Aanschrijving nr. 29 dd. 25.11.1975

AANSCHRIJVING 75/029

Aanschrijving nr. 29 dd. 25.11.1975


Aftrek van voorbelasting
Uitoefening
Formaliteiten
Termijn.


1. In het Belgisch Staatsblad van 25 november 1975 werd het koninklijk besluit van 7 november 1975 gepubliceerd, tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.

2. Overeenkomstig artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit nr. 3, oefent de belastingplichtige zijn recht op aftrek in beginsel uit, hetzij in de aangifte die betrekking heeft op het tijdvak tijdens hetwelk dat recht is ontstaan, hetzij in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de formaliteiten waaraan de uitoefening van het recht onderworpen is, worden vervuld.

Deze bepaling werd niet gewijzigd.

3. Krachtens de nieuwe bepaling van artikel 4, § 2, van genoemd koninklijk besluit nr. 3, kan het recht op aftrek dat niet werd uitgeoefend overeenkomstig § 1, nog worden uitgeoefend binnen vijf jaar te rekenen vanaf het tijdstip waarop het recht op aftrek is ontstaan. Door of vanwege de Minister van Financiën wordt de wijze bepaald waarop in dat geval de aftrek plaatsheeft.

Deze nieuwe bepaling verschilt op twee punten van de oude, namelijk door de termijn waarin het recht op aftrek kan worden uitgeoefend te verlengen van twee jaar tot vijf jaar en door het verlenen van de bevoegdheid aan de Administratie om de wijze te regelen waarop de aftrek plaatsheeft wanneer hij niet werd verricht overeenkomstig § 1 van artikel 4.

Deze aanschrijving regelt die wijze, ter uitvoering van de verleende bevoegdheid.

4. Wanneer de belastingplichtige zijn recht op aftrek niet heeft uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, § 1 (z. nr. 2), mag hij het bedrag van de aftrekbare belasting opnemen in een van de aangiften ingediend binnen twee jaar te rekenen vanaf het tijdstip waarop het recht op aftrek is ontstaan.
Tot zover wordt de vroegere regeling dus behouden.

Er wordt aan herinnerd dat in deze gevallen de belastingplichtige die aangiften indient het bedrag van de aftrekbare belasting moet opnemen in het vak herzieningen van kader IV, C, c, waarvan het saldo in rooster 61 of 62 wordt ingeschreven.

5. Het recht op aftrek dat niet werd uitgeoefend overeenkomstig de nrs. 2 (onmiddellijke aftrek) of 4 (aftrek binnen twee jaar), kan nog, op de hierna bepaalde wijze, worden uitgeoefend binnen vijf jaar te rekenen vanaf het tijdstip waarop het is ontstaan.

6. In het geval bedoeld onder nr. 5 moet de belastingplichtige een schriftelijke aanvraag indienen bij het hoofd van het controlekantoor waaronder hij ressorteert.

Deze aanvraag moet, naast naam, adres en BTW-identificatienummer van de belastingplichtige, alle elementen bevatten die het recht op aftrek staven. Inzonderheid dienen te worden vermeld : beknopte omschrijving van de ontvangen goederen of diensten, bedrag van de ervan geheven BTW, bedrag waarvan de aftrek wordt gevraagd, tijdstip van het ontstaan van het recht op aftrek, verwijzing naar de factuur, of het daarmee gelijkstaand stuk, of naar het invoerdocument (datum van het stuk, inschrijvingsnummer in het boek voor inkomende facturen, maand waarin de inschrijving gebeurde).

In die aanvraag dient de belastingplichtige bovendien uitdrukkelijk te verklaren dat de aftrek waarop de vraag betrekking heeft nog niet eerder werd verricht.

De aanvraag die binnen vijf jaar te rekenen vanaf het tijdstip waarop het recht op aftrek is ontstaan wordt ingediend, geldt als uitoefening van het recht op aftrek in de zin van artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 3.

7. De aftrek kan slechts effectief plaatshebben nadat de bevoegde hoofdcontroleur de aanvraag heeft onderzocht en hij de belastingplichtige bij een bijzondere beslissing heeft gemachtigd het bedrag van de aftrekbare belasting op te nemen in het vak herzieningen (kader IV, C, d).

De bijzondere beslissing van de hoofdcontroleur wordt aan de belastingplichtige toegestuurd in twee exemplaren waarvan er één dient te worden gevoegd bij de aangiften waarin de aftrek plaatsheeft. Die aangifte is, op straffe van verval van de bijzondere beslissing, die welke de belastingplichtige moet indienen met betrekking tot het aangiftetijdvak waarin hij die beslissing ontvangt.

8. De toelichtingen op artikel 4, § 2, oud, van het koninklijk besluit nr. 3, die voorkomen onder § 54, van de aanschrijving nr. 103/1970, worden vervangen door de nrs. 4 tot 7 van deze aanschrijving.

Bovendien moet in § 56, 1, van dezelfde aanschrijving, het onderscheid worden gemaakt dat in die nrs. 4 tot 7 is opgenomen.

9. Nummer 55 van de aanschrijving nr. 115/1972 wordt vervangen door de volgende tekst :

"55. Evenzo kan de klant, indien hij een belastingplichtige is, aan de hand van het verbeterend stuk dat aan hem werd gericht door zijn leverancier en waarbij hij gedebiteerd wordt voor een bijkomende belasting, de aftrek verrichten volgens de ter zake geldende regelen (z. ondermeer de aanschr. 29/1975).

Namens de Minister :
De Directeur - generaal :


A. BARBE