Circulaire nr. Ci.RH.84/299.760 dd. 19.05.1978
CIRC 19.05.78/1
Circulaire nr. Ci.RH.84/299.760 dd. 19.05.1978
Bull. nr. 564, pag. 1114
BEWIJSMIDDELEN
Synthese
I. Algemeen.
1. Het belang van de bewijsmiddelen in de aanslagprocedure hoeft niet meer te worden aangetoond. Door een rationele toepassing ervan kunnen betwistingen worden voorkomen. Men mag immers niet uit het oog verliezen dat een logisch gefundeerde en volmaakt gestructureerde aanslag de risico's van willekeurigheid uitschakelt en de stelling van de aanslagambtenaar aanzienlijk versterkt.
De administratie acht het daarom nuttig, de aandacht opnieuw te vestigen op de voornaamste regels waarmee bij het gebruik van de bewijsmiddelen rekening moet worden gehouden. Dit is het doel van deze circulaire; voor het overige kan men zich vanzelfsprekend door de Com.IB laten leiden.
...
II. Vermoeden van juistheid van de aangifte.
2. De Administratie der directe belastingen neemt het aangegeven inkomen als belastinggrondslag, tenzij zij die onjuist bevindt. Aan de regelmatig opgestelde en ingediende aangifte is bijgevolg een vermoeden van juistheid verbonden; dat vermoeden is trouwens tegenstelbaar zowel aan de belastingplichtige als aan de administratie.
3. Wanneer de aanslagambtenaar van de aangegeven inkomsten wil afwijken, moet hij - wanneer hij gebruik maakt van de bewijsmiddelen - aantonen dat de belastbare inkomsten hoger zijn dan de aangegeven inkomsten en moet hij aan de belastingplichtige de redenen opgeven waarom hij een nieuw cijfer in de plaats van dat van de aangifte meent te moeten stellen.
Die bewijsmiddelen zijn (Er wordt hier niet gehandeld over de waarde toegekend aan het advies van de fiscale commissie, dat een wettelijk vermoeden is, noch over wat gezag van het rechterlijk gewijsde wordt genoemd. Zie, in dat verband, 246/39 tot 40.12, Com.IB) :
5. De aanslagambtenaar mag zich beroepen, als schriftelijk bewijs (of als begin van bewijs door geschrift), op alle door de belastingplichtige zelf of door zijn mandataris ondertekende akten en bescheiden of zoals dat het geval is voor boekhoudingen en boekhouddocumenten, op elk stuk dat kennelijk door de belastingplichtige of op zijn bevel is opgesteld.
Verder (nr. 21 en vlg.) zal worden gehandeld over de houding van de Administratie der directe belastingen ten aanzien van de rekeningen die haar tot staving van de belastingaangiften worden voorgelegd.
B. Het bewijs door getuigen.
6. Het WIB (oud) (art. 232 tot 234), WIB 92 (art. 325 en 326) regelt, op het stuk van de inkomstenbelastingen, de te volgen procedure voor het horen van getuigen. Het is een bijzondere methode om het bewijs te leveren zoals dat wordt beoogd door de art. 1341 tot 1348, B. Wetb.
Die procedure is voorbehouden aan een ambtenaar met een hogere graad dan die van Hfd.cr., in de praktijk aan de Insp. A.
De belastingplichtige heeft het recht, het verhoor van de getuigen bij te wonen, te verzoeken dat hen bepaalde vragen worden gesteld en zijn standpunt te doen opnemen in de notulen van het verhoor.
7. Het gebruik van het bewijs door getuigen inzake inkomstenbelastingen noopt tot formaliteiten die de procedure verzwaren. Men mag er bijgevolg slechts zijn toevlucht toe nemen indien het onontbeerlijk is, nadat de andere middelen om bewijskrachtige gegevens te verzamelen zijn uitgeput of indien het duidelijk is dat op die manier bijzonder interessante inlichtingen kunnen worden bekomen.
C. Het bewijs door vermoedens.
8. Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die worden afgeleid uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit (art. 1349, B. Wetb.). Het gaat om een redenering waardoor men, uitgaande van bekende en geverifieerde gegevens, ertoe komt andere gegevens die niet of onvoldoende bekend waren, voor zeker te houden.
11. De bekende feiten of gegevens moeten zeker zijn. Uitgaande van een slecht bewezen feit, van een veronderstelling, van een persoonlijke mening of van de gewone algemene bekendheid, zou de aanslagambtenaar slechts willekeurige gevolgtrekkingen kunnen maken.
Doch is het bovendien het geheel van de in aanmerking genomen gegevens dat bepalend is en niet een of ander afzonderlijk genomen gegeven, dat, door dit feit, slechts een relatieve of verminderde bewijskracht zou hebben. Er wordt dus beklemtoond dat de zekerheid moet voortvloeien uit al de gegevens samen genomen. In bepaalde gevallen kan het nochtans wenselijk zijn, zich enkel te beroepen op één kenmerkend feit, eerder dan op een geheel van niet bij elkaar passende gegevens.
14. Men ziet onmiddellijk hoe moeilijk, broos en gevaarlijk het gebruik van feitelijke vermoedens kan zijn. Men zal zich bijgevolg slechts met het grootste doorzicht op dit middel mogen beroepen, en zich daarbij steeds ervan vergewissen dat de gegevens die tot grondslag van de redenering dienen, goed opgesteld en betekenisvol zijn en dat de redenering op zichzelf voldoende samenhangend is.
D. De bekentenis.
15. De bekentenis is de erkenning door de belastingplichtige zelf of door zijn mandataris, van een tegen hem aangevoerd feit.
De belastingaangiften, een akkoord gegeven op een wijziging van de belastbare grondslagen, vormen, boven de schriftelijke bewijzen, bekentenissen die over het algemeen in aanmerking mogen worden genomen.
A. Tekenen en indiciën.
16. Het Wetboek van de inkomstenbelastingen veroorlooft de belastbare inkomsten van elke aard te ramen volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten.
17. Om de taxatie volgens tekenen en indiciën toe te passen, moet de aanslagambtenaar niet eerst :
B. De vergelijking.
20. Bij gebreke van bewijskrachtige gegevens, geleverd hetzij door de belastingplichtige, hetzij door de administratie, kunnen de winsten of baten bij vergelijking worden bepaald. De vergelijking moet :
21. Daar de bepalingen van art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, enkel van toepassing zijn op winsten en baten, zullen de bewijskrachtige gegevens waarvan in de wettekst sprake is, in de eerste plaats boekhoudkundige gegevens zijn.
Alhoewel het aan de Minister van Financiën het recht voorbehoudt aan sommige groepen van belastingplichtigen het gebruik voor te schrijven van boeken, registers en bescheiden (art. 226 en 226bis, WIB (oud), art. 320 en 321 WIB 92), zegt het Wetboek van de inkomstenbelastingen niet wat onder "regelmatige boekhouding" dient te worden verstaan; het spreekt alleen van bewijskrachtige gegevens en bewijsstukken.
22. Het is bijgevolg niet nodig, opdat een boekhouding als voldoende zou worden aangenomen inzake inkomstenbelastingen, dat ze aan alle vereisten van de reglementering en van de boekhoudtechniek voldoet.
Niet zozeer de boekhoudmethode, maar de juistheid van de geschriften is bepalend.
Geplaatst voor een boekhouding die regelmatig is naar de vorm, d.w.z. schijnbaar gehouden volgens de boekhoudkundige voorschriften, moet de Administratie der directe belastingen natuurlijk de onjuistheid van de inhoud aantonen om van de op basis van deze boekhouding aangegeven inkomsten te kunnen afwijken.
Dat is echter ook zo indien de rekeningen, zonder daarom strikt te beantwoorden aan de wettelijke voorschriften, een geheel van samenhangende en nauwkeurige gegevens vormen, waarvan de verificatie a priori de oprechtheid zou kunnen doen uitkomen en bijgevolg de juistheid van de aangegeven inkomsten zou kunnen aantonen.
23. Iedere boekhouding, iedere groep van rekeningen en van stukken mogen worden aangenomen indien de voorgelegde boeken door verantwoordingsstukken worden gestaafd en indien het geheel kan worden beschouwd als voldoende controleerbaar, oprecht en juist om de belastbare inkomsten nauwkeurig vast te stellen.
Het is dus voldoende dat er geen verantwoordingsstukken voorhanden zijn opdat de gegevens van de rekeningen alle bewijskracht zouden verliezen.
24. Samengevat, moet de aanslagambtenaar altijd, alvorens tot de taxatie bij vergelijking over te gaan :
Telkens als de vergelijkingsprocedure wordt toegepast, moet men op een nauwkeurige manier opgeven waarom de rekeningen als niet bewijskrachtig wordt beschouwd, ongeacht of het om een overeenkomstig de boekhoudwet gevoerde boekhouding of om andere meer summiere rekeningen gaat.
26. In dat opzicht overigens vormen het dagboek, de ontvangstbewijsboekjes en de facturen betreffende de uitgaven, in beginsel, voor de beoefenaars van vrije beroepen, een bewijskrachtig geheel waarvan het verwerpen eventueel dient te worden verantwoord.
Soortgelijke belastingplichtigen.
27. De "soortgelijke belastingplichtigen" moeten, met de belastingplichtige waarop de vergelijking wordt toegepast, voldoende overeenkomst vertonen.
De belastingwet vergt geen volstrekte gelijkenis doch er dient zorgvuldig te worden gelet dat de vergelijking op werkelijk vergelijkbare toestanden slaat en dat zij logisch en redelijk is.
Om die gelijkenis aan te tonen is het derhalve van groot belang dat de nota's 276A die in elk aanslagdossier dienen voor te komen waarin de vergelijking werd toegepast, volledig en nauwkeurig worden ingevuld.
Grondslag van de vergelijking.
28. Het spreekt vanzelf dat één of meer punten van overeenstemming waarop de procedure steunt, in de aangiften van de als vergelijkingspunt gekozen belastingplichtigen en in die van de belastingplichtige waarop de vergelijking wordt toegepast moeten worden aangetroffen en dat die punten in de nota 276A duidelijk naar voren worden gebracht.
De wet vermeldt uitdrukkelijk het aangewende kapitaal, de omzet, het aantal werklieden, de benuttigde drijfkracht, de huurwaarde van de geëxploiteerde gronden en alle andere nuttige inlichtingen. Deze opsomming is niet beperkend. Zo, bijvoorbeeld, kan het bedrag van de inkopen of van de uitbetaalde lonen soms als grondslag van de vergelijking dienen.
Ook hier moet men altijd objectief blijven : twee bedrijven waarvan het bedrag van de inkopen zeer verschillend is, zullen bijvoorbeeld over het algemeen niet vergelijkbaar zijn in de zin van de belastingwet, tenzij wordt aangetoond dat - ondanks dat verschil - de verkoops- en exploitatievoorwaarden praktisch gelijk zijn.
beschikking van de aanslagambtenaar worden gesteld, geen rangorde vast. Die ambtenaar moet dus de bij de procedure gebruikte argumenten met doorzicht kiezen.
Toch kunnen de bewijsmiddelen in een bepaalde mate worden gerangschikt, maar gelang ze min of meer ruimte laten voor betwistingen. Het is logisch dat ze naar hun doeltreffendheid in dalende orde worden gebruikt. De onderstaande rangschikking beoogt evenwel niet de keuze voorafgaandelijk op te leggen of één of andere methode uit te sluiten; ze wil alleen het waardeverschil tussen de verschillende bruikbare bewijsmiddelen doen uitkomen : - geschreven bewijs : tegenbewijs volledig ten laste van de belastingplichtige - bekentenis : id. - tekenen en indiciën : tegenbewijs ten laste van de belastingplichtige beperkt tot de hem tegengestelde tekenen en indiciën - vergelijking : tegenbewijs ten laste van de belastingplichtige indien de vergelijkingsprocedure juist werd toegepast - feitelijke vermoedens : de waarde van de vermoedens door de rechter te beoordelen - getuigenbewijs : tegenbewijs ten laste van de belastingplichtige indien de door de art. 232 tot 234, WIB (oud), art. 325 en 326 WIB 92, voorgeschreven bijzondere procedure in acht werd genomen. 30. Bij elke verificatie moet men zich dus de vraag stellen welke het meest passend bewijsmiddel is. Wanneer de omstandigheden zich ertoe lenen, moet de methode van de tekenen en indiciën worden gebruikt. 31. De administratie meent te moeten beklemtonen dat - waar het mogelijk is - de voorkeur moet worden gegeven aan de aanslag bij vergelijking boven die volgens feitelijke vermoedens. Juist toegepast, is de eerste immers moeilijker te betwisten, terwijl ze aan de belastingplichtige meer waarborgen biedt; de tweede daarentegen is hoofdzakelijk afhankelijk van de waarde van de redenering waarop ze steunt en is noodzakelijkerwijze brozer.
In elk geval moet men vermijden, systematisch een beperkte vergelijking (één vergelijkingspunt in plaats van drie) als feitelijk vermoeden toe te passen. Alhoewel die methode niet uitdrukkelijk wordt afgewezen, dient daarop slechts in bijzondere gevallen een beroep te worden gedaan, want ze beknot aanzienlijk de waarde en de objectiviteit van de redenering.
32. In geval van aanslag van ambtswege laat de wet de vaststelling van het bedrag van de belastbare inkomsten niet aan de beoordeling van de aanslagambtenaar alleen over.
In dergelijk geval is de administratie ertoe gehouden - evenals bij de wijziging van een regelmatig ingediende aangifte - willekeurigheid te vermijden en één van de bewijsmiddelen waarvan sprake is in de art. 246, 247 en 248, WIB (oud), art. 340, 341 en 342 WIB 92, te gebruiken om de belastingschuld te bepalen.
33. De forfaitaire grondslagen van aanslag vormen een veralgemeende toepassing van de vergelijkingsmethode.
De structuur van die vergelijking is vastgelegd is de tussen de Administratie der directe belastingen en de beroepsverenigingen gesloten akkoorden, maar vóór de toepassing ervan moet men aantonen, indien dit feit door de belastingplichtige niet wordt aanvaard, dat bewijskrachtige gegevens ontbreken. Bovendien, wanneer men de grondslagen van de vergelijking wijzigt, bijvoorbeeld de inkopen, moet men daarvoor één van de wettelijke bewijsmiddelen gebruiken, een normaal gestructureerde vergelijking daarin begrepen.
Circulaire nr. Ci.RH.84/299.760 dd. 19.05.1978
Bull. nr. 564, pag. 1114
BEWIJSMIDDELEN
Synthese
I. Algemeen.
1. Het belang van de bewijsmiddelen in de aanslagprocedure hoeft niet meer te worden aangetoond. Door een rationele toepassing ervan kunnen betwistingen worden voorkomen. Men mag immers niet uit het oog verliezen dat een logisch gefundeerde en volmaakt gestructureerde aanslag de risico's van willekeurigheid uitschakelt en de stelling van de aanslagambtenaar aanzienlijk versterkt.
De administratie acht het daarom nuttig, de aandacht opnieuw te vestigen op de voornaamste regels waarmee bij het gebruik van de bewijsmiddelen rekening moet worden gehouden. Dit is het doel van deze circulaire; voor het overige kan men zich vanzelfsprekend door de Com.IB laten leiden.
...
II. Vermoeden van juistheid van de aangifte.
2. De Administratie der directe belastingen neemt het aangegeven inkomen als belastinggrondslag, tenzij zij die onjuist bevindt. Aan de regelmatig opgestelde en ingediende aangifte is bijgevolg een vermoeden van juistheid verbonden; dat vermoeden is trouwens tegenstelbaar zowel aan de belastingplichtige als aan de administratie.
3. Wanneer de aanslagambtenaar van de aangegeven inkomsten wil afwijken, moet hij - wanneer hij gebruik maakt van de bewijsmiddelen - aantonen dat de belastbare inkomsten hoger zijn dan de aangegeven inkomsten en moet hij aan de belastingplichtige de redenen opgeven waarom hij een nieuw cijfer in de plaats van dat van de aangifte meent te moeten stellen.
Die bewijsmiddelen zijn (Er wordt hier niet gehandeld over de waarde toegekend aan het advies van de fiscale commissie, dat een wettelijk vermoeden is, noch over wat gezag van het rechterlijk gewijsde wordt genoemd. Zie, in dat verband, 246/39 tot 40.12, Com.IB) :
| 1) | de bewijsmiddelen aangenomen door het gemeen recht, met uitzondering van de eed; |
| 2) | de specifieke bewijsmiddelen van het belastingrecht inzake inkomstenbelastingen : |
- de tekenen en indiciën;
- de vergelijking.
| III. | Bewijsmiddelen van gemeen recht. |
| 4. | Die bewijsmiddelen zijn, inzake inkomstenbelastingen, beperkt tot : |
- het schriftelijk bewijs (art. 1317 tot 1340, B. Wetb.);
- het bewijs door getuigen (art. 1341 tot 1348, B. Wetb.);
- het bewijs door vermoedens (art. 1349 tot 1353, B. Wetb.);
- de bekentenis (art. 1354 tot 1356, B. Wetb.).
5. De aanslagambtenaar mag zich beroepen, als schriftelijk bewijs (of als begin van bewijs door geschrift), op alle door de belastingplichtige zelf of door zijn mandataris ondertekende akten en bescheiden of zoals dat het geval is voor boekhoudingen en boekhouddocumenten, op elk stuk dat kennelijk door de belastingplichtige of op zijn bevel is opgesteld.
Verder (nr. 21 en vlg.) zal worden gehandeld over de houding van de Administratie der directe belastingen ten aanzien van de rekeningen die haar tot staving van de belastingaangiften worden voorgelegd.
B. Het bewijs door getuigen.
6. Het WIB (oud) (art. 232 tot 234), WIB 92 (art. 325 en 326) regelt, op het stuk van de inkomstenbelastingen, de te volgen procedure voor het horen van getuigen. Het is een bijzondere methode om het bewijs te leveren zoals dat wordt beoogd door de art. 1341 tot 1348, B. Wetb.
Die procedure is voorbehouden aan een ambtenaar met een hogere graad dan die van Hfd.cr., in de praktijk aan de Insp. A.
De belastingplichtige heeft het recht, het verhoor van de getuigen bij te wonen, te verzoeken dat hen bepaalde vragen worden gesteld en zijn standpunt te doen opnemen in de notulen van het verhoor.
7. Het gebruik van het bewijs door getuigen inzake inkomstenbelastingen noopt tot formaliteiten die de procedure verzwaren. Men mag er bijgevolg slechts zijn toevlucht toe nemen indien het onontbeerlijk is, nadat de andere middelen om bewijskrachtige gegevens te verzamelen zijn uitgeput of indien het duidelijk is dat op die manier bijzonder interessante inlichtingen kunnen worden bekomen.
C. Het bewijs door vermoedens.
8. Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die worden afgeleid uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit (art. 1349, B. Wetb.). Het gaat om een redenering waardoor men, uitgaande van bekende en geverifieerde gegevens, ertoe komt andere gegevens die niet of onvoldoende bekend waren, voor zeker te houden.
| 9. | Men onderscheidt twee soorten van vermoedens : |
- de wettelijke vermoedens, wanneer het de wet zelf is die de redenering maakt, die het vermoeden oplegt en het tot een algemene regel verheft (inzake inkomstenbelastingen heeft het WIB twee specifiek wettelijke vermoedens ingevoerd, waarover verder afzonderlijk wordt gehandeld ; de tekenen en indiciën en de vergelijking met soortgelijke belastingplichtigen);
- de feitelijke vermoedens, wanneer het de rechter (hier de aanslagambtenaar) is, die, geplaatst voor een feit waarvan het bestaan niet door een rechtstreeks bewijsmiddel is vastgelegd, de redenering maakt om, in het beschouwde geval, zekerheid te verkrijgen omtrent het onbekende feit.
| 10. | De feitelijke vermoedens moeten : |
| 1) | steunen op bekende feiten of gegevens; |
| 2) | het onderwerp vormen, uitgaande van deze gegevens, van een aannemelijke redenering, die leidt tot de zekerheid van een onbekend feit. |
Doch is het bovendien het geheel van de in aanmerking genomen gegevens dat bepalend is en niet een of ander afzonderlijk genomen gegeven, dat, door dit feit, slechts een relatieve of verminderde bewijskracht zou hebben. Er wordt dus beklemtoond dat de zekerheid moet voortvloeien uit al de gegevens samen genomen. In bepaalde gevallen kan het nochtans wenselijk zijn, zich enkel te beroepen op één kenmerkend feit, eerder dan op een geheel van niet bij elkaar passende gegevens.
| 12. | Op te merken : |
- dat losse vaststellingen in de boeken, rekeningen of bescheiden van de belastingplichtige met betrekking tot het resultaat van enkele verrichtingen meestal niet volstaan om daaruit een gevolgtrekking te maken voor het resultaat van het geheel van zijn werkzaamheid; zulke vaststellingen vormen geen geldige vermoedens;
- dat een vermoeden, zelfs logisch opgesteld, in beginsel, geen "bekend feit of gegeven" is waarop een nieuw vermoeden zou kunnen steunen (een aldus opgestelde reeks vermoedens is dus in de regel niet geldig).
14. Men ziet onmiddellijk hoe moeilijk, broos en gevaarlijk het gebruik van feitelijke vermoedens kan zijn. Men zal zich bijgevolg slechts met het grootste doorzicht op dit middel mogen beroepen, en zich daarbij steeds ervan vergewissen dat de gegevens die tot grondslag van de redenering dienen, goed opgesteld en betekenisvol zijn en dat de redenering op zichzelf voldoende samenhangend is.
D. De bekentenis.
15. De bekentenis is de erkenning door de belastingplichtige zelf of door zijn mandataris, van een tegen hem aangevoerd feit.
De belastingaangiften, een akkoord gegeven op een wijziging van de belastbare grondslagen, vormen, boven de schriftelijke bewijzen, bekentenissen die over het algemeen in aanmerking mogen worden genomen.
| IV. | Specifieke bewijsmiddelen van het belastingrecht inzake inkomstenbelastingen. |
16. Het Wetboek van de inkomstenbelastingen veroorlooft de belastbare inkomsten van elke aard te ramen volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten.
17. Om de taxatie volgens tekenen en indiciën toe te passen, moet de aanslagambtenaar niet eerst :
- de onjuistheid van de aangegeven inkomsten aantonen;
- noch de onregelmatigheid van de boekhouding of van de rekeningen van de belastingplichtige vaststellen.
- hetzij dat hij geen hogere graad van gegoedheid heeft dan die welke blijkt uit de aangegeven inkomsten, d.w.z. dat de in aanmerking genomen tekenen en indiciën overschat of onbestaand zijn;
- hetzij dat de gegoedheid niet voortkomt van belastbare inkomsten, d.w.z. dat de gegoedheid voortkomt van inkomsten of bestaansmiddelen die niet belastbaar zijn;
- hetzij dat de gegoedheid voortkomt van inkomsten van vóór het voor de taxatie in aanmerking genomen tijdperk.
B. De vergelijking.
20. Bij gebreke van bewijskrachtige gegevens, geleverd hetzij door de belastingplichtige, hetzij door de administratie, kunnen de winsten of baten bij vergelijking worden bepaald. De vergelijking moet :
- betrekking hebben op ten minste drie soortgelijke belastingplichtigen;
- geschieden met inachtneming van één of meer criteria die de soortgelijkheid van de werkzaamheden of de toestanden weerspiegelen.
21. Daar de bepalingen van art. 248, WIB (oud), art. 342, WIB 92, enkel van toepassing zijn op winsten en baten, zullen de bewijskrachtige gegevens waarvan in de wettekst sprake is, in de eerste plaats boekhoudkundige gegevens zijn.
Alhoewel het aan de Minister van Financiën het recht voorbehoudt aan sommige groepen van belastingplichtigen het gebruik voor te schrijven van boeken, registers en bescheiden (art. 226 en 226bis, WIB (oud), art. 320 en 321 WIB 92), zegt het Wetboek van de inkomstenbelastingen niet wat onder "regelmatige boekhouding" dient te worden verstaan; het spreekt alleen van bewijskrachtige gegevens en bewijsstukken.
22. Het is bijgevolg niet nodig, opdat een boekhouding als voldoende zou worden aangenomen inzake inkomstenbelastingen, dat ze aan alle vereisten van de reglementering en van de boekhoudtechniek voldoet.
Niet zozeer de boekhoudmethode, maar de juistheid van de geschriften is bepalend.
Geplaatst voor een boekhouding die regelmatig is naar de vorm, d.w.z. schijnbaar gehouden volgens de boekhoudkundige voorschriften, moet de Administratie der directe belastingen natuurlijk de onjuistheid van de inhoud aantonen om van de op basis van deze boekhouding aangegeven inkomsten te kunnen afwijken.
Dat is echter ook zo indien de rekeningen, zonder daarom strikt te beantwoorden aan de wettelijke voorschriften, een geheel van samenhangende en nauwkeurige gegevens vormen, waarvan de verificatie a priori de oprechtheid zou kunnen doen uitkomen en bijgevolg de juistheid van de aangegeven inkomsten zou kunnen aantonen.
23. Iedere boekhouding, iedere groep van rekeningen en van stukken mogen worden aangenomen indien de voorgelegde boeken door verantwoordingsstukken worden gestaafd en indien het geheel kan worden beschouwd als voldoende controleerbaar, oprecht en juist om de belastbare inkomsten nauwkeurig vast te stellen.
Het is dus voldoende dat er geen verantwoordingsstukken voorhanden zijn opdat de gegevens van de rekeningen alle bewijskracht zouden verliezen.
24. Samengevat, moet de aanslagambtenaar altijd, alvorens tot de taxatie bij vergelijking over te gaan :
- hetzij vaststellen dat de hem voorgelegde rekeningen tekortkomingen vertonen zodanig dat ze niet tot bewijs van de aangegeven inkomsten kunnen dienen;
- hetzij de onjuistheid van de geboekte bedragen aantonen.
Telkens als de vergelijkingsprocedure wordt toegepast, moet men op een nauwkeurige manier opgeven waarom de rekeningen als niet bewijskrachtig wordt beschouwd, ongeacht of het om een overeenkomstig de boekhoudwet gevoerde boekhouding of om andere meer summiere rekeningen gaat.
26. In dat opzicht overigens vormen het dagboek, de ontvangstbewijsboekjes en de facturen betreffende de uitgaven, in beginsel, voor de beoefenaars van vrije beroepen, een bewijskrachtig geheel waarvan het verwerpen eventueel dient te worden verantwoord.
Soortgelijke belastingplichtigen.
27. De "soortgelijke belastingplichtigen" moeten, met de belastingplichtige waarop de vergelijking wordt toegepast, voldoende overeenkomst vertonen.
De belastingwet vergt geen volstrekte gelijkenis doch er dient zorgvuldig te worden gelet dat de vergelijking op werkelijk vergelijkbare toestanden slaat en dat zij logisch en redelijk is.
Om die gelijkenis aan te tonen is het derhalve van groot belang dat de nota's 276A die in elk aanslagdossier dienen voor te komen waarin de vergelijking werd toegepast, volledig en nauwkeurig worden ingevuld.
Grondslag van de vergelijking.
28. Het spreekt vanzelf dat één of meer punten van overeenstemming waarop de procedure steunt, in de aangiften van de als vergelijkingspunt gekozen belastingplichtigen en in die van de belastingplichtige waarop de vergelijking wordt toegepast moeten worden aangetroffen en dat die punten in de nota 276A duidelijk naar voren worden gebracht.
De wet vermeldt uitdrukkelijk het aangewende kapitaal, de omzet, het aantal werklieden, de benuttigde drijfkracht, de huurwaarde van de geëxploiteerde gronden en alle andere nuttige inlichtingen. Deze opsomming is niet beperkend. Zo, bijvoorbeeld, kan het bedrag van de inkopen of van de uitbetaalde lonen soms als grondslag van de vergelijking dienen.
Ook hier moet men altijd objectief blijven : twee bedrijven waarvan het bedrag van de inkopen zeer verschillend is, zullen bijvoorbeeld over het algemeen niet vergelijkbaar zijn in de zin van de belastingwet, tenzij wordt aangetoond dat - ondanks dat verschil - de verkoops- en exploitatievoorwaarden praktisch gelijk zijn.
| V. | Rangorde van de bewijsmiddelen. 29. De wet legt voor de verschillende bewijsmiddelen die ter |
Toch kunnen de bewijsmiddelen in een bepaalde mate worden gerangschikt, maar gelang ze min of meer ruimte laten voor betwistingen. Het is logisch dat ze naar hun doeltreffendheid in dalende orde worden gebruikt. De onderstaande rangschikking beoogt evenwel niet de keuze voorafgaandelijk op te leggen of één of andere methode uit te sluiten; ze wil alleen het waardeverschil tussen de verschillende bruikbare bewijsmiddelen doen uitkomen : - geschreven bewijs : tegenbewijs volledig ten laste van de belastingplichtige - bekentenis : id. - tekenen en indiciën : tegenbewijs ten laste van de belastingplichtige beperkt tot de hem tegengestelde tekenen en indiciën - vergelijking : tegenbewijs ten laste van de belastingplichtige indien de vergelijkingsprocedure juist werd toegepast - feitelijke vermoedens : de waarde van de vermoedens door de rechter te beoordelen - getuigenbewijs : tegenbewijs ten laste van de belastingplichtige indien de door de art. 232 tot 234, WIB (oud), art. 325 en 326 WIB 92, voorgeschreven bijzondere procedure in acht werd genomen. 30. Bij elke verificatie moet men zich dus de vraag stellen welke het meest passend bewijsmiddel is. Wanneer de omstandigheden zich ertoe lenen, moet de methode van de tekenen en indiciën worden gebruikt. 31. De administratie meent te moeten beklemtonen dat - waar het mogelijk is - de voorkeur moet worden gegeven aan de aanslag bij vergelijking boven die volgens feitelijke vermoedens. Juist toegepast, is de eerste immers moeilijker te betwisten, terwijl ze aan de belastingplichtige meer waarborgen biedt; de tweede daarentegen is hoofdzakelijk afhankelijk van de waarde van de redenering waarop ze steunt en is noodzakelijkerwijze brozer.
In elk geval moet men vermijden, systematisch een beperkte vergelijking (één vergelijkingspunt in plaats van drie) als feitelijk vermoeden toe te passen. Alhoewel die methode niet uitdrukkelijk wordt afgewezen, dient daarop slechts in bijzondere gevallen een beroep te worden gedaan, want ze beknot aanzienlijk de waarde en de objectiviteit van de redenering.
| VI. | Gebruik van de bewijsmiddelen in geval van aanslag van ambtswege. |
In dergelijk geval is de administratie ertoe gehouden - evenals bij de wijziging van een regelmatig ingediende aangifte - willekeurigheid te vermijden en één van de bewijsmiddelen waarvan sprake is in de art. 246, 247 en 248, WIB (oud), art. 340, 341 en 342 WIB 92, te gebruiken om de belastingschuld te bepalen.
| VII. | Forfaitaire grondslagen van aanslag. |
De structuur van die vergelijking is vastgelegd is de tussen de Administratie der directe belastingen en de beroepsverenigingen gesloten akkoorden, maar vóór de toepassing ervan moet men aantonen, indien dit feit door de belastingplichtige niet wordt aanvaard, dat bewijskrachtige gegevens ontbreken. Bovendien, wanneer men de grondslagen van de vergelijking wijzigt, bijvoorbeeld de inkopen, moet men daarvoor één van de wettelijke bewijsmiddelen gebruiken, een normaal gestructureerde vergelijking daarin begrepen.
Bron: FisconetPlus
