Circulaire nr. IR/I-1/22.524 dd. 08.08.2001

CIRC 08.08.01/1

Circulaire nr. IR/I-1/22.524 dd. 08.08.2001


Bull. nr. 829, pag. 2267-2271

GEWAARBORGD INKOMEN
Gewaarborgd inkomen voor bejaarden

INKOMENSGARANTIE
Betwisting over de inkomensgarantie voor ouderen
Inkomensgarantie voor ouderen

INVORDERING
Som die niet vatbaar is voor beslag


Commentaar op de W 22.3.2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen en op de W 22.3.2001 betreffende de betwistingen over de inkomensgarantie voor ouderen.

Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2+ en 2.

I. INLEIDING

1. De W 22.3.2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen (BS 29.3.2001 - V 2918 - Bull. 815) en de W 22.3.2001 betreffende de betwistingen over de inkomensgarantie voor ouderen (BS 29.3.2001 - V 2919 - Bull. 815) geven samen gestalte aan de hervorming van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden. Deze wetten zijn aangevuld met KB 23.5.2001 tot instelling van een algemeen reglement betreffende de inkomensgarantie voor ouderen (BS 31.5.2001 - Ed. 2 - V 2936 - Bull. 817).

Deze wetten willen een bescherming bieden tegen armoede bij ouderen.

II. DE WET TOT INSTELLING VAN EEN INKOMENSGARANTIE VOOR OUDEREN

a) Gerechtigden (art. 3 en 4)

2. De gerechtigde moet zijn hoofdverblijfplaats in België hebben en tot één van de volgende categoriën behoren:

  • de personen die de Belgische nationaliteit bezitten;
  • de personen die onder de toepassing vallen van de Verordening EEG betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen;
  • de staatlozen;
  • de vluchtelingen;
  • de onderdanen van een land waarmee België terzake een wederkerigheidsovereenkomst heeft gesloten of het bestaan van een feitelijke wederkerigheid heeft erkend;
  • de personen van buitenlandse nationaliteit op voorwaarde dat een recht op een rust- of overlevingspensioen krachtens een Belgische regeling werd geopend.
De personen met onbepaalde nationaliteit worden gelijkgesteld met staatlozen.

b) De aanvraag (art. 5)

3. De inkomensgarantie wordt toegekend op aanvraag die kan ingediend worden bij het gemeentebestuur (art. 2, KB 23.5.2001) of onmiddellijk bij de Rijksdienst voor pensioenen (RVP) (art. 8, KB 23.5.2001).

De RVP beslist over de aanvraag om inkomensgarantie. De beslissing wordt aan de aanvrager bij een ter post aangetekend schrijven betekend.

De toekenning van de inkomensgarantie heeft uitwerking vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de aanvraag is ingediend en ten vroegste vanaf de eerste dag die volgt op de maand waarin aan de leeftijdsvoorwaarde is voldaan.

Er dient opgemerkt te worden dat de pensioenaanvraag ingediend ten laste van een Belgische verplichte pensioenregeling door een persoon die aan de gestelde leeftijdsvoorwaarden voldoet, geldt als aanvraag tot inkomensgarantie, tenzij blijkt dat het bedrag van de pensioenen de toekenning van de inkomensgarantie verhindert.

c) Bedrag van de inkomensgarantie (art. 6)

4. Art. 6, § 1, voorziet dat het jaarlijkse bedrag van de inkomensgarantie ten hoogste 181.530 BEF (4.500 EUR) beloopt; dit bedrag wordt toegekend aan de aanvrager die aan de leeftijds- en inkomensvoorwaarden voldoet en dezelfde hoofdverblijfplaats deelt met één of meerdere andere personen.

Op het bedrag van 181.530 BEF wordt de coëfficiënt 1,50 toegepast voor de gerechtigde die dezelfde hoofdverblijfplaats niet met één of meerdere personen deelt en die aan de leeftijds- en inkomensvoorwaarde voldoet.

De volgende personen worden niet geacht dezelfde hoofdverblijfplaats te delen met de aanvrager, ondanks het feit dat zij ingeschreven zijn op het adres van de aanvrager :

1° de minderjarige kinderen;
2° de meerderjarige kinderen waarvoor kinderbijslag wordt genoten;
3° de personen die in hetzelfde rusthuis of hetzelfde rust- en verzorgingstehuis of psychiatrisch verzorgingstehuis als de aanvrager zijn opgenomen.

De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van de inkomensgarantie verhogen.

Het bedrag van de inkomensgarantie is gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen. Het bedoelde bedrag wordt om de twee jaar aangepast.

d) Invloed van de bestaansmiddelen en van de pensioenen (art. 7 t.e.m. 13)

5. De inkomensgarantie kan enkel worden toegekend na onderzoek van de bestaansmiddelen en de pensioenen. Alle bestaansmiddelen en pensioenen, van welke aard of oorsprong ook, waarover de aanvrager en/of de personen waarmee hij dezelfde hoofdverblijfplaats deelt, beschikken, komen in aanmerking voor de berekening van de inkomensgarantie, behalve de door de Koning bepaalde uitzonderingen.

De bestaansmiddelen worden geschat op grond van de aangifte van de betrokkene. De inlichtingen worden nagezien en in voorkomend geval verbeterd door de RVP. Bij onderzoek van elke aanvraag worden de inlichtingen in aanmerking genomen die door het Ministerie van Financiën op verzoek van de RVP aan deze laatste worden verstrekt. De Koning kan in andere bewijsmiddelen voorzien (art. 13).

e) Betalingsmodaliteiten (art. 14)

6. De inkomensgarantie wordt uitbetaald door de RVP (art. 14). Er kunnen voorschotten uitbetaald worden wanneer uit het onderzoek van de rechten op inkomensgarantie blijkt dat er nog geen definitieve beslissing kan worden genomen (art. 11, KB 23.5.2001).

De inkomensgarantie is verworven per twaalfden en betaalbaar per maand (art. 40, KB 23.5.2001).

De aandacht van de Ontv. wordt gevestigd op het feit dat deze inkomensgarantie niet vatbaar is voor overdracht of beslag ingevolge art. 14, § 3, van de wet.

f) Leeftijdsvoorwaarden (art. 3)

7. De inkomensgarantie wordt gewaarborgd aan de personen die ten minste 65 jaar oud zijn.

De voormelde wet voert dus een gelijke behandeling inzake leeftijdsvoorwaarden voor mannen en vrouwen in.

III. DE WET BETREFFENDE DE BETWISTINGEN OVER DE INKOMENSGARANTIE VOOR OUDEREN

8. De betwistingen over de definitieve beslissingen moeten binnen de drie maanden na de kennisgeving ervan aan de arbeidsrechtbank voorgelegd worden. De vordering ingeleid voor de arbeidsrechtbank werkt niet schorsend (art. 2).

9. Het principe dat de inkomensgarantie niet vatbaar is voor overdracht of beslag wordt bevestigd in art. 3, § 2, van de wet, dat art. 1410, § 2, 6°, Ger.W, vervangen heeft door een nieuw 6°, dat bepaalt dat "de bedragen uitgekeerd als gewaarborgd inkomen voor bejaarden of als inkomensgarantie voor ouderen" niet vatbaar zijn voor overdracht of beslag.

IV. INWERKINGTREDING

10. De beide wetten alsook het KB 23.5.2001 treden in werking op 1.6.2001.

Voor de Directeur-generaal:
De Auditeur-generaal, dienstchef,

CI. PARISIS