Circulaire nr. Ci.RH.26/389.149 dd. 05.02.1988

CIRC 05.02.88/2

Circulaire nr. Ci.RH.26/389.149 dd. 05.02.1988


Bull. Bel. 670, pag. 510

ERFPACHT
Erfpachtvergoedingen aftrekbaar van het totaal belastbare netto-inkomen.

INTERESTEN
Interesten van hypothecaire leningen gesloten met het oog op het bouwen
of het in nieuwe staat verwerven van een woning.
Interesten van hypothecaire leningen gesloten met het oog op het
vernieuwen van een woning.
Interesten van schulden aangegaan om roerende of onroerende inkomsten,
belastbaar in de PB, te verwerven of te behouden.

OPSTAL (RECHT VAN)
Opstalvergoedingen aftrekbaar van het totaal belastbare netto-inkomen.

ROERENDE INKOMSTEN
Innings- en bewaringskosten van roerende inkomsten.


INHOUDSOPGAVE Nrs. A. Bijkomende interestaftrek voor vernieuwbouw I. Inleiding........................... 1 II. Tekst van art. 47septies KB/WIB 2 III. Aard van de dienstverrichtingen.....3 tot 5 B. Berekening van bijkomende interestaftrekken I. Probleemstelling....................6 en 7 II. Volgorde van aanrekening van de lasten op de gezamenlijk belastbare inkomsten........................... 8 III. Wijze waarop interesten van verschillende aard worden aangewend alvorens één of beide bijzondere aftrekregelingen toe te passen......9 tot 11 IV. Toepassingsvoorbeelden.............12 tot 14 A. BIJKOMENDE INTERESTAFTREK VOOR VERNIEUWBOUW

I. INLEIDING

1. Luidens art. 71, §5, WIB, ingevoegd bij art. 13, 5°, W. 4.8.1986, houdende fiscale bepalingen (V. 1852 - B.653), regelt de Koning de aard van de dienstverrichtingen die kunnen worden gefinancierd door een lening welke recht geeft op de bijkomende interestaftrek voor vernieuwbouw van woningen.

Het KB 5.1.1987 (V.1881 - B.659) dat het KB/WIB o.m. aanvult met een Afdeling VIIquinquies en een art. 47septies voert voormelde wetsbepaling uit.

II. TEKST VAN ART. 47septies KB/WIB

2. "De in artikel 71, § 2ter, laatste lid, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde dienstverrichtingen zijn deze bedoeld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, zoals die rubriek werd ingevoegd door het koninklijk besluit van 18 juli 1986".

III. AARD VAN DE DIENSTVERRICHTINGEN

3. Uit de samenlezing van de tabel A, rubriek XXXI (zie bijlage 1) en tabel B, rubriek II (zie bijlage 2) van de bijlage bij vorenbedoeld KB nr. 20 blijkt dat ter zake bedoeld zijn de dienstverrichtingen die de omvorming, de renovatie, de rehabilitatie, de verbetering, de herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele, van een woning tot voorwerp hebben.

Uitgesloten zijn echter eveneens:
  • de honoraria van architecten, landmeters en ingenieurs;
  • de werken i.v.m. beplantingen, tuinaanleg en afsluitingen;
  • het aanleggen of herstellen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen en tennisterreinen.


4. Wat de dienstverrichtingen betreft die op of na 1.8.1986 zijn gefactureerd bestaat er in de regel voldoende zekerheid over de aard van de desbetreffende werken, indien ze aan het BTW-tarief van 6 pct. (en niet aan dat van 17 pct.) zijn onderworpen.

5. I.v.m. facturen van voor die datum, moet de aanslagambtenaar er zich zelf van vergewissen of de aard van de uitgevoerde werken aan de in nr. 3 gegeven omschrijving beantwoordt. In geval van twijfel kan eventueel aan een plaatselijke BTW-controle gevraagd worden of de desbetreffende werken aan het verlaagde BTW-tarief zouden onderworpen zijn indien zij na 31.7.1986 zouden gefactureerd zijn.

B. BEREKENING VAN BIJKOMENDE INTERESTAFTREKKEN

I. PROBLEEMSTELLING

6. In de praktijk komt het voor dat een belastingplichtige twee of zelfs drie "soorten" privé-interesten heeft betaald, waarvan de aftrekregeling verschillend is. Ook kunnen erfpacht- of opstalvergoedingen, enz. en innings- en bewaringskosten betaald zijn.

7. De hierna volgende onderrichtingen geven een aantal regels die in het computerprogramma verwerkt zijn; zij hebben betrekking op twee zaken:

1° de volgorde waarin de bedoelde uitgaven op de belastbare inkomsten worden aangerekend;

2° de samenstelling van het maximumbedrag der interesten dat krachtens art. 71, § 1, 2° en § 2, WIB, aftrekbaar is wanneer interesten zijn betaald die in aanmerking komen voor een bijzondere aftrekregeling en de repercussie van de aanrekeningen van die interesten op de aftrekregelingen.



II.VOLGORDE VAN AANREKENING VAN DE LASTEN OP DE GEZAMENLIJK BELASTBARE INKOMSTEN
8. De aanrekening van de lasten op de gezamenlijk belastbare inkomsten gebeurt in de hierna vermelde volgorde:



de erfpacht- en opstalvergoedingen en gelijkaardige vergoedingen, bedoeld in art. 71, § 1, 6°, WIB;
de in art. 71, § 1, 1°, WIB bedoelde innings- en bewaringskosten;
de in art. 71, § 1, 2°, WIB bedoelde interesten van schulden, die alleen onder de algemene aftrekregeling vallen (beperkt tot het totaal van de gezamenlijk belastbare onroerende en roerende inkomsten), hierna gewone interesten genoemd;
de interesten van hypothecaire leningen, bedoeld in art. 38, W. 28.12.1993 (circ. 6.3.1986, Ci.RH.26/366.882, B.649) waarvan de bijkomende aftrek, naar gelang van het jaar, beperkt wordt tot 100.000, 60.000 of 40.000 F (per woning);
de in art. 71, §1, 11° WIB bedoelde interesten van hypothecaire leningen waarvan de aftrek beperkt is overeenkomstig § 2ter van hetzelfde artikel (circ. 31.3.1987, Ci.RH.26/380.438, B.661).


III.WIJZE WAAROP INTERESTEN VAN VERSCHILLENDE AARD WORDEN AANGEWEND ALVORENS EEN OF BEIDE BIJZONDERE AFTREKREGELINGEN TOE TE PASSEN.
9. De gewone interestaftrek gaat in elk geval de bijzondere interestaftrekken vooraf (zie nr. 8). Daarom wordt een bepaald bedrag aan interesten geacht te zijn aangewend om de belastbare onroerende en roerende inkomsten te neutraliseren (die overblijven na de aanrekening van erfpachtvergoedingen, enz. en van de innings- en bewaringskosten). Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gewone interesten en tussen interesten die zonder die aanwending in aanmerking zouden komen voor een bijzondere aftrekregeling.

10. De aanwending op de in nr. 9 bedoelde onroerende en roerende inkomsten gebeurt in de hierna vermelde volgorde:

1° de gewone interesten, die niet in aanmerking komen voor een bijkomende aftrekregeling;

2° de interesten van leningen bedoeld in art. 38, W. 28.12.1983 in de mate dat zij de toepasselijke limiet (100.000, 60.000 of 40.000 F per woning) overtreffen;

3° de interesten van de leningen bedoeld in art. 71, § 1, 11° WIB (het totale bedrag, in voorkomend geval tot volledige opslorping van de resterende onroerende en roerende inkomsten);

4° het saldo van interesten van de sub 2° bedoelde lening(en) (d.i. maximaal 100.000, 60.000 of 40.000 F per woning).

11. Het deel van de interesten dat wegens de in nr. 10, sub 3° en 4° bedoelde aanwendingen in feite gediend heeft voor de toepassing van de in art. 71, § 1, 2°, WIB bedoelde gewone aftrek, kan uiteraard niet meer in aanmerking worden genomen voor de bijzondere aftrekregelingen. Bijgevolg moet dat deel worden afgetrokken van de maximumbedragen die, zonder die aanwending, aftrekbaar zouden zijn in die regelingen.

IV. TOEPASSINGSVOORBEELDEN (AJ 1987)

VOORBEELD 1



12.Gegevens:
Bouwen van een nieuwe en enige woning:

  • Interesten van een hypothecaire lening die gesloten is op 20.11.1985 en aan de vrijstellingsvoorwaarden van art. 38, W. 28.12.1993 voldoet (code 370): 106.000 F.
  • Interesten van een bijkomende hypothecaire lening van 315.000 F die gesloten is op 7.5.1986 en aan de vrijstellingsvoorwaarden van art. 71, § 1, 11°, WIB voldoet (code 372): 25.000 F.
  • Woning door de belastingplichtige betrokken op 26.7.1986.
  • Belastbaar K.I. 84.000 F x 5/12: 35.000 F


Betaalde erfpachtvergoeding: 2.000 F

Berekening van de interestaftrek: Onroerend inkomen 35.000 F Erfpachtvergoeding - 2.000 F Gewone interestaftrek - 33.000 F (art. 71, § 1, 2°, WIB) --------- 0 F Dit bedrag van 33.000 F wordt als volgt aangerekend:

6.000 F zijnde het gedeelte van de interesten van code 370 dat het maximum van 100.000 F overschrijdt;

25.000 F dit zijn de volledige interesten van code 372;

2.000 F afgenomen van het maximum van de interesten van code 370 dat aftrekbaar is krachtens art. 38, W. 28.12.1983

Bijkomende interestaftrek art. 38, W. 28.12.1983: 98.000 F (100.000 F - 2.000 F)

Bijkomende interestaftrek art. 71, § 1, 11°, WIB: Nihil (het totale bedrag van die interesten is reeds aangewend voor de toepassing van art. 71, § 1, 2°, WIB).

VOORBEELD 2



13.Gegevens:
Bouw van een nieuwe en enige woning:

  • Interesten van een hypothecaire lening die gesloten is op 15.12.85 en aan de vrijstellingsvoorwaarden van art. 38, W. 28.12.1983 voldoet (code 370): 132.000 F
  • Interesten van een bijkomende hypothecaire lening van 750.000 F die gesloten is op 15.5.1986 en aan de vrijstellingsvoorwaarden van art. 71, § 1, 11°, WIB voldoet (code 372): 60.000 F
  • Woning door de belastingplichtige betrokken op 22.8.1986
  • Belastbaar K.I. 78.000 F x 4/12: 26.000 F


Inkomsten uit Belgische obligaties (gezamenlijk belastbaar): 9.000 F Berekening van de interestaftrek: Onroerend inkomen 26.000 F Inkomsten uit obligaties 9.000 F Roerende voorheffing (1/3) + 3.000 F ------- Roerende inkomsten 12.000 F -------- Totaal 38.000 F Gewone interestaftrek - 38.000 F (art. 71, § 1, 2°, WIB) -------- 0 F Dit bedrag van 38.000 F wordt als volgt aangerekend: 32.000 F zijnde het deel van de interesten van code 370 dat het maximum van 100.000 F overschrijdt;

6.000 F interesten van code 372.

Bijkomende interestaftrek art. 38, W.28.12.1983: 100.000 F (het maximum dat als bijkomende interest aftrekbaar is voor het eerst jaar na de lening).

Bijkomende interestaftrek art. 71, § 1, 11°, WIB: 48.000 F (60.000 F x 80 pct.) - 6.000 F (reeds afgetrokken als gewone interest, art. 71, § 1, 2°, --------- WIB) 42.000 F VOORBEELD 3



14.Gegevens:
Gezin met 2 kinderen ten laste.
Vernieuwbouw van 25 jaar oude woning (de enige waarvan de belastingplichtige eigenaar is):

  • Interesten van een hypothecaire lening aangewend voor vernieuwbouw, die gesloten is op 2.5.1986 en aan de vrijstellingsvoorwaarden van art. 71, § 1, 11, WIB voldoet (code 373): 91.000 F
    Bedrag van de lening: 1.400.000 F
  • Aantal kinderen ten laste op 1.1.1987 (code 375): 2
  • Totale kostprijs van de vernieuwingswerken: 1.600.000 F
  • Voltooiing vernieuwingswerken: 27.9.1986


K.I. voor vernieuwing: 48.000 F x 9/12: 36.000 F K.I. na vernieuwing: 60.000 F x 3/12: 15.000 F -------- Belastbaar: 51.000 F Interesten van een onderhandse lening (code 378): 52.000 F
Betaalde erfpachtvergoeding: 2.000 F Inkomsten uit Belgische obligaties (gezamenlijk belastbaar): 6.000 F Berekening van de interestaftrek: Onroerend inkomen 51.000 F Inkomsten uit obligaties 6.000 F Roerende voorheffing (1/3) + 2.000 F ------- Roerende inkomsten 8.000 F -------- Totaal 59.000 F Erfpachtvergoeding - 2.000 F Gewone interestaftrek (art. 71, § 1, 2°, WIB): - 57.000 F ---------- 0 F Dit bedrag van 57.000 F wordt als volgt aangerekend: 52.000 F zijnde het totale bedrag van de gewone interesten (van de onderhandse lening); 5.000 F interesten van code 373. Bijkomende interestaftrek art. 71, § 1, 11°, WIB: 57.200 F (91.000 F x 1.100.000 x 80 pct.) --------- 1.400.000 - 5.000 F (reeds afgetrokken als gewone interest, art. 71, § 1, 2°, -------- WIB) 52.200 F Bijlage 1 - BTW - KB 20 - tabel A

XXXI. WERK IN ONROERENDE STAAT MET BETREKKING TOT PRIVE-WONINGEN.

§ 1. In afwijking van rubriek II van tabel B van deze bijlage, worden werk in onroerende staat en andere handelingen bedoeld in de cijfers 2 tot 8 van die rubriek, onderworpen aan het verlaagd tarief, voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld:

1° de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;

2° de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privé- woning wordt gebruikt;

3° de handelingen moeten worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming ten minste twintig jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van verschuldigdheid van de BTW dat zich voordoet overeenkomstig artikel 22 van het Wetboek;

4° de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker door een persoon die, op het tijdstip van het sluiten van het aannemingscontract, geregistreerd is als zelfstandige aannemer overeenkomstig artikel 299bis van het Wetboek der inkomstenbelastingen;

5° de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, moeten, op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast het attest van de afnemer de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.

§ 2 ...

§ 3 Het verlaagd tarief is in geen geval van toepassing op:



werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;
werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties.
Bijlage 2 - BTW - KB 20 - tabel B

Goederen en diensten onderworpen aan het tarief van 17 pct.

II. GEBOUWEN EN HANDELINGEN MET BETREKKING TOT EEN ONROEREND GOED

Onder voorbehoud van de bepalingen van rubriek XXXI van tabel A van deze bijlage zijn beoogd:



1.Gebouwen bedoeld in artikel 9, § 3, van het Wetboek.
2. Het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden en het reinigen, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed.



3.Het geheel of ten dele afbreken van een uit zijn aard onroerend goed.
4. Prestaties die erin bestaan een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt.

5. Iedere handeling, ook indien niet beoogd in nummer 4 hierboven, die tot voorwerp heeft zowel de levering als aanhechting aan een gebouw:

a) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daaronder begrepen de branders, de reservoirs en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketel of aan de radiatoren;

b) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw en, meer algemeen, van al de vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool;

c) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw, met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen;

d) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische belinstallatie, van brandalarmtoestellen, van alarmtoestellen tegen diefstal en van een huistelefoon;

e) van opbergkasten, gootstenen, kasten, meubels met ingebouwde gootsteen, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken is uitgerust; van opbergkasten die definitief zijn ingebouwd in speciaal daarvoor uitgespaarde ruimten van het gebouw;

f) van luiken, rolluiken en rolgordijnen die aan de buitenkant van het gebouw worden geplaatst.

6. Iedere handeling, ook indien niet beoogd in nummer 4 hierboven, die tot voorwerp heeft zowel de levering van wandbekleding of vloerbekleding als de plaatsing ervan in een gebouw ongeacht of die bekleding of bedekking aan het gebouw wordt vastgehecht of eenvoudig ter plaatse op maat gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte.

7. Het aanhechten, het plaatsen, het herstellen, het onderhouden en het reinigen van goederen bedoeld in de nummers 5 en 6 hierboven.

8. De terbeschikkingstelling van personeel met het oog op het verrichten van de hierboven bedoelde handelingen.

9. Ieder studiewerk en toezicht die behoren tot de geregelde werkzaamheid van architecten, landmeters en ingenieurs, en die verricht worden ter voorbereiding of ter coördinatie van de uitvoering van hierboven bedoelde handelingen.

10. De diensten door makelaars en lasthebbers bij verkoop of verhuur van onroerende goederen; het beheer van onroerende goederen.

11. De onroerende financieringshuur of onroerende leasing, bedoeld in artikel 18, § 2, van het Wetboek.