Circulaire nr. Ci.RH.241/629.863 (AAFisc Nr. 46/2013) d.d. 13.11.2013

Algemene administratie van de FISCALITEIT - Centrale diensten

Personenbelasting

Zie ook: Circulaire 2018/C/123 over achterstallige pensioenen

Gemiddelde aanslagvoet

Aanslagvoet van het laatste jaar met normale beroepswerkzaamheid

Notie "laatste vorige jaar van normale beroepswerkzaamheid of referentiejaar".

Aan alle ambtenaren van de niveaus A, B en C.

I. ALGEMEEN

Onderhavige circulaire heft de interpretatie op die in het nummer 171/324 van de Commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (Com.IB 92) wordt gegeven inzake de bepaling van de gemiddelde aanslagvoet als bedoeld in artikel 171, 5° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92).

II. WETTEKST

Artikel 171, 5°, WIB 92

In afwijking van de artikelen 130 tot 168, zijn afzonderlijk belastbaar, behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting betreffende de andere inkomsten, meer bedraagt dan die welke zou voortvloeien uit de toepassing van de even vermelde artikelen op het geheel van de belastbare inkomsten:

(...)

5° tegen de gemiddelde aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de belastbare inkomsten van het laatste vorige jaar waarin de belastingplichtige een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad:

a) vergoedingen die al of niet contractueel betaald zijn ten gevolge van stopzetting van arbeid of beëindiging van een arbeidsovereenkomst;

b) bezoldigingen, pensioenen, renten of toelagen als vermeld in de artikelen 31 en 34, waarvan de uitbetaling of de toekenning door toedoen van de overheid of wegens het bestaan van een geschil slechts heeft plaatsgehad na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarop zij in werkelijkheid betrekking hebben;

c) winst en baten van een vorige beroepswerkzaamheid als vermeld in artikel 28, eerste lid, 2° en 3°, a;

d) vergoedingen die door het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers worden uitgekeerd na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarop de vergoeding in werkelijkheid betrekking heeft;

e) de EGKS-vergoedingen die door toedoen van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening ten gevolge van de herstructurering of sluiting van een onderneming worden uitgekeerd na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarop de vergoeding in werkelijkheid betrekking heeft;

f) de inschakelingsvergoedingen bedoeld in Titel IV, Hoofdstuk 5, Afdeling 3, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact.

(...)

III. COM.IB 92

E. GEMIDDELDE AANSLAGVOET

Nummer 171/323

Volgens de bewoordingen van de wet, zijn de in 171/267 tot 277, 171/298 tot 300 en 171/321 en 322, bedoelde opzeggingsvergoedingen, achterstallige bezoldigingen van werknemers en pensioenen en winst of baten van een vorige beroepswerkzaamheid, belastbaar tegen de gemiddelde aanslagvoet overeenstemmend met het geheel van de belastbare inkomsten van het laatste vorige jaar tijdens hetwelk de belastingplichtige een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad.

Nummer 171/324

Onder "het laatste vorige jaar tijdens hetwelk de belastingplichtige een normale beroepswerkzaamheid gehad heeft" (hierna "referentiejaar" genoemd) verstaat men het meest recente vorige jaar waarin de betrokkene in België of in het buitenland gedurende twaalf maanden belastbare beroepsinkomsten - welke ook hun aard is - heeft behaald, die in de PB tegen de progressieve aanslagvoet werden belast of zouden belast geweest zijn indien de betrokkene aan die belasting was onderworpen geweest.

Het feit dat die beroepsinkomsten ook belastbare vervangingsinkomsten omvatten, doet geen afbreuk aan de in het vorige lid uiteengezette regel.

Nummer 171/325

Strikt genomen, is het dus niet zozeer het feit dat de betrokkene gedurende twaalf maanden en op ononderbroken wijze een beroepswerkzaamheid heeft uitgeoefend, dat doorslaggevend is, doch veeleer het feit dat hij gedurende diezelfde periode belastbare beroepsinkomsten heeft verkregen. Er is met andere woorden niet vereist dat een beroepswerkzaamheid werd uitgeoefend van 1 januari tot 31 december, maar wel dat de belastingplichtige gedurende elk van de twaalf maanden van het beschouwde jaar belastbare beroepsinkomsten heeft verkregen (met inbegrip van vervangingsinkomsten of pensioenen, renten enz.) (PV nr. 505, 29.9.1993, Sen. de Donnéa, Bull. 735, blz. 380).

(...)

IV. ARREST VAN HET HOF VAN CASSATIE VAN 14.3.2013

Volgens het Hof van Cassatie moet men voor het bepalen van de gemiddelde aanslagvoet als bedoeld in artikel 171, 5°, WIB 92, rekening houden met het laatste vorige jaar waarin de belastingplichtige een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad (ook wel referentiejaar genoemd).

Het jaar waarin de belastingplichtige gedurende 3 maanden een beroepswerkzaamheid heeft uitgeoefend en de overige 9 maanden geen beroepswerkzaamheid heeft uitgeoefend, maar vervangingsinkomsten heeft verkregen, kan volgens het Hof van Cassatie, in tegenstelling tot hetgeen is bepaald in de nummers 171/324 en 171/325 Com.IB 92, niet worden aangemerkt als een geldig referentiejaar voor het bepalen van de gemiddelde aanslagvoet.

V. MONDELINGE PARLEMENTAIRE VRAAG NR. 17576 GESTELD DOOR VOLKSVERTEGENWOORDIGER VEERLE WOUTERS BETREFFENDE "HET JAAR WAARIN DE BELASTINGPLICHTIGE EEN NORMALE BEROEPSWERKZAAMHEID HEEFT"

Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Cassatie van 14.3.2013 en het tegenstrijdig karakter van dat arrest met de ter zake van toepassing zijnde administratieve commentaar heeft Volksvertegenwoordiger Veerle Wouters met haar mondelinge parlementaire vraag nr. 17576 ondermeer de vraag gesteld of ambtenaren niet verplicht zijn om het administratieve standpunt te verdedigen.

Op deze vraag heeft de Minister geantwoord dat de fiscale ambtenaren in principe uiteraard gehouden zijn de richtlijnen na te leven die hen door de administratie worden gegeven. De wet heeft echter voorrang op de richtlijnen in kwestie. Wanneer de administratieve richtlijnen niet met de bepalingen ter zake in het Wetboek van de inkomstenbelastingen overeenstemmen, dienen ambtenaren in beginsel de administratieve richtlijnen buiten toepassing te laten.

VI. CONCLUSIE

Gelet op het arrest van het Hof van Cassatie van 14.3.2013 en mede gelet op het antwoord van de heer Minister op de mondelinge parlementaire vraag nr. 17576 gesteld door Volksvertegenwoordiger Veerle Wouters, schrapt de administratie de toepassing van de onder de nummers 171/324 en 171/325 Com.IB 92 opgenomen bepalingen.

Concreet betekent dit dat enkel nog het laatste vorige jaar waarin de belastingplichtige een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad, kan worden aangemerkt als een geldig referentiejaar. Of een beroepswerkzaamheid een normale beroepswerkzaamheid is, moet worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke omstandigheden eigen aan ieder geval afzonderlijk.

Het jaar waarin een belastingplichtige geen normale beroepswerkzaamheid heeft uitgeoefend, maar gedurende elk van de twaalf maanden van het beschouwde jaar belastbare beroepsinkomsten heeft verkregen (met inbegrip van vervangingsinkomsten, pensioenen, renten, enz.) kan voortaan niet meer als een geldig referentiejaar worden aangemerkt (bijvoorbeeld een belastingplichtige die gedurende het jaar 3 maanden werkzaam is geweest en de overige 9 maanden van inactiviteit een vervangingsinkomen heeft gekregen).

VII. INWERKINGTREDING

De voormelde richtlijnen treden onmiddellijk in werking en zulks in elk stadium van de procedure.

Voor de Administrateur-generaal van de Fiscaliteit:

De Adviseur-generaal - Auditeur-generaal van financiën,

S. QUINTENS