Circulaire nr. AFZ/2000-237 dd. 20.08.2001

Bull. nr. 819, pag. 1997

ADMINISTRATIEVE BRIEFWISSELING
Taalgebruik

BEROEPSGEHEIM
Draagwijdte van het beroepsgeheim

CONTROLEMAATREGEL
Internationale samenwerking

INTERNATIONALE OVEREENKOMST
Administratieve regeling
Belastingcontrole in het buitenland
Gelijktijdige belastingcontrole
Uitwisseling van inlichtingen
Verdrag van de Raad van Europa en de OESO inzake wederzijdse bijstand
Wederzijdse bijstand

INVORDERING
Bewarende maatregel
Internationale invorderingsbijstand
Uitstel van betaling
Verjaring

RECHTSVORDERING
Bevoegde Staat


Multilateraal Verdrag OESO/Raad van Europa inzake wederzijdse administratieve bijstand in fiscale aangelegenheden.

Aan al de ambtenaren van de niveaus 1, 2+ en 2 van de AFZ, de AOIF, de AKRED, de Administratie der douane en accijnzen, de Administratie van de invordering en de BBI.

U vindt als bijlage de eerste toelichting over het Verdrag van de OESO/Raad van Europa inzake administratieve bijstand in fiscale aangelegenheden.
Dit Verdrag is in België op 1.12.2000 in werking getreden. De tekst is als bijlage bij deze circulaire opgenomen. De praktische toepassingsmodaliteiten van het Verdrag zullen door de verschillende fiscale uitvoeringsadministraties in afzonderlijke instructies worden behandeld.

De Adjunct-administrateur-generaal
van de belastingen,

J.-M. DELPORTE

INHOUDSOPGAVE

I. INLEIDING
II. WERKINGSSFEER
Art. 1 - Doel van het Verdrag en personen op wie het van toepassing is
Art. 2 - Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is
III. BEGRIPSBEPALINGEN (art. 3)
IV. VORMEN VAN BIJSTAND
A. UITWISSELING VAN INLICHTINGEN
Art. 4 - Algemene bepaling
Art. 5 - Uitwisseling op verzoek
Art. 6 - Automatische uitwisseling
Art. 7 - Spontane uitwisseling
Art. 8 - Gelijktijdige belastingcontroles
Art. 9 - Belastingcontroles in het buitenland
Art. 10 - Tegenstrijdige inlichtingen
B. INVORDERINGSBIJSTAND
Art. 11 - De invordering van belastingvorderingen
Art. 12 - Conservatoire maatregelen
Art. 14 - Verjaringstermijnen
Art. 16 - Uitstel van betaling
C. BETEKENING VAN DOCUMENTEN (art. 17)
V. BEPALINGEN BETREFFENDE ALLE VORMEN VAN BIJSTAND
Art. 21 - Bescherming van personen en grenzen aan de verplichting tot het verlenen van bijstand
Art. 22 - Geheimhouding
Art. 23 - Rechtsgedingen
VI. BIJZONDERE BEPALINGEN
Art. 24 - Tenuitvoerlegging van het Verdrag
Art. 25 - Talen
Art. 26 - Kosten
Art. 27 - Andere internationale overeenkomsten of regelingen
Art. 29 - Territoriale toepassing van het Verdrag
Art. 30 - Voorbehoud
BIJLAGEN

Bijlage 1 : Verdrag van de Raad van Europa en de OESO inzake wederzijdse administratieve bijstand in fiscale aangelegenheden

Bijlage 2 : Bijlagen van de Partijen bij het Verdrag

Bijlage 3 : Belgische bevoegde autoriteiten voor de toepassing van het Verdrag inzake wederzijdse bijstand

Bijlage 4 : Regeling tussen de bevoegde autoriteiten van België en Nederland inzake de aanwezigheid van belastingambtenaren van de ene Staat op het grondgebied van de andere Staat ten behoeve van belastingonderzoek



I. INLEIDING

Het multilaterale Verdrag inzake administratieve bijstand in fiscale aangelegenheden (cf, bijlage 1) - hierna "het Verdrag" - is het resultaat van werkzaamheden door de Raad van Europa tezamen met de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Het Verdrag beoogt de internationale samenwerking te bevorderen ten einde een betere toepassing van de nationale fiscale wetgevingen te verzekeren, waarbij de fundamentele rechten van de belastingplichtigen worden gerespecteerd. Het vormt een nieuw juridisch instrument dat de toepassing van verschillende vormen van internationale administratieve bijstand mogelijk maakt : uitwisseling van inlichtingen (met inbegrip van gelijktijdige belastingcontroles en belastingcontroles in het buitenland), invorderingsbijstand en betekening van documenten.

Op 25.1.1988 werd het Verdrag ter ondertekening aan de Lidstaten van de Raad van Europa en van de OESO voorgelegd en op 7.2.1992 werd het door België ondertekend.

In de vijf eerste landen die het Verdrag hebben bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd, namelijk Denemarken, Finland, Noorwegen, de Verenigde Staten en Zweden, is het Verdrag op 1 april 1995 in werking getreden. Hierbij hebben zich in 1996, IJsland en in 1997, Nederland en Polen aangesloten.

In België is het Verdrag op 1.12.2000 in werking getreden. Het werd in het BS van 17.10.2000 gepubliceerd. Het Verdrag is momenteel enkel tussen België en de hiervoor genoemde Staten van toepassing. De toetreding van andere Staten zal via een addendum aan deze circulaire worden aangekondigd.

II. WERKINGSSFEER Art. 1 - Doel van het Verdrag en personen op wie het van toepassing is

De bedoeling van het Verdrag is administratieve bijstand verlenen in fiscale aangelegenheden. Deze bijstand omvat alle werkzaamheden van wederzijdse hulp in fiscale aangelegenheden die door de overheidsinstanties, daaronder begrepen de rechterlijke instanties, tot stand kunnen worden gebracht en die niet van strafrechtelijke aard zijn. Bijgevolg zijn gerechtelijke werkzaamheden in uitvoering van strafwetten, uitgesloten van de werkingssfeer van het Verdrag.

De administratieve bijstand tussen de Partijen wordt niet beperkt door de woonplaats of de nationaliteit van de belastingplichtig . Indien een persoon (natuurlijke persoon of rechtspersoon) in een Staat aan belasting onderworpen is, mag die Staat om bijstand verzoeken van een andere Staat, zelfs indien die persoon geen inwoner of onderdaan is van de ene of van de andere Staat (art. 1, § 3).

Art. 2 - Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is

Het multilaterale Verdrag is een instrument met een zeer grote reikwijdte. Het omvat bijna alle belastingen, ongeacht of ze ten behoeve van een Staat of van een van de staatkundige onderdelen of plaatselijke gemeenschappen daarvan worden geheven. In principe omvat het zelfs de verplichte premies of bijdragen voor de sociale zekerheid, maar België heeft de voorkeur geuit om het Verdrag niet toe te passen op die voorheffingen en heeft bijgevolg hiertegen voorbehoud gemaakt (zie art. 30 - voorbehoud).

Douanerechten alsmede invoer- en uitvoerrechten zijn niet omvat in het Verdrag.

In bijlage A van het Verdrag worden de belastingen opgesomd die in elke Staat met het Verdrag worden bedoeld. Ze worden in die bijlage gerangschikt volgens de in art. 2, § 1 genoemde "categorieën van belastingen".

In BELGIE zijn de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is momenteel [De lijst van de bedoelde belastingen kan op ieder ogenblik worden gewijzigd (art. 2, § 3).] :

Categorie van belastingen:
- inkomstenbelastingen Art. 2, § 1, a, (i) en b, (i)
- BTW Art. 2, § 1, b, (iii), C
- registratierechten op schenkingen onder levenden Art. 2, § 1, b, (iii), A
- accijnzen Art. 2, § 1, b, (iii), D
- jaarlijkse taks op de verzekeringscontracten Art. 2, § 1, b, (iii), D
- jaarlijkse taks op de winstdeelnemingen Art. 2, § 1, b, (iii), D
- rechten van successie en van overgang bij overlijden Art. 2, § 1, b, (iv), A
De Partijen bij het Verdrag kunnen ten aanzien van bepaalde categorieën van belastingen en bepaalde categorieën van bijstand voorbehoud maken (zie art. 30); deze belastingen mogen dan niet worden opgenomen in bijlage A.

In bijlage 2 van de circulaire is de volledige lijst opgenomen van de door de verschillende Partijen bij het Verdrag bedoelde belastingen [De lijst van de andere Partijen bij het Verdrag is momenteel enkel in het Engels beschikbaar. Een addendum aan deze circulaire met een Nederlandstalige tekst van de lijst zal later worden gepubliceerd.] en van hun reserves.

III. BEGRIPSBEPALINGEN (art. 3) De uitdrukkingen "verzoekende Staat", "aangezochte Staat" en "belasting" vragen geen nadere uitleg.

De uitdrukking "belastingvordering" omvat, naast het bedrag van de verschuldigde maar nog niet betaalde belasting, de interest, administratieve boeten en kosten van invordering met betrekking tot die belasting.

De uitdrukking "bevoegde autoriteiten" betekent de in bijlage B [Deze bijlage kan worden gewijzigd (art. 3, § 3).] van het Verdrag opgesomde personen en autoriteiten (zie bijlage 2 van de circulaire). In België is de bevoegde autoriteit "de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger". Voor de praktische toepassing van het Verdrag werd een gedetailleerde lijst van de bevoegde Belgische autoriteiten meegedeeld aan het ingevolge art. 24 van het Verdrag opgericht coördinerend lichaam. Deze lijst is in bijlage 3 van de circulaire opgenomen. Enkel de diensten en personen op deze lijst mogen zich - behoudens uitdrukkelijke machtiging (cf. art. 24) - in verbinding stellen met de buitenlandse belastingadministraties.

De definitie van de uitdrukking "onderdaan" stemt overeen met die van de uitdrukking "onderdaan" die in de Overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting inzake belastingen naar het inkomen wordt gebruikt. Natuurlijke personen moeten de nationaliteit van de overeenkomstsluitende Staat bezitten; rechtspersonen, personenvennootschappen, verenigingen en andere eenheden moeten hun rechtspositie als zodanig ontlenen aan de wetgeving die in de betrokken Staat van kracht is.

De uitdrukkingen die niet in het Verdrag worden omschreven, moeten worden geïnterpreteerd overeenkomstig de fiscale wetgeving van de Staat die het Verdrag toepast, tenzij het zinsverband duidelijk een andere betekenis oplegt, IV. VORMEN VAN BIJSTAND A. Uitwisseling van inlichtingen

Art. 4 - Algemene bepaling

De overeenkomstsluitende Staten zijn verplicht alle inlichtingen met de partnerstaten uit te wisselen waarvan te voorzien is dat zij van belang zijn voor:

a) de heffing, inning en invordering van belastingen die omvat zijn in het Verdrag; b) het initiëren van een administratieve of strafrechtelijke vervolging met het oog op het bestraffen van een fiscale inbreuk. In sommige gevallen kunnen de verkregen inlichtingen bij de fiscale administratie het bestaan doen vermoeden van een strafrechtelijke inbreuk van fiscale aard. In dat geval kan ingevolge art. 4, § 2 van het Verdrag - als de interne wetgeving van een Staat het toestaat - het dossier worden overgemaakt aan de rechterlijke instanties om voor een strafrechter te gebruiken. Door deze bepaling is het in België in principe dus mogelijk aangifte te doen bij het Parket, zoals is voorzien in art. 29 van het Wetboek van strafvordering (cf. nrs. 460/1 tot 460/21 Com.IB 92). Dergelijke inlichtingen mogen evenwel slechts als bewijsmateriaal voor een strafrechter worden gebruikt, indien hiertoe uitdrukkelijk toestemming is verleend door de Staat die de inlichtingen heeft verstrekt.

Indien aldus vervolgingen worden ingesteld voor een gerechtelijk lichaam, is dit Verdrag niet meer van toepassing. Elke aanvullende onderzoeksmaatregel moet op basis van een gerechtelijk bijstandsverdrag inzake strafrecht worden uitgevoerd.

Bepaalde Staten moeten in overeenstemming met hun interne wetgeving de betrokken personen op de hoogte brengen vooraleer de inlichtingen aan een andere Staat te verstrekken.

Door art. 4, § 3 kunnen Staten met dergelijke wetgeving een verklaring in die zin afleggen [Nederland, Polen en de Verenigde Staten hebben dergelijke verklaringen afgelegd (cf. bijlage 2 van de circulaire).]. Aangezien het in de Belgische wetgeving niet verplicht is de betrokken personen op de hoogte te brengen vooraleer de inlichtingen aan een andere Staat te verstrekken, dient men zich ervan te onthouden dergelijke informatie te geven.

Art. 5 - Uitwisseling op verzoek De aangezochte Staat verstrekt inlichtingen die betrekking hebben op een welbepaalde zaak die werden gevraagd door de verzoekende Staat. Art. 5, § 2 bepaalt dat indien de gevraagde inlichtingen niet voorhanden zijn in de belastingdossiers, de aangezochte Staat alle maatregelen moet nemen waarover hij in overeenstemming met zijn interne wetgeving beschikt om de gevraagde inlichtingen te verkrijgen.

Art. 6 - Automatische uitwisseling Twee of meerdere Staten wisselen systematisch inlichtingen uit met betrekking tot bepaalde categorieën van gevallen. Dankzij deze automatische uitwisseling kan de eerlijkheid op fiscaal vlak worden verbeterd en kan fraude die niet vermoed zou zijn gebleven, worden opgespoord. Deze vorm van uitwisseling vereist een voorafgaande regeling tussen de bevoegde autoriteiten over de te volgen procedure en over de categorieën van inlichtingen die worden uitgewisseld. In België worden die regelingen in het BS gepubliceerd en in afzonderlijke circulaires ter kennis van de ambtenaren gebracht.

Art. 7 - Spontane uitwisseling Een Staat deelt op eigen initiatief inlichtingen mee die van belang kunnen zijn voor een andere overeenkomstsluitende Staat. In art. 7, § 1 worden de verschillende situaties opgesomd waarbij een Staat, zonder voorafgaand verzoek, inlichtingen waarvan hij kennis draagt meedeelt aan een andere Staat. Die situaties stemmen grosso modo overeen met die van art. 4 (spontane uitwisseling) van de Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19.12.1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lidstaten op het gebied van de directe en indirecte belastingen (zoals gewijzigd door de Richtlijn 79/1070/EEG van de Raad van 6.12.1979 en door de Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25.2.1992).

Art. 8 - Gelijktijdige belastingcontroles Het gaat om een controle die wordt ondernomen krachtens een regeling waarbij twee of meerdere Staten overeenkomen om gelijktijdig, ieder op zijn eigen grondgebied, de fiscale toestand van een persoon of personen te onderzoeken waarbij die Staten een gemeenschappelijk belang of verwante belangen hebben, teneinde de aldus verkregen inlichtingen uit te wisselen. Deze samenwerkingsvorm kan nuttig blijken, inzonderheid bij de controle van verbonden personen of ondernemingen die in meerdere Staten verblijven (zoals multinationals).

Art. 9 - Belastingcontroles in het buitenland Deze samenwerkingsvorm geeft belastingambtenaren van een Staat de mogelijkheid aanwezig te zijn bij een gedeelte van een belastingcontrole die in een andere Staat wordt verricht en bij deze gelegenheid, rechtstreeks inlichtingen ter plaatse te verkrijgen. Dergelijke samenwerking kan enkel in bijzondere gevallen worden gebruikt wanneer de belangen die op het spel staan de verplaatsing van ambtenaren naar het buitenland rechtvaardigen.

Een verzoek om bij een belastingcontrole in het buitenland aanwezig te zijn moet een nauwkeurige beschrijving bevatten van het desbetreffende fiscale dossier alsmede van de bijzondere redenen waarvoor de fysische aanwezigheid van een ambtenaar van een Staat bij een controle in een andere Staat wordt gewenst.

Indien het verzoek wordt ingewilligd, behoren alle beslissingen met betrekking tot de wijze waarop de controle wordt verricht, tot de bevoegdheid van de Staat waar de controle plaatsheeft; de wetgeving en de administratieve praktijk van deze Staat moeten bij deze gezamenlijke controle strikt worden nageleefd.

Artikel 9, § 3, bepaalt dat de Staten hun voornemen kunnen meedelen om verzoeken van andere Staten om aan belastingcontroles deel te nemen in de regel niet te aanvaarden. Geen enkele Partij bij het Verdrag heeft een dergelijke verklaring afgelegd [Nederland heeft evenwel zulke verklaring afgelegd inzake sociale zekerheidsbijdragen.].

In België moeten de aanvragen die van andere Partijen bij het Verdrag afkomstig zijn, worden ingediend bij de Adjunct-administrateur-generaal van de belastingen (AAGB) die ze voor onderzoek doorstuurt naar de Directeurs-generaal van de verschillende uitvoeringsadministraties van de belastingen. De aanvragen van Belgische ambtenaren om zich te verplaatsen naar het buitenland worden naar de AAGB gestuurd die ze aan de buitenlandse fiscale autoriteiten zal overmaken.

De Belgische en Nederlandse belastingadministraties hebben in een bilaterale regeling nauwkeurige regels vastgelegd inzake de aanwezigheid van belastingambtenaren van de ene Staat op het grondgebied van de andere Staat (zie bijlage 4). Art. 10 - Tegenstrijdige inlichtingen De overeenkomstsluitende Staat die over de fiscale toestand van een belastingplichtige inlichtingen heeft ontvangen die in strijd zijn met inlichtingen waarover hij zelf beschikt, is ertoe gehouden dit mee te delen aan de Staat die de inlichtingen heeft verstrekt zodat deze Staat bij de belastingplichtige nadere bijzonderheden kan bekomen en de situatie kan verhelderen. Beide Staten plegen overleg omtrent de resultaten van dit nieuwe contact met de betrokken belastingplichtige.

B. lnvorderingsbijstand [ Polen en de Verenigde Staten hebben voorbehoud gemaakt met betrekking tot deze categorie van bijstand (zie art. 30).] Art. 11 - De invordering van belastingvorderingen

De overeenkomstsluitende Staten verbinden zich tot het invorderen, binnen bepaalde grenzen, van verschuldigde belastingen in de andere Staat. Overeenkomstig art. 11, § 1, onderneemt de aangezochte Staat de nodige stappen voor de invordering alsof het zijn eigen belastingvorderingen betrof, onder voorbehoud van de verjaringstermijnen die vallen onder de wetgeving van de verzoekende Staat (art. 14) en van voorrechten die niet toegepast kunnen worden : belastingvorderingen van de verzoekende Staat genieten in de aangezochte Staat geen enkel voorrecht dat in deze Staat speciaal verbonden is aan belastingvorderingen (art. 15), noch voorrechten die verbonden zijn aan belastingvorderingen van de verzoekende Staat.

Opdat invorderingsbijstand tot stand kan worden gebracht, moet de belastingvordering in de verzoekende Staat het voorwerp zijn van een uitvoerbare titel, d.w.z. dat de belasting op formele wijze moet zijn gevestigd. Bovendien mag de belastingvordering niet betwist worden (zelfs gedeeltelijk). Indien de belastingvordering toch werd betwist, kan er in principe slechts om bijstand worden gevraagd indien er een definitieve beslissing werd genomen inzake de betwisting.

Indien de belasting waarvoor om bijstand wordt gevraagd verschuldigd is door een niet-inwoner van de verzoekende Staat, is het niet voldoende dat de vordering niet zou 'worden betwist, ze mag bovendien niet langer kunnen worden betwist (art. 11, § 2). Dit wil zeggen dat de - administratieve en juridische - rechtsmiddelen die ter beschikking staan van de belastingplichtige en de verzoekende Staat om de belastingvordering te betwisten of te bevestigen, uitgeput moeten zijn voor de indiening van een verzoek om invorderingsbijstand.

De invordering van belastingvorderingen betreffende een nalatenschap is in de aangezochte Staat beperkt tot de waarde van de nalatenschap of van de goederen verkregen door iedere begunstigde van de nalatenschap (art. 11, § 3). Het is de bedoeling van deze bepaling om voor goederen uit nalatenschap de bijstand te beperken, zodat deze niet uitgebreid zou worden naar persoonlijke activa van de begunstigden van de nalatenschap.

In art. 13 wordt een opsomming gegeven van de documenten die de verzoekende Staat bij zijn verzoek om bijstand moet voegen.

Art. 12 - Conservatoire maatregelen Indien alle noodzakelijke voorwaarden om een verzoek tot invorderingsbijstand in te dienen niet vervuld zijn (b.v. indien er nog geen uitvoerbare titel is of indien de vordering wordt betwist), kan een Staat toch vragen dat de andere Staat conservatoire maatregelen, zoals het bewarend beslag, zou nemen.

De verzoekende Staat moet, in elk geval, vermelden welke fase is bereikt in het proces van de belastingheffing of van de invordering. De aangezochte Staat moet dan in een dergelijk geval onderzoeken of zijn wetgeving of administratieve praktijk hem toestaat conservatoire maatregelen te nemen.

Art. 14 - Verjaringstermijnen Verjaringstermijnen vallen uitsluitend onder de wetgeving van de verzoekende Staat. Bijgevolg blijft de schuldvordering bestaan en kan ze worden ingevorderd zolang de termijn waarin de wetgeving van die Staat voorziet niet verstreken is, zelfs al zou die termijn in de aangezochte Staat reeds verstreken zijn (art. 14, § l). Dit betekent ook dat een verzoek om invorderingsbijstand geen wijziging inhoudt van de mogelijkheden van de verzoekende Staat om overeenkomstig zijn interne wetgeving de verjaringstermijn te schorsen of te stuiten.

Krachtens art. 14, § 2 kan de verjaringstermijn ook worden geschorst of gestuit door daden van invordering die door de aangezochte Staat zijn gesteld. Indien die Staat maatregelen neemt die overeenkomstig zijn interne recht de verjaringstermijn kunnen schorsen of stuiten, hebben die maatregelen voor de verzoekende Staat dezelfde uitwerking alsof ze door deze Staat zelf zouden zijn genomen.

Art. 14, § 3 maakt het mogelijk bijstand voor zeer oude vorderingen te weigeren d.w.z. vorderingen waarvoor om bijstand wordt verzocht na een periode van 15 jaar vanaf de datum van de uitvoerbare titel.

Art. 16 - Uitstel van betaling De aangezochte Staat kan uitstel van betaling of betaling in termijnen toestaan indien zijn wetgeving of zijn administratieve praktijk dit toestaat, echter niet zonder de verzoekende Staat hiervan eerst mededeling te doen. Deze vereiste is er niet alleen op gericht de verzoekende Staat op de hoogte te brengen, maar biedt deze Staat tevens de mogelijkheid inlichtingen mee te delen die erop zouden kunnen wijzen dat het aldus aan de belastingplichtige toegestane voordeel in dat specifiek geval niet gerechtvaardigd is.

Indien de verzoekende Staat bereid is aan zijn belastingplichtigen uitstel van betaling toe te staan die verder gaat dan het uitstel van betaling waarin de wetgeving van de aangezochte Staat voorziet, moet de verzoekende Staat dit punt verduidelijken bij het indienen van zijn verzoek om bijstand.

C. Betekening van documenten [ Nederland, Polen en de Verenigde Staten hebben voorbehoud gemaakt met betrekking tot deze vorm van bijstand (zie art. 30). Dat voorbehoud betreft evenwel niet een per post betekend document als bedoeld in art. 17, § 3.] (art. 17) Deze bijstand laat toe zich ervan te vergewissen dat de belastingplichtige de documenten (aanslagbiljetten, bericht van wijziging, vraag om inlichtingen enz.) met betrekking tot de verschuldigde belasting heeft ontvangen en dat hij zijn standpunt heeft kunnen laten gelden. Zodoende wordt vermeden dat uitvoerende maatregelen worden genomen ten aanzien van een belastingplichtige die klaarblijkelijk het bestaan van zijn belastingschuld niet kent.

Art. 17, § 2 handelt over de door de aangezochte Staat te volgen methode voor de betekening van documenten van de verzoekende Staat. De aangezochte Staat betekent deze documenten volgens de krachtens zijn eigen wetgeving voorgeschreven methode (lid a), of, als de verzoekende Staat daarom vraagt, volgens een bepaalde methode, indien de wetgeving van de aangezochte Staat in dergelijke methode voorziet. In het tegengestelde geval past de aangezochte Staat de in zijn wetgeving voorgeschreven methode toe die de door de verzoekende Staat verzochte bepaalde methode het dichtst benadert (lid b).

Het systematisch gebruik maken van de diensten van een andere Staat voor de betekening van documenten aan belastingplichtigen, kan die andere Staat een aanzienlijke werkoverlast bezorgen. Daarom staat art. 17, § 3 toe om aanslagbiljetten, berichten van wijziging enz. rechtstreeks per post naar de belastingplichtige te versturen.

Wanneer vaststaat dat de belastingplichtige de taal van het document niet begrijpt, treft de aangezochte Staat regelingen om het te doen vertalen of samenvatten in één van zijn officiële talen. Een andere mogelijkheid is dat de aangezochte Staat de verzoekende Staat vraagt het te doen vertalen of samen te vatten in één van de officiële talen van de aangezochte Staat, de Raad van Europa of de OESO (Engels of Frans voor die twee internationale organisaties) (art. 17, § 5). Wanneer België handelt in de hoedanigheid van aangezochte Staat en aan een Belgische inwoner documenten betekent die zijn opgesteld door een andere Staat, wordt bij de betekening systematisch een vertaling (van de volledige tekst of in de vorm van een samenvatting) in één van de drie nationale talen gevoegd, in overeenstemming met de wetten op het gebruik van de talen op administratief vlak.

V. BEPALINGEN BETREFFENDE ALLE VORMEN VAN BIJSTAND Art. 18 preciseert de inlichtingen die door de verzoekende Staat dienen te worden verstrekt aan de aangezochte Staat ter staving van zijn verzoek om bijstand. Dat verzoek moet inzonderheid de autoriteit of instantie vermelden waarvan het verzoek om bijstand afkomstig is, d.w.z. doorgaans de ambtenaar en/of de buitendienst belast met het fiscale dossier (art. 18, § 1, a). De bevoegde autoriteiten van de aangezochte Staat kunnen dankzij deze informatie rechtstreeks contact opnemen met de bevoegde ambtenaar om, in voorkomend geval, bijkomende inlichtingen te verkrijgen die noodzakelijk zijn om gehoor te kunnen geven aan het verzoek. De leden b) tot f) vragen geen bijzondere commentaar.

Art. 19 biedt de aangezochte Staat de mogelijkheid een verzoek om bijstand af te wijzen indien die Staat meent dat de verzoekende Staat niet naar behoren alle op zijn eigen grondgebied beschikbare actiemiddelen heeft aangewend. Het Verdrag mag er immers niet toe leiden dat aan een andere Staat de taak wordt overgedragen om belastingen te heffen of in te vorderen indien men deze op zijn eigen grondgebied zou kunnen heffen of invorderen.

Art. 20 preciseert dat de aangezochte Staat zo spoedig mogelijk de verzoekende Staat mededeling moet doen van de genomen maatregelen en van de bereikte resultaten. Indien een verzoek wordt afgewezen doet de aangezochte Staat de verzoekende Staat mededeling van de redenen van deze afwijzing.

Art. 21 - Bescherming van personen en grenzen aan de verplichting tot het verlenen van bijstand

Art. 21, § 1 vermeldt uitdrukkelijk dat de rechten en waarborgen die aan personen worden toegekend overeenkomstig de nationale wetgevingen en administratieve praktijken in geen enkel opzicht door het Verdrag worden aangetast.

Art. 21, § 2 preciseert de situaties waarbij een Staat niet verplicht is gevolg te geven aan een verzoek om bijstand. Uit de leden a) en c) blijkt inzonderheid dat de aangezochte Staat slechts ertoe gehouden is de gemeenschappelijke bevoegdheden en Procedures van beide Staten toe te passen [De verjaringstermijnen vormen een uitzondering op dit principe : de verjaringstermijn inzake invordering valt uitsluitend onder de wetgeving van de verzoekende Staat (cf. art. 14).]. Door deze regel wordt vermeden dat de verzoekende Staat door het verzoeken om bijstand van een andere Staat onrechtstreeks over meer bevoegdheden zou beschikken dan die waarover hij volgens zijn eigen wetgeving beschikt. Deze stelregel geeft de aangezochte Staat de mogelijkheid, echter niet de verplichting, om bijstand af te wijzen. Zo is b.v. indien Staat A aan Staat B inlichtingen vraagt die Staat A normaliter niet kan verkrijgen volgens zijn eigen wetgeving of administratieve praktijk, Staat B niet verplicht die inlichtingen te verstrekken, maar mag hij het wel doen. Indien hij ze verstrekt, blijft hij binnen de grenzen van de overeenkomst over de uitwisseling van inlichtingen zoals voorzien in het Verdrag.

Lid d) bevat een voorbehoud met betrekking tot het verstrekken van bepaalde inlichtingen van vertrouwelijke aard. Er moet geen te ruime betekenis aan het begrip "geheim", waarvan sprake in het genoemde lid, worden gegeven. Alvorens zich op deze bepaling te beroepen, moet een overeenkomstsluitende Staat zorgvuldig nagaan of de belangen van de belastingplichtige de toepassing ervan werkelijk rechtvaardigen. Zo niet, ligt het voor de hand dat in geval van een te ruime interpretatie van deze bepaling, de uitwisseling van gegevens zoals voorzien is in het Verdrag in heel wat gevallen zonder uitwerking zou blijven.

Lid e) dat de mogelijkheid biedt bijstand te weigeren omdat de belastingheffing in de verzoekende Staat in strijd is met "algemeen aanvaarde beginselen van belastingheffing", kan worden ingeroepen wanneer de aangezochte Staat van mening is dat deze belastingheffing de aard van een inbeslagneming heeft of ook dat de toegepaste sanctie op een fiscale inbreuk, overdreven is. Een weigering op basis van dergelijke bepaling zal evenwel niet dikwijls voorkomen. Dit geldt ook voor de bepaling in lid b). Het tweede deel van lid e) maakt het mogelijk bijstand te weigeren indien de belastingheffing in strijd is met de bepalingen van een overeenkomst (b.v. een Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting) die de aangezochte Staat heeft gesloten met de verzoekende Staat.

Lid f) beoogt een ongelijke behandeling van belastingplichtigen, enkel omwille van een verschil in nationaliteit, te vermijden.

Art. 22 - Geheimhouding

Inlichtingen die door een overeenkomstsluitende Staat worden meegedeeld aan een andere overeenkomstsluitende Staat moeten worden geheim gehouden. Om een maximale geheimhouding te garanderen bepaalt art. 22, § 1 dat het meest beperkende beroepsgeheim - hetzij van de Staat die de inlichtingen verkrijgt, hetzij van de Staat die ze verstrekt - van toepassing is.

Overeenkomstig art. 22, § 2 kunnen alleen bepaalde personen en autoriteiten (met inbegrip van rechterlijke instanties en administratieve of toezichthoudende lichamen) toegang krijgen tot inlichtingen uit het buitenland en gemachtigd zijn die te gebruiken. Het gaat over personen en autoriteiten die instaan voor:

  • de vestiging, de heffing of de invordering van belastingen;
  • de tenuitvoerlegging of de vervolging terzake van belastingen;
  • de beslissing in beroepszaken met betrekking tot belastingen.
Die personen en autoriteiten mogen van de inlichtingen enkel gebruik maken voor de hiervoor vermelde doeleinden.

Indien zij die inlichtingen tijdens openbare rechtszittingen willen gebruiken of in rechterlijke beslissingen met betrekking tot belastingen, moet de voorafgaande toestemming van de autoriteit die de inlichtingen heeft verstrekt worden gevraagd.

Het is zo dat de verkregen inlichtingen naast de personen die uitdrukkelijk in deze paragraaf worden vermeld, ook kunnen worden doorgegeven aan de belastingplichtige of aan zijn vertegenwoordiger . Inzake invordering kunnen de inlichtingen worden meegedeeld aan elke persoon bij wie de belasting moet worden ingevorderd, maar enkel in de mate dat die mededeling noodzakelijk is voor de invordering.

Omwille van de grote verscheidenheid van de in het Verdrag bedoelde belastingen, moet worden benadrukt dat de inlichtingen die een belastingadministratie verkrijgt kunnen worden verstrekt aan een andere belastingadministratie van dezelfde Staat mits deze laatste ook belast is met de vestiging, heffing of invordering van een in het Verdrag bedoelde belasting. Bijvoorbeeld : inlichtingen verkregen door de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit (AOW) mogen worden overgemaakt aan de Administratie van het kadaster, registratie en domeinen (AKRED), aan de Administratie der douane en accijnzen [De Administratie der douane en accijnzen mag evenwel de inlichtingen inzake douanerechten niet gebruiken omdat deze niet in het Verdrag zijn bedoeld.], aan de Administratie van de invordering of aan de Administratie van de bijzondere belastinginspectie (BBI) aangezien al die administraties betrokken zijn bij de vestiging of invordering van belastingen waarop België het Verdrag toepast (cf. art. 2). Hierdoor kan men een "opdeling van inlichtingen" voorkomen die vaak de uitwisseling van inlichtingen (afkomstig uit het buitenland) tussen belastingadministraties van eenzelfde land in de weg staat.

De hiervoor genoemde mogelijkheid wordt in art. 22, § 3 enigszins beperkt. Deze paragraaf verbiedt immers dat van een inlichting die werd verkregen door een Staat gebruik zou worden gemaakt ten aanzien van een belasting opgenomen in een categorie waarop voorbehoud is gemaakt, hetzij door de Staat die de inlichting heeft meegedeeld, hetzij door de Staat die de inlichting heeft verkregen.

Voorbeelden: - De AOIF stuurt een fiche 281.50 naar de Nederlandse administratie betreffende commissies verkregen door een inwoner van Nederland. Nederland gebruikt die inlichting om de belastbare grondslag van de belastingplichtige inzake inkomsten belastingen te verifiëren. Deze inlichting zou eveneens inzake BTW kunnen dienen, maar ze mag door de Nederlandse administratie niet voor deze belasting worden gebruikt, omdat Nederland voorbehoud heeft gemaakt voor de categorie van belastingen als bedoeld in art. 2, § 1, b, iii, C "algemene belastingen op goederen en diensten, zoals belastingen over de toegevoegde waarde of omzetbelasting".

- Indien de Nederlandse administratie een gelijkaardige inlichting stuurt naar de Belgische administratie, mag deze inlichting gebruikt worden inzake IB maar niet inzake BTW, hoewel België inzake BTW geen voorbehoud heeft gemaakt. Het Nederlandse voorbehoud inzake BTW verhindert het gebruik van de inlichting voor de Belgische BTW. - De Verenigde Staten mogen inlichtingen die België heeft meegedeeld niet gebruiken voor de vaststelling van Amerikaanse sociale zekerheidsbijdragen, omdat België voorbehoud heeft gemaakt voor deze categorie. Het ligt voor de hand dat België omwille van datzelfde voorbehoud een inlichting inzake sociale zekerheid verkregen van een andere Staat niet mag gebruiken. In bepaalde gevallen is het dus verboden inlichtingen verkregen uit het buitenland aan een andere dienst of aan een andere belastingadministratie mee te delen. Dit verbod heeft evenwel enkel betrekking op de inlichtingen zelf en niet op de inkomsten die, in voorkomend geval, konden worden gewijzigd dankzij de verkregen inlichtingen.

Art. 22, § 4 maakt het mogelijk verkregen inlichtingen te gebruiken voor andere doeleinden dan voor die vermeld in § 2 - b.v. voor niet-fiscale doeleinden - op de dubbele voorwaarde dat :

  • de wetgeving van de Staat die de inlichting verstrekt en die van de Staat die ze verkrijgt een dergelijk gebruik toestaan;
  • de bevoegde autoriteit van de Staat die de inlichting heeft verstrekt de uitdrukkelijke toestemming voor dat gebruik heeft verleend.
Paragraaf 4 staat eveneens toe dat inlichtingen die door een Staat worden meegedeeld aan een andere Staat zouden worden doorgegeven aan een derde Staat. Ook hier moet de Staat die in eerste instantie de inlichtingen heeft verstrekt voorafgaande toestemming verlenen.

Art. 23 - Rechtsgedingen Dit artikel bepaalt in welke Staat de belastingplichtige een rechtsgeding aanhangig kan maken tegen een door de bevoegde autoriteit van een van beide Staten genomen maatregel : het rechtsgeding moet aanhangig worden gemaakt bij de instanties van de aangezochte Staat of van de verzoekende Staat afhankelijk van de Staat die de betwiste maatregel heeft genomen. Bijvoorbeeld : een belastingplichtige wil zich verzetten tegen de invordering van een belasting die door de ene Staat is gevestigd en door de andere Staat wordt ingevorderd. Als de belastingplichtige het bestaan zelf van de belastingschuld betwist of de opeisbaarheid ervan, maakt hij het rechtsgeding aanhangig bij de instanties van de Staat die de belasting heeft gevestigd (verzoekende Staat) (art. 23, § 2); indien hij daarentegen de invorderingsmaatregelen betwist, moet het rechtsgeding aanhangig worden gemaakt bij de instanties van de Staat die deze maatregelen heeft genomen (aangezochte Staat) (art. 23, § l).

Beide Staten lichten elkaar in over de door belastingplichtigen op hun respectievelijke grondgebieden aanhangig gemaakte betwistingen, over de genomen beslissingen en over de gevolgen daarvan voor het verzoek om bijstand.

VI. BIJZONDERE BEPALINGEN Art. 24 - Tenuitvoerlegging van het Verdrag

De overeenkomstsluitende Staten stellen zich met elkaar in verbinding door tussenkomst van hun onderscheiden bevoegde autoriteiten. Een gedetailleerde lijst van de Belgische bevoegde autoriteiten is in bijlage 3 opgenomen. Alle contacten met de bevoegde autoriteiten van de andere Partijen bij het Verdrag gebeuren door tussenkomst van de diensten en personen op deze lijst. De bevoegde autoriteiten kunnen evenwel voor een aantal bevoegdheden ondergeschikte diensten of ambtenaren machtigen namens hen op te treden. Dergelijke machtiging is zonder twijfel onmisbaar voor bepaalde vormen van bijstand zoals b.v. de gelijktijdige belastingcontroles of belastingcontroles in het buitenland. De machtiging moet steeds schriftelijk worden gedaan.

De bevoegde autoriteiten kunnen administratieve akkoorden sluiten voor het vastleggen van de toepassingsmodaliteiten van het Verdrag en de terzake te eerbiedigen formaliteiten. Dergelijke akkoorden zullen b.v. handelen over het soort inlichtingen waarvoor twee of meerdere Staten zich ertoe verbinden automatisch uit te wisselen, over de bij een controle in het buitenland te eerbiedigen procedure, over de regeling voor ingevorderde schuldvorderingen door een Staat ten gunste van een andere Staat enz. Een administratief akkoord inzake de aanwezigheid van belastingambtenaren van de ene Staat op het grondgebied van de andere Staat werd reeds op 3.6.1998 (BS van 14.7.1998) gesloten tussen de Belgische en Nederlandse administratie. Een afschrift van genoemd akkoord is in bijlage 4 opgenomen.

Art. 24, § 2 regelt de gevallen waarbij de toepassing van het Verdrag in een welbepaald geval ernstige en onwenselijke gevolge zou hebben, b.v. op sociaal of economisch vlak. Voor deze gevallen bepaalt § 2 dat de Staten elkaar moeten raadplegen om het geval in onderling overleg op te lossen.

Overeenkomstig art. 24, § 3 wordt het toezicht op de tenuitvoerlegging van het Verdrag toevertrouwd aan een lichaam opgericht onder de auspiciën van de OESO. Dit coördinerend lichaam kan op vraag van een Partij adviezen geven over interpretatieproblemen van het Verdrag (art. 24, § 4). In § 5 wordt aan de bevoegde autoriteiten van twee of meerdere Staten de mogelijkheid geboden om in onderling overleg moeilijkheden of twijfels aangaande de tenuitvoerlegging of interpretatie van het Verdrag op te lossen.

Art. 25 - Talen Verzoeken om bijstand en antwoorden daarop moeten in één van de officiële talen van de OESO en van de Raad van Europa worden gesteld (d.w.z. in het Engels of in het Frans) of in iedere andere taal waarover de Staten overeenstemming hebben bereikt. Er zal met de bevoegde autoriteiten van Nederland een overeenkomst worden gesloten om op basis van het Verdrag in het Nederlands te corresponderen.

Art. 26 - Kosten Gewone kosten gemaakt door de aangezochte Staat in verband met het verlenen van bijstand worden gedragen door deze Staat. Deze kosten stemmen overeen met de kosten die een Staat normaliter maakt om inlichtingen te verkrijgen die nodig zijn om zijn interne recht toe te passen of om een nationale belasting in te vorderen.

Buitengewone kosten worden gedragen door de verzoekende Staat. Onder buitengewone kosten moet worden verstaan de kosten gemaakt bij een bijzondere procedure, expertise alsmede de schadevergoedingen die de aangezochte Staat had moeten betalen aan de belastingplichtige naar aanleiding van maatregelen genomen op vraag van de verzoekende Staat. Alvorens een procedure te starten die buitengewone kosten met zich meebrengt, pleegt de aangezochte Staat overleg met de verzoekende Staat.

Art. 27 - Andere internationale overeenkomsten of regelingen In art. 27, § 1 is uitdrukkelijk bepaald dat de mogelijkheden van bijstand waarin het Verdrag voorziet, geen beperking scheppen voor en evenmin worden beperkt door mogelijkheden vervat in andere internationale overeenkomsten, regelingen, of andere akten in verband met samenwerking in fiscale aangelegenheden tussen de betrokken Partijen. Deze bepaling maakt het voor de Staten mogelijk gebruik te maken van de terzake meest geschikte akte. Indien in de praktijk twee Staten zowel Partij zijn bij het verdrag inzake wederzijdse bijstand als bij een andere overeenkomst, formuleert de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat zijn verzoek, waarbij hij verwijst naar de overeenkomst waarvan hij de beste resultaten verwacht.

Niettegenstaande dit principe passen de Partijen die lid zijn van de Europese Unie in hun onderlinge betrekkingen de gemeenschappelijke regels toe die van kracht zijn binnen de EU en passen ze bijgevolg slechts de regels van het Verdrag toe in de mate dat er geen enkele gemeenschappelijke regel over hetzelfde onderwerp bestaat.

Art. 29 - Territoriale toepassing Overeenkomstig art. 29 kunnen Staten aangeven op welk grondgebied of op welke grondgebieden het Verdrag van toepassing zal zijn. Vijf Staten hebben dergelijke verklaring afgelegd.

- Denemarken : het Verdrag is van toepassing op het Koninkrijk Denemarken, met inbegrip van de territoriale zee van Denemarken alsmede elke andere maritieme zone waarin Denemarken overeenkomstig het internationaal recht, soevereine rechten uitoefent van onderzoek en ontginning van natuurlijke rijkdommen. Het Verdrag is ook van toepassing op Groenland, maar niet op de Faeröer. - Verenigde Staten : het Verdrag is van toepassing op de Verenigde Staten van Amerika, met inbegrip van Portorico, de Maagdeneilanden (VSA), de Amerikaanse Samoa-eilanden, Guam, het Gemenebest der Noordelijke Marianen en eik ander grondgebied of elke andere bezitting van de Verenigde Staten. - IJsland : het Verdrag is van toepassing op de Republiek IJsland met inbegrip van het aan de territoriale zee van IJsland grenzend gebied, waarin IJsland overeenkomstig het internationaal recht, soevereine rechten mag uitoefenen van onderzoek en ontginning van natuurlijke rijkdommen. - Nederland : het Verdrag is van toepassing op het Koninkrijk der Nederlanden (in Europa) en in principe op de Nederlandse Antillen en Aruba. Voor de twee laatste grondgebieden is het Verdrag enkel van toepassing op de Partijen bij het Verdrag inzake wederzijdse bijstand die met Nederland een Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting inzake belastingen naar het inkomen hebben gesloten die van toepassing is op de Nederlandse Antillen en/of op Aruba en die bepalingen bevat inzake de uitwisseling van inlichtingen. Aangezien de Belgisch-Nederlandse Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting noch van toepassing is op de Antillen noch op Aruba, heeft de uitbreiding van de werkingssfeer van het Verdrag inzake wederzijdse bijstand tot die twee grondgebieden voor België geen betekenis. - Noorwegen : het Verdrag is van toepassing op het Koninkrijk Noorwegen, met inbegrip van eik gebied buiten de territoriale wateren van Noorwegen waarover Noorwegen, in overeenstemming met het internationale recht, zijn rechten met betrekking tot de zeebodem en de ondergrond en de natuurlijke rijkdommen ervan mag uitoefenen. Het Verdrag is niet van toepassing op Svalbard, Jan Mayen of de van Noorwegen afhankelijke gebieden ("biland"). Art. 30 - Voorbehoud

Overeenkomstig artikel 30, § 1 van het Verdrag kunnen de Partijen zich het recht voorbehouden om geen bijstand te verlenen aan de andere Partijen ten aanzien van :

  • bepaalde categorieën van belastingen;
  • bepaalde vormen van bijstand, zoals b.v. bijstand bij de invordering, hetzij voor alle belastingen, hetzij slechts voor belastingen in één of meerdere categorieën;
  • belastingen die reeds verschuldigd waren op de datum van de inwerkingtreding van het Verdrag ten aanzien van een Staat.
Een Staat kan natuurlijk geen voorbehoud maken ten aanzien van een categorie van belastingen waarvoor hij in bijlage A eigen belastingen heeft opgenomen (d.w.z. de lijst van belastingen waarvoor hij de toepassing van het Verdrag wenst). Voorbehoud is ook niet mogelijk voor de belastingen bedoeld in art. 2, § 1, a. Het gaat om belastingen naar het inkomen of naar de winst, naar vermogenswinst en naar het nettovermogen, geheven ten behoeve van de centrale Staat van een Partij. Administratieve bijstand voor deze categorie van belastingen wordt immers aangemerkt als een minimale vereiste om tot het Verdrag toe te treden.

Het voorbehoud van de Partijen met betrekking tot de verschillende categorieën van belastingen wordt in de tabel hieronder opgenomen.

BELASTINGEN WAAROP HET VERDRAG VAN TOEPASSING ISVOORBEHOUD [Het voorbehoud van Nederland heeft slechts betrekking op Nederland in Europa.]
Art. 2, § 1, ai. belastingen naar het inkomen of naar de winst, ii. belastingen naar vermogenswinst die afzonderlijk van de belasting naar het inkomen of naar de winst worden geheven,

iii. belastingen naar het nettovermogen, die worden geheven ten behoeve van een partij;
Krachtens art. 30, § 1, a) is voorbehoud niet mogelijk
Art. 2, § 1, bi. belastingen naar het inkomen, naar de winst of naar
vermogenswinst of naar het nettovermogen, die worden
geheven ten behoeve van de staatkundige onderdelen of
plaatselijke gemeenschappen van een Partij, ii. verplichte premies of bijdragen voor de sociale
zekerheid te betalen aan de centrale overheid of aan
publiekrechtelijke instellingen voor sociale zekerheid, en

iii. andere categorieën van belastingen, behalve
douanerechten, die worden geheven ten behoeve van een
Partij, te weten :

A. successie- en schenkingsrechten,

B. belastingen op onroerend goed,

C. algemene belastingen op goederen en diensten, zoals
belastingen over de toegevoegde waarde of
omzetbelasting,

D. specifieke belastingen op goederen en diensten, zoals
accijnzen,

E. belastingen op het gebruik of het bezit van
motorrijtuigen,

F. belastingen op het gebruik of het bezit van roerende
goederen andere dan motorrijtuigen,

G. alle andere belastingen,

iv. belastingen in de hierboven onder (iii) genoemde
categorieën die worden geheven ten behoeve van
staatkundige onderdelen of plaatselijke gemeenschappen
van een Partij.
Nederland, Polen, Verenigde Staten



België







Geen

België, Nederland

Nederland



Nederland


België, Nederland


België, Nederland


België, Nederland

België (categorieën B, C, D, E, F, G), Nederland (alles), Polen (alles), Verenigde Staten (alles).


BELGIE behoudt zich bovendien het recht voor om geen enkele bijstand te verlenen voor belastingvorderingen die reeds bestaan op de dag dat het Verdrag voor België in werking treedt, d.w.z. belastingvorderingen die bestaan vóór 1 december 2000.

POLEN en de VERENIGDE STATEN verlenen geen enkele bijstand voor de invordering van belastingvorderingen of van administratieve boetes.

NEDERLAND, POLEN en de VERENIGDE STATEN verlenen geen enkele bijstand inzake betekening van documenten. Dit voorbehoud geldt niet voor de betekening van een document per post als bedoeld in art. 17, § 3.

DENEMARKEN, FINLAND, IJSLAND, NOORWEGEN en ZWEDEN hebben geen enkel voorbehoud gemaakt.

Indien een Staat een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van een bepaling van het Verdrag (een categorie belastingen of een vorm van bijstand), kan hij niet van een andere Partij verlangen dat zij die bepaling toepast (art. 30, § 5). België zal bijvoorbeeld geen bijstand kunnen vragen van een andere Staat voor de verkeersbelasting, aangezien België voorbehoud heeft gemaakt voor de categorie als bedoeld in art. 2, § 1, b, iii, E "belastingen op het gebruik of het bezit van motorrijtuigen ".

Een Staat mag tevens geen gebruik maken van een inlichting verkregen van een andere Staat voor de vestiging of de invordering van een belasting die is opgenomen in een categorie waarvoor een van beide Staten voorbehoud heeft gemaakt (zie de toelichting bij art. 22, § 3).

Bijlage 1

VERDRAG VAN DE RAAD VAN EUROPA EN DE OESO INZAKE WEDERZIJDSE ADMINISTRATIEVE BIJSTAND IN FISCALE AANGELEGENHEDEN

PREAMBULE De lidstaten van de Raad van Europa en de Lidstaten van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OESO) die dit Verdrag hebben ondertekend,

Overwegend dat de ontwikkeling van het internationale verkeer van personen, kapitaal, goederen en diensten - hoewel deze op zich zeer gunstig is - de mogelijkheden tot het ontgaan van belasting en belastingontduiking heeft vergroot, en derhalve toenemende samenwerking tussen de belastingautoriteiten vereist;

Verheugd over de verschillende inspanningen die de laatste jaren zijn verricht, bilateraal dan wel multilateraal, om het ontgaan van belasting en belastingontduiking op internationaal niveau tegen te gaan;

Overwegend dat een gezamenlijke inspanning van de Staten nodig is ter bevordering van alle vormen van administratieve bijstand in fiscale aangelegenheden, voor belastingen van iedere soort, terwijl tegelijkertijd passende bescherming van de rechten van belastingplichtigen wordt verzekerd;

Erkennend dat internationale samenwerking een belangrijke rol kan spelen bij het vergemakkelijken van de juiste vaststelling van de belastingverplichtingen en bij het helpen van de belastingplichtige opdat diens rechten worden geëerbiedigd;

Overwegend dat de fundamentele beginselen, waardoor iedere persoon bij de vaststelling van zijn rechten en verplichtingen aanspraak kan maken op een behoorlijke wettelijke procedure, dienen te worden erkend als van toepassing op fiscale aangelegenheden in alle Staten, en dat de Staten ernaar dienen te streven de legitieme belangen van de belastingplichtige te beschermen, door hem met name passende bescherming te bieden tegen discriminatie en dubbele belasting;

Er derhalve van overtuigd dat Staten geen maatregelen dienen uit te voeren of inlichtingen dienen te verstrekken tenzij dit in overeenstemming is met hun nationale wetgeving en praktijk, gelet op de noodzaak van het beschermen van de vertrouwelijkheid van inlichtingen, en rekening houdend met internationale akten ter bescherming van de privacy en de stromen van persoonlijke gegevens;

Geleid door de wens een verdrag te sluiten inzake wederzijdse administratieve bijstand in fiscale aangelegenheden,

Zijn het volgende overeengekomen : HOOFDSTUK I : Werkingssfeer van het verdrag

Artikel 1 : Doel van het Verdrag en personen op wie het van toepassing is

1 . De Partijen verlenen elkaar, behoudens de bepalingen van Hoofdstuk IV, administratieve bijstand in fiscale aangelegenheden. Deze bijstand kan, indien van toepassing, door rechterlijke instanties genomen maatregelen omvatten. 2. Deze administratieve bijstand omvat :

a) uitwisseling van inlichtingen, met inbegrip van gelijktijdige belastingcontrole en deelname aan belastingcontroles in het buitenland; b) invordering van belastingvorderingen met inbegrip van conservatoire maatregelen; en c) betekening van documenten.

3. Een Partij verleent administratieve bijstand ongeacht of de betrokkene een inwoner of onderdaan van een Partij of van een andere Staat is.

Artikel 2 : Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op : a) de volgende belastingen :

i. belastingen naar het inkomen of naar de winst,

ii. belastingen naar vermogenswinst die afzonderlijk van de belasting naar het inkomen of naar de winst worden geheven,

iii. belastingen naar het nettovermogen,

die worden geheven ten behoeve van een Partij; en

b) de volgende belastingen :

i. belastingen naar het inkomen, naar de winst, naar vermogenswinst of naar het nettovermogen die worden geheven ten behoeve van staatkundige onderdelen of plaatselijke gemeenschappen van een Partij, ii. verplichte premies of bijdragen voor de sociale zekerheid, te betalen aan de centrale overheid of aan publiekrechtelijke instellingen voor sociale zekerheid, en

iii. andere categorieën belastingen, behalve douanerechten, die worden geheven ten behoeve van een Partij, te weten :
  • A. successie- en schenkingsrechten,
  • B. belastingen op onroerend goed,
  • D. specifieke belastingen op goederen en diensten, zoals accijnzen,
  • E. belastingen op het gebruik of het bezit van motorrijtuigen,
  • F. belastingen op het gebruik of het bezit van roerende goederen andere dan motorrijtuigen,
  • G. alle andere belastingen.
iv. belastingen in de hierboven onder (iii) genoemde categorieën die worden geheven ten behoeve van staatkundige onderdelen of plaatselijke gemeenschappen van een Partij.

2. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn in Bijlage A opgesomd volgens de in het eerste lid genoemde categorieën. 3. De Partijen stellen de Secretaris-generaal van de Raad van Europa of de Secretaris- generaal van de OESO (hierna te noemen de "depositarissen") in kennis van iedere wijziging die dient te worden aangebracht in Bijlage A als gevolg van een aanpassing van de in het tweede lid bedoelde lijst, Een zodanige wijziging wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van een desbetreffende kennisgeving door de depositaris.

4. Dit Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen, vanaf de datum waarop zij zijn ingevoerd, die in een Partij na de inwerkingtreding van het Verdrag ten aanzien van die Partij worden geheven naast of in plaats van de in Bijlage A opgesomde bestaande belastingen. In dat geval stelt de betrokken Partij één van de depositarissen ervan in kennis dat de belasting in kwestie is ingevoerd.

HOOFDSTUK II : Algemene bepalingen Artikel 3: Begripsbepalingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij het zinsverband anders vereist :

a) betekenen de uitdrukkingen "verzoekende Staat" en "aangezochte Staat" respectievelijk een Partij die verzoekt om administratieve bijstand in fiscale aangelegenheden en een Partij die een verzoek om verlening van zodanige bijstand ontvangt; b) betekent de uitdrukking "belasting" : iedere belasting of iedere premie of bijdrage voor de sociale zekerheid waarop het Verdrag van toepassing is ingevolge artikel 2; c) betekent de uitdrukking "belastingvordering" : eik bedrag aan belasting evenals de interest, administratieve boeten en kosten van invordering met betrekking tot die belasting, die zijn verschuldigd en nog niet zijn betaald; d) betekent de uitdrukking "bevoegde autoriteit" : de in Bijlage B opgesomde personen en autoriteiten; e) betekent de uitdrukking "onderdanen", met betrekking tot een Partij :

  • i. alle natuurlijke personen die de nationaliteit van die Partij bezitten, en
  • ii. alle rechtspersonen, personenvennootschappen, verenigingen en andere eenheden die hun rechtspositie als zodanig ontlenen aan de wetgeving die in die Partij van kracht is.
Voor iedere partij die met dat doel een verklaring heeft afgelegd, krijgen de hierboven gebruikte uitdrukkingen de betekenis zoals omschreven in Bijlage C. 2. Voor de toepassing van het Verdrag door een Partij heeft, tenzij het zinsverband anders vereist, elke niet erin omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van die Partij met betrekking tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is.

3. De Partijen stellen één van de depositarissen in kennis van iedere wijziging die dient te worden aangebracht in de Bijlagen B en C. Een zodanige wijziging wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van een zodanige kennisgeving door de desbetreffende depositaris.

HOOFDSTUK III : Vormen van bijstand

Deel 1 : Uitwisseling van inlichtingen

Artikel 4 : Algemene bepaling

1. De Partijen wisselen alle inlichtingen uit, met name zoals voorzien in dit deel, waarvan te voorzien is dat zij van belang zijn voor :
a) de heffing en inning van belasting, de invordering van belastingvorderingen en de daarop betrekking hebbende uitvoeringsmiddelen, en b) administratiefrechtelijke vervolging of het initiëren van strafrechtelijke vervolging.
Inlichtingen waarvan het niet waarschijnlijk is dat zij van belang zijn voor deze doeleinden worden niet uitgewisseld krachtens dit Verdrag.

2. Een Partij kan de krachtens dit Verdrag verkregen inlichtingen slechts ais bewijsmateriaal voor een strafrechter gebruiken indien hiertoe vooraf toestemming is verleend door de Partij die de inlichtingen heeft verstrekt. Twee of meer Partijen kunnen echter overeenkomen af te zien van de voorwaarde van voorafgaande toestemming.

3. Door middel van een verklaring aan één van de depositarissen kan iedere Partij erop wijzen dat, in overeenstemming met haar interne wetgeving, haar autoriteiten een inwoner of onderdaan van die Partij op de hoogte kunnen brengen vooraleer zij de inlichtingen betreffende deze persoon, in overeenstemming met de artikelen 5 en 7, verstrekken.

Artikel 5 : Uitwisseling van inlichtingen op verzoek

1 . Op verzoek van de verzoekende Staat verstrekt de aangezochte Staat aan de verzoekende Staat alle in artikel 4 bedoelde inlichtingen die betrekking hebben op bepaalde personen of transacties.

2. Indien de inlichtingen die voorhanden zijn in de belastingdossiers van de aangezochte Staat niet voldoende zijn om deze in staat te stellen aan het verzoek om inlichtingen te voldoen, neemt die Staat alle passende maatregelen om de verzoekende Staat de gevraagde inlichtingen te verstrekken.

Artikel 6 : Automatische uitwisseling van inlichtingen

Ten aanzien van categorieën van gevallen en in overeenstemming met procedures die zij in onderlinge overeenstemming vaststellen, wisselen twee of meer Partijen automatisch de in artikel 4 bedoelde inlichtingen uit. Artikel 7 : Spontane uitwisseling van inlichtingen Een partij deelt, zonder voorafgaand verzoek, inlichtingen waarvan zij kennis draagt mee aan een andere Partij, in de volgende situaties :
a) de eerstbedoelde Partij heeft redenen om te vermoeden dat in de andere Partij een abnormale vrijstelling of vermindering van belasting bestaat;

b) een belastingplichtige verkrijgt een belastingvermindering of een vrijstelling van belasting in de eerstbedoelde Partij die voor hem een verhoging van belasting of belastingheffing zou moeten meebrengen in de andere Partij; c) transacties tussen een belastingplichtige in de ene Partij en een belastingplichtige in de andere Partij worden over één of meer andere landen geleid op zodanige wijze dat hieruit een belastingbesparing kan voortvloeien in één van beide of in beide Partijen; d) een Partij heeft redenen om te vermoeden dat belastingbesparing kan ontstaan door kunstmatige winstverschuivingen binnen groepen van ondernemingen; e) inlichtingen, verstrekt aan een Partij door een andere Partij, hebben het mogelijk gemaakt dat inlichtingen worden verkregen die van nut kunnen zijn bij het vaststellen van de belastingschuld in de laatstbedoelde Partij.
2. Elke Partij neemt de maatregelen en legt de procedures ten uitvoer die noodzakelijk zijn om te verzekeren dat de in het eerste lid beschreven inlichtingen beschikbaar worden gesteld om aan een andere Partij te worden toegezonden. Artikel 8 : Gelijktijdige belastingcontroles Op verzoek van één van hen plegen twee of meer Partijen onderling overleg ten einde te bepalen welke gevallen worden onderworpen aan gelijktijdige belastingcontroles en de daartoe te volgen procedures vast te leggen. Elke betrokken Partij beslist per geval of zij al dan niet deelneemt aan een gelijktijdige belastingcontrole. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder een gelijktijdige belastingcontrole verstaan een regeling tussen twee of meer Partijen om gelijktijdig, elke Partij op haar eigen grondgebied, de fiscale toestand van een persoon of personen te onderzoeken waarbij zij een gemeenschappelijk belang of verwante belangen hebben, ten einde alle van belang zijnde inlichtingen die zij aldus verkrijgen, uit te wisselen.

Artikel 9 : Belastingcontroles in het buitenland

1 . Op verzoek van de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat kan de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat toestaan aanwezig te zijn bij het voor die Staat van belang zijnde gedeelte van een belastingcontrole in de aangezochte Staat.

2. Indien het verzoek wordt ingewilligd, stelt de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat zo spoedig mogelijk in kennis van het tijdstip en de plaats van de controle, de autoriteit of de ambtenaar die is aangewezen om de controle te verrichten, evenals van de te volgen procedures en de voorwaarden gesteld door de aangezochte Staat voor het verrichten van de controle. Alle beslissingen met betrekking tot het verrichten van de belastingcontrole worden genomen door de aangezochte Staat.

3. Een Partij kan één van de depositarissen haar voornemen meedelen om verzoeken zoals bedoeld in het eerste lid in de regel niet te aanvaarden. Een zodanige verklaring kan te allen tijde worden afgelegd of ingetrokken.

Artikel 10 : Tegenstrijdige inlichtingen

Indien een Partij van een andere Partij inlichtingen over de fiscale toestand van een persoon ontvangt die klaarblijkelijk in strijd zijn met inlichtingen waarover zij beschikt, deelt zij dit mede aan de Partij die de inlichtingen heeft verstrekt.

Deel II : lnvorderingsbijstand

Artikel 11 : De invordering van belastingvorderingen

1 . Op verzoek van de verzoekende Staat onderneemt de aangezochte Staat, onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 14 en 15, de nodige stappen om de belastingvorderingen van de eerstbedoelde Staat in te vorderen alsof het zijn eigen belastingvorderingen betrof.

2. De bepalingen van het eerste lid zijn slechts van toepassing op de belastingvorderingen die in de verzoekende Staat het onderwerp uitmaken van een uitvoerbare titel en, tenzij anders overeengekomen tussen de betrokken Partijen, niet worden betwist.

Indien de vordering echter een persoon betreft die geen inwoner van de verzoekende Staat is, is het eerste lid slechts van toepassing indien de vordering niet langer kan worden betwist, tenzij anders overeengekomen tussen de betrokken Partijen.

3. De verplichting om bijstand te verlenen bij het invorderen van de belastingvorderingen betreffende een overledene of zijn nalatenschap is beperkt tot de waarde van de nalatenschap of van de goederen verkregen door iedere begunstigde van de nalatenschap, naargelang de belastingvordering dient te worden ingevorderd uit de nalatenschap of bij de erfgenamen.

Artikel 12 : Conservatoire maatregelen

Op verzoek van de verzoekende Staat neemt de aangezochte Staat, met het oog op de invordering van een belastingbedrag, conservatoire maatregelen zelfs indien de vordering wordt betwist of nog geen onderwerp uitmaakt van een uitvoerbare titel.

Artikel 13 : Documenten waarvan het verzoek vergezeld gaat

1 . Het verzoek om administratieve bijstand krachtens dit deel gaat vergezeld van :

a) een verklaring dat de belastingvordering een belasting betreft waarop dit Verdrag van toepassing is en onder voorbehoud van artikel 11, tweede lid, zij niet wordt betwist of niet kan worden betwist, met betrekking tot de invordering; b) een officieel afschrift van de uitvoerbare titel in de verzoekende Staat, en

c) ieder ander document dat vereist is voor invordering of conservatoire maatregelen.

2. De uitvoerbare titel in de verzoekende Staat wordt, indien passend en in overeenstemming met de in de aangezochte Staat van kracht zijnde bepalingen, zo spoedig mogelijk na de datum van ontvangst van het verzoek om bijstand aanvaard, erkend of aangevuld, dan wel vervangen door een uitvoerbare titel in de aangezochte Staat.

Artikel 14 : Termijnen 1. Vragen betreffende de verjaringstermijn inzake invordering vallen onder de wetgeving van de verzoekende Staat. Het verzoek om bijstand geeft bijzonderheden aangaande deze verjaringstermijn.

2. De daden van invordering die ten gevolge van een vraag om bijstand door de aangezochte Staat zijn gesteld, en overeenkomstig de wetgeving van die Staat de schorsing of stuiting van de verjaringstermijn tot gevolg zouden hebben, hebben dezelfde uitwerking met betrekking tot de wetgeving van de verzoekende Staat. De aangezochte Staat stelt de verzoekende Staat in kennis van de daartoe genomen maatregelen.

3. De aangezochte Staat is in geen enkel geval verplicht te voldoen aan een verzoek om bijstand dat wordt ingediend na het verstrijken van een periode van 15 jaar vanaf de datum van de uitvoerbare titel.

Artikel 15 : Voorrechten

De belastingvordering waarvoor een invorderingsbijstand wordt verleend, geniet in de aangezochte staat geen enkel voorrecht dat in deze Staat speciaal verbonden is aan belastingvorderingen, zelfs indien de toegepaste invorderingsprocedure deze is die van toepassing is met betrekking tot zijn eigen belastingvorderingen.

Artikel 16 : Uitstel van betaling

De aangezochte Staat kan uitstel van betaling of betaling in termijnen toestaan indien zijn wetgeving of zijn administratieve praktijk dit toestaat in soortgelijke omstandigheden, echter niet zonder de verzoekende Staat hiervan eerst mededeling te doen.

Deel III : Betekening van documenten

Artikel 17 : Betekening van documenten

1. Op verzoek van de verzoekende Staat betekent de aangezochte Staat documenten aan de geadresseerde, met inbegrip van documenten betreffende rechterlijke beslissingen, die afkomstig zijn van de verzoekende Staat en verband houden met een belasting waarop dit Verdrag van toepassing is.

2. De aangezochte Staat betekent documenten :
a) volgens een door zijn nationale wetgeving voorgeschreven methode voor betekening van documenten van in wezen soortgelijke aard; b) voor zover mogelijk, volgens een bepaalde door de verzoekende Staat verzochte methode of volgens een krachtens zijn eigen wetgeving bestaande methode die de verzochte methode het dichtst benadert.
3. Een Partij kan documenten rechtstreeks per post betekenen aan een persoon die zich op het grondgebied van een andere Partij bevindt. 4. Geen enkele bepaling van dit Verdrag mag zodanig worden uitgelegd dat deze de betekening van documenten door een Partij in overeenstemming met haar wetgeving ongeldig maakt.

5. Wanneer een document wordt betekend in overeenstemming met dit artikel, behoeft het niet vergezeld te gaan van een vertaling. Indien echter met zekerheid is vastgesteld dat de geadresseerde de taal van het document niet begrijpt, treft de aangezochte Staat regelingen om het te doen vertalen of samenvatten in zijn officiële taal of één van zijn officiële talen. Een andere mogelijkheid is dat de aangezochte Staat de verzoekende Staat vraagt het document te doen vertalen in of vergezeld te doen gaan van een samenvatting in één van de officiële talen van de aangezochte Staat, de Raad van Europa of de OESO.

HOOFDSTUK IV : Bepalingen betreffende alle vormen van bijstand

Artikel 18 : Inlichtingen die dienen te worden verstrekt door de verzoekende Staat 1 . Een verzoek om bijstand preciseert voorzover dat nodig is :
a) de autoriteit of instantie waarvan het door de bevoegde autoriteit ingediende verzoek afkomstig is;

b) de naam, het adres en overige bijzonderheden die bijdragen aan de identificatie van de persoon op wie het verzoek betrekking heeft; c) in geval van een verzoek om inlichtingen, de vorm waarin de verzoekende Staat de inlichtingen bij voorkeur wenst te ontvangen; d) in geval van een verzoek om bijstand met het oog op invordering of conservatoire maatregelen, de aard van de belastingvordering, de bestanddelen van de belastingvordering en de activa waarop de belastingvordering kan worden verhaald; e) in geval van een verzoek om betekening van documenten, de aard en het onderwerp van het te betekenen document; f) of het verzoek in overeenstemming is met de wetgeving en de administratieve praktijk van de verzoekende Staat en of het verzoek gerechtvaardigd is gezien de vereisten van artikel 19.
2. Zodra de verzoekende Staat andere inlichtingen verkrijgt die verband houden met het verzoek om bijstand, zendt de verzoekende Staat deze aan de aangezochte Staat.

Artikel 19 : De mogelijkheid een verzoek af te wijzen

De aangezochte Staat is niet verplicht een verzoek in te willigen indien de verzoekende Staat niet alle op zijn eigen grondgebied beschikbare middelen heeft aangewend, tenzij aanwending van die middelen zou leiden tot onevenredige moeilijkheden.

Artikel 20 : Antwoord op het verzoek om bijstand

1 . Indien het verzoek om bijstand wordt ingewilligd, doet de aangezochte Staat de verzoekende Staat zo spoedig mogelijk mededeling van de genomen maatregelen en van het resultaat van de bijstand.

2. Indien het verzoek wordt afgewezen, doet de aangezochte Staat de verzoekende Staat zo spoedig mogelijk mededeling van deze beslissing en de reden daarvan. 3. Indien de verzoekende Staat ten aanzien van een verzoek om inlichtingen heeft aangegeven in welke vorm hij de inlichtingen wenst te ontvangen, en indien de aangezochte Staat in staat is hieraan te voldoen, verstrekt de aangezochte Staat de inlichtingen in de gevraagde vorm.

Artikel 21 : Bescherming van personen en grenzen aan de verplichting tot het verlenen van bijstand

1 . Geen enkele bepaling van dit Verdrag tast de rechten en waarborgen aan die personen hebben volgens de wetgeving of de administratieve praktijk van de aangezochte Staat.

2. Behalve in het geval van artikel 14 kunnen de bepalingen van dit Verdrag niet zodanig worden uitgelegd dat zij de aangezochte Staat de verplichting opleggen :
a) maatregelen te nemen die afwijken van zijn eigen wetgeving of administratieve praktijk of van de wetgeving of de administratieve praktijk van de verzoekende Staat;

b) maatregelen te nemen die hij strijdig acht met de openbare orde of met zijn wezenlijke belangen; c) inlichtingen te verstrekken die niet verkrijgbaar zijn volgens zijn eigen wetgeving of administratieve praktijk of krachtens de wetgeving of administratieve praktijk van de verzoekende Staat; d) inlichtingen te verstrekken die een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze zouden onthullen, of inlichtingen waarvan het verstrekken in strijd zou zijn met de openbare orde of met zijn wezenlijke belangen; e) administratieve bijstand te verlenen indien en voor zover hij de belastingheffing in de verzoekende Staat in strijd acht met algemeen aanvaarde beginselen van belastingheffing of met de bepalingen van een overeenkomst tot vermijding van dubbele belasting of van enige andere overeenkomst die de aangezochte Staat heeft gesloten met de verzoekende Staat; f) bijstand te verlenen indien de toepassing van dit Verdrag zou leiden tot discriminatie van een onderdaan van de aangezochte Staat ten opzichte van de onderdanen van de verzoekende Staat in dezelfde omstandigheden.
Artikel 22 : Geheimhouding 1 . Alle door een Partij krachtens dit Verdrag verkregen inlichtingen worden op dezelfde wijze geheim gehouden als inlichtingen die krachtens de nationale wetgeving van die Partij zijn verkregen, of krachtens de voorwaarden inzake geheimhouding die van toepassing zijn in de Partij die de inlichtingen heeft verstrekt, indien die voorwaarden meer beperkend zijn.

2. Zodanige gegevens worden in ieder geval slechts ter kennis gebracht van personen of autoriteiten (met inbegrip van rechterlijke instanties en bestuurlijke of toezichthoudende lichamen) die betrokken zijn bij de vestiging, de inning of invordering van belastingen van die Partij, of bij de tenuitvoerlegging, of de vervolging terzake van of de beslissing in beroepszaken met betrekking tot belastingen van die Partij. Alleen de bovenbedoelde personen of autoriteiten mogen van die inlichtingen gebruik maken en dan slechts voor die doeleinden. Zij mogen van deze inlichtingen, niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid, melding maken in openbare rechtszittingen of in rechterlijke beslissingen aangaande die belastingen, onder voorbehoud van de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit van de Partij die de inlichtingen heeft verstrekt; twee of meer Partijen kunnen echter onderling overeenkomen af te zien van de voorwaarde van voorafgaande toestemming.

3. Indien een Partij een voorbehoud heeft gemaakt als bedoeld in artikel 30, eerste lid, letter a), kan geen enkele andere Partij die inlichtingen van die Partij verkrijgt, gebruik maken van deze inlichtingen ten aanzien van een belasting opgenomen in een categorie waarop het voorbehoud van toepassing is. Op dezelfde wijze kan de Partij die het voorbehoud heeft geformuleerd geen gebruik maken van de krachtens dit Verdrag verkregen inlichtingen ten aanzien van een belasting opgenomen in een categorie waarop het voorbehoud van toepassing is.

4. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste, tweede en derde lid kunnen inlichtingen die een Partij heeft ontvangen, gebruikt worden voor andere doeleinden, indien die inlichtingen voor die andere doeleinden kunnen worden gebruikt krachtens de wetgeving van de Partij die de inlichtingen heeft verstrekt en indien de bevoegde autoriteit van die Partij toestemming voor dat gebruik verleent. De inlichtingen door een Partij aan een andere Partij verstrekt kunnen door de laatstbedoelde worden doorgegeven aan een derde Partij, mits de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit van de eerstbedoelde Partij.

Artikel 23 : Rechtsgedingen

1. Rechtsgedingen betreffende door de aangezochte Staat krachtens dit Verdrag genomen maatregelen worden slechts aanhangig gemaakt bij de daartoe bevoegde instantie van die Staat.

2. Rechtsgedingen betreffende door de verzoekende Staat krachtens dit Verdrag genomen maatregelen, met name die welke op het vlak van invordering, het bestaan of het bedrag van de belastingvordering, of de uitvoerbare titel betreffen, worden slechts aanhangig gemaakt bij de daartoe bevoegde instantie van die Staat. Indien zodanige rechtsgedingen aanhangig worden gemaakt, stelt de verzoekende Staat de aangezochte Staat daarvan onmiddellijk in kennis en deze schorst de procedure in afwachting van de beslissing van die instantie. De aangezochte Staat neemt echter, indien daarom wordt verzocht door de verzoekende Staat, conservatoire maatregelen om de invordering van de belastingvordering te waarborgen.
Ook betrokkenen kunnen de aangezochte Staat mededeling doen van zodanige rechtsgedingen; na ontvangst van een zodanige mededeling pleegt de aangezochte Staat, indien nodig, met de verzoekende Staat overleg over de aangelegenheid. 3. Zodra een definitieve beslissing in het rechtsgeding is gegeven, stelt de aangezochte Staat of de verzoekende Staat, naar het geval, de andere Staat in kennis van de beslissing en van de gevolgen daarvan voor het verzoek om bijstand.

HOOFDSTUK V : Bijzondere bepalingen

Artikel 24 : Tenuitvoerlegging van het Verdrag 1 . De Partijen stellen zich met elkaar in verbinding voor de tenuitvoerlegging van dit Verdrag door tussenkomst van hun onderscheiden bevoegde autoriteiten; deze kunnen zich rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen en kunnen ondergeschikte autoriteiten machtigen namens hen op te treden. De bevoegde autoriteiten van twee of meer Partijen kunnen onderling overeenstemming bereiken over de wijze van toepassing van het Verdrag tussen hen.

2. Indien de aangezochte Staat van mening is dat de toepassing van dit Verdrag in een bepaald geval ernstige en onwenselijke gevolgen zou hebben, raadplegen de bevoegde autoriteiten van de aangezochte en van de verzoekende Staat elkaar en trachten zij de situatie in onderling overleg op te lossen.

3. Een coördinerend lichaam, samengesteld uit vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de Partijen, ziet toe op de tenuitvoerlegging van de verdragsbepalingen en het functioneren van dit Verdrag, onder auspiciën van de OESO. Hiertoe beveelt het coördinerend lichaam iedere maatregel aan die kan bijdragen tot de verwezenlijking van de algemene doeleinden van het Verdrag. ]n het bijzonder treedt het op als forum voor het bestuderen van nieuwe methoden en procedures om de internationale samenwerking in fiscale aangelegenheden te vergroten, en het kan, indien nodig, herzieningen van of wijzigingen aan het Verdrag aanbevelen. Staten die het Verdrag hebben ondertekend maar nog niet bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd, hebben het recht als waarnemer vertegenwoordigd te zijn bij de vergaderingen van het coördinerend lichaam.

4. Een Partij kan het coördinerend lichaam vragen adviezen te geven over de interpretatie van de bepalingen van het Verdrag. 5. Indien zich moeilijkheden of twijfels voordoen tussen twee of meer Partijen aangaande de tenuitvoerlegging of interpretatie van het Verdrag, trachten de bevoegde autoriteiten van die Partijen de aangelegenheid in onderling overleg op te lossen. De bereikte oplossing wordt medegedeeld aan het coördinerend lichaam.

6. De Secretaris-generaal van de OESO doet de Partijen en de Ondertekenende Staten die het Verdrag nog niet hebben bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd, mededeling van de adviezen die door het coördinerend lichaam zijn gegeven overeenkomstig de bepalingen van het vierde lid hierboven en van de akkoorden die krachtens het vijfde lid hierboven, door onderlinge overeenstemming zijn bereikt.

Artikel 25 : Talen

Verzoeken om bijstand en antwoorden daarop worden gesteld in één van de officiële talen van de OESO of van de Raad van Europa of in iedere andere taal waarover de betrokken Partijen bilateraal overeenstemming hebben bereikt.

Artikel 26 : Kosten

Tenzij door de betrokken Partijen bilateraal anders overeengekomen :

a) worden gewone kosten, gemaakt in verband met het verlenen van bijstand, gedragen door de aangezochte Staat;

b) worden buitengewone kosten, gemaakt in verband met het verlenen van bijstand, gedragen door de verzoekende Staat.

HOOFDSTUK VI : Slotbepalingen

Artikel 27 : Andere internationale overeenkomsten of regelingen

1 . De mogelijkheden van bijstand voorzien in dit Verdrag scheppen geen beperking voor en worden evenmin beperkt door mogelijkheden vervat in bestaande of toekomstige internationale overeenkomsten of andere regelingen tussen de betrokken Partijen of in andere akten die verband houden met samenwerking in fiscale aangelegenheden.

2. Niettegenstaande de bepalingen van dit Verdrag passen Partijen die lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap in hun onderlinge betrekkingen de gemeenschappelijke regels toe die van kracht zijn binnen die Gemeenschap.

Artikel 28 : Ondertekening en inwerkingtreding van het Verdrag

1 . Dit Verdrag staat ter ondertekening open voor de Lidstaten van de Raad van Europa en de Lidstaten van de OESO. Het dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. Akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden neergelegd bij één van de depositarissen.

2. Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op een tijdvak van drie maanden na de datum waarop vijf Staten hun instemming door dit Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid.

3. Ten aanzien van iedere Lidstaat van de Raad van Europa of iedere Lidstaat van de OESO die later zijn instemming door dit Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking brengt, treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van neerlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

Artikel 29 : Territoriale toepassing van het Verdrag

1 . Iedere Staat kan bij ondertekening of bij neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring aangeven op welk grondgebied of welke grondgebieden dit Verdrag van toepassing zal zijn.

2. Iedere Staat kan te allen tijde daarna door middel van een aan één van de depositarissen gerichte verklaring de toepasselijkheid van dit Verdrag uitbreiden tot ieder ander in de verklaring genoemd grondgebied. Het Verdrag treedt ten aanzien van dit grondgebied in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de verklaring door de depositaris.

3. Iedere krachtens het bepaalde in de twee voorgaande leden afgelegde verklaring kan, ten aanzien van ieder in die verklaring genoemd grondgebied, worden ingetrokken door middel van een aan één van de depositarissen gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de depositaris.

Artikel 30 : Voorbehoud

1 . Een Staat kan bij ondertekening of bij neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring verklaren zich het recht voor te behouden :

a) geen enkele vorm van bijstand te verlenen ten aanzien van de belastingen van de andere Partijen die horen in één van de categorieën opgesomd in artikel 2, eerste lid, letter b), op voorwaarde dat hij geen enkele nationale belasting in die categorie heeft opgenomen in Bijlage A bij het Verdrag;

b) geen bijstand te verlenen bij de invordering van een belastingvordering, of bij de invordering van een administratieve boete, voor alle belastingen of slechts voor belastingen in één of meer van de categorieën opgesomd in artikel 2, eerste lid;

c) geen bijstand te verlenen met betrekking tot belastingvorderingen die reeds bestaan op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag ten aanzien van die Staat, of, indien eerder een voorbehoud is gemaakt krachtens letter a) of letter b) hierboven, op de datum van intrekking van een zodanig voorbehoud ten aanzien van belastingen in de desbetreffende categorie;

d) geen bijstand te verlenen bij de betekening van documenten voor alle belastingen of slechts voor belastingen in één of meer van de categorieën opgesomd in artikel 2, eerste lid;

e) de betekening van documenten per post, zoals voorzien in artikel 17, derde lid, niet toe te staan.

2. Geen enkel ander voorbehoud kan worden gemaakt.

3. Na de inwerkingtreding van het Verdrag ten aanzien van een Partij kan die Partij één of meer van de in het eerste lid opgesomde reserves maken die zij niet heeft gemaakt bij de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring. Die reserves worden van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van het voorbehoud door één van de depositarissen.

4. Een Partij die een voorbehoud heeft gemaakt krachtens het eerste en het derde lid kan dit geheel of gedeeltelijk intrekken door middel van een aan één van de depositarissen gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de datum van ontvangst van de kennisgeving door de desbetreffende depositaris.

5. Een Partij die een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van een bepaling van dit Verdrag kan niet van een andere Partij verlangen dat zij die bepaling toepast; zij kan echter, indien het voorbehoud gedeeltelijk is, verlangen dat de bepaling wordt toegepast voor zover zijzelf deze heeft aanvaard.

Artikel 31 : Opzegging

1 . Een Partij kan dit Verdrag te allen tijde opzeggen door middel van een aan één van de depositarissen gerichte kennisgeving.

2. De opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de depositaris.

3. Een Partij die het Verdrag opzegt, blijft gebonden door de bepalingen van artikel 22 zolang zij krachtens het Verdrag verkregen documenten of inlichtingen in haar bezit houdt.

Artikel 32 : De depositarissen en hun functies

1. De depositaris bij wie een akte is neergelegd dan wel een kennisgeving of mededeling is gedaan, stelt de Lidstaten van de Raad van Europa en de Lidstaten van de OESO in kennis van :

a) iedere ondertekening;

b) de neerlegging van iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring;

c) de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van de artikelen 28 en 29;

d) iedere verklaring afgelegd ingevolge de bepalingen van artikel 4, derde lid, of artikel 9, derde lid, en de intrekking van iedere zodanige verklaring;

e) ieder voorbehoud dat wordt gemaakt ingevolge de bepalingen van artikel 30 en de intrekking van ieder voorbehoud ingevolge de bepalingen van artikel 30, vierde lid;

f) iedere kennisgeving ontvangen ingevolge de bepalingen van artikel 2, derde of vierde lid, artikel 3, derde lid, artikel 29 of artikel 31, eerste lid;

g) iedere andere akte, kennisgeving of mededeling betrekking hebbende op dit Verdrag.

2. De depositaris die een mededeling ontvangt of een kennisgeving doet ingevolge de bepalingen van het eerste lid, doet daarvan onmiddellijk mededeling aan de andere depositaris.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN TE STRAATSBURG, op 25 januari 1988, in de Engelse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in twee exemplaren, waarvan er één zal worden neergelegd in het archief van de Raad van Europa en het andere in het archief van de OESO. De Secretarissen-generaal van de Raad van Europa en van de OESO doen een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift toekomen aan iedere lidstaat van de Raad van Europa en aan iedere lidstaat van de OESO.

BIJLAGEN

BIJLAGE A

Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is (Artikel 2, paragraaf 2, van het Verdrag)

BIJLAGE B

Bevoegde autoriteiten (Artikel 3, paragraaf 1, d), van het Verdrag)

BIJLAGE C

Definitie van de uitdrukking "onderdaan" voor de toepassing van het Verdrag (Artikel 3, paragraaf 1, e), van het Verdrag)



Bijlage 2

BIJLAGEN VAN DE PARTIJEN BIJ HET VERDRAG [Met betrekking tot de andere partijen bij het Verdrag zijn de bijlagen momenteel enkel beschikbaar in het Engels.]

CONVENTION ON MUTUAL ADMINISTRATIVE ASSISTANCE IN TAX MATTERS

Strasbourg, 25.1.1988

Reservations and Declarations

BELGIUM

BIJLAGE A : Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is

I.- Artikel 2, § 1, a), i :

de personenbelasting,

de vennootschapsbelasting,

de rechtspersonenbelasting,

de belasting van niet-inwoners,

roerende voorheffing,

bedrijfsvoorheffing,

opcentiemen op de belasting van niet-inwoners.

II.- Artikel 2, § 1, b), i :

opcentiemen en aanvullende belastingen op de personenbelasting,

onroerende voorheffing en opcentiemen op die voorheffing.

III Artikel 2, § 1, b), iii

Onder de rubriek A :

Registratierechten op schenkingen onder levenden.

Onder de rubriek C :

Belasting over de toegevoegde waarde.

Onder de rubriek D :

Accijnzen,

Bijzondere Accijnzen,

Jaarlijkse taks op de verzekeringscontracten,

Jaarlijkse taks op de winstdeelnemingen.

IV. Artikel 2, § 1, b), iv :

Onder de rubriek A :

De rechten van successie en van overgang bij overlijden.

VOORBEHOUD DOOR BELGIE

Ad artikel 30, § 1, a), van het Verdrag

België behoudt zich het recht voor om geen enkele vorm van bijstand te verlenen voor belastingen van andere Partijen die horen in de volgende categorieën zoals vermeld in artikel 2, § 1, b) :

  • ii : verplichte premies of bijdragen voor de sociale zekerheid, te betalen aan de centrale overheid of aan publiekrechtelijke instellingen voor sociale zekerheid;
  • iii, B : belastingen op onroerend goed;
  • iii, E : belastingen op het gebruik of het bezit van motorrijtuigen;
  • iii, F : belastingen op het gebruik of het bezit van roerende goederen andere dan motorrijtuigen;
  • iii, G : alle andere belastingen;
  • iv, B : belastingen op onroerend goed;
  • iv, C : algemene belastingen op goederen en diensten, zoals belastingen over de toegevoegde waarde of omzetbelasting;
  • iv, D : specifieke belastingen op goederen en diensten, zoals accijnzen;
  • iv, E : belastingen op het gebruik of het bezit van motorrijtuigen;
  • iv, F : belastingen op het gebruik of het bezit van roerende goederen andere dan motorrijtuigen;
  • iv, G : alle andere belastingen.
Ad artikel 30, § 1, c), van het Verdrag

België behoudt zich het recht voor geen bijstand te verlenen met betrekking tot belastingvorderingen :

  • die reeds bestaan op de dag dat het Verdrag voor België in werking treedt;
  • waarvoor België voorbehoud heeft gemaakt op basis van artikel 30, § 1, a), van het Verdrag en die zouden bestaan op de dag dat België een dergelijk voorbehoud intrekt.
BIJLAGE B : Bevoegde autoriteiten De Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger. BIJLAGE C : Definitie van de uitdrukking "onderdaan" voor de toepassing van het Verdrag Geen definitie. DENMARK As regards Denmark, the Convention shall apply to the territory of the Kingdom of Denmark including the territoria] sea of Denmark as well as any other maritime area to the extent that that area, in accordance with international law, has been or may hereafter be designated under Danish laws as an area within which Denmark may exercise sovereign rights for the purpose of exploring and exploiting the natural resources of the seabed or its sub-soil and the super jacent waters and with regard to other activities for the economic exploration and exploitation of the area; for the purpose of this Convention the term also includes the autonomous region within the Kingdom of Denmark of Greenland. The Convention does not apply to the Faroe Islands.

ANNEX A DENMARK (except for Greenland) Article 2, paragraph 1, a) : i. income tax to the State (indkomstskat til staten), taxes imposed under the Hydrocarbon Tax Act (skatter i henhold til kulbrinteskatteloven),

ii. ...

iii. ...

Article 2, paragraph 1, b) :

i, income tax to the municipalities (kommunal indkomstskat),

income tax to the county municipalities (amtskommunal indkomstskat),

property tax (ejendomsskat)

tax on assessed value of immovable property (ejendomsvaerdiskat)

church tax (kirkeskat),

ii, labour market contribution (arbejdsmarkedsbidrag) special pension contribution (saerligt pensionsbidrag),

iii, A : tax on inheritance and gifts (afgift af dodsboer og gaver),

iii, B : ...,

iii, C : value added tax (mervaerdiafgift),

iii, D : excise duties imposed by the State (forbrugsafgifter, som palaegges af staten),

iii, E : registration tax on motor vehicles (registreringsafgift af motorkoretojer)

weight tax on motor vehicles and other taxes on the ownership or use of motor vehicles (vaegtafgift af motorkoretojer og andre afgifter pa eje eller brug af motorkoretojer)

iii, F : tax on insurances for yachts (afgift af lystfartojsforsikringer),

iii, G : payroll tax (lonsumsafgift)

tax on betting (afgift af totalisatorspil)

tax on casinos (afgift af spillekasinoer)

tax on lottery prizes (afgift af gevinster ved lotterispil)

tax on registration of rights in real property etc. (afgift af tinglysning og registrering af ejer- og pantrettigheder)

stamp duty (stempelafgift)

iv, service charge on business property (daekningsafgift af forretningsejendom) property release tax (frigorelseafgift)

GREENLAND Article 2, paragraph 1, a), i :
income taxes to the Greenlandic home rule Government (landsskat, saerlig landsskat), dividend tax (udbytteskat) company tax (selskabsskat)
Article 2, paragraph 1, b), i:
municipal tax (kommuneskat),

common municipal tax (faelleskommunal skat) dividend tax (udbytteskat) company tax (selskabsskat)
Article 2, paragraph 1, b), ii:
employer's contribution to vocational training (arbejdsgivernes erhvervsuddannelsesbidrag)
Article 2, paragraph 1, b), iii, A:
Tax on inheritance and gifts (afgift af arv og gave)

Article 2, paragraph 1, b), iii, C:
Import duty (indforselsafgift)
Article 2, paragraph 1, b), iii, D:
tax on gambling machines (afgift af automatspil), harbour duty (havneafgift) tax on sea transport of goods to, from and within Greenland (afgift pa sotransport af gods til, fra og l Gronland) tax on shrimps (afgift pa rejer),
Article 2, paragraph 1, b), iii, E:
tax on motor vehicles (afgift af motorkoretojer),

Article 2, paragraph 1, b), iii, G :

tax on lotteries (lotteriafgift),

stamp duty (stempelafgift).

ANNEX B DENMARK (except for Greenland) The Minister for Taxation or his authorised representative

GREENLAND

The Local Government or its authorised representative.

FINLAND ANNEX A - Taxes to which the convention would apply Article 2, paragraph 1, a) :
i : the state income taxes (valtion tuloverot; de statliga inkomstskatterna),

the corporate income tax (yhteisöjen tulovero; inkomstskatten för samfund),

the tax withheld at source from non-residents' income (rajoitetusti verovelvollisen lähdevero; källskatten för begränsat skattskyldig),

the tax withheld at source from interest (korkotulon lähdevero; källskatten pa ränteinkomst),

the withholding tax for foreign employees (ulkomailta tulevan palkansaajan lähdevero; källskatt för löntagare fran utlandet)

ii : ...

iii : the state capital tax (valtion varallisuusvero; den statliga förmögenhetsskatten),

Article 2, paragraph 1, b):

i : the communal tax (kunnallisvero; kommunalskatten),

the church tax (kirkollisvero; kyrkoskatten),

the forestry duty (metsänhoitomaksu; skogsvardsavgiften),

ii : the national pension insurance contribution (vakuutetun kansaneläkevakuutusmaksu; försäkrads folkpensionsförsäkringspremie),

the health insurance contribution (vakuutetun sairausvakuutusmaksu; försäkrads sjukförsäkringspremie),

the employer's social security contribution (työnantajan sosiaaliturvarnaksu; arbetsgivares socialskyddsavgift),

iii, A : the inheritance tax and the gift tax (perintövero ja lahjavero; arvsskatten och gavoskatten), iii, B : ... iii, C : the value added tax (arvonlisävero; mervärdesskatten),

iii, D : the excise duty on tobacco (tupakkavero; tobaksaccisen),

the excise duty on soft drinks (virvoitusjuomavero; läskedrycksaccisen), the excise duty on liquid fuels (nestemäisten polttoaineiden valmistevero; accisen pa flytande bränslen), the excise duty on electricity and certain energy sources (sähkön ja eräiden polttoaineiden valmistevero; accis pa elström och vissa bränslen), the excise duty on alcohol and alcoholic beverages (alkoholi- ja alkoholijuomavero; accisen pa alkohol och alkoholdrycker), the tax on certain insurance premiums (eräistä vakuutusmaksuista suoritettava vero; skatten pa vissa försäkringspremier), the oil waste duty (öljyjätemaksu; oljeavfallsavgiften), the motor-car tax (autovero; bilskatten), iii, E : the tax on specific motor vehicles (moottoriaioneuvovero; motorfordonsskatten),
the fuel fee (polttoainemaksu; bränsleavgift), the vehicle tax (ajoneuvovero; fordonsskatt),
iii, F : ... iii, G : the stamp duty (leimavero; stämpelskatten),
the oil damage duty (öljysuojarnaksu, oljeskyddsavgiften),

the transfer tax (varallisuudensiirtovero; överlatelseskatt), the tax on lottery prizes (arpajaisvero; lotteriskatt), the tax on waste (jätevero; avfallsskatt),
iv, the municipal tax on real property (kiinteistövero; fastighetsskatten)
ANNEX B - Competent authorities

Article 3, paragraph 2, d) : The Ministry of Finance, its authorised representative or the authority which, by the Ministry of Finance, is designated as competent authority.

ICELAND The Government of lceland declares, pursuant to Article 29, paragraph 1, of the Convention, that with respect to lceland the Convention shall apply to the territory of the Republic of Iceland, including any area adjacent to the territorial sea of lceland within which, under lcelandic law and in accordance with international law, lceland has sovereign rights for the purpose of exploring and exploiting the natural resources of the sea-bed and sub-soil thereof.

NETHERLANDS In conformity with the provisions of Article 29, paragraph 1, of the Convention, the Kingdom of the Netherlands accepts the said Convention for the Kingdom in Europe, the Netherlands Antilles and Aruba, subject to the following reservations.

The Kingdom of the Netherlands (for the Netherlands) declares in accordance with Article 30, paragraph 1, a), b), c) and d) of the Convention that it reserves the right :

  • not to provide assistance in relation to the taxes of other Parties listed in Article 2, paragraph 1, b), i, iii, letters B, C, D, E, F and G, and iv;
  • not to provide assistance in respect of any tax claim which is in existence on the date of entry into force of the Convention for the Kingdorn of the Netherlands (for the Netherlands);
  • not to provide assistance in the service of documents for all taxes.
The Kingdom of the Netherlands (for the Netherlands Antilles and Aruba) declares in accordance with Article 30, paragraph 1, a), b), c), d) and e) of the Convention that it reserves the right :

  • not to provide assistance in relation to the taxes of other Parties listed in Article 2, paragraph 1, b);
  • not to provide assistance in the recovery of any tax claim, or in the recovery of an administrative fine, for all taxes;
  • not to provide assistance in respect of any tax claim which is in existence on the date of entry into force of the Convention for the Kingdom of the Netherlands (for the Netherlands Antilles and Aruba); not to provide assistance in the service of documents for all taxes;
  • not to permit the service of documents through the post as provided for in paragraph 3 of Article 17.
The Kingdom of the Netherlands (for the Netherlands) declares :

  • in accordance with Article 4, paragraph 3, that its authorities may inform its resident or national before transmitting information concerning him, in conformity with Articles 5 and 7;
  • in accordance with Article 9, paragraph 3, that it will not accept, as a general rule, the requests as referred to in Article 9, paragraph 1, of the Convention, insofar as these requests concern social security contributions.
The Kingdom of the Netherlands (for the Netherlands Antilles and Aruba) declares :
  • in accordance with Article 4, paragraph 3, that authorities may inform its resident or national before transmitting information concerning him, in conformity with Articles 5 and 7;
  • in accordance with Article 9, paragraph 3, that it will not accept, as a general rule, the requests as referred to in Article 9, paragraph 1, of the Convention.
ANNEX A

Taxes to which the Convention applies for the Netherlands:

Article 2, paragraph 1, a)

  • Income Tax (inkomstenbelasting)
  • Salaries Tax (Loonbelasting)
  • Corporation Tax (Vennootschapsbelasting)
  • Dividend Tax (Dividendbelasting)
  • Wealth Tax (Vermogensbelasting)
Article 2, paragraph 1, b)

  • Social Security Contributions (Premies sociale verzekering)
Article 2, paragraph 1, c)

  • Inheritance, Transfer or Gift Tax (Rechten van successie, overgang of schenking)
Taxes to which the Convention applies for the Netherlands Antilles:

Article 2, paragraph 1, a)

  • Income Tax (inkomstenbelasting)
  • Salaries Tax (Loonbelasting)
  • Corporation Tax (Winstbelasting)
Taxes to which the Convention applies for Aruba:

Article 2, paragraph 1, a)

  • lncome Tax (Inkomstenbelasting)
  • Salaries Tax (Loonbelasting)
  • Corporation Tax (Winstbelasting)
ANNEX B

Competent Authorities for the Netherlands :
  • For tax purposes : the Minister of Finance or his authorised representative;
  • For Social security purposes: the State Secretary for Social Affairs and Employment or his authorised representative.
Competent Authorities for the Netherlands Antilles:
  • the Minister of Finance or his authorised representative.
Competent Authorities for Aruba :

  • the Minister of Finance or his authorised representative.
ANNEX C

Definition of the term "national" for the purpose of the Convention The term "national" means for the Netherlands :

1. all individuals possessing the Dutch nationality; 2. all legal persons, companies and associations deriving their status as such from the laws in force in the Netherlands.
The term "national" means for the Netherlands Antilles
1. all individuals possessing the Dutch nationality; 2. all legal persons, companies and associations deriving their status as such from the laws in force in the Netherlands Antilles.
The term "national" means for Aruba :
1. all individuals possessing the Dutch nationality and having a legally valid title of residence for Aruba; 2. all legal persons, companies and associations deriving their status as such from the laws in force in Aruba.
The Kingdom of the Netherlands wil[ apply the Convention to the Netherlands Antilles and Aruba only in respect of Parties to this Convention with which the Kingdom of the Netherlands has concluded a convention for the avoidance of double taxation which is applicable to the Netherlands Antilles and/or Aruba and which contains a provision concerning exchange of information.

Article 30, paragraph 2, of the Convention prohibits other reservations than those explicitly allowed under paragraph 1 of Article 30. In the present context, this means that all reservations further limiting the application of provisions of the Convention are prohibited. The declaration made in respect to the Netherlands Antilles and Aruba, however, is of a different nature as it refers to territorial application and does not, in the view of the Netherlands Government, constitute a reservation prohibited under Article 30 of the Convention. The Netherlands Antilles and Aruba wil] observe the Convention in relation to those Parties to the Convention with which a convention for the avoidance of double taxation has been concluded.

NORWAY As regards Norway the Convention on Mutual Administrative Assistance in Tax Matters shall apply to the territory of the Kingdorn of Norway, including any area outside the territoria[ waters of the Kingdorn of Norway, where the Kingdom of Norway, according to Norwegian legislation and in accordance with international law, may exercise her rights with respect to the seabed and subsoil and their natural resources; the Convention does not apply to Svalbard, Jan Mayen or the Norwegian dependencies ("biland").

ANNEX A Article 2, paragraph 1, a):
i : the national tax on income (inntektsskatt til staten)

the national tax on remuneration to non-resident artists (skatt til staten av honorar til utenlandske artister)

ii : the national tax on capital (formuesskatt til staten)
Article 2, paragraph 1, b) :

i : the county municipal tax on income (inntektsskat til fylkeskommunen)

the municipal tax on income (inntektsskat til kommunen)

the municipal tax on capital (formuesskatt til kommunen)

ii : contributions to the National Insurance Scheme (folketrygdavgift)

iii, A. tax on inheritance and certain gifts (avgift pa arv og visse gaver)

B. ... C. value added tax (merverdiavgift)
investment tax (investeringsavgift)

D. taxes and excises on :
alcohol and alcoholic beverages autodiesel (autodiesel) carbondioxide (C02) sulphur (svovel) from mineral oils and coal/coke (mineraloljer og kuil/koks) air passengers (flypassasjerer) packaging for beverages (drikkevaremballasje) waste (avfall) trikloreten (TRI) and/ et tetrakloreten (PER) tobacco (tobakksvarer) petrol (bensin) heating oil (fyringsolje) lubricants (smoreolje) marine engines (batmotorer) electric power (elektrisk kraft) chocolates and sweets (sjokolade) sugar (sukker) non-alcoholic beverages (alkoholfrie drikkevarer) unrecorded audiotapes and unrecorded videotapes (uinnspilte lydkassettband og uinnspilte videokassettband) radio and television equipment (radio og televisjonsmateriell) non-returnable bottles (engangsflasker)
E. annual tax on motor vehicles (arsavgift pa motorvogner)
tax on motor vehicles etc. (engangsavgift pa motorvogner m.v.) reregistration tax (omregistreringsavgift) tax on assembled motor vehicles (oppbyggingsavgift) annual tax on heavy good vehicles (arsavgift pa tyngre kjoretoyer)
F. tax on the registration of caravans (avgift pa forstegangs registrering av campingtilhengere)
annual tax on caravans (arsavgift pa campingtilhengere)

G. tax on documents transferring title to real property (avgift pa dokument som overforer hjemmel til fast eiendom) iv : municipal tax on real property (eiendomsskatt til kommunen)
ANNEX B The Minister of Finance or his authorised representative. POLAND Reservations 1 . Pursuant to sub-paragraph a) of paragraph 1 of Article 30 of the Convention, the Republic of Poland will not provide any form of assistance in relation to the taxes of other Parties listed in sub-paragraphs b), i or b), iv of paragraph 1 of Article 2 (taxes imposed by or on behalf of political subdivisions or local authorities);

2. Pursuant to sub-paragraph b) of paragraph 1 of Article 30 of the Convention, the Republic of Poland will not provide assistance in the recovery of any tax claim, or in the recovery of an administrative fine, for all taxes;

3. Pursuant to sub-paragraph d) of paragraph 1 of Article 30 of the Convention, the Republic of Poland will not provide assistance in the service of documents for all taxes.

Declarations 1 . In accordance with paragraph 3 of Article 4 of the Convention, the competent authority of the Republic of Poland may inform the persons concerned before transmitting information concerning them to another Party, in conformity with Articles 5 to 7 of the Convention;

2. The following text should be included under Annex A in accordance with paragraph 2 of Article 2 of the Convention: "For the Republic of Poland, the Convention shall apply to the taxes referred to in sub- paragraphs a), i -iii and b), ii - iii of paragraph 1 of Article 2";

3. The following text should be included under Annex B in accordance with subparagraph d) of paragraph 1 of Article 3 of the Convention: "For the Republic of Poland, the term "competent authority" means the Minister of Finance or his authorized representative".

SWEDEN ANNEX A - Taxes to which the Convention would apply (Paragraph 2 of Article 2 of the Convention)

Article 2, paragraph 1, a) :
i :The State income tax (den statliga inkomstskatten)

the sailors' tax (sjömansskatten)

the coupon tax (kupongskatten)

the tax on public entertainers (bevillningsavgiften för särskilda förmaner och rättigheter)

the tax on the undistributed profits of companies (ersättningsskatten)

the tax on distribution in connection with reduction of share capital or the winding up of a company (utskiftningsskatten), and

the profit sharing tax (vinstdelningsskatten).

iii : The State capital tax (den statliga förmögenhetsskatten)

Article 2, paragraph 1, b):

i : The communal income tax (den kommunala inkomstskatten)

ii : Charges according to :

the Act (1981:691) on Social Security Contributions [lagen (1981:691) om socialavgifter] the Act (1982:423) on General Payroll Fee [lagen (1982:423) om allmän löneavgift] the Act (1984:668) on the Collection of Social Security Contributions from Employers [lagen (1984:668) om uppbörd av socialavgifter fran arbetsgivare], and the Act (1989:484) on Work Environment Fee [lagen (1989:484) om arbetsmiljöavgift].
iii, A. The inheritance tax and the gift tax (arvsskatten och gavoskatten).
B. The State tax on real estate (den statliga fastighetsskatten). C. Taxes according to the Act (1968:430) on Value Added Tax [lagen (1968:430) om mervärdeskatt]. D. Taxes according to the Act (1978:144) on Tax on certain travels [lagen (1978:144) om skatt pa vissa resor], and the Act (1983:1053) on turnover tax on certain securities [lagen (1983:1053) om skatt pa omsättning av vissa värdepapper].
E. Charges and taxes according to :
the Road Traffic Tax Act (1973:601) [vägtrafikskattelagen (1973:601)] the Act (1976:338) on Road Traffic Tax on Vehicles which are not registered in Sweden [lagen (1976:388) om vägtrafikskatt pa vissa fordon som inte är registrerade här i riket]

the Act (1976:339) on Tax on Cars for Sale [lagen (1976:339) om saluvagnsskatt]
the Road Traffic Tax Act (1988:327) [vägtrafiksskattelagen (1988:327)], and

the Road Traffic Tax Act (1988:328) on foreign vehicles [lagen (1988:328) om vägtrafikskatt pa utländska fordon].
G. Charges according to the Act (1972:435) on Fee on Excess Freight [lagen (1972:435) om överlastavgift].

ANNEX B - Competent authorities (paragraph 1, d) of Article 3 of the Convention) The Minister of Finance or the National Tax Board. UNITED STATES

1 . The United States will not provide any form of assistance in relation to the taxes of other parties described in subparagraphs b.i or b.iv of paragraph 1 of Article 2 of the Convention (taxes imposed by or on behalf of possessions, political subdivisions, or local authorities)(as permitted by paragraph 1 a of Article 30 of the Convention);

2. The United States will not provide assistance in the recovery of any tax claim, or in the recovery of an administrative fine, for any tax, pursuant to Articles 11 through 16 of the Convention (as permitted by paragraph 1.b of Article 30 of the Convention); and

3. The United States wil[ not provide assistance in the service of documents for any tax, pursuant to Article 17 of the Convention (as permitted by paragraph 1.d of Article 30 of the Convention); this reservation does not apply to the service of documents by mail, pursuant to paragraph 3 of Article 17 of the Convention.

4. Pursuant to Article 29, paragraph 1, this Convention shall apply to the United States of America, including Puerto Rico, the U.S. Virgin lslands, American Samoa, Guam, the Commonwealth of the Northern Mariana Islands, and any other territory or possession.

5. Pursuant to Article 4, paragraph 3, of the Convention, the United States may inform the persons concerned before transmitting information to another party, in conformity with Article 5 or Article 7 of the Convention.

ANNEX A (Article 2, paragraph 2, of the Convention) For the United States, this Convention shall apply to taxes imposed under Title 26 of the United States Code (the lnternal Revenue Code of 1986), as amended, which correspond to the taxes in the categories referred to in paragraph 1.A and 1.B 11 and 111 of Article 2 of the Convention.

ANNEX B (Article 3, paragraph 1, d), of the, Convention) For the United States, the term "competent authority" means the Secretary of the Treasury or his designee.

Bijlage 3

BELGISCHE BEVOEGDE AUTORITEITEN VOOR DE TOEPASSING VAN HET VERDRAG INZAKE WEDERZIJDSE ADMINISTRATIEVE BIJSTAND IN FISCALE AANGELEGENHEDEN

I. INTERNATIONALE BETREKKINGEN - SLUITEN VAN INTERNATIONALE VERDRAGEN

INTERNATIONAL RELATIONS - CONCLUSION OF INTERNATIONAL AGREEMENTS

Administratie van fiscale zaken (AFZ)
R.A.C. - Financietoren
Kruidtuinlaan 50 bus 52
1010 BRUSSEL

Tel. : + 32.2.210.23.48
Fax. : + 32.2.210.33.07

Conctactpersonen :
Persons in charge :

M. J.-M. DELPORTE
Adjunct-administrateur-generaal van de belastingen
Tel. : + 32.2.210.33.14
E-mail : jean.delporte@minfin.fed.be

M. P. NECKEBROECK
Adjunct-administrateur-generaal van de belastingen
Dienst internationale betrekkingen (BTW)
Tel. : + 32.2.210.28.54

M. J. GOMBEER
Auditeur-generaal
Dienst internationale betrekkingen (inkomstenbelastingen)
Tel. : + 32.2.210.65.94

II. UITWISSELING VAN INLICHTINGEN (automatisch, spontaan en op verzoek)

EXCHANGE OF INFORMATION (automatic, spontaneous and on request)

A. Coördinatie van de vestiging en de invordering van de belastingen op het vlak van de internationale samenwerking

Bedenkingen, suggesties of opmerkingen terzake, meerbepaald met betrekking tot de kwaliteit van de uitwisseling van inlichtingen, kunnen worden gericht aan :

Coordination of the assessment and the recovery of taxes in the field of international cooperation

Observations, suggestions of remarks concerning this matter, especially with respect to the quality of the exchange of information, may be sent to :

Adjunct-administrateur-generaal van de belastingen
Administratie van fiscale zaken
R.A.C. - Financietoren
Kruidtuinlaan 50 bus 52
1010 BRUSSEL
Tel. : + 32.2.210.23.48
Fax. : + 32.2.210.33.07
E-mail : jean.delporte@minfin.fed.be

B. In de praktijk - In practice

1. INKOMSTENBELASTINGEN - INCOME TAXES

Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit (AOIF)
Centrale diensten - Directie III/1
R.A.C. - Financietoren
Kruidtuinlaan 50 bus 61
1010 BRUSSEL
Tel. : + 32.2.210.29.11
Fax. : + 32.2.210.41.18

Personen die bevoegd zijn om te tekenen :
Persons authorized to sign :

M. J.-C. TILLIET
Directeur-generaal

M. M. LAMY
Auditeur-generaal van financiën,
Dienstchef
Tel. : + 32.2.210.24.39

M. A. VAN DEN ABEELE
Auditeur-generaal van financiën,
Dienstchef
Tel. : + 32.2.210.28.22

M. J. FROGNIER
Directeur
Tel. : + 32.2.210.24.21
E-mail : jacques.frognier@minfin.be

Mevr. S. KNAEPEN
Eerstaanwezend inspecteur
Tel . : + 32.2.210.24.11

2. BTW - VAT

"CLO"
Zaveltoren (23ste verdieping)
Stevensstraat 7
1000 BRUSSEL
Fax. : + 32.2.552.55.50

Personen die bevoegd zijn om te tekenen :
Persons authorized tot sign :

M. D. DE BACKER
Eerstaanwezend inspecteur, dienstchef
Tel. : + 32.2.552.59.04
E-mail : Dirk.Debacker@minfin.fed.be

Mevr. B. DUPREZ
Tel. : + 32.2.552.58.79

M. S. DE BECKER
Tel. : + 32.2.552.58.83

3. SCHENKINGS- EN SUCCESSIERECHTEN, MET HET ZEGEL GELIJKGESTELDE TAKSEN [Jaarlijkse taks op de verzekeringscontracten en jaarlijkse taks op de winstverdeelnemingen.]

DONATION, ESTATE AND INHERITANCE DUTIES, TAXES ASSIMILATED TOT STAMP DUTIES [Annual tax on insurance contracts and annual tax on profit-sharing schemes.]

Administratie van het kadaster, registratie en domeinen (AKRED)
Dienst I
Directies I/3 en I/4
R.A.C. - Financietoren
Kruidtuinlaan 50 bus 58
1010 BRUSSEL
Tel. : + 32.2.210.66.11
Fax. : + 32.2.210.27.40

Personen die bevoegd zijn om te tekenen :
Persons authorized to sign :

M. D. DE BRONE
Directeur-generaal

M. J. DE NEVE
Auditeur-generaal
Chef van de diensten I/3/A en I/3/B
Tel. : + 32.2.210.27.08

Mevr. E. - L. BRICOUT
Auditeur-generaal
Dienstchef I/4
Tel. : + 32.2.210.68.62

M. G. VAN PARIJS
Directeur
Dienstchef I/3/A
Tel. : + 32.2.210.27.05

Mevr. S. DELNOOZ
Eerste Attaché van financiën
Dienstchef I/3/B
Tel. : + 32.2.210.28.83

4. ACCIJNZEN - EXCISE DUTIES

Centrale Administratie der douane en accijnzen
Dienst Invordering en Geschillen
R.A.C. - Financietoren
Kruidtuinlaan 50 bus 37
1010 BRUSSEL

Tel. : + 32.2.210.30.11
Fax. : + 32.2.210.30.20

Contactpersoon :
Person in charge :

Mevr. M. HUMBEECK-DOULLIEZ
Auditeur-generaal van financiën

III. GELIJKTIJDIGE BELASTINGCONTROLES

SIMULTANEOUS TAX EXAMINATIONS

A. Coördinatie van de vestiging en de invordering van de belastingen op het vlak van de internationale samenwerking : zie punt II "Uitwisseling van inlichtingen"

Coordination of the assessment and the recovery of taxes in the field of international cooperation : see point II "Exchange of information"

B. In de praktijk - In practice :

1. INKOMSTENBELASTINGEN en BTW - INCOME TAXES and VAT

Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit (AOIF)
Centrale Diensten - Dienst III
R.A.C. - Financietoren
Kruidtuinlaan 50 bus 61
1010 BRUSSEL
Tel. : + 32.2.210.29.11
Fax. : + 32.2.210.41.18

Personen die bevoegd zijn om te tekenen :
Persons authorized to sign :

M. J.-C. TILLIET
Directeur-generaal

M. M. LAMY
Auditeur-generaal van financiën,
Dienstchef
Tel. : + 32.2.210.24.39

M. A. VAN DEN ABBEELE
Auditeur-generaal van financiën,
Dienstchef
Tel. : + 32.2.210.28.22

M. J. FROGNIER
Directeur
Tel. : + 32.2.210.24.21
E-mail : jacques.frognier@minfin.fed.be

M. A. VAN DELSEN
Eerste Attaché van financiën
Tel. : + 32.2.210.27.16
E-mail : Alain.Vandelsen@minfin.fed.be

Mevr. S. KNAEPEN
Eerstaanwezend inspecteur
Tel. : + 32.2.210.24.11

M. P. BAUWENS
Inspecteur
Tel. : + 32.2.210.26.94
E-mail : Pieter.Bauwens@minfin.fed.be

2. ACCIJNZEN - EXCISE DUTIES

Centrale Administratie der douane en accijnzen
Dienst Invordering en Geschillen
R.A.C. - Financietoren
Kruidtuinlaan 50 bus 37
1010 BRUSSEL

Tel. : + 32.2.210.30.11
Fax. : + 32.2.210.30.20

Contactpersoon :
Person in charge :

Mevr. M. HUMBEECK-DOULLIEZ
Auditeur-generaal van financiën

IV. BELASTINGCONTROLES IN HET BUITENLAND (voor alle belastingen)

TAX EXAMINATIONS ABROAD (for all taxes)

Verzoeken met betrekking tot het verblijf van ambtenaren van andere landen in België moeten worden gericht aan :

Requests concerning the presence of civil servants from other countries in Belgium should be addressed to :

Adjunct-administrateur-generaal van de belastingen
Administratie van fiscale zaken
R.A.C. - Financietoren
Kruidtuinlaan 50 bus 52
1010 BRUSSEL
Tel. : + 32.2.210.23.48
Fax. : + 32.2.210.33.07
E-mail : jean.delporte@minfin.fed.be

V. INVORDERING - RECOVERY

A. Coördinatie van de vestiging en de invordering van de belastingen op het vlak van de internationale samenwerking : zie punt II "Uitwisseling van inlichtingen"

Coordination of the assessment and the recovery of taxes in the field of international cooperation : see point II "Exchange of information"

B. In de praktijk - In practice :

1. INKOMSTENBELASTINGEN en BTW - INCOME TAXES and VAT

Administratie van de invordering
Centrale diensten
Sector IV - 3de directie
R.A.C. - Financietoren
Kruidtuinlaan 50 bus 59
1010 BRUSSEL

Tel. : + 32.2.210.67.11
Fax. : + 32.2.210.29.63

Personen die bevoegd zijn om te tekenen :
Persons authorized to sign :

M. R. VERSLUYS
Directeur-generaal

M. P. DE METS
Eerste Attaché van financiën
Tel. : + 32.2.210.28.27

2. SCHENKINGS- EN SUCCESSIERECHTEN, MET HET ZEGEL GELIJKGESTELDE TAKSEN [Jaarlijkse taks op de verzekeringscontracten en jaarlijkse taks op de winstdeelnemingen.]

DONATION, ESTATE AND INHERITANCE DUTIES, TAXES ASSIMILATED TO STAMP DUTIES [Annual tax on insurance contracts and annual tax on profit-sharing schemes.]

Administratie van het kadaster, Registratie en domeinen (AKRED)
Dienst I
Directie I/3
R.A.C. - Financietoren
Kruidtuinlaan 50 bus 58
1010 BRUSSEL
Tel. : + 32.2.210.66.11
Fax. : + 32.2.210.27.40

Personen die bevoegd zijn om te tekenen :
Persons authorized to sign :

M. D. DE BRONE
Directeur-generaal

M. J. DE NEVE
Auditeur-generaal
Chef van de diensten I/3/A en I/3/B
Tel. : + 32.2.210.27.08

Mevr. E. - L. BRICOUT
Auditeur-generaal
Dienstchef I/4
Tel. : + 32.2.210.68.62

M. G. VAN PARIJS
Directeur
Dienstchef I/3/A
Tel. : + 32.2.210.27.05

Mevr. S. DELNOOZ
Eerste Attaché van financiën
Dienstchef I/3/B
Tel. : + 32.2.210.28.83

3. ACCIJNZEN - EXCISE DUTIES

Centrale Administratie der douane en accijnzen
Dienst Invordering en Geschillen
R.A.C. - Financietoren
Kruidtuinlaan 50 bus 37
1010 BRUSSEL
Tel. : + 32.2.210.30.11
Fax. : + 32.2.210.30.20

Contactpersoon :
Person in charge :

Mevr. M. HUMBEECK-DOUILLIEZ
Auditeur-generaal van financiën

V. DOSSIERS MET BETREKKING TOT FISCALE FRAUDE

CASES CONCERNING TAX EVASION

A. Coördinatie van de vestiging en de invordering van de belastingen op het vlak van de internationale samenwerking : zie punt II "Uitwisseling van inlichtingen"

Coordination of the assessment and the recovery of taxes in the field of international cooperation : see point II "Exchange of information"

B. In de praktijk - In practice :

1. INKOMSTENBELASTINGEN en BTW - INCOME TAXES and VAT

Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie (BBI)
Dienst I
R.A.C. Financietoren
Kruidtuinlaan 50 bus 48
1010 BRUSSEL
Fax. : + 32.2.210.64.70
+ 32.2.210.30.06

De BBI voert polyvalente controlewerkzaamheden uit en de onderzoeksbevoegdheden ervan omvatten de gehele belastingsector i.e. alle belastingen zonder onderscheid. De werkzaamheden van de BBI zijn voornamelijk toegespitst op het onderzoek en het bestrijden van mechanismes van ernstige en georganiseerde belastingfraude. In de context van deze werkzaamheden is de BBI bevoegd om vragen om inlichtingen te richten aan de bevoegde buitenlandse autoriteiten, de antwoorden die betrekking hebben op zulke vragen te ontvangen en spontaan inlichtingen te verstrekken. Vragen om inlichtingen alsmede het spontaan of automatische verstrekken van inlichtingen door buitenlandse belastingautoriteiten moeten evenwel aan de verschillende bovenvermelde administraties ("AOIF" of "CLO") worden gericht die ze, in voorkomend geval, doorsturen naar de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie.

ISI carries out polyvalent control activities and its investigatory powers cover the entire field of taxation, i.e. all taxes without distinction. The ISI's activities are particulary focussed on the investigation and repression of serious and organised tax fraud mechanisms. Within the framework of these activities, the ISI is entitled to address requests for information to the competent foreign authorities, to receive the answers relating to such requests and to spontaneously supply information. However, requests for information and spontaneous or automatic supply of information from foreign tax authorities have to be addressed to the different above-mentioned administations ("AFER" or "CLO") whith will send them, if the case may be, to the Administration of special Inspection of Taxes.

Personen die bevoegd zijn om te tekenen :
Persons authorized tot sign :

M. G. VANDERCAPELLEN
Directeur-generaal
Tel. + 32.2.210.64.55

M. M. DE GEYNDT
Auditeur-generaal van financiën
Tel. + 32.2.210.64.75

M. E. GOOSSENS
Directeur
Tel. + 32.2.210.68.51

M. C. DEMARCH
Directeur
Tel. + 32.2.210.26.65

M. M. PEYNSAERT
Directeur
Tel. + 32.2.210.64.77

M. L. DE LEEUW - VANDEN DOOREN
Eerste Attaché van financiën
Tel. + 32.2.210.64.79

M. P. SERE
Eerste Attaché van financiën
Tel. + 32.2.210.64.81

2. ACCIJNZEN - EXCISE DUTIES

Nationale Directie van de opsporingen der douane en accijnzen
Regentlaan 36
1000 BRUSSEL
Tel. : + 32.2.233.76.85
Fax. : + 32.2.233.76.86

Contactpersoon :
Person in charge :

M. L. DE SOMERE
Gewestelijk directeur



Bijlage 4

REGELING TUSSEN DE BEVOEGDE AUTORITEITEN VAN BELGIE EN NEDERLAND INZAKE DE AANWEZIGHEID VAN BELASTINGAMBTENAREN VAN DE ENE STAAT OP HET GRONDGEBIED VAN DE ANDERE STAAT TEN BEHOEVE VAN BELASTINGONDERZOEK

Regeling van 3 juni 1998. De bevoegde autoriteiten van België en Nederland verklaren, na overleg, - in uitvoering van het bepaalde in de artikelen 6 en 9 van de Richtlijn 771799/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1977, gewijzigd door de Richtlijn 79/1070/EEG van de Raad van 6 december 1979 en de Richtlijn 92112/EEG van de Raad van 25 februari 1992, betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lidstaten op het gebied van de directe belastingen en de indirecte belastingen zoals geïmplementeerd in de respectievelijke wetgevingen - langs Belgische zijde :

  • artikel 338 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
  • artikel 93 terdecies van het BTW-Wetboek
  • artikel 38 van de "Wet betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop" met betrekking tot accijnzen.
- langs Nederlandse zijde :

  • de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (Wet van 24 april 1986, Stb, 249),
  • op basis van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing en van het Protocol van 19 oktober 1970, meer in het bijzonder van artikel 27,
  • op basis van het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken/fiscale aangelegenheden (gesloten te Straatsburg, 25 januari 1988) zodra in beide Staten de goedkeuringsprocedures zijn afgerond en het verdrag van toepassing is geworden,
  • en onverminderd verdergaande bepalingen van de Overeenkomst inzake de administratieve en strafrechtelijke samenwerking op het gebied van de regelingen die verband houden met de verwezenlijking van de doelstellingen van de Benelux Economische Unie van 29 april 1969 en het Aanvullend Protocol houdende bijzondere bepalingen op het stuk van de belastingen en
  • gelet op de wens van beide Staten om de wederzijdse bijstand tussen België en Nederland te intensiveren, dat ambtenaren van de belastingadministraties van beide Staten op elkaars grondgebied aanwezig mogen zijn om met inachtneming van de nationale wetgeving van beide Staten inlichtingen in te zamelen die van nut kunnen zijn voor de juiste vaststelling van de belastingen naar het inkomen en het vermogen, de belasting over de toegevoegde waarde en de accijnzen in één van beide of in beide Staten, met inachtneming van het navolgende.
Artikel 1. Een verzoek tot aanwezigheid van ambtenaren van de ene Staat bij een onderzoek op het grondgebied van de andere Staat wordt gedaan in bijzondere gevallen. Met name valt te denken aan :

  • gevallen waarin er indicaties zijn van grensoverschrijdende onregelmatigheden of fraude van beduidende omvang in één van beide of in beide Staten;
  • gevallen waarvan de complexiteit de aanwezigheid van ambtenaren wenselijk maakt;
  • gevallen waarin termijnoverschrijding dreigt en waarin de aanwezigheid van ambtenaren het onderzoek kan bespoedigen;
  • gezamenlijke onderzoeken in het kader van bilaterale of multilaterale controles.
Art. 2. De bevoegde autoriteiten kunnen besluiten de aanwezigheid van ambtenaren van de ene Staat op het grondgebied van de andere Staat toe te staan in andere gevallen dan bedoeld in artikel 1.

Art. 3. Op basis van wederkerigheid zal een Staat in soortgelijke gevallen de aanwezigheid van ambtenaren van de andere Staat toelaten.

Art. 4. Het verzoek tot aanwezigheid van een ambtenaar dient door de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat schriftelijk te gebeuren. In alle gevallen moet het verzoek tot aanwezigheid van ambtenaren gemotiveerd zijn.

De aangezochte Staat zal het verzoek slechts afwijzen op grond van een gemotiveerde beslissing en nadat daarover overleg is gepleegd met de verzoekende Staat.

Een verzoek tot aanwezigheid van ambtenaren op het grondgebied van de andere Staat dient deel uit te maken van een verzoek om een bepaald onderzoek in te stellen en vermeldt de stappen die de verzoekende Staat heeft genomen om de gewenste informatie te verkrijgen.

De bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat neemt uiterlijk binnen de drie maanden na ontvangst van het verzoek een beslissing op het verzoek.

In spoedeisende gevallen wordt die beslissing binnen één maand genomen.

Indien het verzoek wordt ingewilligd, stelt de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat zo spoedig mogelijk in kennis van het tijdstip en de plaats van het onderzoek en de autoriteit of de ambtenaar die is aangewezen om het onderzoek te verrichten.

Art. 5. Het onderzoek wordt verricht door ambtenaren van de aangezochte Staat. De bezoekende ambtenaren zijn bevoegd aanwezig te zijn bij een onderzoek dat, wordt ingesteld ter voldoening aan een verzoek om de inlichtingen in te zamelen die van nut kunnen zijn voor een juiste vaststelling van de belasting. De bezoekende ambtenaren zullen daarbij de wetgeving van de aangezochte Staat respecteren.

Art. 6. Het is de bezoekende ambtenaren toegestaan aanwezig te zijn bij die onderdelen van het onderzoek in de aangezochte Staat die voor het onderzoek in de verzoekende Staat van belang kunnen zijn.

Art. 7. Aan de bezoekende ambtenaren wordt op verzoek onder meer inzage verstrekt van boeken, bescheiden, stukken en andere gegevens- en informatiedragers die in het kader van het onderzoek van belang kunnen zijn. Desgevraagd worden aan hen, onder voorbehoud van de bepalingen van de wetgeving van de Staat waar het onderzoek plaatsvindt, kopieën dan wel afschriften van de hiervoor aangeduide gegevens en informatie verstrekt.

De verzoekende Staat kan de tijdens het onderzoek verkregen gegevens en informatie niet gebruiken voordat deze door de Staat waar het onderzoek heeft plaatsgevonden zijn verstrekt met inachtneming van de nationale wetgeving van de Staat die de inlichtingen verstrekt.

Art. 8. In gevallen waarin in overeenstemming met de wetgeving of de administratieve praktijk van één van de Staten de administratie of de boekhouding van een belastingplichtige zich geheel of gedeeltelijk in de andere Staat bevindt, kunnen de bevoegde autoriteiten van de Staat waar de boekhouding zich bevindt op verzoek van de bevoegde autoriteiten van de Staat van de belastingplichtige besluiten de aanwezigheid van ambtenaren van de andere Staat toe te staan indien de belastingplichtige om die aanwezigheid heeft verzocht en de autoriteiten van de verzoekende Staat daarmee hebben ingestemd.

De bevoegde autoriteiten van de verzoekende Staat voegen een kopie van de aanvraag van de belastingplichtige bij hun verzoek.
De aangezochte Staat kan bijkomende voorwaarden stellen met betrekking tot deze aanwezigheid.

Art. 9. Ambtenaren die aanwezig zullen zijn op het grondgebied van een andere Staat worden expliciet daartoe schriftelijk aangewezen en moeten voorzien zijn van een officiële machtiging waaruit blijkt dat zij optreden namens hun Staat. In alle gevallen moeten de ambtenaren hun ambtelijke hoedanigheid kunnen aantonen door middel van een bewijs van aanstelling of een ander legitimatiebewijs dat hun door de dienst waartoe ze behoren is verstrekt.

Art. 10. Deze regeling treedt in werking op 1 juli 1998. Zij zal worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en in de Nederlandse Staatscourant.

Opgemaakt in tweevoud te Brussel, op 3 juni 1998. Aan Belgische zijde :

Voor de Minister van Financiën :
De Adjunct-administrateur-generaal van belastingen,
J.-M. DELPORTE

Aan Nederlandse zijde : De Staatssecretaris van Financiën namens deze :
De Directeur-Generaal der Belastingen,
J.N. VAN LUNTEREN

De Directeur-Generaal voor Fiscale Zaken loco,
J.A.C.A. OVERGAAUW