Circulaire AAFisc Nr. 13/2016 (nr. Ci.705.401) dd. 02.05.2016
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Operationele Expertise en Ondersteuning
Dienst VENB
Vennootschapsbelasting
Circulaire AAFisc Nr. 13/2016 (nr. Ci.705.401) dd. 02.05.2016
Inkomstenbelastingen
Roerende voorheffing
Dividenden van Belgische oorsprong
Roerende voorheffing - Voorwaardelijke verlaging van de aanslagvoet van de voorheffing tot 1,6995 % voor bepaalde dividenden. Verduidelijking van de inlichtingen die zijn opgenomen in het attest zoals bedoeld in art. 269/1, § 2, WIB 92.
1. De dividenden van Belgische oorsprong die vanaf 28.12.2015 (1) worden toegekend of betaalbaar gesteld aan een vennootschap, kunnen een verlaagde aanslagvoet van de RV, die momenteel 1,6995 % (2) bedraagt, genieten wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan.
(1) Zie de art. 56 en 68, W 18.12.2015 houdende fiscale en diverse bepalingen, BS 28.12.2015, Ed. 2.
(2) Zie art. 269/1, § 1, eerste lid, WIB 92.
De aanslagvoet van 1,6995 % stemt overeen met 5 % van (33 % x 1,03), d.w.z. 5 % van het gewone tarief VenB van 33 % (zoals bedoeld in art. 215, eerste lid, WIB 92), verhoogd met de aanvullende crisisbijdrage van 3 opcentiemen (zoals bedoeld in art. 463bis, WIB 92).
Die aanslagvoet werd ingevoerd om tegemoet te komen aan de situatie waarop de beschikking van 12.07.2012 van het Europees Hof van Justitie betrekking heeft (Zaak C-384/11, Tate Lyle Investments Ltd tegen de Belgische staat). Zie in dat kader, de adm. circ. d.d. 28.06.2013 (ref. AAFisc Nr. 26/2013, Ci.RH.233/609.568).
2. Het stelsel van die voorwaardelijke verlaging van de RV wordt geregeld door art. 269/1, WIB 92, dat het volgende bepaalt:
'Art. 269/1, WIB 92
§ 1. In afwijking van artikel 269 wordt voor de dividenden van Belgische oorsprong die worden verkregen door een in het tweede lid bedoelde vennootschap en in de mate dat de krachtens de artikelen 261 tot 269 verschuldigde roerende voorheffing niet kan worden verrekend noch worden terugbetaald in hoofde van de verkrijgende vennootschap, het tarief van de roerende voorheffing dat wordt toegepast op het gedeelte van de overeenstemmende dividenden vastgesteld op 5 pct. van het met de aanvullende crisisbijdrage bedoeld in artikel 463bis verhoogde tarief bedoeld in artikel 215, eerste lid.
Het eerste lid is slechts van toepassing voor de verkrijgende vennootschappen die:
- gevestigd zijn in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig ander verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstluidende Staten;
- een rechtsvorm hebben die in de bijlage I, deel A, van de richtlijn van de Raad van 30 november 2011 (2011/96/EU) betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, gewijzigd door de richtlijn van de Raad van 8 juli 2014 (2014/86/EU) wordt genoemd of een rechtsvorm hebben die vergelijkbaar is met de rechtsvormen die zijn opgenomen in deze bijlage en die wordt beheerst door het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of een gelijksoortige rechtsvorm als deze in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten;
- op de datum van toekenning of betaalbaarstelling van dividenden bedoeld in artikel 202, § 1, 1° en 2°, in het kapitaal van de vennootschap die ze uitkeert een deelneming van minder dan 10 pct. bezitten waarvan de aanschaffingswaarde ten minste 2 500 000 euro bedraagt;
- deze deelneming gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom behouden.
§ 2. Het in § 1 bedoelde tarief wordt slechts toegestaan indien de schuldenaar van de dividenden in het bezit is van een attest dat bevestigt:
1° dat de verkrijger een rechtsvorm heeft die in de bijlage I, deel A, van de richtlijn van de Raad van 30 november 2011 (2011/96/EU) betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, gewijzigd door de richtlijn van de Raad van 8 juli 2014 (2014/86/EU) wordt genoemd of een hiermee vergelijkbare rechtsvorm heeft als deze genoemd in de voormelde bijlage en die wordt beheerst door het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of een gelijksoortige rechtsvorm als deze in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten;
2° dat de aanschaffingswaarde van de deelneming ten minste 2 500 000 euro bedraagt;
3° dat de dividenden betrekking hebben op aandelen die gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom worden of werden behouden;
4° in welke mate, voor de verkrijgende vennootschap, de krachtens de artikelen 261 tot 269 verschuldigde roerende voorheffing in beginsel verrekenbaar of terugbetaalbaar is op grond van de wettelijke bepalingen die gelden op 31 december van het jaar voorafgaand aan de toekenning of betaalbaarstelling van het in § 1, eerste lid, bedoelde dividend.'
3. De toepassing van die verlaagde aanslagvoet van de RV is inzonderheid afhankelijk van de afgifte van een attest, aan de vennootschap die de dividenden uitkeert, dat bevestigt dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan (zie art. 269/1, § 2, WIB 92).
De verkrijgende vennootschap die de toepassing vraagt van de verlaagde aanslagvoet zal, om haar juiste identificatie mogelijk te maken, haar benaming, haar volledige gegevens evenals haar fiscaal identificatienummer moeten vermelden op het attest.
De tussenpersonen die in het kader van een mandaat, de toepassing vragen van de verlaagde aanslagvoet voor één of meer verkrijgende vennootschappen, zullen eveneens die vennootschap of elk van die vennootschappen op een identieke manier moeten identificeren (de benaming, de volledige gegevens en het fiscaal identificatienummer).
Voor de Administrateur-generaal van de Fiscaliteit,
Danny DELVAUX
Adviseur-generaal
