eigenaar hebben, die het toestel aan de exploitant verhuurt.

Die diverse situaties kunnen overigens samen voorkomen. Een exploitant kan een automaat huren om hem ter beschikking van gebruikers te stellen in een lokaal dat aan iemand anders toebehoort.

In de tweede onderafdeling wordt de regeling toegelicht die geldt voor de relatie van de exploitant van het toestel tot de gebruiker ervan. In een derde onderafdeling wordt de regeling bepaald m.b.t. de andere verhoudingen die ontstaan bij de exploitatie van een automaat.

Onderafdeling II. De exploitatie van een automaat.

Aard van de handelingen.

11. De exploitatie van een automaat geeft aanleiding tot drie soorten handelingen, namelijk :

a. kans- of geldspelen zoals bedoeld in artikel 1, 1°, van het hogergenoemd koninklijk besluit nr. 45 (z. nrs. 16 tot 19);



b.levering van goederen.
Wanneer aan de gebruiker een goed wordt geleverd als tegenprestatie voor het in de automaat ingeworpen bedrag, heeft de handeling die tussen de exploitant en de gebruiker tot stand komt betrekking op een levering van goederen als bedoeld in het Wetboek (z. nrs. 20 tot 24).



c.diensten.
Wanneer een dienst als bedoeld in artikel 18, § 1, van het Wetboek aan een gebruiker wordt verleend als tegenprestatie voor het in een automaat ingeworpen bedrag, is de handeling een dienst in de zin van het Wetboek (z. nrs. 25 tot 27).

Hoedanigheid van de exploitant.

12. Wanneer de exploitatie van een automaat aanleiding geeft tot handelingen die niet aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen zijn, zoals dat het geval is met de in artikel 1, 1°, van voornoemd koninklijk besluit nr. 45 bedoelde kans- en geldspelen, moet de exploitant die handelt binnen het kader van een economische activiteit en derhalve een belastingplichtige is zonder recht op aftrek, niet als zodanig, voor de toepassing van de BTW worden geïdentificeerd.

Aan die persoon zal echter wel een BTW-identificatienummer worden toegekend bij intracommunautaire verwervingen in de gevallen bedoeld in artikel 50, § 1, tweede lid, van het Wetboek indien hij uiteraard geen andere belastbare, economische activiteit uitoefent.

De ontvangsten wegens de exploitatie van bedoelde kans- en geldspelen zijn niet aan de belasting onderworpen.

Het feit dat de exploitant een door artikel 44, § 3, 13°, van het Wetboek vrijgestelde activiteit uitoefent, heeft overigens tot gevolg dat hij de belasting die werd geheven van de goederen en diensten die hij heeft ontvangen en van de goederen die hij heeft ingevoerd of intracommunautair verworven, niet in aftrek kan brengen in de mate waarin hij die goederen en diensten gebruikt voor de exploitatie van bedoelde kans- en geldspelen. Zo kan een exploitant niet de belasting in aftrek brengen, die wordt geheven van de aankoop, de invoer, de intracommunautaire verwerving, of van de huur van een automaat. Hij kan evenmin in aftrek brengen de belasting die hij moet betalen ter zake van het onderhoud en het herstellen van het toestel.

13. Wanneer de exploitatie van een automaat daarentegen aanleiding geeft tot belastbare handelingen, zoals het in de regel het geval is met de andere dan in nr. 12 bedoelde automaten, is de exploitant van die automaat een belastingplichtige met recht op aftrek en moet hij ook als zodanig worden geïdentificeerd zodat de belasting dus ook opeisbaar is ter zake van de in het toestel aangetroffen ontvangsten.

Doch van de ter zake van de ontvangsten opeisbare belasting mag hij de belasting in aftrek brengen die werd geheven van de goederen en diensten die hij heeft ontvangen en van de goederen die hij heeft ingevoerd of intracommunautair verworven en die hij gebruikt voor de exploitatie van de automaten waarvan de ontvangsten belastbaar zijn. De exploitant kan, onder meer, de belasting in aftrek brengen, die hij heeft voldaan bij de aankoop of de invoer of de intracommunautaire verwerving van de automaat. Hij kan eveneens de belasting in aftrek brengen die werd voldaan bij de inkoop van de goederen die door middel van de automaat worden verkocht. Hij kan ook nog de belasting in aftrek brengen, waaraan de herstellingen van de automaat zijn onderworpen.

14. De exploitant van een andere automaat dan die van een vrijgesteld kans- of geldspel kan, onder bepaalde voorwaarden, genieten van de vrijstellingsregeling van belasting ingesteld bij artikel 56, § 2, van het Wetboek.
Overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 19 van 29 december 1992, genomen ter uitvoering van het bovenvermeld artikel, is deze regeling van toepassing op de kleine ondernemingen waarvan het jaarlijks omzetcijfer niet meer bedraagt dan 225.000 F.
Het omzetcijfer dat als referentie dient voor de toepassing van deze bijzondere regeling, wordt bepaald door het bedrag, exclusief BTW, van de belastbare leveringen van goederen en diensten, met inbegrip van het bedrag van de krachtens het Wetboek vrijgestelde handelingen.
Voor het bepalen van het in aanmerking te nemen omzetcijfer wordt er geen rekening gehouden met de overdracht van investeringsgoederen van de onderneming, met de handelingen bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 19, noch met de handelingen die krachtens artikel 44, §§ 1 en 2, van het Wetboek zijn vrijgesteld zoals dit onder meer het geval is voor een ziekenhuis of een onderwijsinstelling.
De ontvangsten voortspruitende uit handelingen die krachtens artikel 44, § 3, 3°, 12° en 13° van het Wetboek zijn vrijgesteld, komen evenmin in aanmerking bij de berekening van het omzetcijfer. Dit zijn onder meer de ontvangsten voortspruitende uit vrijgestelde kans- of geldspelautomaten, loterijen en weddenschappen.

15. De onder punt 14 voorziene regeling is van toepassing op elke belastingplichtige, ongeacht de juridische vorm. De verenigingen en groeperingen zonder winstoogmerk kunnen dus genieten van de vrijstellingsregeling van de belasting in de mate dat zij aan de gestelde voorwaarden voldoen.

Vrijgestelde kans- en geldspelen.

16. Overeenkomstig artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 45 van 14 april 1993 worden automaten als vrijgestelde kans- of geldspelen aangemerkt indien zij gelegenheid geven tot mededinging naar prijzen of premies in geld of natura, waarbij de spelers in geen enkele fase van het spel kunnen tussenkomen en de winnaars uitsluitend door het lot of enig andere kansbepaling worden aangewezen.

Dit criterium is van toepassing ongeacht de bepalingen van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen en van het Strafwetboek.

De aard van de prijs of premie is voor de toepassing van de BTW eveneens zonder belang voor de vaststelling of het om een kans- of geldspel gaat. Zo blijft een automaat die voldoet aan de criteria om als vrijgesteld kans- en geldspel te worden aangemerkt en die geen andere kans van verrijking of stoffelijk voordeel oplevert dan het recht om gratis verder te spelen, voor de toepassing van de BTW niettemin een kans- of geldspel ook al wordt het in dat geval niet door de Strafwet beoogd.

17. De speler wordt geacht in geen enkele fase te kunnen tussenkomen en in voorkomend geval als winnaar louter door het lot te worden aangewezen indien de mechanische, de elektrische of elektronische werking zelf van het toestel de speler niet toelaat de loop van het spel gericht en doelmatig te beïnvloeden.

Dit is bijvoorbeeld het geval met de zgn. "Bingo" of de "One Ball" waarbij de speler enkel een bal of kogel kan wegschieten en verder niet in het spel kan ingrijpen door middel van daartoe op de automaat aangebrachte mechanismen. Weliswaar kan hij door te stoten aan het toestel de loop van de bal of kogel trachten te beïnvloeden, doch dit is niet in het werkingsmechanisme van het toestel zelf begrepen.

De zogenaamde "Flipper" daarentegen, laat de speler toe hindernissen in werking te stellen waardoor de loop van de bal of kogel, wel beïnvloed wordt. Dit toestel wordt dan ook voor de toepassing van de BTW niet als kans- of geldspel aangemerkt.

Ook door de Strafwet verboden "Jackpot" wordt voor de toepassing van de BTW als een kans- of geldspel aangemerkt.

18. Zijn daarentegen geen kans- of geldspelen, de toestellen die de speler toelaten zijn behendigheid te testen zoals automatische schietapparaten, automatische kegelspelen, grijperkranen, enz.

19. De exploitant die uitsluitend de als kans- of geldspelen aangemerkte automaten uitbaat moet als belastingplichtige zonder recht op aftrek worden aangemerkt zodat de in de toestellen aangetroffen ontvangsten niet aan de belasting zijn onderworpen.

Verkoopautomaten.

20. Hier worden de automaten bedoeld, die aan de gebruiker goederen afleveren, met uitzondering van spijzen en dranken om ter plaatse te worden gebruikt.

21. De in de toestellen aangetroffen ontvangsten vertegenwoordigen de prijs voor de levering van goederen. De exploitant verricht een belastbare economische activiteit en de ontvangsten zijn aan de BTW onderworpen.

22. Het belastingtarief dat op de ontvangsten van toepassing is, verschilt naargelang van de aard van de aan de gebruiker afgeleverde goederen.

23. De belasting wordt berekend over het totale bedrag van de in het toestel aangetroffen ontvangsten, zelfs indien de exploitant een percentage van de ontvangsten moet afstaan aan de houder van het lokaal waar het toestel wordt geëxploiteerd of aan de eigenaar van de plaats waar het toestel zich bevindt (z. nr. 28). Er moet echter rekening mee worden gehouden dat de belasting over de toegevoegde waarde in de ontvangsten begrepen is.

24. Op te merken valt echter dat geen belasting opeisbaar is ter zake van de ontvangsten van sigarettenautomaten, wegens de speciale regeling die op tabaksfabrikaten van toepassing is. Niettemin verrichten de exploitanten van zulke automaten een belastbare economische activiteit.

Andere automaten.

25. Er zijn nog andere automaten van zeer diverse aard, zoals de automatische competitie- of behendigheidspelen die niet als kans- of geldspelen worden aangemerkt, de automaten die spijzen en dranken verschaffen om ter plaatse te worden verbruikt, de automatische weegschalen, de verrekijkers met automaat, de muziekautomaten (juke- boxes) of filmprojectieautomaten en de automaten voor het vermaak van kinderen, "Kiddierides" genoemd.

26. De in die automaten aangetroffen ontvangsten vertegenwoordigen de prijs van het in het Wetboek bedoelde diensten. De ontvangsten zijn bijgevolg aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen.

27. Die belasting is in de regel opeisbaar tegen het normale tarief dat thans 20,5 pct. bedraagt (19,5 pct. voor 1 januari 1994). De belasting wordt berekend over het totale bedrag van de in de automaat aangetroffen ontvangsten, zelfs wanneer de exploitant een percentage van de ontvangsten moet afstaan aan de houder van het lokaal waar het toestel wordt geëxploiteerd of aan de eigenaar van de plaats waar het toestel zich bevindt. Maar de belasting over de toegevoegde waarde is in die ontvangsten begrepen.

Onderafdeling III. De andere handelingen.

Vergoeding betaald door de exploitant.

28. De exploitant van een automaat is vaak gehouden een vergoeding te betalen aan de eigenaar of de huurder van het lokaal of van de plaats waar het toestel zich bevindt.

29. Deze vergoeding is de prijs van een dienst bedoeld in artikel 18, § 1, 6°, van het Wetboek en is aan de belasting onderworpen tegen het normale tarief dat thans 20,5 pct. bedraagt (19,5 pct. voor 1 januari 1994).

De eigenaar of de huurder moet een factuur of een als zodanig geldend stuk uitreiken voor de aan de exploitant van de automaat verstrekte dienst (z. Wetboek, art. 53, eerste lid, 2°). De factuur mag worden vervangen door een stuk waarin de exploitant van de automaat zelf afrekent voor de aan hem verrichte dienst, of door een kwitantie, voor zover, naargelang het geval, is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6, § 1 of § 3 van het koninklijk besluit nr. 1, van 29 december 1992.

De maatstaf van heffing van de verrichte dienst en het bedrag van de verschuldigde belasting dat er op betrekking heeft, worden begrepen in de periodieke aangifte die de eigenaar of de huurder moet indienen (z. Wetboek art. 59, eerste lid, 3°).

Anderzijds kan de belasting geheven van de goederen en diensten die door de bovengenoemde eigenaar of huurder uitsluitend worden gebruikt om zijn verbintenissen tegenover de exploitant van de automaat na te komen, in aftrek worden gebracht.

Verhuur van automaten.

30. De eigenaar van een automaat kan deze verhuren aan iemand die de automaat zal exploiteren.

31. Die verhuur is een dienst bedoeld in artikel 18, § 1, 4°, van het Wetboek en is aan de belasting onderworpen tegen het normale tarief dat thans 20,5 pct. (19,5 pct. vóór 1 januari 1994) bedraagt indien de verhuur plaatsvindt in België (z. Wetboek art. 21, § 3, 7°, h en art. 21, § 2). Dienaangaande valt aan te stippen dat iemand die slechts één toestel verhuurt de hoedanigheid van belastingplichtige verkrijgt voor zover de verhuur toegestaan wordt voor een zekere tijd.

32. De belasting is ter zake van de verhuur opeisbaar, zelfs indien het verhuurde toestel een vrijgesteld kans- of geldspel is (z. nrs. 16 tot 19). Aan te stippen valt dat iemand die een als kans- of geldspel vrijgestelde automaat in huur neemt om te gebruiken, de belasting ter zake van de huur niet mag aftrekken.

Afdeling III. Prijskampen.

Eerste onderafdeling. Reikwijdte van de vrijstelling.

33. Onder prijskamp dient te worden verstaan alle spelen, competities of wedstrijden, onder welke benaming ook, waarbij de deelnemers, om kans te maken op een prijs of een premie, een creatieve bijdrage moeten leveren, zoals bijvoorbeeld, het invullen van een vragenlijst, het maken van een werkstuk, het uitvoeren van een opdracht, het leveren van een sportieve prestatie, enz.

34. De vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 3, 13°, van het Wetboek, en in artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 45, van 14 april 1993, beoogt uiteraard alleen die spelen, prijskampen, competitie en wedstrijden waarbij, om te kunnen deelnemen, een inleg moet worden betaald. De wedstrijden, prijskampen, e.d. waaraan gratis kan worden deelgenomen worden niet door de vrijstelling beoogd. Dergelijke handelingen blijven niettemin buiten de werkingssfeer van de BTW.

35. Hij die dergelijke prijskampen organiseert stelt handelingen die hetzij van de BTW zijn vrijgesteld, hetzij buiten de werkingssfeer van de BTW vallen en heeft bijgevolg in die mate geen recht op aftrek van de voorbelasting. Anderzijds is de afgifte van de prijzen of premies evenmin aan de BTW onderworpen. Hierbij moet geen onderscheid worden gemaakt naargelang de wedstrijden, prijskampen, e.d. al of niet voor reclamedoeleinden of als verkoopspromotie worden verricht.

Onderafdeling II. Aftrek.

36. De organisator van een prijskamp mag de BTW geheven van de aankoop van prijzen of premies uitgereikt aan de winnaars niet in aftrek brengen, aangezien deze afgifte gebeurt ter uitvoering van een handeling die vrijgesteld is van de BTW of, in voorkomend geval, buiten de toepassingssfeer van de BTW valt.

37. Wanneer de organisator evenwel een andere, aan de BTW onderworpen, economische activiteit uitoefent, en de organisatie van de prijskamp rechtstreeks in verband staat met die andere activiteit, mag de belasting geheven van de aankoop van de prijs of de premie die aan de winnaar wordt uitgereikt in aftrek worden gebracht indien het bedrag dat voor de aankoop van de prijs of premie is betaald 500 F, exclusief BTW, niet bereikt en indien er geen uitdrukkelijke uitsluiting is van het recht op aftrek op grond van artikel 45, § 3, van het Wetboek.

Indien de aankoopprijs daarentegen meer bedraagt dan 500 F, exclusief BTW, dan mag de erover geheven BTW niet in aftrek worden gebracht. Wanneer in voorkomend geval, die aftrek toch werd verricht (b.v. goederen die afgenomen worden uit de voor verkoop bestemde voorraad) dan dient de oorspronkelijk verrichte aftrek te worden herzien (z. kon. besl. nr. 3, art. 5, 3°).

Onderafdeling III. Bijzondere gevallen.



a.De prijs of de premie bestaat uit een aankoopbon.
38. Het verwerven van de aankoopbon door de organisator en de afgifte ervan aan de winnaar zijn niet onderworpen aan de BTW.

De afgifte in ruil voor de aankoopbon van een goed bedoeld in artikel 9 van het Wetboek is een levering als bedoeld in het Wetboek waarvan de BTW opeisbaar is in de relatie van de belastingplichtige die het goed levert tot de houder van de aankoopbon. De belasting wordt berekend over de normale waarde van het goed vastgesteld op de wijze bepaald in artikel 32, tweede lid, van het Wetboek.

b. De prijs of de premie is een goed vervaardigd door een organisator die een andere, belastbare, economische activiteit uitoefent.

39. Het goed dat door de organisator werd vervaardigd en uitgereikt als prijs of premie wordt geacht door hem te zijn onttrokken wanneer de normale waarde 500 F bereikt. In dat geval moet de organisator, krachtens artikel 12, § 1, 4°, van het Wetboek, de belasting voldoen over de normale waarde van het goed. Deze belasting is niet aftrekbaar.

40. Wanneer de normale waarde van het door de organisator vervaardigd goed 500 F niet bereikt mag de belasting geheven van de bestanddelen van het goed in aftrek worden gebracht en geeft de afgifte van het goed aan de winnaar geen aanleiding tot herziening van de aftrek noch tot onttrekking.

c. Tussen de organisator en de winnaar(s) komt een contract tot stand.

41. Wanneer de prijskamp tot gevolg heeft dat er tussen de winnaar(s) en de organisator een contract tot stand komt, is de vrijstelling van artikel 44, § 3, 13°, van het Wetboek niet van toepassing. In dat geval wordt de toepasselijke regeling op het stuk van de BTW bepaald volgens de modaliteiten van het contract.

Zo is de vergoeding die de organisator van een architectenwedstrijd uitkeert aan de deelnemers van die wedstrijd wier ingezonden ontwerpen aan bepaalde eisen voldoen, van de belasting vrijgesteld op grond van artikel 44, § 3, 13°, van het Wetboek. Zo de uitkering van de vergoeding daarentegen tot gevolg heeft dat de organisator rechten op de bekroonde ontwerpen verkrijgt, gaat het om de prijs van een dienst bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 1° of 7°, van het Wetboek ongeacht of de organisator al dan niet het ontwerp zal verwezenlijken (z. BTW-Rev. 9/551/326).

Een ander voorbeeld is de organisatie van een wedstrijd door een handelsonderneming met het oog op het verwerven van de rechten op de beste reclameboodschap voor een bepaald produkt.

Afdeling IV. Andere spelen.

42. Ook voor de spelen die niet onder afdeling I, II of III vallen dient het onderscheid tussen de belastbare en de vrijgestelde spelen te worden bepaald volgens het criterium gesteld in artikel 1, 1°, eerste zin van het koninklijk besluit nr. 45 van 14 april 1993.

In dit verband wordt er op gewezen dat de (kinder)spelen waarbij in alle gevallen een prijs in natura wordt gewonnen hetzij rechtstreeks, hetzij in functie van een aantal tijdens het spelen gewonnen punten of bonnetjes, niet worden aangemerkt als van de belasting vrijgestelde kansspelen.

Hoofdstuk III. Uitzonderingsbepaling.

43. Bepaalde handelingen, die strikt genomen onder de definitie van kans- en geldspel als bedoeld in artikel 1, 1°, eerste zin, van het koninklijk besluit nr. 45 vallen, worden reeds door een andere bepaling van artikel 44, van het BTW-Wetboek vrijgesteld. Deze handelingen worden hier dan ook niet meer beoogd.

Dit is onder meer het geval met levensverzekeringen.

Namens de Minister :
De Directeur-generaal,


J. DECUYPER