Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 21.09.1989 (10e aflevering)
CIRC 21.09.89/1
Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 21.09.1989 (10e aflevering)
Bull. nr. 687, pag. 2153
AFTREK OP ROERENDE INKOMSTEN
Afschaffing.
BELASTINGKREDIET
Belastingkrediet op inkomsten van aandelen of delen.
Verrekenbaar bedrag.
FORFAITAIR GEDEELTE VAN DE BUITENLANDSE BELASTING
Verrekenbaar bedrag.
HERVORMINGSWET 1988
Diverse inkomsten van roerende aard.
Roerende inkomsten.
Verrekening van de voorheffingen.
ROERENDE INKOMSTEN
Belastbaar bedrag.
Inkomsten met een privé-karakter.
Innings- en bewaringskosten.
ROERENDE VOORHEFFING
Verrekenbaar bedrag.
VOORHEFFINGEN
Verrekening.
INHOUDSTABEL Nrs. I. WETTEKSTEN II/51 II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE II/52 III. ROERENDE INKOMSTEN A. Algemeen II/53 B. Vaststelling van het belastbare inkomen II/54 C. Aftrek op de roerende inkomsten II/55 D. Innings- en bewaringskosten II/56 tot II/58 E. Niet aftrekbare bestanddelen II/59 en II/60 IV. DIVERSE INKOMSTEN VAN ROERENDE AARD II/61 V. VERREKENBARE VOORHEFFINGEN A. Algemeen II/62 en II/63 B. Verrekening van de RV in verhouding tot de bezitsduur II/64 C. Afzonderlijke belasting II/65 en II/66 VI. INWERKINGTREDING II/67 I. WETTEKSTEN
II/51
Behalve wanneer zij, overeenkomstig artikel 93, § 1, 1°bis en 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen afzonderlijk worden belast of overeenkomstig artikel 220bis van hetzelfde Wetboek, niet worden aangegeven, worden de in de artikelen 11 tot 17 van hetzelfde Wetboek bedoelde inkomsten van roerende goederen en kapitalen verminderd met de erop betrekking hebbende innings- en bewaringskosten en andere soortgelijke kosten of lasten.
§ 1. Interesten van schulden aangegaan om roerende inkomsten te verkrijgen of te behouden zijn geen aftrekbare lasten.
§ 2. ...
Onder het netto-bedrag van inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen en van diverse inkomsten als bedoeld in artikel 67, 4° tot 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, wordt verstaan het bedrag dat in enigerlei vorm is geïnd of verkregen, vóór aftrek van de innings- en bewaringskosten en van andere soortgelijke kosten of lasten, vermeerderd met de werkelijke of fictieve voorheffingen, bepaald in de artikelen 174, 191, 3°, en 193, van hetzelfde Wetboek, met uitsluiting van het in artikel 135, § 1, tweede lid, 1°, en derde lid van hetzelfde Wetboek bedoelde belastingkrediet, en van het in de artikelen 187 van hetzelfde Wetboek en 29 van deze wet bedoelde forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting, wanneer de verkrijger van die inkomsten of opbrengsten de betrokken effecten of goederen niet voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid gebruikt.
In afwijking van de artikelen 186 en 187 van hetzelfde Wetboek, worden het in het eerste lid bedoelde belastingkrediet en forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting niet verrekend met de belasting op de in datzelfde lid bedoelde inkomsten en opbrengsten.
De roerende voorheffing is ten name van de verkrijgers van in artikel 11bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde inkomsten en van inkomsten van obligaties, kasbons en andere gelijkaardige effecten verrekenbaar in verhouding tot de tijd dat zij de effecten bezitten.
§ 1. in het Wetboek van de inkomstenbelastingen worden opgeheven :
1° artikel 18, eerste lid;
2° artikel 19bis;
...
13° artikel 71, § 1, 1°, 2°, ...
...
27° artikel 191, tweede lid;
28° artikel 195; ...
Titel I van deze wet is van toepassing :
1° met betrekking tot de artikelen ... 22 tot 30 en 32 tot 35, ... met ingang van het aanslagjaar 1990;
...
6° met betrekking tot artikel 31, op de inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 1989.
Met betrekking tot de andere dan de in artikel 11bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde inkomsten van effecten die in 1988 werden verhandeld, waarbij de bruto-interesten in de prijs zijn opgenomen, blijft de roerende voorheffing op de eerste coupon die in 1989 vervalt, volledig verrekenbaar ten name van de verkrijger.
II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE
II/52
De hervormingswet bevat een aantal belangrijke wijzigingen met betrekking tot roerende inkomsten met privé-karakter (zie nrs. II/121 tot II/130 (11e aflevering), wat de roerende inkomsten met beroepskarakter betreft) enerzijds, en diverse inkomsten van roerende aard anderzijds.
Die verschillende wijzigingen kunnen als volgt worden samengevat :
III. ROERENDE INKOMSTEN
A. Algemeen
II/53
De hervormingswet heeft niets gewijzigd wat de aard van de in de art. 11 tot 17, WIB vermelde roerende inkomsten betreft.
Daarentegen zijn ingrijpende wijzigingen aangebracht in de wijze van vaststelling van het belastbare bedrag van die inkomsten wanneer de effecten of goederen, welke die inkomsten opbrengen, door de verkrijger niet voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid worden gebruikt (m.a.w., wanneer het geen roerende inkomsten met beroepskarakter betreft); inderdaad :
3° de innings- en bewaringskosten worden voortaan rechtstreeks van de roerende inkomsten afgetrokken.
B. Vaststelling van het belastbare inkomen
II/54
Art. 28, eerste lid, van de hervormingswet definieert het nettobedrag van de inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen als het bedrag dat in enigerlei vorm is geïnd of verkregen, vóór aftrek van de innings- en bewaringskosten en van andere soortgelijke kosten of lasten. Dat bedrag moet voortaan alleen met de (werkelijke of fictieve) RV, vermeld in de art. 174, 191, 3°, en 193, WIB, verhoogd worden.
In dit stadium slaat de enige wezenlijke wijziging ten opzichte van het vroegere stelsel op het BK dat m.b.t. inkomsten van aandelen van Belgische oorsprong niet meer aan het belastbare inkomen moet worden toegevoegd. De wet sluit eveneens het FBB m.b.t. in het buitenland belaste roerende inkomsten uit (Hoewel het FBB voorheen nooit aan het belastbare inkomen werd toegevoegd, is die precisering verantwoord door het feit dat, wanneer het roerende inkomsten met beroepskarakter betreft, het inkomen niet alleen verder wordt verhoogd met het BK, maar voortaan eveneens met het FBB (zie 11e aflevering, nrs. II/124 tot II/128)).
Daarmee samengaand zijn het BK en het FBB voortaan niet meer verrekenbaar met het gedeelte van de PB dat op de roerende inkomsten betrekking heeft (art. 28, tweede lid, van de hervormingswet).
C. Aftrek op de roerende inkomsten
II/55
Tot en met het aj. 1989 kon ingevolge art. 19bis, WIB de eerste schijf van 10.000 F van sommige inkomsten van gelddeposito's, obligaties, kasbons, enz. van de belastbare roerende inkomsten worden afgetrokken. Die aftrek vond evenwel slechts gedeeltelijk toepassing indien het totale netto-inkomen bedoeld in art. 6, WIB na deze aftrek niet hoger was dan 350.000 F (met een overstapregel werd die aftrek afgebouwd wanneer het totale netto-inkomen begrepen was tussen 350.000 F en 360.000 F).
Daar art. 19bis, WIB door art. 35, § 1, 2°, van de hervormingswet is opgeheven, is de aftrek op de roerende inkomsten met ingang van het aj. 1990 afgeschaft.
D. Innings- en bewaringskosten
II/56
Art. 25 van de hervormingswet voert in het schema van vaststelling van de in de art. 11 tot 17, WIB vermelde roerende inkomsten een nieuwigheid in door te specificeren dat die inkomsten voortaan worden verminderd met de erop betrekking hebbende innings- en bewaringskosten en andere soortgelijke kosten of lasten, terwijl die kosten vroeger slechts in een beperkte mate in aanmerking werden genomen in het stadium van het bepalen van het totale inkomen.
Die aftrek wordt slechts toegestaan indien de roerende inkomsten werkelijk worden samengeteld met de andere inkomsten (d.w.z. wanneer zij niet afzonderlijk worden belast overeenkomstig art. 93, § 1, 1°bis of 5°, WIB en evenmin wanneer zij niet zijn aangegeven met toepassing van art. 220bis, WIB).
II/57
Indien de belastingplichtige sommige roerende inkomsten wel aangeeft en voor het niet-aangeven van sommige andere kiest waarvoor de RV bevrijdend wordt, mogen voortaan alleen de innings- en bewaringskosten met betrekking tot de aangegeven inkomsten worden afgetrokken (mits die inkomsten gezamenlijk met de andere inkomsten belast worden); de kosten met betrekking tot de niet-aangegeven inkomsten zijn daarentegen niet aftrekbaar.
II/58
Concreet zal de belastingplichtige niet dikwijls kunnen voorzien of de door hem aangegeven roerende inkomsten al dan niet afzonderlijk zullen worden belast. Daarom mag hij, zoals voorheen, in zijn aangifte in de PB het bedrag van alle innings- en bewaringskosten met betrekking tot de aangegeven roerende inkomsten vermelden. Die kosten zullen echter bij de vestiging van de aanslag in de PB slechts in aanmerking worden genomen, indien de volledige samentelling het voordeligst uitkomt.
E. Niet aftrekbare bestanddelen
II/59
Uit de art. 26, § 1, en 35, § 1, 13°, van de hervormingswet volgt dat :
1. interesten van schulden die zijn aangegaan om roerende inkomsten te verkrijgen of te behouden geen aftrekbare lasten zijn (Er bestaan twee uitzonderingen op die regel :
2. ingevolge de opheffing van art. 71, § 1, 1° en 2°, WIB, kunnen innings- en bewaringskosten en interesten van leningen van welke aard ook in principe niet meer van het totale netto-inkomen worden afgetrokken.
II/60
De hervormingswet heeft hiermede meer orde gebracht in het stelsel van de aftrekken die vroeger overeenkomstig art. 71, § 1, 1° en 2°, en § 2, WIB konden worden toegepast op het totale netto-inkomen, maar beperkt waren tot het nettobedrag van de onroerende en roerende inkomsten die in aanmerking kwamen voor de vaststelling van het belastbare inkomen.
De gevolgen van de wijzigingen zijn :
IV. DIVERSE INKOMSTEN VAN ROERENDE AARD
II/61
In de praktijk heeft art. 28, eerste lid, van de hervormingswet niets gewijzigd aan de in art. 67, 4° tot 6°, WIB vermelde diverse inkomsten van roerende aard, en dit zowel wat hun aard als wat de wijze van vaststelling van het belastbare inkomen betreft (de bepalingen van art. 69, §§ 1 en 3, WIB zijn trouwens niet gewijzigd).
Wat in het bijzonder de loten betreft, betekent dit inzonderheid dat het belastbare inkomen zoals voorheen moet bevatten :
De enige wijziging in het belastingstelsel van de diverse inkomsten van roerende aard heeft betrekking op de volledige opheffing van de verrekening van het FBB m.b.t. inkomsten van buitenlandse oorsprong die in het buitenland zijn belast (art. 28, tweede lid, van de hervormingswet).
V. VERREKENBARE VOORHEFFINGEN
A. Algemeen
II/62
De regels inzake de verrekening van de voorheffingen en andere gelijkaardige bestanddelen worden, zowel m.b.t. roerende inkomsten met privé-karakter als m.b.t. diverse inkomsten van roerende aard, ingrijpend gewijzigd door de art. 28, tweede lid, en 35, § 1, 28°, van de hervormingswet.
Die wijzigingen zijn echter slechts het logische gevolg van de wijzigingen die art. 28, eerste lid, van de hervormingswet heeft aangebracht in de vaststelling van het belastbare inkomen, namelijk het niet meer opnemen van het BK in het belastbare inkomen.
II/63
In de praktijk en ongeacht het belastingstelsel waaraan de bedoelde inkomsten zijn onderworpen (afzonderlijke belasting of samentelling, blijven voortaan alleen de werkelijke of fictieve RV vermeld in de art. 174, 191 en 193, WIB verrekenbaar (zie evenwel nr. II/64).
Anderzijds mag niet uit het oog worden verloren dat de wijzigingen in de verrekening van voorheffingen en andere gelijkaardige bestanddelen een bepaalde weerslag hebben op het vlak van het afzonderlijk belasten van de bedoelde inkomsten (zie nrs. II/65 en II/66).
B. Verrekening van de RV in verhouding tot de bezitsduur
II/64
Art. 31 van de hervormingswet bepaalt dat de RV m.b.t. inkomsten van kapitalisatiebons (vermeld in art. 11bis WIB) en inkomsten van obligaties, kasbons en andere gelijkaardige effecten, verrekenbaar is in verhouding tot de tijd dat de verkrijgers van die inkomsten de effecten in hun bezit hebben gehad.
Die maatregel is van toepassing op inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1.1.1989 (art. 39, eerste lid, 6°, van de hervormingswet).
Evenwel bepaalt art. 39, tweede lid, van de hervormingswet dat, met betrekking tot inkomsten (andere inkomsten dan van kapitalisatiebons) van effecten die in 1988 zijn verhandeld, waarbij de bruto-interest in de prijs is opgenomen, de RV op de eerste in 1989 vervallen coupon volledig verrekenbaar blijft bij de verkrijger.
Art. 31 van de hervormingswet zal later afzonderlijk worden besproken wanneer de koninklijke besluiten tot uitvoering ervan zullen zijn getroffen.
C. Afzonderlijke belasting
II/65
In geval van afzonderlijke belasting, bepaalt art. 93, § 1, 5°, WIB dat de belasting op sommige roerende inkomsten met privé-karakter en diverse inkomsten van roerende aard overeenstemt met de RV en, voor de inkomsten waarop ze betrekking hebben, met het in art. 135, § 1, WIB vermelde BK en het in art. 195, WIB vermelde FBB.
Hoewel de hervormingswet de tekst van art. 93, § 1, 5°, WIB niet heeft gewijzigd, mag logischerwijze en trouwens in de geest van art. 28 van de voormelde wet, worden aangenomen dat de belasting op de bedoelde inkomsten voortaan zonder meer met de RV overeenstemt, daar noch het BK noch het FBB in het belastbare inkomen begrepen zijn (en overigens ook niet meer verrekenbaar zijn).
II/66
Daarentegen is er niets gewijzigd m.b.t. inkomsten die krachtens art. 93, § 1, 1°bis, WIB afzonderlijk worden belast tegen een aanslagvoet van 25 pct., met dien verstande dat in dit geval het eventuele BK (Het BK met betrekking tot sommige inkomsten van kapitalen, belegd in C.V.'s die door de Nationale Raad van de Coöperatie zijn erkend.) niet meer in het belastbare inkomen wordt opgenomen en ook niet meer mag worden verrekend.
VI. INWERKINGTREDING
II/67
Overeenkomstig art. 39, eerste lid, 1°, van de hervormingswet, treden de art. 25, 26, 28 en 35 van dezelfde wet in werking met ingang van het aj. 1990 (inkomsten van het jaar 1989) (zie nr. II/64 wat art. 31 van de hervormingswet betreft).
Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 21.09.1989 (10e aflevering)
Bull. nr. 687, pag. 2153
AFTREK OP ROERENDE INKOMSTEN
Afschaffing.
BELASTINGKREDIET
Belastingkrediet op inkomsten van aandelen of delen.
Verrekenbaar bedrag.
FORFAITAIR GEDEELTE VAN DE BUITENLANDSE BELASTING
Verrekenbaar bedrag.
HERVORMINGSWET 1988
Diverse inkomsten van roerende aard.
Roerende inkomsten.
Verrekening van de voorheffingen.
ROERENDE INKOMSTEN
Belastbaar bedrag.
Inkomsten met een privé-karakter.
Innings- en bewaringskosten.
ROERENDE VOORHEFFING
Verrekenbaar bedrag.
VOORHEFFINGEN
Verrekening.
INHOUDSTABEL Nrs. I. WETTEKSTEN II/51 II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE II/52 III. ROERENDE INKOMSTEN A. Algemeen II/53 B. Vaststelling van het belastbare inkomen II/54 C. Aftrek op de roerende inkomsten II/55 D. Innings- en bewaringskosten II/56 tot II/58 E. Niet aftrekbare bestanddelen II/59 en II/60 IV. DIVERSE INKOMSTEN VAN ROERENDE AARD II/61 V. VERREKENBARE VOORHEFFINGEN A. Algemeen II/62 en II/63 B. Verrekening van de RV in verhouding tot de bezitsduur II/64 C. Afzonderlijke belasting II/65 en II/66 VI. INWERKINGTREDING II/67 I. WETTEKSTEN
II/51
| Art. | 25 |
| Art. | 26 |
§ 2. ...
| Art. | 28 |
In afwijking van de artikelen 186 en 187 van hetzelfde Wetboek, worden het in het eerste lid bedoelde belastingkrediet en forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting niet verrekend met de belasting op de in datzelfde lid bedoelde inkomsten en opbrengsten.
| Art. | 31 |
| Art. | 35 |
1° artikel 18, eerste lid;
2° artikel 19bis;
...
13° artikel 71, § 1, 1°, 2°, ...
...
27° artikel 191, tweede lid;
28° artikel 195; ...
| Art. | 39 |
1° met betrekking tot de artikelen ... 22 tot 30 en 32 tot 35, ... met ingang van het aanslagjaar 1990;
...
6° met betrekking tot artikel 31, op de inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 1989.
Met betrekking tot de andere dan de in artikel 11bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde inkomsten van effecten die in 1988 werden verhandeld, waarbij de bruto-interesten in de prijs zijn opgenomen, blijft de roerende voorheffing op de eerste coupon die in 1989 vervalt, volledig verrekenbaar ten name van de verkrijger.
II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE
II/52
De hervormingswet bevat een aantal belangrijke wijzigingen met betrekking tot roerende inkomsten met privé-karakter (zie nrs. II/121 tot II/130 (11e aflevering), wat de roerende inkomsten met beroepskarakter betreft) enerzijds, en diverse inkomsten van roerende aard anderzijds.
Die verschillende wijzigingen kunnen als volgt worden samengevat :
- het BK m.b.t. inkomsten van aandelen van Belgische oorsprong wordt voortaan niet meer aan het belastbare inkomen toegevoegd (art. 28, eerste lid, van de hervormingswet);
- dat BK zomede het FBB (m.b.t. inkomsten van buitenlandse oorsprong die in het buitenland zijn belast) zijn voortaan niet meer met de PB verrekenbaar (art. 28, tweede lid, van de hervormingswet);
- ingevolge de opheffing van art. 19bis, WIB, is de aftrek van ten hoogste 10.000 F die onder bepaalde voorwaarden in mindering kon worden gebracht van de inkomsten van gelddeposito's, obligaties, enz., thans afgeschaft (art. 35, § 1, 2°, van de hervormingswet);
- de innings- en bewaringskosten en andere gelijkaardige kosten of lasten zijn niet meer van het totale netto-inkomen aftrekbaar (art. 35, § 1, 13°, van de hervormingswet), maar wel rechtstreeks en uitsluitend van de roerende inkomsten; evenwel is vereist dat die roerende inkomsten zijn aangegeven in de PB (de belastingplichtige mag dan geen aanspraak maken op het in art. 220bis, WIB bedoelde stelsel van niet-aangifte) en bovendien dat zij niet afzonderlijk worden belast met toepassing van art. 93, § 1, 1°bis of 5°, WIB, doch worden samengevoegd met de andere inkomsten (art. 25 van de hervormingswet);
- er wordt duidelijk bepaald dat interesten van schulden die zijn aangegaan om roerende inkomsten te verkrijgen of te behouden niet meer aftrekbaar zijn (art. 26, § 1, en 35, § 1, 13°, van de hervormingswet) (Privé-interesten zijn uitsluitend nog aftrekbaar indien de schuld specifiek is aangegaan om onroerende goederen te verkrijgen of te behouden (zie 9e aflevering, nr. II/4));
- tenslotte wordt zowel met betrekking tot inkomsten van kapitalisatiebons en andere gelijkaardige effecten (vermeld in art. 11bis, WIB) als met betrekking tot inkomsten van obligaties, kasbons, enz., de verrekening van de RV voortaan beperkt in verhouding tot de tijd van de belastingplichtige de betreffende effecten in zijn bezit heeft gehad (art. 31 van de hervormingswet).
III. ROERENDE INKOMSTEN
A. Algemeen
II/53
De hervormingswet heeft niets gewijzigd wat de aard van de in de art. 11 tot 17, WIB vermelde roerende inkomsten betreft.
Daarentegen zijn ingrijpende wijzigingen aangebracht in de wijze van vaststelling van het belastbare bedrag van die inkomsten wanneer de effecten of goederen, welke die inkomsten opbrengen, door de verkrijger niet voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid worden gebruikt (m.a.w., wanneer het geen roerende inkomsten met beroepskarakter betreft); inderdaad :
| 1° | het BK wordt niet meer in het belastbare inkomen inbegrepen; |
| 2° | de aftrek ingevolge art. 19bis, WIB is afgeschaft; |
B. Vaststelling van het belastbare inkomen
II/54
Art. 28, eerste lid, van de hervormingswet definieert het nettobedrag van de inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen als het bedrag dat in enigerlei vorm is geïnd of verkregen, vóór aftrek van de innings- en bewaringskosten en van andere soortgelijke kosten of lasten. Dat bedrag moet voortaan alleen met de (werkelijke of fictieve) RV, vermeld in de art. 174, 191, 3°, en 193, WIB, verhoogd worden.
In dit stadium slaat de enige wezenlijke wijziging ten opzichte van het vroegere stelsel op het BK dat m.b.t. inkomsten van aandelen van Belgische oorsprong niet meer aan het belastbare inkomen moet worden toegevoegd. De wet sluit eveneens het FBB m.b.t. in het buitenland belaste roerende inkomsten uit (Hoewel het FBB voorheen nooit aan het belastbare inkomen werd toegevoegd, is die precisering verantwoord door het feit dat, wanneer het roerende inkomsten met beroepskarakter betreft, het inkomen niet alleen verder wordt verhoogd met het BK, maar voortaan eveneens met het FBB (zie 11e aflevering, nrs. II/124 tot II/128)).
Daarmee samengaand zijn het BK en het FBB voortaan niet meer verrekenbaar met het gedeelte van de PB dat op de roerende inkomsten betrekking heeft (art. 28, tweede lid, van de hervormingswet).
C. Aftrek op de roerende inkomsten
II/55
Tot en met het aj. 1989 kon ingevolge art. 19bis, WIB de eerste schijf van 10.000 F van sommige inkomsten van gelddeposito's, obligaties, kasbons, enz. van de belastbare roerende inkomsten worden afgetrokken. Die aftrek vond evenwel slechts gedeeltelijk toepassing indien het totale netto-inkomen bedoeld in art. 6, WIB na deze aftrek niet hoger was dan 350.000 F (met een overstapregel werd die aftrek afgebouwd wanneer het totale netto-inkomen begrepen was tussen 350.000 F en 360.000 F).
Daar art. 19bis, WIB door art. 35, § 1, 2°, van de hervormingswet is opgeheven, is de aftrek op de roerende inkomsten met ingang van het aj. 1990 afgeschaft.
D. Innings- en bewaringskosten
II/56
Art. 25 van de hervormingswet voert in het schema van vaststelling van de in de art. 11 tot 17, WIB vermelde roerende inkomsten een nieuwigheid in door te specificeren dat die inkomsten voortaan worden verminderd met de erop betrekking hebbende innings- en bewaringskosten en andere soortgelijke kosten of lasten, terwijl die kosten vroeger slechts in een beperkte mate in aanmerking werden genomen in het stadium van het bepalen van het totale inkomen.
Die aftrek wordt slechts toegestaan indien de roerende inkomsten werkelijk worden samengeteld met de andere inkomsten (d.w.z. wanneer zij niet afzonderlijk worden belast overeenkomstig art. 93, § 1, 1°bis of 5°, WIB en evenmin wanneer zij niet zijn aangegeven met toepassing van art. 220bis, WIB).
II/57
Indien de belastingplichtige sommige roerende inkomsten wel aangeeft en voor het niet-aangeven van sommige andere kiest waarvoor de RV bevrijdend wordt, mogen voortaan alleen de innings- en bewaringskosten met betrekking tot de aangegeven inkomsten worden afgetrokken (mits die inkomsten gezamenlijk met de andere inkomsten belast worden); de kosten met betrekking tot de niet-aangegeven inkomsten zijn daarentegen niet aftrekbaar.
II/58
Concreet zal de belastingplichtige niet dikwijls kunnen voorzien of de door hem aangegeven roerende inkomsten al dan niet afzonderlijk zullen worden belast. Daarom mag hij, zoals voorheen, in zijn aangifte in de PB het bedrag van alle innings- en bewaringskosten met betrekking tot de aangegeven roerende inkomsten vermelden. Die kosten zullen echter bij de vestiging van de aanslag in de PB slechts in aanmerking worden genomen, indien de volledige samentelling het voordeligst uitkomt.
E. Niet aftrekbare bestanddelen
II/59
Uit de art. 26, § 1, en 35, § 1, 13°, van de hervormingswet volgt dat :
1. interesten van schulden die zijn aangegaan om roerende inkomsten te verkrijgen of te behouden geen aftrekbare lasten zijn (Er bestaan twee uitzonderingen op die regel :
- de interesten van leningen die zijn aangegaan om roerende inkomsten met beroepskarakter te verkrijgen of te behouden zijn zoals vroeger als beroepskosten aftrekbaar op grond van de art. 44 en 45, 2°, WIB (zie Com. IB 44/42 tot 44/56.1);
- de interesten van schulden door bestuurders of werkende vennoten aangegaan om aandelen te verwerven, kunnen voortaan beroepskosten zijn (zie commentaar op art. 26, § 2, van de hervormingswet).);
2. ingevolge de opheffing van art. 71, § 1, 1° en 2°, WIB, kunnen innings- en bewaringskosten en interesten van leningen van welke aard ook in principe niet meer van het totale netto-inkomen worden afgetrokken.
II/60
De hervormingswet heeft hiermede meer orde gebracht in het stelsel van de aftrekken die vroeger overeenkomstig art. 71, § 1, 1° en 2°, en § 2, WIB konden worden toegepast op het totale netto-inkomen, maar beperkt waren tot het nettobedrag van de onroerende en roerende inkomsten die in aanmerking kwamen voor de vaststelling van het belastbare inkomen.
De gevolgen van de wijzigingen zijn :
| 1. | de interesten van schulden die specifiek zijn aangegaan om onroerende goederen te verkrijgen of te behouden zijn voortaan rechtstreeks en uitsluitend van het onroerend inkomen aftrekbaar (zie 9e aflevering, nrs. II/6 tot II/25); |
| 2. | de innings- en bewaringskosten worden, onder de in nr. II/56 hierboven gestelde voorwaarde, rechtstreeks en uitsluitend van de roerende inkomsten afgetrokken (art. 25 van de hervormingswet); |
| 3. | de interesten van leningen die zijn aangegaan om roerende inkomsten met privé-karakter te verkrijgen of te behouden zijn in geen geval aftrekbare lasten (art. 26, § 1, van de hervormingswet); |
| 4. | hoewel de tekst van art. 71, § 2, eerste lid, WIB niet is opgeheven, is hij in de praktijk en rekening houdend met de opheffing van art. 71, § 1, 1° en 2°, WIB (zie art. 35, § 1, 13°, van de hervormingswet), inhoudsloos geworden wat betreft de innings- en bewaringskosten enerzijds en de interesten van leningen anderzijds. |
II/61
In de praktijk heeft art. 28, eerste lid, van de hervormingswet niets gewijzigd aan de in art. 67, 4° tot 6°, WIB vermelde diverse inkomsten van roerende aard, en dit zowel wat hun aard als wat de wijze van vaststelling van het belastbare inkomen betreft (de bepalingen van art. 69, §§ 1 en 3, WIB zijn trouwens niet gewijzigd).
Wat in het bijzonder de loten betreft, betekent dit inzonderheid dat het belastbare inkomen zoals voorheen moet bevatten :
- een FRV die gelijk is aan 15/85 (= 3/17) van het geïnde bedrag van niet van elke belasting vrijgestelde loten die betrekking hebben op vóór 1.12.1962 uitgegeven leningen van Belgische oorsprong;
- een FRV die gelijk is aan 20/80 (= 1/4 = 25 pct.) van het geïnde bedrag, wanneer het loten betreft van vanaf 1.12.1962 uitgegeven effecten van leningen van Belgische oorsprong;
- een werkelijke RV die gelijk is aan 2575 (= 1/3), wanneer het loten van effecten van leningen van buitenlandse oorsprong betreft waarop werkelijk RV is geheven.
De enige wijziging in het belastingstelsel van de diverse inkomsten van roerende aard heeft betrekking op de volledige opheffing van de verrekening van het FBB m.b.t. inkomsten van buitenlandse oorsprong die in het buitenland zijn belast (art. 28, tweede lid, van de hervormingswet).
V. VERREKENBARE VOORHEFFINGEN
A. Algemeen
II/62
De regels inzake de verrekening van de voorheffingen en andere gelijkaardige bestanddelen worden, zowel m.b.t. roerende inkomsten met privé-karakter als m.b.t. diverse inkomsten van roerende aard, ingrijpend gewijzigd door de art. 28, tweede lid, en 35, § 1, 28°, van de hervormingswet.
Die wijzigingen zijn echter slechts het logische gevolg van de wijzigingen die art. 28, eerste lid, van de hervormingswet heeft aangebracht in de vaststelling van het belastbare inkomen, namelijk het niet meer opnemen van het BK in het belastbare inkomen.
II/63
In de praktijk en ongeacht het belastingstelsel waaraan de bedoelde inkomsten zijn onderworpen (afzonderlijke belasting of samentelling, blijven voortaan alleen de werkelijke of fictieve RV vermeld in de art. 174, 191 en 193, WIB verrekenbaar (zie evenwel nr. II/64).
Anderzijds mag niet uit het oog worden verloren dat de wijzigingen in de verrekening van voorheffingen en andere gelijkaardige bestanddelen een bepaalde weerslag hebben op het vlak van het afzonderlijk belasten van de bedoelde inkomsten (zie nrs. II/65 en II/66).
B. Verrekening van de RV in verhouding tot de bezitsduur
II/64
Art. 31 van de hervormingswet bepaalt dat de RV m.b.t. inkomsten van kapitalisatiebons (vermeld in art. 11bis WIB) en inkomsten van obligaties, kasbons en andere gelijkaardige effecten, verrekenbaar is in verhouding tot de tijd dat de verkrijgers van die inkomsten de effecten in hun bezit hebben gehad.
Die maatregel is van toepassing op inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1.1.1989 (art. 39, eerste lid, 6°, van de hervormingswet).
Evenwel bepaalt art. 39, tweede lid, van de hervormingswet dat, met betrekking tot inkomsten (andere inkomsten dan van kapitalisatiebons) van effecten die in 1988 zijn verhandeld, waarbij de bruto-interest in de prijs is opgenomen, de RV op de eerste in 1989 vervallen coupon volledig verrekenbaar blijft bij de verkrijger.
Art. 31 van de hervormingswet zal later afzonderlijk worden besproken wanneer de koninklijke besluiten tot uitvoering ervan zullen zijn getroffen.
C. Afzonderlijke belasting
II/65
In geval van afzonderlijke belasting, bepaalt art. 93, § 1, 5°, WIB dat de belasting op sommige roerende inkomsten met privé-karakter en diverse inkomsten van roerende aard overeenstemt met de RV en, voor de inkomsten waarop ze betrekking hebben, met het in art. 135, § 1, WIB vermelde BK en het in art. 195, WIB vermelde FBB.
Hoewel de hervormingswet de tekst van art. 93, § 1, 5°, WIB niet heeft gewijzigd, mag logischerwijze en trouwens in de geest van art. 28 van de voormelde wet, worden aangenomen dat de belasting op de bedoelde inkomsten voortaan zonder meer met de RV overeenstemt, daar noch het BK noch het FBB in het belastbare inkomen begrepen zijn (en overigens ook niet meer verrekenbaar zijn).
II/66
Daarentegen is er niets gewijzigd m.b.t. inkomsten die krachtens art. 93, § 1, 1°bis, WIB afzonderlijk worden belast tegen een aanslagvoet van 25 pct., met dien verstande dat in dit geval het eventuele BK (Het BK met betrekking tot sommige inkomsten van kapitalen, belegd in C.V.'s die door de Nationale Raad van de Coöperatie zijn erkend.) niet meer in het belastbare inkomen wordt opgenomen en ook niet meer mag worden verrekend.
VI. INWERKINGTREDING
II/67
Overeenkomstig art. 39, eerste lid, 1°, van de hervormingswet, treden de art. 25, 26, 28 en 35 van dezelfde wet in werking met ingang van het aj. 1990 (inkomsten van het jaar 1989) (zie nr. II/64 wat art. 31 van de hervormingswet betreft).
Bron: FisconetPlus
