Circulaire nr. Ci.RH.624/302.443 dd. 07.05.1979

Circulaire nr. Ci.RH.624/302.443 dd. 07.05.1979

INKOMSTENBELASTINGEN

Bijzonder aanslagstelsel voor buitenlandse leiders, bedienden en vorsers

I. INLEIDING

1. In de vergadering van 28.02.1979 heeft het Kernkabinet voor Algemeen Beleid zijn goedkeuring gehecht aan de volgende wijzigingen van het bijzonder aanslagstelsel voor buitenlandse leiders, bedienden en vorsers waarvan sprake is in de nrs. 139/6 tot 9 en 142/2 tot 5.1, Com.I.B.:

- de door de werkgevers ten laste genomen onderwijskosten met betrekking tot de schooljaren 1978-1979 en volgende voor kinderen van buitenlandse leiders, bedienden en vorsers, die in België lager- of middelbaar onderwijs volgen in private of internationale scholen, worden als uitgaven eigen aan de werkgever aangemerkt;

- het maximumbedrag van de forfaitaire aftrek van 30 pct. (thans 450.000) wordt voor sommige buitenlandse leiders van controle- en coördinatiekantoren en wetenschappelijke opzoekingscentra en laboratoria, onder bepaalde voorwaarden, op 1.200.000 F gebracht;

- ook voor de kaderleden en hogere specialisten (In het algemeen gesproken, personeelsleden met de verantwoordelijkheden van een leider of met een bijzondere kennis waarvan de aanwerving in België zeer moeilijk is. M.b.t. die personeelskosten blijft het maximumbedrag van de forfaitaire aftrek van 30 pct. op 450.000 F behouden.) van productiemaatschappijen (handelsinrichtingen) (Ondernemingen die ofwel werkelijk produceren of produkten commercialiseren. Het gaat zowel om (door het moederhuis opgerichte) Belgische vennootschappen als om vaste inrichtingen in België (bijhuizen van vreemde vennootschappen)). wordt het tijdperk waarvoor het stelsel kan worden toegestaan vastgesteld op 8 jaar;

- het lager personeel dat met ingang van 01.01.1980 in België zal worden tewerkgesteld, wordt uit de toepassing van het stelsel gesloten; voor de anderen wordt in een geleidelijke afbouw voorzien.

Hierna volgen administratieve richtlijnen voor de uitvoering van deze beslissing.

I. ONDERWIJSKOSTEN DIE ALS UITGAVEN EIGEN AAN DE WERKGEVER KUNNEN WORDEN AANGEMERKT

2. Het gaat om de door de werkgever van buitenlandse leiders, enz., als bedoeld in 139/6 tot 8, 8.3 en 142/3, Com.I.B. ten laste genomen kosten voor onderwijs van de kinderen die in België lager of middelbaar onderwijs volgen in private of internationale scholen omdat de Belgische onderwijsnetten geen onderwijs verstrekken in hun moedertaal of omdat wegens het tijdelijk verblijf van de ouders in België een internationale of gespecialiseerde school de enige redelijke oplossing is voor die kinderen.

3. Ter zake zijn bedoeld: de kosten voor schoolgeld, het lesgeld, de redelijke kosten voor plaatselijk vervoer en de andere kosten die door de school vereist zijn. Door de werkgevers ten laste genomen kosten voor kost en inwoning (internaat, voeding, enz.), de andere dan de voormelde vervoerkosten en lesgeld voor bijzondere lessen (paardrijden, schaatsen, taallessen van de echtgenote, enz.) werknemer te beschouwen.

4. De werkgever dient in principe de werkelijkheid op het bedrag van de ten laste genomen onderwijskosten aan te tonen door voorlegging van de facturen opgesteld door de betrokken school op naam van de buitenlandse leider, enz. of op naam van de firma; de taxatiedienst zal die voorlegging bij wijze van steekproef en in elk geval van twijfel eisen.

5. De voormelde regeling is voor de eerste maal van toepassing op de onderwijskosten met betrekking tot het schooljaar 1978-1979. Voor het aanslagjaar 1979 zullen alleen de onderwijskosten betreffende de periode van 01.09.1978 tot 31.12.1978, die door de werkgever in 1978 werden gedaan of gedragen, uit de belastbare inkomsten mogen worden gesloten.

6. Bij toepassing van nr. 142/2, laatste lid, Com.I.B., zijn deze onderwijskosten te weren uit de berekeningsgrondslag van het aanvullend forfait van 30 pct. (zie 142/2, 2e lid, 2°, Com.I.B.).

Voor het personeel als bedoeld sub 15 zal deze regeling ophouden zodra het geen aanspraak meer kan maken op het bijzonder aanslagstelsel (zie nrs. 16 tot 18 hier).

III. VERHOGING VAN HET MAXIMUMBEDRAG VAN DE FORFAITAIRE AFTREK VAN 1.200.000 F VOOR SOMMIGE KADERLEDEN VAN CONTROLE- OF COORDINATIEKANTOREN, OPZOEKINGSCENTRA EN LABORATORIA

7. Het maximumbedrag van de forfaitaire aftrek waarvan sprake is in 142/2, 2e lid, 2°, Com.I.B., wordt met ingang van het aj. 1979 op 1.200.000 F gebracht (30 pct. op het gedeelte van de belastbare brutobezoldiging - vooraf verminderd met de inhoudingen verricht ter uitvoering van de Belgische sociale wetgeving - dat 4.000.000 F niet te boven gaat).

8. Deze regeling slaat uitsluitend op buitenlandse kaderleden van erkende controle- of coördinatiekantoren, opzoekingscentra en laboratoria als bedoeld sub 10 hierna die voor de uitoefening van hun tijdelijke opdracht in België een bijzondere overeenkomst hebben waarbij hen van de gewone en bijkomende bezoldiging, de terugbetaling wordt gewaarborgd van bepaalde kosten veroorzaakt door verblijf in België eventueel aangevuld met een vergoeding voor "tax-equalisation" of waarbij hen een globale bezoldiging wordt gewaarborgd waarin al de voormelde elementen zijn begrepen.

9. In de praktijk genieten deze personen een nettobezoldiging en alle door hun verblijf in België veroorzaakte kosten komen ten laste van de werkgever. Alle uitbetaalde sommen (zie echter "onderwijskosten") zijn onder de belastbare bezoldigingen van de genieters op te nemen.

Zo het tegendeel wordt vastgesteld, zal hiervan het Hoofdbestuur onverwijld worden ingelicht.

10. De verhoogde aftrek zal slechts toegestaan worden indien het gaat om een controle- of coördinatiekantoor, wetenschappelijk opzoekingscentrum of laboratorium dat door de administratie der directe belastingen erkend is en dus valt onder de in 139/8.5 en 8.6, Com.I.B. (Advocatenkantoren, belastingexperten, beroepsgroeperingen, enz., zijn derhalve uitgesloten.) gegeven definitie.

11. De bedoelde controle- en coördinatiekantoren, enz., zullen schriftelijk een aanvraag tot erkenning dienen te richten tot de h. Adjunct-directeur van de dienst Extraneïteit, Paleizenstraat 27 te 1030 Brussel. De aanvraag zal vergezeld zijn van de nodige stukken die moeten toelaten na te gaan of de voorwaarden voor erkenning vervuld zijn. Tevens wordt een lijst bijgevoegd van de leiders, met een beknopte omschrijving van hun respectieve functies, die de aanvragende kantoren, enz. menen in aanmerking te kunnen komen voor de toepassing van de nieuwe regeling.

Deze kantoren, enz. zijn verplicht elke wijziging in de gestelde voorwaarden aan de voornoemde ambtenaar ten spoedigste te melden.

12. Indien de aanvraag wordt ingewilligd, zal een beslissing van erkenning worden medegedeeld aan de aanvrager en ingeschreven worden in een register. Deze beslissing blijft geldig tot haar intrekking. De afwijzing van de aanvraag wordt eveneens medegedeeld.

IV. TIJDPERK WAARVOOR HET GENOT VAN HET BIJZONDER AANSLAGSTELSEL KAN WORDEN VERLEEND

a) Kaderleden en hogere specialisten van productiemaatschappijen en kaderleden van controle- of coördinatiekantoren, opzoekingscentra en laboratoria

13. De voorschriften van 139/8.1 en 8.3, Com.I.B. maken wel een onderscheid tussen het personeel van de productiemaatschappijen en het kaderpersoneel van de controle- of coördinatiekantoren en onderzoekscentra inzake de duur van de toekenning van het stelsel, maar zijn van toepassing zowel op buitenlandse leiders als op buitenlandse bedienden, zonder enige restrictie inzake hun specialisatie of hoedanigheid.

14. Voortaan zal:

- het genot van het bijzonder aanslagstelsel nog enkel worden toegestaan aan kaderleden die functies uitoefenen als bedoeld in 139/8.7, Com.I.B. of waarvan de aanwerving in België zoniet onmogelijk dan toch uiterst moeilijk is;

- het kaderpersoneel (inbegrepen de hogere specialisten van productiemaatschappijen, zoals nu reeds het kaderpersoneel van controle- en coördinatiekantoren en opzoekingscentra (cf. 139/8.7, Com.I.B.), ook gedurende 8 jaar op het uitzonderingsstelsel aanspraak kunnen maken. Voor de berekening van de termijn geldt de regeling waarvan sprake is in 139/8.4, Com.I.B.

b) Lager personeel van controle- en coördinatiekantoren, opzoekingscentra en productiemaatschappijen

15. Wordt hier bedoeld personeel met lagere of ondergeschikte functies (administratief-, secretariaats- en ander gelijkaardig niet leidinggevend personeel) waarvan de aanwerving in het buitenland niet noodzakelijk is en dat voor Belgen kan worden vervangen.

16. Dit personeel, met ingang van 01.01.1980 in België tewerkgesteld, zal geen aanspraak meer kunnen maken op het bijzonder aanslagstelsel, behoudens in zeer uitzonderlijke omstandigheden en na onderzoek door het hoofdbestuur der directe belastingen.

17. Het reeds vóór 01.01.1975 in België tewerkgesteld personeel zal met ingang van het aj. 1981 niet meer in aanmerking komen voor de toepassing van het stelsel.

18. Lager personeel dat na 01.01.1975 doch vóór 01.01.1980 in België werd tewerkgesteld, zal het genot van het bijzonder aanslagstelsel blijven behouden tot het verstrijken van het belastbaar tijdperk waarin de oorspronkelijk vastgestelde termijn van 5 jaar verstrijkt.

19. De mogelijkheid tot verlenging van de termijn van 5 jaar waarvan sprake is in 139/8.8 en 139/8.9, Com.I.B., wordt opgeheven.

V. GEVOLGEN VAN DEZE MAATREGELEN OP DE REGELING VAN DE FISCALE TOESTAND VAN DE BETROKKEN WERKNEMERS EN WERKGEVERS

20. Daar de voormelde regeling slechts eind februari 1979 tot stand kwam, hebben werkgevers die buitenlandse leiders, enz., tewerk stellen, bij het opstellen van de fiches 281.10 en 281.20 en de samenvattende opgaven 325.10 en 325.20, de door hen ten laste genomen kosten voor onderwijs van de kinderen met betrekking tot het eerste trimester van het schooljaar 1978-1979 onder de belastbare bezoldigingen van de buitenlandse werknemers opgenomen.

21. Andere werkgevers hebben op deze documenten verkeerdelijk het volledig bedrag van de tijdens het gehele jaar 1978 ten laste genomen kosten voor onderwijs (deels betrekking hebbende op het schooljaar 1977- 1978) uit de belastbare inkomsten van de werknemer gesloten.

22. De in nrs. 20 en 21 bedoelde werkgevers zullen dus wijzigende fiches en samenvattende opgaven moeten aanleggen.

23. De taxatieambtenaren wijden bij de regularisatie van de fiscale toestand van de betrokken werknemers en werkgevers speciaal aandacht aan deze kwestie.