Circulaire nr. 12/2014 d.d. 17.09.2014

(Circulaire BEO nr. 7/2014)

Brussels Hoofdstedelijk Gewest – Successierechten – Gezinswoning – Vrijstelling ten voordele van de langstlevende partner

FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN

Beleidsexpertise en -ondersteuning
Dienst reglementering

4de dienst - 2de directie

Dossier nr. 502

PATRIMONIUMDOCUMENTATIE

Operationele Expertise en Ondersteuning

Dossier nr. E.E./L. 259

Bijlagen: 1

In het Belgisch Staatsblad van 6 maart 2014 werd de ordonnantie van 30 januari 2014 tot wijziging van het Wetboek der successierechten bekendgemaakt.

Deze ordonnantie bepaalt ten gunste van de langstlevende partner een vrijstelling van de successierechten tot beloop van zijn netto-erfdeel in de woning die hem en de overledene tot gezinswoning diende.

In het Wetboek der successierechten, zoals dat van toepassing is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, wordt daartoe :

  1. een nieuw artikel 55bis ingevoegd, dat de toepassingsvoorwaarden en -modaliteiten van de vrijstelling bepaalt ;
  2. artikel 42, VIII aangevuld met een nieuwe verplichte vermelding in de aangifte van nalatenschap ;
  3. artikel 60ter gewijzigd zodat uit het toepassingsgebied van dat artikel de voordeelhebbers van de nieuwe vrijstelling worden gehaald ;
  4. artikel 128 vervangen om de bestraffing mogelijk te maken van het niet doen van de vereiste nieuwe vermelding in de aangifte van nalatenschap.

De nieuwe bepalingen zijn in werking getreden op 1 januari 2014. Ze zijn dus van toepassing op de nalatenschappen die vanaf die datum openvallen.

In deze circulaire wordt een eerste commentaar gegeven bij de nieuwe bepalingen. De tekst van de ordonnantie gaat in bijlage 1. Voor de geconsolideerde teksten van de gewijzigde bepalingen van het W. Succ. Br. wordt verwezen naar Fisconetplus.

Commentaar

1. Doel van de maatregel

Om te voorkomen dat Brusselaars de eigen woning van de hand moeten doen om zich van de successierechten te kunnen kwijten, heeft de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan het Brussels Parlement voorgesteld een vrijstelling van successierechten in te stellen voor het door de langstlevende partner uit de nalatenschap van de eerststervende partner bekomen deel in de gezinswoning.

2. Draagwijdte van het nieuwe artikel 55bis, W. Succ. Br.

De Brusselse wetgever heeft voor een vrijstelling[1] van de successierechten gekozen ten voordele van de langstlevende partner en heeft die ingeschreven in een nieuw artikel 55bis, W. Succ. Br.

Deze vrijstelling geldt nochtans niet voor alle langstlevende partners en ze is enkel van toepassing indien de langstlevende partner een deel verkrijgt in de gezinswoning.

3. Begunstigde van de vrijstelling : de langstlevende partner

De vrijstelling geldt enkel ten voordele van de langstlevende partner van de overledene. Hiermee wordt in principe bedoeld de langstlevende echtgenoot of de overlevende wettelijk[2] samenwonende, die uit de nalatenschap een deel in de gezinswoning verkrijgt. Niet alle overlevende wettelijk samenwonenden kunnen echter de vrijstelling genieten.

3.1. Komen aldus in aanmerking voor de vrijstelling

  • de overlevende echtgenoot ;

  • de met de erflater wettelijk samenwonende, d.w.z. een persoon waarmee de overledene op de dag van het openvallen van de nalatenschap overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek, samenwoonde, mits (zie punt 3.2 hierna) hij van de overledene :

    • geen bloedverwant in rechte lijn is ;
    • noch een rechtverkrijgende is die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld ;
    • noch een broer of zus is ;
    • noch een neef of nicht, oom of tante is.

3.2. Zijn daarentegen van de vrijstelling uitgesloten

  • de rechtverkrijgenden (bloedverwanten) in rechte lijn stricto sensu, met andere woorden de ascendenten en descendenten van de erflater ;

  • elke wettelijke samenwonende die bovendien:

    • hetzij een broer of zus, neef of nicht, oom of tante van de erflater is.

      • komt daarentegen wel in aanmerking voor de vrijstelling een verdere bloedverwant of een niet-bloedverwant die met de overledene wettelijk samenwoonde en die geen rechtverkrijgende is die voor de toepassing van het tarief met een bloedverwant in de rechte lijn wordt gelijkgesteld.

    • hetzij een rechtverkrijgende is die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld, te weten de personen die bij toepassing van artikel 50, § 1, W. Succ. Br., worden gelijkgesteld met een afstammeling of met de vader of de moeder van de erflater, alsook de gewoon geadopteerde personen die bij toepassing artikel 52^2 W. Succ. Br., met afstammelingen van de overledene worden gelijkgesteld.

      In de Memorie van Toelichting worden die uitsluitingen als volgt verantwoord: Wanneer een verkrijger uit de rechte lijn of een verkrijger die daarmee wordt gelijkgesteld, of een broer of zus, neef of nicht, oom of tante van de erflater, ook aan de omschrijving van « samenwonende » zou beantwoorden, dan geldt de vrijstelling niet. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering heeft niet de beleidsintentie om de vrijstelling ook toe te kennen aan inwonende kinderen of kleinkinderen, of aan inwonende ouders of grootouders, en evenmin aan andere naaste inwonende familieleden. Hij heeft voor de vrijstelling enkel een situatie voor ogen waarbij kan verondersteld worden dat de erflater en de verkrijger van de gezinswoning (met name de echtgenoot of de wettelijk samenwonende partner) als koppel samenwoonden en samen hebben bijgedragen tot de verwerving van de gezinswoning of minstens kan verondersteld worden dat zij samen bijdragen hebben geleverd tot het voeren van een gemeenschappelijke huishouding »[3].

4. Onderwerp van de vrijstelling: het netto-aandeel van de rechtverkrijgende echtgenoot of wettelijk samenwonende in de (in principe) op het ogenblik van het overlijden bestaande gezinswoning.

4.1. begrip "gezinswoning"

Het derde lid van artikel 55bis, W. Succ. Br., bepaalt: "Onder gezinswoning wordt voor de toepassing van deze bepaling verstaan de gezamenlijke hoofdverblijfplaats van de erflater en zijn overlevende echtgenoot of samenwonende." Het betreft dus in principe de woning waarin ze samenleefden op het ogenblik van het overlijden.

4.1.1. In het Brussels fiscaal recht is er geen wettelijke bepaling te vinden waarin wordt aangegeven welke goederen moeten worden geacht deel uit te maken van de gezinswoning.

Aangaande de goederen die geacht worden deel uit te maken van de gezinswoning heeft de Brusselse wetgever in de M.T.[4] enkel wat betreft de onroerende goederen met een gemengde bestemming een precisering gegeven:

« Voor onroerende goederen met een gemengde bestemming, geldt de "aanhorigheidstheorie" : indien het beroepsgedeelte -gelet op de waarde en/of de omvang - ondergeschikt is aan het woongedeelte, en dus een aanhorigheid, dan kan de vrijstelling voor het gehele onroerend goed verleend worden. Is het beroepsgedeelte - gelet op de waarde en/of de omvang - geen aanhorigheid van het woongedeelte, dan komt dit beroepsgedeelte niet in aanmerking voor de vrijstelling (maar wel de wooneenheid). In de aangifte van nalatenschap zal dus een opsplitsing moeten worden gemaakt tussen het woon- en het beroepsgedeelte.»[5]

Een gelijkaardige precisering is er niet wat betreft andere goederen (tuin, garage, zwembad) die, in verhouding tot het eigenlijke woongedeelte, al of niet moeten beschouwd worden als aanhorigheden van de gezinswoning.

De federale wetgever heeft evenmin de inhoud van het begrip "gezinswoning" gepreciseerd in de artikelen [6] 215[7] - dat tevens geldt in het kader van de wettelijke samenwoning overeenkomstig artikel 1477 - en 915bis[8] van het Burgerlijk Wetboek in het kader van de maatregelen tot bescherming van de gezinswoning.

In het kader van de burgerrechtelijke bescherming van de gezinswoning vindt men de criteria die bepalen welke goederen in het begrip « gezinswoning » vervat zijn, in het verslag Cooreman bij de wet van 14 mei 1981 [9], waarbij een artikel 915bis in het Burgerlijk Wetboek werd ingevoegd.

Bij het ontbreken van een inhoudelijke verduidelijking in het successierecht zelf en rekening houdende met het feit dat de Brusselse ordonnantiegever in de M.T. - wat de goederen met een gemengde bestemming betreft - dezelfde criteria heeft gebruikt, zal hier aan het begrip « gezinswoning » dezelfde inhoud worden gegeven als die welke er in het Burgerlijk recht aan wordt gegeven in het kader van de regels inzake bescherming van de gezinswoning.

Hieruit volgt dat :

aanhorigheden in de vrijstelling vervat zijn ;

Of iets als een aanhorigheid kan beschouwd worden, is een feitenkwestie. In de praktijk zal de scheidingslijn niet steeds duidelijk zijn. Alleszins kan in deze context een onroerend goed niet meer als aanhorigheid van de gezinswoning worden aangemerkt, wanneer de waarde ervan gelijk is aan de waarde van de gezinswoning of die laatste waarde overtreft. Meer algemeen geldt hier dat een gebouw, een tuin, een weide, een bebost perceel, een zwemkom, … maar als aanhorigheden van de gezinswoning kunnen worden aangemerkt, indien ze gelet op hun ligging, hun oppervlakte of hun waarde als "normale" aanhorigheden van de woning kunnen worden beschouwd

Quid met een bedrijfsgebouw dat deel uitmaakt van een samenhorend complex (vb. hoeve, handelszaak, kantoor-woningcomplex) gevormd door het woon- en het bedrijfsgedeelte ? Wanneer het beroepsgedeelte en het privé-gedeelte onafscheidelijk deel uitmaken van één samenhorend complex, en dit beroepsgedeelte is - gelet op waarde en/of omvang - ondergeschikt aan het privé-gedeelte, dan kan de vrijstelling wel voor het geheel verleend worden.

2° de delen die als bedrijfsgebouw dienen binnen een complex gevormd door de woning en het bedrijf, genieten de vrijstelling niet, wanneer het bedrijfsgebouw niet kan beschouwd worden als een aanhorigheid van het woninggedeelte.

4.1.2. In principe komt enkel de op het ogenblik van het overlijden bestaande gezinswoning in aanmerking voor de vrijstelling (artikel 55bis, eerste lid, W. Succ. Br.). Dit brengt mee:

  • dat wanneer de betrokkenen achtereenvolgens in verschillende van de nalatenschap afhangende woningen hun gezamenlijke hoofdverblijfplaats hebben gehad, de vrijstelling enkel kan toegepast worden voor de op het ogenblik van het overlijden bestaande gezamenlijke hoofdverblijfplaats; de overlevende heeft in een dergelijke situatie dus geen keuzerecht ;

  • dat wanneer de betrokkenen op het ogenblik van het overlijden hun gezamenlijke hoofdverblijfplaats hadden in een gehuurde woning, terwijl er in de nalatenschap een eigen woning van de overledene aanwezig is waarin zij voorheen[10] hun hoofdverblijfplaats hebben gehad maar die op het ogenblik van het overlijden verhuurd is aan derden, de vrijstelling geen toepassing kan vinden.

Wanneer op het ogenblik van het overlijden er geen gezamenlijke hoofdverblijfplaats meer bestaat kan, bij uitzondering, ook de "laatste" gezinswoning voor de vrijstelling in aanmerking worden genomen. De gevallen waarin dit kan, zijn limitatief opgesomd in artikel 55, vierde lid, W. Succ. Br.:

- 1ste geval: aan het samenwonen van de echtgenoten of de wettelijk samenwonenden is een einde gekomen door hun feitelijke scheiding[11] ;

Wat wordt hier bedoeld met feitelijke scheiding ? De memorie van toelichting verschaft hierover geen nadere gegevens. Men mag aannemen dat aan dat begrip een gelijkaardige inhoud moet worden gegeven als die welke het heeft in het kader van de inkomstenbelastingen. Wat echtgenoten betreft is er aldus sprake van feitelijke scheiding wanneer de echtgenoten hun verplichting tot samenwonen niet meer nakomen.

Daarbij speelt het geen rol:

  • of het een eenzijdige of minnelijke feitelijke scheiding betreft
  • of het een zuivere feitelijke toestand is
  • of er een procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed is aangespannen.

De feitelijke scheiding wordt geacht te bestaan wanneer de echtgenoten werkelijk en op duurzame wijze een verschillende woonplaats hebben.

Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor wettelijk samenwonenden[12]

- 2de geval: aan die samenwoning is door overmacht, voortdurend tot op het tijdstip van het overlijden, een einde gekomen.

De overmacht heeft hier tot gevolg dat de voorwaarde betreffende de laatste hoofdverblijfplaats in de gezinswoning geacht wordt te zijn vervuld.

Het begrip overmacht werd in deze context op bijzonder wijze gedefinieerd. Artikel 55bis, 5de lid, W. Succ. Br., bepaalt immers « Onder overmacht wordt inzonderheid verstaan een staat van zorgbehoevendheid, ontstaan na de aankoop van de woning, waardoor de erflater of de overlevende echtgenoot of samenwonende in de onmogelijkheid verkeerde om in de woning, zelfs met hulp van zijn gezin of van een gezinshulporganisatie, in te staan voor zijn geestelijk of lichamelijk welzijn » .

Onder « overmacht » moet dus vooral[13], maar niet uitsluitend, worden begrepen de omstandigheid dat de staat van hulpbehoevendheid noodzaakte tot de verplaatsing van de hoofdverblijfplaats van één of van beide betrokkenen naar een rust- of verzorgingsinstelling of een serviceflatgebouw [14].

Artikel 55bis bepaalt ook dat de staat van zorgbehoevendheid moet zijn ontstaan "na de aankoop van de woning". Bedoeld wordt "na de vestiging van de gezamenlijke hoofdverblijfplaats in de woning".

4.2. Het begrip netto-aandeel - algemene en bijzondere regel voor aanrekening van het passief

Enkel het door de langstlevende echtgenoot of overlevende wettelijk samenwonende verkregen netto-aandeel in de gezinswoning wordt vrijgesteld. Onder netto-aandeel wordt verstaan de waarde van het verkregen deel in de woning (waarde die wordt bepaald in functie van de verkoopwaarde van het geheel van de woning) verminderd met de schulden van de nalatenschap die op dat aandeel moeten worden aangerekend.

Algemene regel voor de aanrekening van het passief[15]

De algemene regel voor de aanrekening van het passief staat in artikel 60quater W. Succ. Br. Het aannemelijk passief - met uitzondering van de schulden die speciaal zijn gemaakt om goederen van de nalatenschap te verkrijgen, te verbeteren of te bewaren (zogenaamde specifieke schulden) - wordt aangerekend in de hiernavolgende orde:

  • eerst op de waarde van de actiefelementen bedoeld in artikel 60bis (rechtenvermindering voor « ondernemingen ») ;

  • vervolgens op de waarde van de actiefelementen bedoeld in artikel 60ter (rechtenvermindering voor de hoofdverblijfplaats van de overledene) ;

  • tenslotte op de waarde van de overige goederen van de nalatenschap.

Schulden waarvan men kan bewijzen dat ze speciaal zijn gemaakt om goederen van de nalatenschap te verkrijgen, te verbeteren of te bewaren worden eerst afgetrokken van de betreffende goederen.

Bijzondere aanrekeningsregel voor het passief

In het kader van de in deze circulaire becommentarieerde ordonnantie wordt - en dit alleen voor de overlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende die een deel verkrijgt in de gezinswoning - een nieuwe actiefcategorie gecreëerd : het niet-belastbaar onroerend actief. Die categorie omvat dus uitsluitend het verkregen deel in de gezinswoning. Parallel daarmee wordt er een nieuwe specifieke passiefcategorie in het leven geroepen: de schulden die specifiek werden aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden.

Opmerking betreffende de gebruikte terminologie
In artikel 60quater W. Succ. Br. (algemene aanrekeningsregel) worden de woorden "te verkrijgen, te verbeteren of te bewaren" gebruikt; in artikel 55bis (bijzondere aanrekeningsregel) worden de woorden "te verwerven of te behouden" gebruikt. De administratie neemt aan dat de Brusselse wetgever met dit verschil in terminologie geen bijkomend onderscheid heeft willen instellen tussen de geviseerde schulden naargelang de toepasselijke aanrekeningsregel[16].

Overeenkomstig artikel 55bis, 7de lid, W. Succ. Br. moeten de schulden van de nalatenschap die werden aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden bij voorrang worden aangerekend op de waarde van het deel van de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende in de gezinswoning.

Wat vervolgens te doen met het aandeel van de overlevende in de overige schulden (resterende waarde van de schulden die speciaal werden aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden, schulden die specifiek andere goederen van de nalatenschap betreffen, andere schulden en begrafeniskosten) die niet konden worden aangerekend op de in vorige alinea bedoelde waarde ?

In dat geval bepaalt het achtste lid van artikel 55bis dat het aandeel van de overlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende in die andere schulden en begrafeniskosten moet worden aangerekend :

  • eerst op de waarde van de elementen van het actief bedoeld in artikel 60bis ;

  • vervolgens op de waarde van de overige goederen van de nalatenschap;

  • en tenslotte op de overblijvende waarde van zijn aandeel in de gezinswoning.

De hier uiteengezette bijzondere aanrekeningsregel voor het passief is dus geformuleerd in het zevende en achtste lid van artikel 55bis, nieuw, W. Succ. Br.

Het aldus bekomen netto-aandeel van de overledene in de gezinswoning is volledig vrijgesteld van successierechten.

N.B.: deze aanrekeningsregels (algemene en bijzondere) vinden uiteraard geen toepassing indien de langstlevende partner de gezinswoning onder de vorm van een bijzonder legaat bekomt. Een bijzondere legataris draagt immers niet bij in het passief van de nalatenschap

5. Controle van de voorwaarden - al dan niet ambtshalve toepassing van de vrijstelling - bewijsproblematiek

Opdat de vrijstelling van toepassing zou zijn moeten de voorwaarden inzake de band van verwantschap en inzake de samenwoning in een woning die als gezinswoning (gezamenlijke hoofdverblijfplaats) diende, vervuld zijn op het ogenblik van het overlijden.

5.1. Controle inzake de verwantschapsband

Artikel 42, III, W. Succ. Br. verplicht de erfgenaam, legataris of begiftigde in de aangifte zijn graad van verwantschap met de overledene juist op te geven. Onjuiste opgave leidt tot een administratieve boete[17] en gebeurlijk zelfs tot strafrechtelijke vervolging[18]. De ontvanger heeft aldus normaal de nodige informatie om na te gaan of de verkrijger voor de vrijstelling in aanmerking kan komen.

5.2. Controle inzake de voorwaarde van samenwoning in een woning die als gemeenschappelijke hoofdverblijfplaats[19] diende op het ogenblik van het overlijden

Het laatste lid van artikel 55bis, W. Succ. Br., bepaalt: «Ingeval, volgens de gegevens van het Rijksregister, de in het eerste lid gestelde voorwaarden[20] zijn vervuld, past de ontvanger deze vrijstelling ambtshalve toe. Indien de erflater, zijn echtgenoot of samenwonende, zijn hoofdverblijfplaats niet heeft kunnen behouden in het gebouw, als bedoeld in het vierde lid, of indien een einde is gekomen aan de samenwoning door overmacht, moet de toepassing van de vrijstelling worden gevraagd in de aangifte en, in voorkomend geval, moet de overmacht worden bewezen.».

Deze bepaling betreft dus enerzijds de mogelijkheid van ambtshalve toepassing van de vrijstelling en anderzijds de gevallen waarin de toepassing van de vrijstelling uitdrukkelijk moet worden gevraagd.

a) Ambtshalve toekenning van de vrijstelling

In het Rijksregister kan men nagaan :

  • het al of niet bestaan van het huwelijk of van de wettelijk samenwoning van de betrokkenen op het ogenblik van het overlijden;

  • of de hoofdverblijfplaats van de beide betrokkenen op het ogenblik van het overlijden gevestigd was in eenzelfde woning die zich in de nalatenschap bevindt

Wanneer een en ander bevestigd wordt door de gegevens van het rijksregister en de langstlevende betrokkene verkrijgt een deel in die gezinswoning, dan wordt de vrijstelling ambtshalve toegekend.

Opmerking: de administratie heeft niet tot taak om in het kader van de controle van de vrijstellingsvoorwaarden de juistheid van de gegevens van het rijksregister na te gaan (zie hierna, toepassing op uitdrukkelijk verzoek - niet expliciet voorzien geval).

b) Toekenning op uitdrukkelijk verzoek

Expliciet voorzien geval: de samenwoning van de betrokkenen werd beëindigd door een feitelijke scheiding of door een geval van overmacht.

In dat geval zal het rijksregister uiteraard niet bevestigen dat de betrokkenen samenwoonden in de betreffende woning op het ogenblik van het overlijden. Van ambtshalve toepassing van de vrijstelling kan dus geen sprake zijn. De vrijstelling zal maar kunnen worden toegekend als ze uitdrukkelijk gevraagd wordt door de aangevers in de aangifte van nalatenschap. In voorkomend geval zal ook de overmacht moeten worden bewezen.

Niet expliciet voorziene geval: in tegenstrijd met de gegevens van het rijksregister hadden de betrokkenen wel degelijk hun gezinswoning in een van de nalatenschap afhangende woning.

Het rijksregister kan fouten bevatten (bijvoorbeeld als gevolg van typfouten bij de codering of wegens een foute codering op grond van foutieve gegevens). In het vermelde geval zal de belanghebbende de vrijstelling niet ambtshalve toegekend krijgen. Hij kan wel de vrijstelling genieten mits de toepassing ervan in de aangifte van nalatenschap wordt gevraagd en het bewijs wordt bijgebracht dat aan de definitie van gezinswoning is voldaan. Wat het bewijs van het aspect "gezinswoning" aangaat zijn er dan twee mogelijkheden:

1° de betrokkenen zijn op datum van het overlijden in het bevolkings- of vreemdelingenregister[21] ingeschreven als hebbende hun gezamenlijke hoofdverblijfplaats in de beweerde gezinswoning

Het derde lid van artikel 55bis bepaalt dat dergelijke inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister geldt als een weerlegbaar vermoeden van de samenwoning (= gezamenlijke hoofdverblijfplaats). Wanneer bij de aangifte een uittreksel uit het bevolkings- of vreemdelingenregister is gevoegd, zal de administratie moeten aannemen dat de voorwaarde van de gezamenlijke hoofdverblijfplaats in de gezinswoning is vervuld, behalve wanneer ze door in rechte toegelaten middelen[22] kan bewijzen dat de registratie in het bevolkings- of het vreemdelingenregister onjuist was.

2° het bevolkings- of het vreemdelingenregister bevestigt niet dat de betrokkenen in de beweerde gezinswoning hun gezamenlijke hoofdverblijfplaats hadden op het ogenblik van het overlijden.

De bewijslast met betrekking tot de onjuiste registratie in het bevolkingsregister van de hoofdverblijfplaats van de betrokkenen, ligt dan uiteraard volledig bij de belanghebbende betrokkene die de vrijstelling vraagt. Dat bewijs kan door de belanghebbende partner worden geleverd met alle middelen van recht, getuigenissen en vermoedens inbegrepen, maar de eed uitgezonderd (vb. getuigenissen van buren).

6. Begeleidende maatregelen: nieuw vormvoorschrift in artikel 42, VIII, W.Succ.BR., en boete ingeval van niet-naleving van dat voorschrift

Om de schulden die specifiek werden aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden te kunnen aanrekenen op de waarde van de gezinswoning, moet de ontvanger uiteraard ingelicht worden van het feit dat een schuld die aard heeft[23].

Als het een schuld betreft die werd aangegaan om alleen de gezinswoning te verwerven of te behouden, stelt er zich geen probleem: de schuld moet in de aangifte aangemerkt worden als specifiek betrekking hebbende op de gezinswoning. Quid als de schuld werd aangegaan voor het behoud of verwerven van een complex van onroerende goederen waarvan de gezinswoning deel uitmaakte (vb. showroom + bovenliggende woonruimte)? In dat geval moet de schuld uitgesplitst worden tussen de (verkoop)waarde van de gezinswoning enerzijds en die van de andere van het complex deel uitmakende onroerende goederen anderzijds. De aangever(s) moet het deel van de schuld dat betrekking heeft op de gezinswoning als specifieke schuld van de gezinswoning aangeven.

De wijziging van artikel 42, VIII, W. Succ. Br., heeft precies tot doel de indieners van de aangifte te verplichten dergelijke schuld(en) als dusdanig in de aangifte te identificeren.

Het niet-nakomen van die verplichting leidt tot een boete gelijk aan tweemaal de ontdoken rechten (zie wijziging artikel 128 W. Succ. Br.). Overeenkomstig het barema tot vermindering van de proportionele fiscale boeten, wordt die boete verminderd tot 1/5 van de bijkomende rechten.

Wie is of zijn schuldenaars van de boete? Gelet op de bewoordingen van de inleiding van artikel 128 W. Succ. Br., samen gelezen met de combinatie gevormd door de artikelen 38 en 42 W. Succ. Br., zou de boete in principe verschuldigd zijn door de tot aangifte gehouden personen (ieder naar verhouding van zijn verkrijging).

Bij de beoordeling wie de boete moet betalen, moet niet enkel rekening gehouden worden met de vraag wie de aangifteplichtigen zijn, maar ook met de vraag wie er baat[24] heeft bij de niet-naleving van de verplichting om de schuld te identificeren als een schuld aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden.

In feite hangt het er van af of de langstlevende partner al dan niet een persoon is die tot indiening van de aangifte gehouden is. De langstlevende echtgenoot is steeds[25] gehouden tot indiening van de aangifte. Dit is niet steeds het geval voor de wettelijk samenwonende[26]. In geval hij niet tot aangifte van de nalatenschap gehouden is, moet billijkheidshalve dan nog onderscheid gemaakt worden naargelang de wettelijk samenwonende al dan niet de aangifte heeft mede-ondertekend[27].

Dit geeft het volgende onderscheid:

  • De langstlevende echtgenoot die een verkeerde aangifte heeft gedaan zal de boete alleen verschuldigd zijn, ook al zijn er naast hem nog andere personen die tot indiening van de aangifte gehouden zijn. De langstlevende echtgenoot is immers in dit geval de enige ondertekenaar van de aangifte van nalatenschap die voordeel haalt uit de niet-naleving van de verplichting.

  • Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, als het gaat om een overlevende wettelijk samenwonende:

    • die tot aangifte gehouden is;
    • of die niet tot aangifte gehouden is maar toch de aangifte heeft medeondertekend[28]
  • Enkel wanneer de overlevende wettelijk samenwonende niet tot indiening gehouden is, en hij de aangifte van nalatenschap niet medeondertekend heeft, zal de boete gevorderd worden van de groep van de tot aangifte van nalatenschap verplichte personen (ieder in verhouding van zijn erfdeel).

Uiteraard is het niet uitgesloten dat een overtreder van het voorschrift ook strafrechtelijk wordt vervolgd (zie artikelen 133 en 133bis W. Succ. Br.)

7. Wijziging van artikel 60ter W. Succ. Br.

Artikel 4 van de ordonnantie zorgt voor een legistieke opkuis van artikel 60ter W. Succ. Br., door uit het toepassingsgebied van dat artikel - dat een vermindering van de belasting inhoudt - de voordeelhebbers van artikel 55bis te halen, vermits die voortaan de nieuwe vrijstelling genieten.

8. Inwerkingtreding

Artikel 6 van de ordonnantie houdt in dat de wijzigingen aan het W. Succ. Br. gelden vanaf 1 januari 2014. Dat betekent dat ze van toepassing zijn op de nalatenschappen die vanaf die datum openvallen.

Bijlage

BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

30 JANUARI 2014. - Ordonnantie tot wijziging van het Wetboek der successierechten

Het Brusselse Hoofdstedelijke Parlement heeft aangenomen en Wij, Executieve, bekrachtigen, het geen volgt :

Artikel 1. Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.

Art. 2. In artikel 42, VIII, van het Wetboek der successierechten wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :

" Als de vrijstelling bedoeld in artikel 55bis, eerste lid, van toepassing is, moet bij de schulden die specifiek werden aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden uitdrukkelijk worden vermeld dat ze met dat doel werden aangegaan; ".

Art. 3. In hetzelfde wetboek wordt een artikel 55bis ingevoegd, luidende :

" Art. 55bis. - Van het recht van successie en van overgang bij overlijden wordt vrijgesteld, het netto-aandeel van de rechtverkrijgende echtgenoot of samenwonende in de woning die de erflater en zijn echtgenoot of samenwonende tot gezinswoning diende op het ogenblik van het overlijden.

Deze vrijstelling geldt niet als de samenwonende die een aandeel verkrijgt in de gezinswoning, een bloedverwant in de rechte lijn van de erflater is of een rechtverkrijgende die voor de toepassing van het tarief met een bloedverwant in de rechte lijn wordt gelijkgesteld, of een broer of zus, neef of nicht, oom of tante van de erflater is.

Onder gezinswoning wordt voor de toepassing van deze bepaling verstaan de gezamenlijke hoofdverblijfplaats van de erflater en zijn overlevende echtgenoot of samenwonende. De inschrijving in het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van de samenwoning.

Als gezinswoning wordt eveneens in aanmerking genomen de laatste gezinswoning van de echtgenoten of samenwonenden als aan hun samenwonen een einde is gekomen, hetzij door de feitelijke scheiding van de echtgenoten of van de personen die overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek samenwonen, hetzij door een geval van overmacht dat tot op het ogenblik van het overlijden heeft voortgeduurd.

Onder overmacht wordt inzonderheid verstaan een staat van zorgbehoevendheid, ontstaan na de aankoop van de woning, waardoor de erflater of de overlevende echtgenoot of samenwonende in de onmogelijkheid verkeerde om in de woning, zelfs met hulp van zijn gezin of van een gezinshulporganisatie, in te staan voor zijn geestelijk of lichamelijk welzijn.

Onder netto-aandeel moet worden begrepen de waarde van het deel dat de langstlevende echtgenoot of samenwonende verkrijgt in de gezinswoning, verminderd met de schulden die worden afgetrokken van die waarde.

Het aandeel van de langstlevende echtgenoot of samenwonende in de schulden van de nalatenschap die werden aangegaan om die woning te verwerven of te behouden wordt bij voorrang aangerekend op de waarde van zijn deel in de gezinswoning.

Zijn aandeel in de overige schulden en de begrafeniskosten worden eerst aangerekend op de waarde van de bestanddelen van activa bedoeld in artikel 60bis, vervolgens op de waarde van de overige goederen van de nalatenschap, en ten slotte op de overblijvende waarde van het verkregen deel in de gezinswoning.

Ingeval, volgens de gegevens van het Rijksregister, de in het eerste lid gestelde voorwaarden zijn vervuld, past de ontvanger deze vrijstelling ambtshalve toe. Indien de erflater, zijn echtgenoot of samenwonende, zijn hoofdverblijfplaats niet heeft kunnen behouden in het gebouw, als bedoeld in het vierde lid, of indien een einde is gekomen aan de samenwoning door overmacht, moet de toepassing van de vrijstelling worden gevraagd in de aangifte en, in voorkomend geval, moet de overmacht worden bewezen. ".

Art. 4. In artikel 60ter, eerste lid, van hetzelfde wetboek, laatst gewijzigd door de ordonnantie van 6 maart 2008, worden de woorden ", door de echtgenoot " opgeheven en worden de woorden " de samenwonende van de erflater " vervangen door de woorden " door de samenwonende van de erflater niet bedoeld in artikel 55bis. ".

Art. 5. In artikel 128 van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij de wet van 7 maart 2002, wordt punt 2 vervangen door wat volgt :

" 2 die schulden aangeeft die niet ten laste van de nalatenschap komen of die in het geval vermeld in artikel 42, VIII, tweede zin, nalaat te vermelden dat een opgegeven schuld werd aangegaan met als doel de gezinswoning te verwerven of te behouden; ".

Art. 6. Deze ordonnantie treedt in werking op 1 januari 2014.Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 30 januari 2014.

(Volgen de handtekeningen van de ministers)


[1] Artikel 60ter W. Succ. Br. bevat reeds een verlaagd tarief. Artikel 55bis W. Succ. Br. stelt een echte vrijstelling in.

[2] In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt voor de toepassing van het tarief enkel de wettelijk samenwonende gelijkgesteld met een echtgenoot (art. 48, laatste lid, W. Succ. Br.). Een feitelijk samenwonende komt dus niet in aanmerking voor onderhavige vrijstelling.

[3] Zie Doc. A-468/1 - 2013/2014, Memorie van toelichting, blz. 2 en 3.

[4] Zie Doc. A-468/1 - 2013/2014 Memorie van toelichting, blz. 3, 2de alinea.

[5] Zie Doc. A-468/1 - 2013/2014 Memorie van toelichting, blz. 3, 2de alinea.

[6] In die artikelen wordt niet direct gesproken van "gezinswoning" maar van "onroerend goed dat het gezin tot voornaamste woning dient/diende". In de rechtsleer wordt wel telkens de term gezinswoning gebruikt.

[7] Primair huwelijksvermogensstelsel : bescherming van de gezinswoning gedurende het huwelijk. Artikel ook toepasselijk in het kader van de wettelijke samenwoning (zie artikel 1477 B.W.).

[8] De gezinswoning vormt de concrete erfrechtelijke reserve van de langstlevende echtgenoot.

[9] Wet van 14 mei 1981 tot wijziging van het erfrecht van de langstlevende echtgenoot (B.S. 27/05/1981 - Verslag Cooreman, blz. 37).

[10] d.w.z. vóór de overbrenging ervan naar de gehuurde gezinswoning

[11] Bij feitelijke scheiding is er een intentioneel element bij één of bij beide partners om niet meer samen te wonen. Bij overmacht (zie 2de geval) ontbreekt dit intentioneel element ; het ligt in de bedoeling van de partners het samenwonen te hervatten zodra de situatie van overmacht verdwijnt.

[12] Met dien verstande natuurlijk dat er in het kader van een wettelijke samenwoning geen sprake kan zijn van een procedure tot scheiding van tafel en bed (en a fortiori niet van een procedure tot echtscheiding). In het kader van een wettelijke samenwoning kan de vrederechter bij ernstige verstoring van de verstandhouding tussen de samenwoners wel dringende en voorlopige maatregelen nemen onder meer wat betreft "het betrekken van de gemeenschappelijke verblijfplaats". Onder meer uit een dergelijke maatregel kan een feitelijke scheiding van wettelijk samenwonenden voortvloeien.

[13] Artikel 55bis, vijfde lid, W. Succ. Br., heeft het inderdaad over « inzonderheid » een staat van zorgbehoevendheid, wat niet hetzelfde is als « uitsluitend ». Alle gevallen van overmacht komen dus in aanmerking.

[14] Zie A-468/1 - 2013/2014, Memorie van toelichting, blz. 2, commentaar artikel 3, 2de alinea - de lijst van instellingen is niet limitatief. Ze betreft enkele voorbeelden.

[15] Ingevoerd bij de ordonnantie van het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 20 december 2002 tot wijziging van het Wetboek der successierechten (B.S. van 31 december 2002, 3de Ed.) - zie circulaire nr. 9/2003 van 3 juni 2003, blz. 34 e.v.

[16] Voor de inhoud van de begrippen "te verwerven en te behouden" in deze circulaire, kan dus verwezen worden naar de circulaire 9/2003 van 3 juni 2003, blz.35, betreffende de begrippen "te verkrijgen, te verbeteren of te bewaren".

[17] Artikel 128,1°, W. Succ. Br.

[18] Artikel 133, W. Succ. Br.

[19] De vrijstelling is van toepassing op de woning waar de overledene en zijn echtgenoot/wettelijk samenwonende werkelijk samenleefden. Het is daarbij van geen belang dat de woning uit meerdere, afzonderlijk gekadastreerde, delen bestaat (Doc. A-468/2 - 2013/2014, Verslag, blz. 6 en 7).

[20] Te weten, de voorwaarde betreffende de gezamenlijke hoofdverblijfplaats in een bepaalde woning enerzijds en de voorwaarde inzake het tijdstip waarop ('op het ogenblik van het overlijden') anderzijds.

[21] De ordonnantie spreekt niet van het vreemdelingenregister. Het spreekt echter voor zich dat met het bevolkingsregister hier ook het vreemdelingenregister wordt bedoeld.

[22] Door alle rechtsmiddelen, getuigenissen en vermoedens inbegrepen, maar de eed uitgezonderd

[23] Voor de betekenis van de termen « te verwerven of te behouden », zie voetnoot 16.

[24] Vgl. schuldenaar van de boete bepaald in het 1° van artikel 128 W. Succ. Br. - m.b. onjuiste aangifte van een graad van verwantschap - J. DECUYPER, Successierechten 2004-2005 II, Kluwer, blz. 1244 nr. 2092

[25] Als reservataire erfgenaam.

[26] Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de overlevende wettelijk samenwonende als bijzondere legataris enkel het deel van de overledene in de gezinswoning verkrijgt en de rest van de nalatenschap volgens de wettelijke devolutie in rechte lijn wordt vererfd.

[27] Wat hij alsdan uiteraard niet wettelijk verplicht is. Indien hij echter heeft medegetekend, heeft hij aldus de aangifte voor echt en waar verklaard en is hij even schuldig aan het niet-vermelden van de specifieke schuld betreffende de gezinswoning als wanneer hij wel tot de aangifte van nalatenschap gehouden zou geweest zijn.

[28] Het is in geval van een gezamenlijk gedane aangifte van nalatenschap voor de mederechtverkrijgenden moreel vaak moeilijk de door de langstlevende partner aan de schulden van de overledene gegeven kwalificatie te betwisten.