Circulaire nr. Ci.RH.222/509.586 d.d. 15.09.1998
Bull. nr. 786, pag. 2157
KADASTRAAL INKOMEN
Vrijstelling van het kadastraal inkomen.
ONROERENDE VOORHEFFING
Onroerend goed aangewend als bejaardenvoorziening.
Onroerend goed aangewend voor de vrijzinnige morele dienstverlening.
Onroerend goed gebruikt voor een openbare eredienst.
Vrijstelling van de onroerende voorheffing.
Vrijstellingen bij toepassing van de art. 12, § 1, en 253, 1°, WIB 92:
- Bewoner zonder winstoogmerk;
- Goederen bestemd voor het openbaar uitoefenen van de vrijzinnige morele dienstverlening;
- Rusthuizen.
Aan al de ambtenaren
I. INLEIDING
1. De W 21.5.1996 houdende vrijstelling van het kadastraal inkomen (KI) voor het openbaar uitoefenen van de vrijzinnige morele dienstverlening (BS 31.7.1996 - V 2460) heeft art. 12, § 1, WIB 92, vervangen door een nieuwe bepaling.
Deze circulaire bespreekt de weerslag die de nieuwe bepaling heeft op de toepassing van de in art. 253, 1°, WIB 92, bepaalde vrijstellingen van onroerende voorheffing (OV).
II. NIEUWE WETTEKST
2. Art. 2 van de voormelde W 21.5.1996 bepaalt dat art. 12, § 1, van het WIB 92 wordt vervangen als volgt (de wijzigingen aan de vroegere tekst zijn onderlijnd):
"Art. 12. § 1. Vrijgesteld is het kadastraal inkomen van de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijzinnige morele dienstverlening, voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen".
III. INWERKINGTREDING
3. De Wet treedt, voor wat de OV betreft, in de praktijk in werking op 1.1.1997.
IV. DRAAGWIJDTE VAN DE IN ART. 12, § 1, WIB 92, INGEVOERDE WIJZIGINGEN EN DE WEERSLAG ERVAN OP DE TOEPASSING VAN DE VRIJSTELLINGEN VAN OV VERMELD IN ART. 253, 1°, WIB 92
1. Bewoner zonder winstoogmerk
4. In de zinsnede "die een belastingplichtige zonder winstoogmerk heeft bestemd voor" werden na het woord "belastingplichtige" de woorden "of een bewoner" toegevoegd.
Deze toevoeging heeft tot gevolg dat de vrijstellingen bepaald in art. 253, 1°, WIB 92, voortaan, en onder voorbehoud, dat aan de bestemmingsvoorwaarde van het onroerend goed is voldaan, kunnen worden verleend wanneer de voorwaarde van gebrek aan winstbejag, hetzij in hoofde van de belastingplichtige, hetzij in hoofde van de bewoner van het betreffend onroerend goed, is vervuld.
5. Voor de definitie van het begrip "zonder winstoogmerk" wordt verwezen naar de nrs 253/6 tot en met 253/14 van de Com.IB 92.
2. Openbaar uitoefenen - Vrijzinnige morele dienstverlening
6. De nieuwe wetsbepaling heeft eveneens:
a) de uitdrukking "uitoefenen van een openbare eredienst" door de woorden "openbaar uitoefenen van een eredienst" vervangen;
b) de draagwijdte van de vrijstelling tot het openbaar uitoefenen van "de vrijzinnige morele dienstverlening" uitgebreid.
De fundamentele bedoeling van deze wijzigingen is, in het kader van de gelijke behandeling van de vrijzinnigheid, het belastingvoordeel dat thans wordt toegekend aan de instanties die godsdienstige erediensten organiseren, ook toe te kennen aan de centra van de niet-confessionele gemeenschap die instaan voor de vrijzinnige morele dienstverlening.
7. De hierboven beschreven wijzigingen hebben tot gevolg dat voortaan ook het KI van de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het openbaar uitoefenen van de vrijzinnige morele dienstverlening van OV wordt vrijgesteld.
a) openbaar uitoefenen
8. Het vervangen van de woorden "het uitoefenen van een openbare eredienst" door de woorden "het openbaar uitoefenen van een eredienst" houdt geen wijziging in ten aanzien van de beoordeling van deze bestemmingsvoorwaarde. De Wetgever heeft het criterium van openbare toegankelijkheid willen behouden en door het woord "openbaar" zowel op het uitoefenen van een eredienst als op het uitoefenen van de vrijzinnige morele dienstverlening te laten slaan, de gelijke behandeling willen benadrukken tussen de onroerende goederen bestemd enerzijds voor een eredienst en anderzijds voor de vrijzinnige morele dienstverlening.
9. De administratieve commentaar betreffende het begrip "openbare eredienst" opgenomen in nr. 253/24 Com.IB 92 blijft bijgevolg geldig en moet eveneens, mutatis mutandis, als leidraad worden gebruikt voor de beoordeling van de bestemmingsvoorwaarde "het openbaar uitoefenen van de vrijzinnige morele dienstverlening".
b) vrijzinnige morele dienstverlening
10. De vrijzinnige morele dienstverlening omvat alle diensten en levensnoodzakelijke activiteiten, geboden vanuit een humanistisch- vrijzinnige levenshouding en -beschouwing door een korps, zowel van beroepskrachten als van vrijwilligers.
11. De morele dienstverlening staat ter beschikking van de hele bevolking op herkenbare plaatsen.
Het gaan om:
1. de centra voor morele dienstverlening van de Unie van Vrijzinnige Verenigingen, van de "Centre d'Action Laïque" en de centra van de Centrale Raad der niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen van België;
2. de centra van de Stichting Morele Bijstand Ziekenhuizen (in de Franse gemeenschap: Service laïque d'aide aux personnes");
3. de centra van de Stichting Morele Bijstand aan Gevangenen (in de Franse gemeenschap: Service laïque d'aide aux justiciales");
4. de daartoe aangewezen Vrijzinnige Huizen alsook de ruimten voor de morele dienstverlening beschikbaar gesteld door openbare instellingen of overheden.
3. Rusthuizen
12. Tenslotte wordt in de nieuwe wettekst het woord "godshuizen" door het woord "rusthuizen" vervangen.
Deze vervanging heeft tot doel de bestaande tekst van het art. 12, § 1, WIB 92, te actualiseren en een wettelijk karakter te verlenen aan de praktijk.
Ingevolge de evolutie in de rechtspraak werd immers met de instructie van 2.5.1995, nr. KT/152.444 van de administratie van het kadaster, medegedeeld met de circ. 27.6.1995, Ci.RH.222/471.117, een nieuwe definitie gegeven van de soorten rust- en verzorgingstehuizen die door de vrijstelling voorzien in de art. 12, § 1, en 253, 1°, WIB 92, als soortgelijke weldadigheidsinstellingen mogen worden beschouwd. Het standpunt dat door de administraties van het kadaster en de directe belastingen in de voormelde circulaire met betrekking tot de rusthuizen werd aangenomen wordt thans, met de nieuwe wettelijke bepaling, gelegaliseerd.
13. Voor de toepassing van de vrijstelling van OV op grond van art. 12, § 1, en 253, 1°, WIB 92, wordt onder rusthuis verstaan: één of meer gebouwen die functioneel een inrichting voor collectief verblijf vormen waar, onder welke benaming ook, aan bejaarden (zijnde personen van 60 jaar of ouder), die er op duurzame wijze verblijven, huisvesting wordt gegeven alsmede geheel of gedeeltelijk, de gebruikelijke gezins- en huishoudelijke verzorging.
14. Voor de toepassing van de voormelde vrijstelling van OV moeten de volgende bejaardenvoorzieningen als met de rusthuizen gelijkgestelde weldadigheidsinstellingen worden beschouwd:
- service-flatgebouwen en woning-complex met dienstverlening: één of meer gebouwen die, onder welke benaming ook, functioneel een geheel vormen, bestaande uit individuele woongelegenheden waar bejaarden zelfstandig wonen en uit gemeenschappelijke voorzieningen voor dienstverlening waarop zij facultatief een beroep kunnen doen;
- dienstencentrum: een centrum dat er inzonderheid voor zorgt dat diensten van materiële, hygiënische en sociale aard worden verleend aan bejaarden van een wijk, teneinde hen te helpen zo lang mogelijk hun zelfstandigheid en hun geïntegreerdheid in de gemeenschap te behouden;
- woning voor bejaarden: een huis, een deel van een huis of een appartement, dat door een ondergeschikt bestuur speciaal gebouwd of ingericht is als individuele woongelegenheid voor bejaarden;
- dagverzorgingscentrum: een huis of een gedeelte van het gebouw waar, onder welke benaming ook, aan bejaarden, zonder overnachting, dagverzorging wordt gegeven alsmede geheel of gedeeltelijk, de gebruikelijke gezins- en huishoudelijke verzorging.
15. De vrijstelling van OV bij toepassing van de art. 12, § 1, en 253, 1°, WIB 92, mag slechts worden verleend aan de rusthuizen en de voormelde bejaardenvoorzieningen die door de bevoegde overheid zijn erkend.
Volgens de geldende decreetgeving van zowel de Vlaamse (D VI.R 5.3.1985 houdende regeling van de erkenning en subsidiëring van voorzieningen voor bejaarden (BS van 30.8.1995)), de Franse (D FGR 10.5.1984 in verband met de rustoorden voor bejaarden (BS van 15.6.1984)) als de Duitstalige (D RDG 6.6.1988 houdende verlening van subsidies voor de bouw van rustoorden voor bejaarden (BS van 29.11.1989)) Gemeenschap betreffende deze materie is het exploiteren van niet-erkende bejaardenvoorzieningen immers niet toegelaten.
4. Taakverdeling
16. Voor de administratieve taakverdeling tussen de administraties der directe belastingen en het kadaster wordt verwezen naar de bestaande richtlijnen terzake inzonderheid, en mutatis mutandis, de richtlijnen vermeld in de circ. 8.8.1988, Ci.RH.222/399.054.
NAMENS DE MINISTER:
Voor de Directeur-generaal:
De Auditeur-generaal van financiën,
J.E. VANDENBOSCH
Bron: FisconetPlus
