Circulaire AAFisc Nr. 21/2015 (nr. Ci.700.824) dd. 01.06.2015
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Operationele Expertise en Ondersteuning
Dienst VENB
Vennootschapsbelasting
Circulaire AAFisc Nr. 21/2015 (nr. Ci.700.824) dd. 01.06.2015
Inkomstenbelastingen
Roerende voorheffing – Verzaking
Interest-royalty Richtlijn
Société par actions simplifiée naar Frans recht
Verzaking aan de inning van de RV – Draagwijdte van art. 107, § 6, KB/WIB 92.
1. Deze circulaire heeft betrekking op de verzaking aan de inning van de RV zoals bedoeld in art. 107, § 6, KB/WIB 92, dat bepalingen bevat die de zogenaamde "interest-royalty" Richtlijn omzet in het Belgische recht (1).
(1) Richtlijn 2003/49/EG van de Raad van 03.06.2003 betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten.
Meer bepaald werd de vraag gesteld of die bepaling kan worden toegepast wanneer de gerechtigde van de inkomsten een "société par actions simplifiée" naar Frans recht is (hierna SAS) en/of wanneer zo'n vennootschap voorkomt in de deelnemingsketen die de vennootschap-gerechtigde en de vennootschap-schuldenaar van de inkomsten verbindt.
2. Overeenkomstig art. 107, § 6, KB/WIB 92, is de verzaking aan de inning van de RV zoals bedoeld door die bepaling onder meer afhankelijk van de voorwaarde dat de "vennootschap-gerechtigde van de inkomsten een in artikel 105, 6°, a), KB/WIB 92", vermelde vennootschap van een lidstaat is, m.a.w. een vennootschap zoals gedefinieerd in de interest-royalty Richtlijn.
In de huidige stand van de Europese wetgeving is die Richtlijn niet van toepassing op de SAS, zodat die vennootschap de bedoelde verzaking aan de inning van de RV niet kan verkrijgen (2).
(2) Er wordt op gewezen dat de situatie verschillend is voor de toepassing van art. 106, § 5, KB/WIB 92, (verzaking aan de inning van de RV op dividenden) dat wel van toepassing kan zijn op een SAS (zie de bijlage bij de Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van 23.07.1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende Lid-Staten, zoals gewijzigd door de Richtlijn 2003/123/EG van de Raad van 22.12.2003 (moeder-dochter Richtlijn)).
3. De verzaking aan de inning van de RV zoals bedoeld in art. 107, § 6, KB/WIB 92, is bovendien afhankelijk van de voorwaarde dat de schuldenaar en de gerechtigde van de inkomsten verbonden vennootschappen zijn in de zin van art. 105, 6°, b), KB/WIB 92, m.a.w. twee vennootschappen die binnen de Europese Unie gevestigd zijn en die beantwoorden aan de volgende voorwaarden:
- ofwel bezit één van beide verbonden vennootschappen een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming van ten minste 25% in het kapitaal van de andere die gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar wordt of werd behouden (3);
- ofwel bezit een derde vennootschap die binnen de Europese Unie gevestigd is, een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming van ten minste 25% in het kapitaal van elk van deze vennootschappen die gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar wordt of werd behouden.
(3) Er wordt aan herinnerd dat de vereiste minimumdeelneming in verband met de verzaking aan de inning van de RV op dividenden in het kader van de toepassing van het voormeld art. 106, § 5, KB/WIB 92 (moeder-dochter Richtlijn), momenteel 10% bedraagt.
Wat betreft die voorwaarden vormt het tussenvoegen van een SAS geen bezwaar voor de toepassing van de verzaking van de RV. Art. 105, 6°, KB/WIB 92, sluit immers geen enkele rechtsvorm van vennootschappen uit in het geval van een onrechtstreekse deelneming in het kapitaal van de vennootschap-schuldenaar en de vennootschap-gerechtigde van de inkomsten.
Voor de Administrateur Grote Ondernemingen, tijdelijk belast met de functie van Administrateur-generaal van de Fiscaliteit,
D. DELVAUX
Adviseur - Directeur
