Aanschrijving nr. 1/1997 d.d. 24.03.1997
Vlaams Gewest
Decreet van 20 december 1996 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1997
Het Belgisch Staatsblad van 31 december 1996 (derde uitgave) heeft het decreet van het Vlaams Parlement van 20 december 1996, houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1997 gepubliceerd. (Err. B.S. 11 februari 1997).
Een uittreksel uit de tekst van dit decreet gaat hierbij (z. bijlage 1), evenals de gecoördineerde tekst van de artikelen van het Wetboek der successierechten zoals die door dit decreet voor het Vlaams Gewest zijn gewijzigd (z. bijlage 2).
De artikelen 14 tot en met 22 (Hoofdstuk V) van dit decreet wijzigen, voor wat het Vlaams Gewest betreft, een aantal bepalingen van het Wetboek der successierechten met ingang van 1 januari 1997. De door voormeld decreet ingevoerde wijzigingen hebben in hoofdzaak betrekking op de toepasselijke tarieven, de vrijstellingen en verminderingen, en de invoering van een verlaagd tarief voor familiale ondernemingen en vennootschappen.
De onderhavige aanschrijving heeft tot voorwerp de tekst van het voornoemde decreet mee te delen, en de nieuwe bepalingen, evenals de invloed ervan op de andere artikelen van het Wetboek der successierechten, toe te lichten.
Deze toelichting is als volgt ingedeeld :
DEEL I. Toepassingsgebied. 1. Territoriale toepassing 1.1. De overledene is een Rijksinwoner 1.2. De overledene is geen Rijksinwoner 2. Toepassing in de tijd DEEL II. Nieuwe bepalingen : bespreking per artikel. 3. Artikel 48 W.Succ. 3.1. Algemeen 3.2. Het tarief in rechte lijn en tussen echtgenoten 3.3. Grondslagen waarover het tarief dient toegepast 3.4. Aanrekening van het passief 3.4.1. Algemeen 3.4.2. Legaten van de roerende en van de onroerende goederen 3.4.3. Erfgenamen in rechte lijn of langstlevende echtgenoot samen met zijverwanten 3.4.4. Vergoedingsrekeningen 4. Artikel 50 W.Succ. 5. Artikel 54 W.Succ. 6. Artikel 55 W.Succ. 7. Artikel 55bis W.Succ. 8. Artikel 56 W.Succ. 8.1. Vermindering 8.2. Bijkomende verminderingen 9. Artikel 59, 1° W.Succ. 10. Artikel 60bis W.Succ. 10.1. Tarief 10.2. Bedoelde goederen 10.3. Nettowaarde - Aanrekening van het passief 10.4. Grondvoorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief 10.4.1. Participatievoorwaarde 10.4.2. Tewerkstellingsvoorwaarde 10.4.3. Voorwaarde om jaarrekeningen op te maken 10.4.4. Voorwaarde met betrekking tot de rechtmatigheid van bepaalde kapitaalverhogingen of bijkomende leningen : de anti-ontwijkingsmaatregel 10.5. Sanctie bij niet vervulling van de grondvoorwaarden 10.6. Vormvoorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief 10.6.1. Spontane vermelding in de aangifte 10.6.2. Uitdrukkelijk verzoek in de aangifte 10.6.3. Bijvoeging van het attest 10.6.4. Afzonderlijke rubriek in de aangifte 10.7. Voorwaarden tot behoud van het verlaagd tarief 10.7.1. Behoud van de tewerkstelling 10.7.2. Behoud van het belegd vermogen of van het kapitaal en de vorderingen 10.7.3. Opmaken van jaarrekeningen 10.7.4. Overlijden van de erfgenaam die het verlaagd tarief genoten heeft 10.8. Meldingsplicht - Nieuw attest 10.9. Herberekening i.g.v. niet-vervulling van de voorwaarden tot behoud van het verlaagd tarief 10.10. Verjaring 11. Artikel 135, 8° W.Succ. DEEL III. Invloed van de nieuwe bepalingen op de andere artikelen van het Wetboek der successierechten. 12. Artikel 1 W.Succ. 13. Artikel 5 W.Succ. 14. Artikelen 7 en 8 W.Succ. 15. Artikelen 9, 10 en 11 W.Succ. 16. Artikel 16 W.Succ. 17. Artikel 17 W.Succ. 18. Artikel 18 W.Succ. 19. Artikel 57 W.Succ. 20. Artikel 62 W.Succ. 21. Artikel 63 W.Succ. 22. Artikel 65 W.Succ. 23. Artikel 66bis W.Succ. 24. Artikelen 108 en 109 W.Succ.
De bepalingen in hoofdstuk V van het decreet van het Vlaams Parlement van 20 december 1996 zijn toepasselijk op de rechten van successie inzake de nalatenschap van een Rijksinwoner opengevallen in het Vlaamse Gewest vanaf 1 januari 1997 (art. 99 van het decreet), en op de rechten van overgang bij overlijden inzake het overlijden van een niet-Rijksinwoner vanaf zelfde datum.
Het Vlaamse Gewest omvat de provincies Antwerpen, Limburg, Oost- en West-Vlaanderen en Vlaams-Brabant. Het omvat dus ook de randgemeenten (Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem), en de Vlaamse taalgrensgemeenten (Voeren, Herstappe, Bever, Spiere-Helkijn, Mesen en Ronse).
Voor het Waalse en het Brusselse Gewest blijven de bepalingen van het Wetboek der successierechten (Koninklijk besluit nr. 308 van 31 maart 1936, bekrachtigd door de wet van 4 mei 1936) onveranderd van toepassing.
De regels die gelden in verband met het begrip Rijksinwoner gelden mutatis mutandis voor het begrip inwoner van het Vlaams Gewest.
De bepalingen van artikel 38, 2° W.Succ. blijven toepasselijk inzake de nalatenschap van een niet-Rijksinwoner, ook in geval de onroerende goederen, die door eenzelfde erfgenaam, legataris of begiftigde verkregen worden, zich in verschillende Gewesten zouden bevinden. De aangifte van overgang bij overlijden moet in dergelijk geval dus ingediend worden in het kantoor bevoegd voor het gebied waarin zich het deel van de goederen bevindt met het hoogste kadastraal inkomen. De verschuldigde rechten van overgang dienen integraal berekend volgens het tarief en de regels toepasselijk in het Gewest waar de aangifte moet worden ingediend.
M.a.w. : een aangifte van overgang bij overlijden die overeenkomstig artikel 38, 2° W.Succ. in het Vlaams Gewest moet worden ingediend, zal volledig belast worden volgens het daar geldend regime, ongeacht of de aangifte al dan niet ook goederen vermeldt in een ander Gewest.
Dit is een gevolg van de lokalisatie van het recht van overgang bij overlijden, zoals vastgelegd in de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, art. 5, § 2, 4°.
(Voormeld artikel 5 bepaalt o.m. :
"§ 1. De (...) bedoelde belastingen worden aan de Gewesten toegewezen in functie van hun lokalisatie.
§ 2. Voor de toepassing van § 1 worden deze belastingen geacht als volgt te zijn gelokaliseerd :
(...)
4° het successierecht : op de plaats waar de nalatenschap openvalt
het recht van overgang bij overlijden : in het Gewest waar de goederen gelegen zijn, indien zij gelegen zijn in meerdere Gewesten, in het Gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste kadastraal inkomen gelegen is;")
Het decreet van het Vlaams Parlement van 20 december 1996 is in werking getreden vanaf 1 januari 1997 (art. 99 van het decreet).
Wat het successierecht en het recht van overgang bij overlijden betreft betekent dit dat de nieuwe bepalingen van toepassing zijn op alle nalatenschappen opengevallen sedert 1 januari 1997 (cf. art. 61 W.Succ.).
Voor alle nalatenschappen opengevallen vóór deze datum blijven bijgevolg de vroegere bepalingen onverminderd toepasselijk.
DEEL II. Nieuwe bepalingen : bespreking per artikel
Art. 14 van het voormeld decreet wijzigt artikel 48 W.Succ. voor de nalatenschappen, verkregen in rechte lijn en tussen echtgenoten op drie punten :
Voor de nalatenschap of het deel van de nalatenschap dat toevalt aan de erfgenamen of legatarissen in de zijlijn of aan andere personen, blijven het tarief, de grondslagen en de aanrekening van de schulden ongewijzigd, en blijven dus de voorheen geldende regels van toepassing. (De in het vooruitzicht gestelde wijzigingen voor deze categorieën van erfgenamen of legatarissen zullen in voorkomend geval in een latere aanschrijving worden toegelicht).
In de rechte lijn en tussen echtgenoten worden de voorheen bestaande negen tariefschijven vervangen door drie nieuwe tariefschijven :
netto-aandeel van 0 tot 2.000.000 F : 3 % netto-aandeel van 2.000.000 tot 10.000.000 F : 9 % netto-aandeel boven de 10.000.000 F : 27 %
Wat betreft de grondslagen waarover het nieuwe tarief moet worden toegepast voert het voormeld decreet een belangrijke wijziging in : de rechten dienen per erfgenaam en afzonderlijk berekend te worden op, enerzijds, het netto-aandeel in de roerende goederen, en anderzijds, het netto-aandeel in de onroerende goederen.
Per erfgenaam dienen, in principe althans, twee berekeningen gemaakt, waarbij het tarief afzonderlijk wordt toegepast op de beide categorieën van goederen. M.a.w. : de progressiviteit valt weg tussen roerende en onroerende goederen.
De invloed van deze maatregel op de andere, niet door het decreet gewijzigde bepalingen van het Wetboek wordt verder onder deel III besproken.
Het gewijzigd artikel 48 W.Succ. bepaalt dat de schulden met betrekking tot de erfenissen in de rechte lijn en tussen echtgenoten bij voorrang worden aangerekend op de roerende goederen en op de goederen bedoeld bij artikel 60bis W.Succ. "tenzij die welke specifiek werden aangegaan om andere goederen te verwerven of te behouden".
Vooreerst dient opgemerkt dat hier met "schulden" zowel de op de dag van het overlijden bestaande schulden van de overledene als de begrafeniskosten beoogd worden.
a) Uit de samenlezing van art. 48 en art. 60bis W.Succ. volgt dat het passief eerst wordt aangerekend op de goederen bedoeld bij art. 60bis W.Succ. (zie verder), vervolgens op de andere roerende goederen, en tenslotte voor het eventuele saldo op de andere onroerende goederen.
b) Indien de aangevers evenwel het bewijs leveren dat bepaalde schulden specifiek werden aangegaan om onroerende goederen "te verwerven of te behouden" worden deze schulden bij voorrang op het onroerend actief toegerekend. (Zie evenwel ook de toelichting i.v.m. de aanrekening van het passief bij toepassing van art. 60bis W.Succ. onder punt 10.3. hierna.)
Het bewijs waarvan sprake is niet het bewijs van het bestaan van de schulden (dat hoe dan ook vereist is), maar het bewijs van de specifieke kwalificatie (nl. betrekking hebbend op de verwerving of het behoud van onroerende goederen).
Bij gebrek aan nadere aanwijzingen dient ervan uitgegaan dat dit bewijs dient geleverd overeenkomstig het gemeen recht.
c) De termen "verwerven" en "behouden" dienen hier ruimer begrepen dan wat bedoeld wordt in art. 33, laatste lid, 2° W.Succ. Het onrechtstreeks verband tussen de schuld en de verkrijging of het behoud van het onroerend goed volstaat. Met name zal dus bijvoorbeeld een lening, die de erflater zou hebben aangegaan om de prijs van een door hem aangekocht onroerend goed te betalen, terzake voor aanrekening op het onroerend actief in aanmerking komen. Ook de schulden die betrekking hebben op het juridisch behoud van het onroerend goed kunnen op het onroerend actief aangerekend worden.
Noteer evenwel dat de begrippen "verbetering" en "terugbekoming" niet voorkomen in de formulering van art. 48 W.Succ.
De nieuwe bepalingen inzake fiscale aanrekening van de schulden wijken volledig af van de regels vervat in de artikelen 1009, 1012 en 1024 B.W. m.b.t. de tenlastelegging van het passief op burgerlijk vlak.
Het opgeven van de proportionele aanrekening van de schulden zou aldus tot gevolg hebben dat de legataris van de onroerende goederen op fiscaal vlak benadeeld wordt.
Teneinde elke discriminatie terzake uit te sluiten dient als principe vooropgesteld dat de omvang van het bijdragend aandeel van elke erfgenaam en legataris in het passief dient bepaald volgens de regels van het burgerlijk recht. Bij het bepalen van het bedrag van het bijdragend aandeel in het passief van de vruchtgebruiker en de blote eigenaar worden evenwel de fiscale coëfficiënten gebruikt. Het aldus bepaalde bedrag van dit bijdragend aandeel in het passief wordt vervolgens fiscaal omgeslagen (art. 48 W.Succ.). Dit gebeurt enkel :
Hierna volgt een voorbeeld om één en ander te verduidelijken.
Voorbeeld : legataris onder algemene titel
X (zonder verwantschap) werd door de overledene aangesteld als legataris onder algemene titel van 1/2 van de onroerende goederen (OG). Enige erfgenaam : kind A Actief : 2.000.000 F (onroerende goederen) 8.000.000 F (roerende goederen) ------------- 10.000.000 F Passief : 1.000.000 F (begrafeniskosten inbegrepen) Vereffening (burgerlijk recht) : 1. X bekomt 1/2 in de onroerende goederen : 1.000.000 F X draagt in passief 1.000.000 x 1/10 - 100.000 F ------------ 900.000 F 2. A bekomt : 1/2 in de onroerende goederen 1.000.000 F roerende goederen + 8.000.000 F ------------ 9.000.000 F A draagt bij in het passief : 1.000.000 X 9/10 = - 900.000 F ------------ 8.100.000 F Berekening (fiscaal recht). Er wordt verondersteld dat de schulden niet gespecifieerd zijn. 1. X : nooit omslag van passief voor toepassing van tabel II heffing : 500.000 F x 30 % = 150.000 F 400.000 F x 35 % = 140.000 F ---------- 290.000 F 2. A : bijdragend aandeel in het passief (900.000 F - niet gespecifieerd) bij voorkeur toerekenen op de roerende goederen, want : - A is erfgenaam in rechte lijn (tabel I); - én A bekomt zowel roerende als onroerende goederen. 1.000.000 (onroer. goederen) 8.000.000 (roer. goederen) 0 - 900.000 ---------- ---------- 1.000.000 7.100.000 heffing : - op OG : 1.000.000 F x 3 % = 30.000 F - op RG : 2.000.000 F x 3 % = 60.000 F 5.100.000 F x 9 % = 459.000 F ------------ 549.000 F A heeft geen recht op vermindering (art. 56 W.Succ. - zie punt 8 hierna). Ook niet voor de rechten berekend op het netto-aandeel in de onroerende goederen (1.000.000), zelfs al bedraagt dit minder dan 2.000.000 F. Het netto-erfdeel van A (8.100.000 F) bedraagt immers meer dan 2.000.000 F. 3.4.3. Erfgenamen in rechte lijn of langstlevende echtgenoot samen met zijverwanten.
De wijzigingen in artikel 48 W.Succ. hebben enkel betrekking op het tarief, de grondslag en de aanrekening van schulden voor de vererving in rechte lijn en tussen echtgenoten (TABEL I). De vroegere regels blijven (alvast voorlopig) bestaan voor de vererving in de zijlijn (broers, zusters, ooms/tantes en neven/nichten) en tussen alle andere personen (TABEL II).
Dit heeft tot gevolg dat met name de aanrekening van de schulden niet op een uniforme wijze kan gebeuren in het geval dat erfgenamen uit de eerste categorie samen opkomen met erfgenamen uit de tweede categorie.
Ook hier dienen echter de burgerrechtelijke regels inzake de bijdrage in het passief toegepast, en pas nadien de fiscale regels.
Voorbeeld : langstlevende echtgenoot en zijverwanten.
De nalatenschap van Primus komt toe aan zijn echtgenote Prima (coëfficiënt 9,5; haar vruchtgebruik bedraagt dus 38 %) en zijn neef Secundus (4de graad). Prima : 1/2 VE van het GV 1/1 VRG van het EV Secundus : 1/1 BE van het EV Eigen vermogen Primus actief - onroerende goederen : 18.000.000 - roerende goederen : 4.000.000 ------------ 22.000.000 passief - schulden 2.000.000 - begrafeniskosten 300.000 - 2.300.000 ------------ netto 19.700.000 Gemeenschappelijk vermogen (verdeling bij helften) actief - onroerende goederen : 22.000.000 - roerende goederen : 10.000.000 ------------ 32.000.000 passief schulden (niet gespecifieerd) - 4.000.000 ------------ netto 28.000.000 Nalatenschap Primus omvat 1/2 van het gemeenschappelijk vermogen, hetzij dus 14.000.000 F netto. Het passief van het gemeenschappelijk vermogen (4.000.000 F) wordt proportioneel omgeslagen over de roerende en de onroerende goederen van het gemeenschappelijk vermogen. Alleen het netto-actief van de roerende en de onroerende goederen valt in de nalatenschap (Burgerlijk recht - verdeling van het gemeenschappelijk vermogen) 1/2 netto-actief GV 14.000.000 EV Primus actief + 22.000.000 ------------ 36.000.000 EV Primus passief - 2.300.000 ------------ 33.700.000 Het bijdragend aandeel van Prima en Secundus in het passief van de nalatenschap (2.300.000) wordt bepaald volgens het burgerlijk recht. Het aldus bekomen bijdragend aandeel in het nalatenschapspassief wordt vervolgens voor Prima overeenkomstig de fiscale regels bij voorrang op de roerende goederen aangerekend (art. 48 W.Succ.). Het erfdeel van Secundus wordt belast volgens het tarief van Tabel II, zodat dit erfdeel niet gesplitst wordt in een roerend en een onroerend aandeel.
Emolument Prima actief - onroerende goederen : - gemeenschappelijk vermogen : 22.000.000 -2.750.000 (4.000.000 x 22/32) 19.250.000 x 1/2 = 9.625.000 - eigen vermogen : 18.000.000 x 38 % = 6.840.000 ------------ 16.465.000 - roerende goederen : - gemeenschappelijk vermogen : 10.000.000 -1.250.000 (4.000.000 x 10/32) ----------- 8.750.000 x 1/2 = 4.375.000 - eigen vermogen : 4.000.000 x 38 % = 1.520.000 ---------- 5.895.000 Totaal : 16.465.000 (onroerend) + 5.895.000 (roerend) ----------- 22.360.000 passief Bijdragend aandeel Prima 2.300.000 x 14/36 = 894.444,44 in volle eigendom 2.300.000 x 22/36 = 1.405.555,56 in vruchtgebruik Fiscale berekening - in volle eigendom : 894.444,44 - in vruchtgebruik : 1.405.555,56 x 38 % = 534.111,09 ------------ 1.428.555,53 Fiscale aanrekening op de roerende goederen Heffing : 1. onroerende goederen : 16.465.000 - 0 ------------ 16.465.000 2.000.000 x 3 % = 60.000 8.000.000 X 9 % = 720.000 6.465.000 x 27 % = 1.745.550 ---------- 2.525.550 2. roerende goederen : 5.895.000 - 1.428.555,53 ------------ 4.466.444,47 2.000.000 x 3 % = 60.000 2.466.500 x 9 % = 221.985 -------- 281.985 Emolument neef Secundus BE (= 62 %) van het EV actief 22.000.000 x 62 % = 13.640.000 passief bijdragend aandeel Secundus 2.300.000 x 22/36 = 1.405.555,56 in blote eigendom fiscale berekening 1.405.555,56 x 62 % = - 871.444,41 ------------- 12.768.555,59 tarief "tussen alle andere personen" toe te passen op 12.768.600 F
Behoudens in het geval van art. 16 W.Succ. (luidens hetwelk de vergoedingsrekeningen niet in aanmerking genomen worden i.g.v. vererving in de rechte nederdalende lijn of tussen echtgenoten met gemeenschappelijke kinderen of afstammelingen) maakt de vergoeding, door de overleden echtgenoot verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen, of de schuldvordering van de langstlevende echtgenoot op het eigen vermogen van de overledene, een roerende schuld uit die de voorschriften van art. 48 W.Succ. ondergaat.
In het eerste lid van art. 50 W.Succ. wordt enkel een tekstaanpassing doorgevoerd ("gemeenschappelijke" i.p.v. "gemene" kinderen) t.o.v. de vóór 1 januari 1997 geldende tekst.
In art. 50 W.Succ. wordt een tweede lid ingevoegd waardoor het tarief in rechte lijn en tussen echtgenoten toepasselijk gemaakt wordt op de verkrijgingen door de kinderen van de langstlevende echtgenoot van de overledene, met andere woorden op de verkrijgingen door de stiefkinderen van de overleden echtgenoot.
Deze bepaling is vooreerst slechts toepasselijk voor de kinderen van de langstlevende echtgenoot van de overledene. Het toepasselijk tarief op een legaat door een stiefouder aan zijn stiefkind wordt bijgevolg bepaald door de volgorde van overlijden van de stiefouder en zijn echtgenoot (ouder van het stiefkind). Sterft de stiefouder vóór de ouder van het stiefkind, dan is het legaat van de stiefouder aan zijn stiefkind onderworpen aan het tarief rechte lijn. In het tegenovergestelde geval is dit legaat, in principe, onderworpen aan het tarief "tussen alle andere personen".
Art. 50, tweede lid, W.Succ. is bovendien slechts toepasselijk op verkrijgingen door kinderen van de langstlevende echtgenoot van de overledene. Verkrijgingen door andere afstammelingen (bijvoorbeeld kleinkinderen) van de langstlevende echtgenoot vallen bijgevolg buiten het toepassingsgebied van deze bepaling.
Tenslotte dient opgemerkt dat terzake, in tegenstelling tot het bepaalde in art. 52/2 W.Succ. i.v.m. de adoptiekinderen van de overledene zelf, geen enkele voorwaarde gesteld wordt aan de duur of de inhoud van het stiefouderschap, zodat daaromtrent ook geen enkel bewijs dient geleverd. Het enige wat in dit geval dient bewezen te worden is de afstamming t.o.v. de echtgenoot van de overledene.
Dit artikel wordt, wat het Vlaams Gewest betreft, volledig opgeheven bij art. 16 van het voormeld decreet.
De voorheen bestaande abattementen en bijabattementen worden vervangen door een degressieve belastingvermindering (nieuw artikel 56 W.Succ.).
De belastingvrijstelling, voorheen voorzien in artikel 54, 2° W.Succ. ten gunste van andere erfgenamen, legatarissen en begiftigden dan de erfgenamen in de rechte lijn en de echtgenoot, wordt afgeschaft.
De vrijstelling van successierechten en van het recht van overgang bij overlijden wordt thans beperkt tot de in het nieuwe artikel 55 W.Succ. vermelde Vlaamse overheden en instellingen.
Vanaf de inwerkingtreding van bovenvermeld decreet zijn de legaten aan de Belgische Staat of aan de openbare instellingen van de Belgische Staat, aan het Waalse of het Brusselse Gewest en aan de openbare instellingen van het Waalse of het Brusselse Gewest, onderworpen aan het successierecht en het recht van overgang bij overlijden volgens het tarief "tussen alle andere personen".
De commentaar bij dit artikel maakt het voorwerp uit van een afzonderlijke aanschrijving.
De voorheen bestaande tekst van dit artikel wordt volledig afgeschaft, en vervangen door de nieuwe tekst.
Dit betekent dat de vermindering van 2 % wegens kinderlast ten gunste van bepaalde erfgenamen, legatarissen of begiftigden, en deze van 4 % ten gunste van de langstlevende echtgenoot, is afgeschaft.
Zoals de voorheen bestaande vermindering van art. 56 W.Succ. geldt de vermindering van het nieuwe art. 56 W.Succ. zowel voor het successierecht als voor het recht van overgang bij overlijden.
Ter vervanging van de voorheen bestaande abattementen wordt aan de door de wet tot de erfenis geroepen erfgenamen in de rechte lijn en aan de langstlevende echtgenoot een degressieve belastingvermindering toegekend, op voorwaarde dat het netto-erfdeel van de betrokken erfgenaam minder bedraagt dan 2.000.000 F.
Het netto-erfdeel van de erfgenaam wordt gevormd door de som van zijn netto-aandeel in de onroerende goederen, zijn netto-aandeel in de roerende goederen en zijn netto-aandeel in de familiale onderneming of vennootschap (zie hierna onder punt 10). Indien dit netto-erfdeel 2.000.000 F of meer bedraagt is geen enkele vermindering toepasselijk.
De vermindering bedraagt : 20.000 F vermenigvuldigd met de coëfficiënt bekomen door 1 te verminderen met het quotiënt van (erfdeel : 2.000.000).
Voor de berekening van deze verhouding dient toepassing gemaakt van art. 63 W.Succ.
Na uitwerking blijkt dat :
Ter vervanging van de voorheen bestaande bijabattementen wordt ten gunste van de kinderen die de volle leeftijd van 21 jaar niet bereikt hebben een bijkomende vermindering van 3.000 F toegestaan per volledig jaar dat nog moet verlopen tot de leeftijd van 21 jaar.
De helft van de bijkomende vermindering die de gemeenschappelijke kinderen genieten wordt toegekend aan de overlevende echtgenoot.
Let wel : Gelet op de formulering van dit artikel is noch de vermindering, noch de bijkomende vermindering van toepassing in hoofde van de stiefkinderen van de overledene waarvan sprake in artikel 50, tweede alinea, W.Succ.
Het verlaagd tarief van 6,6 % wordt nog enkel toegekend voor de legaten aan de in de nieuwe bepaling vermelde overheden en instellingen in het Vlaamse Gewest (art. 59, 1° W.Succ.).
Artikel 59, 2° blijft ongewijzigd.
Het nieuwe artikel 60bis W.Succ. voert een verlaagd tarief in voor familiale ondernemingen en familiale vennootschappen. In afwijking van artikel 48 en artikel 48/2 W.Succ. worden bepaalde goederen, onder welbepaalde voorwaarden, aan een vlak tarief van 3 % belast.
Dit verlaagd tarief geldt enkel voor het successierecht, maar ongeacht de hoedanigheid van de rechtverkrijgenden (dus zowel bij vererving in rechte lijn als tussen echtgenoten, en ook bij vererving in zijlijn en tussen andere personen).
Het verlaagd tarief van 3 % is, ongeacht de waarde van de goederen, toepasselijk op de nettowaarde van :
a) de beroepsmatig door de erflater of zijn echtgenoot in een familiale onderneming geïnvesteerde activa;
Onder "beroepsmatig door de erflater of door zijn echtgenoot in een familiale onderneming geïnvesteerde activa" dient er verstaan : alle van de nalatenschap afhangende onroerende en roerende bestanddelen van het bedrijf, met inbegrip van de cliënteel, de bedrijfsinschulden en de bedrijfsmiddelen, onder aftrek van het aandeel van de erflater in de bij zijn overlijden bestaande schulden van de onderneming, op voorwaarde dat de onderneming zuiver voor beroepsdoeleinden wordt gevoerd in hoofde van de erflater en/of zijn echtgenoot. Dit veronderstelt een persoonlijke exploitatie door deze laatsten, al dan niet samen met anderen (art. 60bis, § 2 W.Succ.).
Met betrekking tot de aandelen in een familiale vennootschap of vorderingen op een dergelijke vennootschap is een beroepsmatige investering niet vereist (vergelijk met art. 48/2 W.Succ.).
Luidens art. 60bis, § 9, W.Succ. is de nettowaarde "de waarde van de activa of aandelen verminderd met de schulden, behalve die welke specifiek werden aangegaan om andere goederen te verwerven of te behouden".
Hieruit dient afgeleid :
a) dat, in het geval van toepassing van art. 60bis W.Succ., de schulden (d.i. de schulden van de overledene en de begrafeniskosten) moeten aangerekend worden :
c) dat aan de begrippen "specifiek aangegaan" en "verwerven of behouden" hier dezelfde betekenis moet gegeven worden zoals uiteengezet onder punt 3.4.1. hiervoor.
Artikel 60bis W.Succ. legt een aantal grondvoorwaarden op waaraan op datum van het overlijden moet voldaan zijn om de toepassing van dit artikel te kunnen inroepen :
1) een participatievoorwaarde (art. 60bis, § 1 W.Succ.);
2) een tewerkstellingsvoorwaarde (art. 60bis, § 5 W.Succ.);
3) een voorwaarde m.b.t. het houden van jaarrekeningen (art. 60bis, § 8 W.Succ.);
4) een voorwaarde m.b.t. de rechtmatigheid van de kapitaalverhogingen en bijkomende leningen (art. 60bis, § 6 W.Succ.) (= anti-ontwijkingsmaatregel);
De onderneming of de aandelen waarvan sprake onder art. 60bis, § 1, W.Succ. moeten gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden ononderbroken voor tenminste 50 % toebehoord hebben aan de overledene en/of zijn echtgenoot.
Het verlaagd tarief wordt slechts toegestaan op voorwaarde dat de onderneming of de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden minstens vijf in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde werknemers telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden.
De onderneming of vennootschap komt slechts voor het verlaagd tarief in aanmerking voor zover ze een jaarrekening opmaakte in de periode van drie jaar vóór het overlijden.
Tenzij door de aangevers wordt bewezen dat ze beantwoorden aan rechtmatige financiële of economische behoeften, komen voor het verlaagd tarief niet in aanmerking :
Indien niet voldaan is aan de grondvoorwaarden worden de in artikel 60bis W.Succ. bedoelde goederen belast volgens het gewoon tarief van artikel 48 W.Succ.
Indien het in punt 10.4.4. bedoelde bewijs niet geleverd wordt, doch wel aan de andere grondvoorwaarden is voldaan, worden alleen die bijkomende activa, kapitaalverhogingen of bijkomende leningen volgens het gewoon tarief belast.
Hierbij dient echter onmiddellijk opgemerkt dat, indien het gaat om activa zoals bedoeld in artikel 48/2 W.Succ., die verkregen worden door de langstlevende echtgenoot of door een erfgenaam in rechte lijn, de aangevers, mits ze daarom - in ondergeschikte orde - uitdrukkelijk verzoeken in de aangifte, en mits voldaan is aan de gestelde voorwaarden, de mogelijkheid behouden om te genieten van het in artikel 48/2 W.Succ. bepaalde tarief.
Luidens §§ 1 en 10 van artikel 60bis W.Succ. is het verlaagd tarief, op straffe van verval, slechts toepasselijk als vier vormvoorwaarden vervuld zijn :
De hier bedoelde aangifte van nalatenschap kan zowel de oorspronkelijke als een bijvoeglijke aangifte zijn, op voorwaarde dat de indiening ervan spontaan gebeurt, en dus niet op verzoek van de Administratie (bijvoorbeeld na de vraag tot aangifte van de goederen bedoeld in art. 60bis W.Succ.) of dus ook niet nadat de Administratie onderzoeksdaden heeft gesteld met betrekking tot de bedoelde goederen. Het feit dat de indiening van de aangifte waarin de bedoelde goederen vermeld worden buiten de wettelijke verbeteringstermijn zou plaatshebben, heeft op zichzelf niet tot gevolg dat het verminderd tarief van art. 60bis W.Succ. niet meer kan ingeroepen worden.
Indien er geen spontane aangifte - in de hiervoor uiteengezette zin - plaatsheeft, brengt de bevoegde ontvanger der registratie de dienst van de Vlaamse Gemeenschap, die het attest heeft uitgereikt hiervan op de hoogte.
De aangevers moeten in de aangifte van nalatenschap in duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen de toepassing van art. 60bis W.Succ. vragen voor de goederen die ze onder een afzonderlijke rubriek in de aangifte (z. hierna onder punt 10.6.4.) hebben aangeduid. Het verlaagd tarief van 3 % kan dus m.a.w. niet ambtshalve worden toegepast, zelfs niet als de goederen waarop art. 60bis W.Succ. van toepassing is in een afzonderlijke rubriek zijn opgenomen : een uitdrukkelijk verzoek is vereist.
Bij de aangifte waarin om de toepassing van art. 60bis W.Succ. wordt verzocht, dient een attest gevoegd, uitgereikt door de Vlaamse Gemeenschap, waarin wordt bevestigd dat aan de in voormeld artikel gestelde voorwaarden op het vlak van tewerkstelling en kapitaal is voldaan.
De voorwaarden en modaliteiten waaronder dit attest dient te worden aangevraagd en verstrekt dienen nog door de Vlaamse regering te worden bepaald.
Dit attest dient door de aangevers zelf bij de aangifte gevoegd, en zal eraan gehecht blijven.
Wordt het attest niet gevoegd bij de aangifte waarin om de toepassing van art. 60bis W.Succ. gevraagd wordt, dan worden de rechten berekend tegen het gewone tarief van art. 48 W.Succ. In dat geval beschikken de aangevers echter wel nog over de mogelijkheid teruggave te vragen overeenkomstig art. 135, 8° W.Succ. (z. hierna onder punt 11).
De activabestanddelen, aandelen of vorderingen waarvoor het verlaagd tarief wordt gevraagd, dienen in een afzonderlijke rubriek in de aangifte te worden vermeld.
Indien slechts een gedeelte van een onroerend goed voor de (niet in de vorm van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid bestaande) onderneming of het vrij beroep wordt aangewend, of indien een roerend goed daarvoor slechts gedeeltelijk wordt gebruikt, bepaalt de daarvan voor de heffing van de inkomstenbelastingen aangewende breuk voor welk deel het goed in kwestie tot de bestanddelen van de onderneming wordt gerekend. Het is dit deel dat bij de nadere aanwijzing van de actieve bestanddelen van de onderneming in de afzonderlijke rubriek van de aangifte dient te worden vermeld.
Art. 60bis W.Succ. verbindt het behoud van het verlaagd tarief aan de "blijvende" vervulling van een aantal voorwaarden.
Het zijn de erfgenamen die het voordeel van dit artikel genoten hebben die moeten aantonen dat in de periode van vijf jaar na het overlijden :
4. in welbepaalde gevallen, bij overlijden van een erfgenaam die het verlaagd tarief genoten heeft, diens aandeel vererfd werd in rechte lijn of tussen echtgenoten (art. 60bis, § 5, W.Succ.).
10.7.1. Behoud van de tewerkstelling (art. 60bis, § 5, W.Succ.).
Zoals voor de grondvoorwaarde i.v.m. de tewerkstelling wordt de tewerkstelling in de periode van vijf jaar volgend op het overlijden beoordeeld op het aantal voltijdse werknemers (waarbij gedeelten van arbeidsplaatsen worden verwaarloosd en enkel rekening wordt gehouden met de volle eenheden - z. berekeningswijze onder punt 10.4.2.). Het tewerkstellingsniveau dient per jaar beoordeeld (art. 60bis, § 5, vierde alinea, W.Succ.). Een vermindering van het aantal werknemers in de loop van één van die vijf jaren t.o.v. de situatie bij het overlijden heeft een proportioneel verlies van het verlaagd tarief tot gevolg. Dit verlies is onherroepelijk, en wordt niet meer beïnvloed door een gebeurlijke latere stijging van het aantal werknemers (zelfs niet tot boven het niveau ten tijde van het overlijden).
10.7.2. Behoud van het belegd vermogen of van het kapitaal en de vorderingen (art. 6Obis, § 7, W.Succ.).
Mutatis mutandis gelden hier dezelfde principes als voor het behoud van de tewerkstelling.
10.7.3. Opmaken van jaarrekeningen (art. 60bis § 8, W.Succ.).
De jaarrekeningen die in de periode van vijf jaar volgend op het overlijden moeten opgemaakt worden, dienen te beantwoorden aan dezelfde voorwaarden als deze gesteld voor de jaarrekeningen opgemaakt in de periode van drie jaar vóór het overlijden (nl. conformiteit met het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 en aanwending ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelastingen - z. punt 10.4.3. hiervoor).
Het bewijs van de naleving van deze voorwaarde maakt deel uit van de meldingsplicht (z. punt 10.8. hierna).
10.7.4. Overlijden van de erfgenaam die het verlaagd tarief genoten heeft (art. 60bis, § 5, W.Succ.).
Aan de erfgenaam die aandelen of vorderingen geërfd heeft in familiale vennootschappen (dus niet activa in familiale ondernemingen, zoals bedoeld in art. 60bis, § 2 W.Succ.!) die minder dan vijf werknemers tellen, en die, in afwijking van het eerste lid van § 5, het verlaagd tarief van 3 % slechts genoten heeft voor een percentage (20 %, 40 %, 60 % of 80 %) van de nettowaarde bepaald in § 9, wordt nog een bijkomende voorwaarde tot behoud van het verlaagd tarief opgelegd (art. 60bis, § 5, tweede alinea, W.Succ.) : dergelijke erfgenaam moet zijn aandelen of vorderingen behouden gedurende de gestelde periode van vijf jaar. Indien die erfgenaam zou overlijden in de periode van vijf jaar vanaf het overlijden van zijn rechtsvoorganger, kan het verlaagd tarief maar behouden blijven op voorwaarde dat zijn aandelen of vorderingen vererfd worden in rechte lijn of tussen echtgenoten.
De niet-vervulling van deze voorwaarde heeft een volledig verlies van het verlaagd tarief tot gevolg.
Luidens artikel 60bis, § 11, W.Succ. moeten de erfgenamen die het voordeel van dit artikel hebben genoten aantonen dat er blijvend (d.i. gedurende een periode van vijf jaar na het overlijden) voldaan is aan de voorwaarden inzake tewerkstelling en kapitaal, gesteld voor het behoud van dit voordeel. De daaraan gedurende deze periode van vijf jaar gekoppelde meldingsplicht tegenover de (door de Vlaamse regering nog aan te wijzen) dienst van de Vlaamse Gemeenschap moet spontaan vervuld worden, zowel in het geval dat er wijzigingen zijn opgetreden in de tewerkstellings- of kapitaalstoestand, als in het geval dat er geen wijzigingen hebben plaatsgehad.
Ook in het geval bedoeld in art. 60bis, § 5, tweede alinea, W.Succ. (d.i. indien de betrokken erfgenaam zelf overlijdt binnen de vijf jaar na het overlijden naar aanleiding waarvan de toepassing van het verlaagd tarief werd gevraagd - zie punt 10.7.3. hiervoor) dient de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap in kennisgesteld van de al dan niet naleving van de gestelde voorwaarde i.v.m. de vererving.
Luidens de tekst van art. 60bis, § 12 W.Succ. levert de Vlaamse Gemeenschap aan de bevoegde ontvanger van de registratie een nieuw attest af elke keer als zich, binnen de periode van vijf jaar vanaf het overlijden, wijzigingen voordoen in de tewerkstellings- en/of kapitaaltoestand waardoor het verlaagd tarief geheel of gedeeltelijk vervalt. Op basis van dit attest dienen de verschuldigde rechten te worden herberekend.
Teneinde nutteloze herberekeningen te vermijden, zal slechts jaarlijks een nieuw attest aan de bevoegde ontvanger worden toegestuurd indien daartoe aanleiding bestaat.
Bij niet-naleving van de meldingsplicht vervalt de toepassing van het verlaagd tarief volledig (art. 60bis, § 11, laatste alinea, W.Succ.).
10.9. Herberekening i.g.v. niet-vervulling van de voorwaarden tot behoud van het verlaagd tarief.
a) Luidens art. 60bis, § 5, laatste alinea, W.Succ. is de belasting, tegen het normale tarief, evenredig verschuldigd indien en in de mate dat de tewerkstellingsvoorwaarde niet meer vervuld is.
De evenredigheid slaat enkel op de mate waarin het aantal werknemers in de periode van 5 jaar na het overlijden daalt. Het heeft geen belang in de loop van welk jaar (eerste, tweede, derde, vierde of vijfde jaar) na het overlijden die daling plaatsvindt.
Voorbeeld : Een onderneming telt 100 werknemers op datum van het overlijden. Het verlaagd tarief bedoeld in art. 60bis W.Succ. werd toegepast op activa, aandelen of vorderingen ten bedrage van 10.000.000 F.
Uit het door de Vlaamse Gemeenschap afgeleverde nieuw attest blijkt dat het aantal werknemers tijdens het eerste jaar na het overlijden tot 90 is gedaald. Hierdoor worden de activa, aandelen of vorderingen belastbaar aan het normaal tarief ten belope van 10.000.000 x 10/100 = 1.000.000 F, rekening houdend met de aard van de goederen. Een latere verhoging van het aantal werknemers, zelfs tot boven het aantal op datum van het overlijden, heeft geen enkele invloed meer.
Art. 60bis, § 5, laatste alinea, W.Succ. vermeldt eveneens dat die rechten te verhogen zijn met de wettelijke interest "sinds het overlijden". Dit is in tegenstrijd met art. 81 W.Succ., en dient bijgevolg begrepen te worden als "te rekenen vanaf het verstrijken van de wettelijke betalingstermijn bedoeld bij art. 77, eerste alinea, W.Succ.". Overigens blijkt uit de formulering van art. 60bis, § 7 (zie hierna) - dat een gelijkaardige bepaling bevat i.v.m. de kapitaalsvoorwaarde - dat de toevoeging "sinds het overlijden" daarin niet voorkomt; de verschillende behandeling van de beide gevallen van niet-vervulling van de voorwaarden is dan ook niet te verantwoorden.
b) Art. 60bis, § 7, W.Succ. voert m.b.t. de niet-naleving van de kapitaalsvoorwaarde een gelijkaardige regeling in als deze hiervoor uiteengezet onder a). Indien dus uit een door de Vlaamse Gemeenschap aan de ontvanger toegezonden attest blijkt dat in de periode van vijf jaar nà het overlijden het belegd vermogen van de onderneming of het kapitaal van en de vorderingen op de vennootschap gedaald zijn door uitkeringen of terugbetalingen, dienen de verschuldigde rechten te worden herberekend tegen het gewone tarief en naar evenredigheid met de daling.
Ook hier slaat de evenredigheid enkel op de mate waarin de activa, aandelen of vorderingen dalen in de periode van 5 jaar na het overlijden. Het heeft geen belang in de loop van welk jaar (eerste, tweede, derde, vierde of vijfde) na het overlijden die daling plaatsvindt. Het voorbeeld vermeld onder nr. 10.9.a) kan hier mutatis mutandis worden toegepast.
Bij gebrek aan nadere aanduiding in het decreet is de verjaringstermijn voor de invordering van de sommen, verschuldigd i.g.v. niet naleving van de voor het behoud van het verlaagd tarief van art. 60bis W.Succ. gestelde voorwaarden, de gemeenrechtelijke verjaringstermijn (d.i. 30 jaar).
Dit artikel voorziet in de mogelijkheid tot teruggave van de op de goederen bedoeld in art. 60bis W.Succ. teveel betaalde sommen wanneer het voor het verlaagd tarief vereiste attest niet bij de oorspronkelijke aangifte gevoegd was.
Dit veronderstelt uiteraard dat alle andere grond- en vormvoorwaarden voor het bekomen van voormeld tarief reeds in de voormelde aangifte vervuld waren en dat het attest bij de Vlaamse regering aangevraagd werd overeenkomstig de door haar opgelegde voorwaarden en modaliteiten.
Overeenkomstig dit artikel beschikken de belastingplichtigen over een termijn van 2 jaar, te rekenen vanaf de betaling van de (tegen het gewoon tarief van art. 48 W.Succ. berekende) belasting om, door middel van een bijvoeglijke aangifte waarin het feit vermeld wordt dat aanleiding geeft tot de teruggave en waarbij het attest is gevoegd, de teruggave te vragen van de teveel betaalde successierechten, interesten en boeten.
In geval van een gespreide betaling van de tegen het gewoon tarief berekende rechten kan de teruggave slechts toegestaan worden voor de sommen waarvan de betaling zich situeert binnen de periode van twee jaar vóór de indiening van de bijvoeglijke aangifte waarin de teruggave wordt gevraagd.
DEEL III. Invloed van de nieuwe bepalingen op de andere artikelen van het Wetboek der successierechten.
Dit artikel wordt niet gewijzigd door het decreet van 20 december 1996. Nochtans krijgt het begrip "Rijksinwoner" een andere inhoud.
Dit begrip zal in de huidige context en in het kader van het sedert 1 januari 1997 in het Vlaamse Gewest toepasselijk Wetboek der successierechten moeten worden verengd tot "Vlaamse Gewestinwoner". Zoals reeds vermeld (cf. 1.1. hiervoor) zijn de criteria waaraan dit begrip beantwoordt mutatis mutandis dezelfde als voor het begrip "Rijksinwoner".
Uitgaande van de vaststelling dat art. 5 W.Succ. een zuivere fiscale bepaling bevat, dienen meteen ook consequent de nieuw ingevoerde principes i.v.m. actief (roerend of onroerend) en passief te worden toegepast. Dit heeft tot gevolg dat de huwelijksvoordelen, beoogd door voormeld artikel, als volgt zullen worden bepaald :
a) in geval de langstlevende echtgenoot het hele gemeenschappelijk vermogen verkrijgt ingevolge een verblijvingsbeding :
In dit geval blijven de goederen van het gemeenschappelijk vermogen burgerrechtelijk volledig buiten de nalatenschap. Er moet enkel nagegaan worden in welke mate de fictiebepaling van art. 5 W.Succ. toepasselijk is. Niet enkel dient nagegaan welk bedrag de langstlevende echtgenoot ontvangt boven de helft waarop hij recht heeft, maar ook het karakter van de goederen waarop dit bedrag slaat (roerend of onroerend) moet worden vastgesteld. Bovendien wordt de langstlevende echtgenoot geacht dit deel te verkrijgen krachtens een schenking of een uiterste wilsbeschikking, wat een gelijkstelling met erfelijk actief en passief insluit : het deel dat de langstlevende echtgenoot verkrijgt uit het gemeenschappelijk vermogen boven de helft wordt geacht in de nalatenschap aanwezig te zijn.
Bijgevolg moeten de actief- en passiefposten stuk voor stuk worden bekeken. Elke post zal voor de helft bij het emolument van de langstlevende echtgenoot moeten worden gevoegd rekening houdend met de aard van de goederen (voor het actief), en met de bepalingen van art. 48 W.Succ. - in voorkomend geval ook met deze van art. 60bis W.Succ. - m.b.t. de aanrekening van het passief.
b) in geval er in voordeel van de langstlevende echtgenoot een beding van vooruitmaking bestaat of er een andere ongelijke verdeling van het gemeenschappelijk vermogen plaatsheeft :
Bij een beding van vooruitmaking (preciput) moet worden nagegaan welke goederen door de langstlevende echtgenoot uit het gemeenschappelijk vermogen voorafgenomen worden. Deze goederen dienen bij het overeenstemmend belastbaar aandeel (roerend of onroerend) gevoegd te worden. Vermits de langstlevende echtgenoot in het passief van het gemeenschappelijk vermogen moet bijdragen in functie van wat hij uit dit vermogen verkrijgt, zal het deel dat hij boven de helft in het passief moet dragen van zijn emolument mogen worden afgetrokken, rekening houdend met de bepalingen van art, 48 W.Succ., en - in voorkomend geval - met deze van art. 60bis W.Succ.
Dezelfde redenering is van toepassing op de andere bedingen van ongelijke verdeling van het gemeenschappelijk vermogen.
De fictiebepalingen vervat in deze artikelen hebben steeds betrekking op roerende goederen. Het emolument dat bij toepassing van die bepalingen onderworpen is aan het successierecht, zal dus steeds bij het netto roerend aandeel van. de betrokken erfgena(a)m(en) moeten worden gevoegd.
De fictiebepalingen in deze artikelen kunnen zowel slaan op roerende als op onroerende goederen. De uit hoofde van die artikelen belastbare grondslag moet worden gevoegd bij de categorie van goederen waarop hij betrekking heeft.
De aandacht wordt erop gevestigd dat dit artikel ongewijzigd blijft : de stiefkinderen waarvan sprake in art. 50, tweede lid, W.Succ. komen voor de toepassing van art. 16 W.Succ. dus niet in aanmerking.
Aangezien artikel 17 W.Succ. alleen betrekking kan hebben op in het buitenland gelegen onroerende goederen, dient bij de berekeningen in principe enkel nog rekening te worden gehouden met de brutowaarde van deze onroerende goederen en met het totaal van de rechten berekend over de onroerende goederen. De gebeurlijk toe te passen vermindering van de rechten (art. 56 W.Succ.) moet worden omgeslagen over het roerend en het onroerend aandeel.
Ondanks de nieuwe formulering van artikel 48 (inzake "netto-aandeel" en aanrekeningswijze van de schulden) blijft het principe van art. 18 W.Succ. gehandhaafd : het recht van overgang bij overlijden is verschuldigd op de algemeenheid van de in België gelegen onroerende goederen zonder aftrekking van lasten.
De dubbele overdracht binnen het jaar die beoogd wordt door dit artikel heeft betrekking op de waarde van de goederen (m.a.w. de vermogensaangroei van de tweede erflater), veeleer dan op de geïndividualiseerde goederen zelf. Bijgevolg moet geen onderscheid gemaakt worden in de categorieën van goederen, en moet de dubbele overdracht niet berekend worden over de roerende en de onroerende goederen afzonderlijk. Bij de berekening zal men vertrekken van het per erfgenaam berekende totaal bedrag van de successierechten na toepassing van alle verminderingen, zowel in de eerste als in de tweede nalatenschap.
De terzake voorheen reeds geldende principes blijven verder van toepassing, ondanks het feit dat in een overgangsperiode (alvast voor wat de tot 31 december 1997 opengevallen erfenissen in rechte lijn en tussen echtgenoten betreft) gebeurlijk verschillende tarieven zouden toepasselijk zijn op de eerste en de tweede nalatenschap.
Artikel 62 W.Succ. blijft integraal van toepassing : met name zal de afronding van de belastbare grondslag per categorie van goederen (roerend, onroerend, goederen bedoeld in art. 60bis W.Succ.) toegepast worden. Ook de afronding van de verevende rechten gebeurt per categorie.
Het principe van de afronding van de verhoudingen tot het hoger honderdtal, vastgelegd in artikel 63 W.Succ., is eveneens toepasselijk op de verhouding ter bepaling van de vermindering waarvan sprake in artikel 56 W.Succ.
Het legaat zoals bedoeld in artikel 65 W.Succ. wordt op burgerlijk vlak gedragen door de wettelijke erfgenamen, de algemene legatarissen en legatarissen onder algemene titel daar dit legaat de totaliteit van de nagelaten goederen bezwaart.
Gelet op de splitsing door artikel 48 W.Succ. van het actief van de nalatenschap in een roerend en onroerend netto-actief en rekening houdend met het feit dat het legaat waarvan sprake in art. 65 W.Succ. steeds betrekking heeft op een roerend goed (een som, rente of pensioen) dat bijgevolg als roerend in hoofde van de begunstigde belast wordt, zal de aftrek in hoofde van de erfopvolger die het legaat volgens de principes van het burgerlijk recht moet dragen, in de eerste plaats gebeuren van zijn netto-aandeel in de roerende goederen. Bij uitputting zal het saldo eerst op de goederen bedoeld in artikel 60bis W.Succ. en vervolgens op het netto-aandeel in de onroerende goederen worden toegerekend.
Indien de overledene binnen de drie jaar vóór zijn overlijden schenkingen heeft toegestaan die in aanmerking dienen genomen te worden om de progressiviteit van het successierecht of het recht van overgang bij overlijden te bepalen, moet worden nagegaan welk soort goederen geschonken werd.
Zo zullen de schenkingen van roerende goederen alleen in aanmerking genomen worden om de progressiviteit van het recht over de roerende goederen te bepalen, en deze van onroerende goederen om de progressiviteit van het recht verschuldigd over de onroerende goederen te bepalen.
De berekeningswijze blijft verder onveranderd, ondanks het feit dat het tarief van het schenkingsrecht afwijkt van dit van het successierecht of van het recht van overgang bij overlijden.
Voorbeeld :
X is overleden en laat zijn zoon A als enige erfgenaam na. Zijn netto-roerende nalatenschap bedraagt 4.000.000 F; zijn netto-onroerende nalatenschap bedraagt 6.000.000 F.
Minder dan 3 jaar vóór zijn overlijden heeft X aan zijn zoon een schenking gedaan van een onroerend goed en van aandelen, samen voor een waarde van 8.000.000 F. Hierop werd een schenkingsrecht van 705.000 F geheven. In de akte werd de waarde van het onroerend goed geschat op 5.000.000 F, deze van de aandelen op 3.000.000 F
Heffing op de aangifte van nalatenschap van X : netto-roerend : 4.000.000 F toepassing art. 66bis : 3.000.000 F ------------ 7.000.000 F heffing : 2.000.000 F reeds belast 1.000.000 F reeds belast 4.000.000 F 9 % = 360.000 F netto-onroerend : 6.000.000 F toepassing art. 66bis : 5.000.000 F ------------ 11.000.000 F heffing : 2.000.000 F reeds belast 3.000.000 F reeds belast 5.000.000 F 9% = 450.000 F 1.000.000 F 27% = 270.000 F 720.000 F ------------ Totaal van de verschuldigde rechten : 1.080.000 F Artikel 66bis W.Succ. heeft enkel tot gevolg dat het netto-erfdeel eventueel in een hogere tariefschijf belast wordt. Wanneer het netto-erfdeel van een erfgenaam, legataris of begiftigde 2.000.000 F niet overtreft belet de toepassing van artikel 66bis W.Succ. de toepassing niet van de in artikel 56 W.Succ. bedoelde vermindering.
Artikel 66bis W.Succ. heeft bovendien geen invloed op het bedrag van die vermindering. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de formule voor de berekening van de verschuldigde rechten per erfgenaam, inclusief de vermindering, vermeld in fine van punt 8.1. van deze aanschrijving, enkel kan worden toegepast indien het netto-erfdeel integraal belast wordt in de tariefschijf van 3 %. Die formule kan niet worden toegepast zodra het netto-erfdeel, ingevolge de toepassing van artikel 66bis W.Succ. geheel of gedeeltelijk in een andere tariefschijf belast wordt.
De wettelijke vermoedens waarvan sprake in deze artikelen kunnen zowel betrekking hebben op roerende als op onroerende goederen.
Bij toepassing van deze bijzondere bewijsmiddelen zullen de goederen in kwestie dan ook moeten worden gevoegd bij het overeenstemmend netto-aandeel (roerend of onroerend) van de betrokken erfgena(a)m(en).
Decreet van 20 december 1996 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1997
Het Belgisch Staatsblad van 31 december 1996 (derde uitgave) heeft het decreet van het Vlaams Parlement van 20 december 1996, houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1997 gepubliceerd. (Err. B.S. 11 februari 1997).
Een uittreksel uit de tekst van dit decreet gaat hierbij (z. bijlage 1), evenals de gecoördineerde tekst van de artikelen van het Wetboek der successierechten zoals die door dit decreet voor het Vlaams Gewest zijn gewijzigd (z. bijlage 2).
De artikelen 14 tot en met 22 (Hoofdstuk V) van dit decreet wijzigen, voor wat het Vlaams Gewest betreft, een aantal bepalingen van het Wetboek der successierechten met ingang van 1 januari 1997. De door voormeld decreet ingevoerde wijzigingen hebben in hoofdzaak betrekking op de toepasselijke tarieven, de vrijstellingen en verminderingen, en de invoering van een verlaagd tarief voor familiale ondernemingen en vennootschappen.
De onderhavige aanschrijving heeft tot voorwerp de tekst van het voornoemde decreet mee te delen, en de nieuwe bepalingen, evenals de invloed ervan op de andere artikelen van het Wetboek der successierechten, toe te lichten.
Deze toelichting is als volgt ingedeeld :
- deel I : Toepassingsgebied
- deel II : Bespreking van de nieuwe bepalingen
- deel III : Invloed van de nieuwe bepalingen op de andere artikelen van het Wetboek der successierechten
DEEL I. Toepassingsgebied. 1. Territoriale toepassing 1.1. De overledene is een Rijksinwoner 1.2. De overledene is geen Rijksinwoner 2. Toepassing in de tijd DEEL II. Nieuwe bepalingen : bespreking per artikel. 3. Artikel 48 W.Succ. 3.1. Algemeen 3.2. Het tarief in rechte lijn en tussen echtgenoten 3.3. Grondslagen waarover het tarief dient toegepast 3.4. Aanrekening van het passief 3.4.1. Algemeen 3.4.2. Legaten van de roerende en van de onroerende goederen 3.4.3. Erfgenamen in rechte lijn of langstlevende echtgenoot samen met zijverwanten 3.4.4. Vergoedingsrekeningen 4. Artikel 50 W.Succ. 5. Artikel 54 W.Succ. 6. Artikel 55 W.Succ. 7. Artikel 55bis W.Succ. 8. Artikel 56 W.Succ. 8.1. Vermindering 8.2. Bijkomende verminderingen 9. Artikel 59, 1° W.Succ. 10. Artikel 60bis W.Succ. 10.1. Tarief 10.2. Bedoelde goederen 10.3. Nettowaarde - Aanrekening van het passief 10.4. Grondvoorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief 10.4.1. Participatievoorwaarde 10.4.2. Tewerkstellingsvoorwaarde 10.4.3. Voorwaarde om jaarrekeningen op te maken 10.4.4. Voorwaarde met betrekking tot de rechtmatigheid van bepaalde kapitaalverhogingen of bijkomende leningen : de anti-ontwijkingsmaatregel 10.5. Sanctie bij niet vervulling van de grondvoorwaarden 10.6. Vormvoorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief 10.6.1. Spontane vermelding in de aangifte 10.6.2. Uitdrukkelijk verzoek in de aangifte 10.6.3. Bijvoeging van het attest 10.6.4. Afzonderlijke rubriek in de aangifte 10.7. Voorwaarden tot behoud van het verlaagd tarief 10.7.1. Behoud van de tewerkstelling 10.7.2. Behoud van het belegd vermogen of van het kapitaal en de vorderingen 10.7.3. Opmaken van jaarrekeningen 10.7.4. Overlijden van de erfgenaam die het verlaagd tarief genoten heeft 10.8. Meldingsplicht - Nieuw attest 10.9. Herberekening i.g.v. niet-vervulling van de voorwaarden tot behoud van het verlaagd tarief 10.10. Verjaring 11. Artikel 135, 8° W.Succ. DEEL III. Invloed van de nieuwe bepalingen op de andere artikelen van het Wetboek der successierechten. 12. Artikel 1 W.Succ. 13. Artikel 5 W.Succ. 14. Artikelen 7 en 8 W.Succ. 15. Artikelen 9, 10 en 11 W.Succ. 16. Artikel 16 W.Succ. 17. Artikel 17 W.Succ. 18. Artikel 18 W.Succ. 19. Artikel 57 W.Succ. 20. Artikel 62 W.Succ. 21. Artikel 63 W.Succ. 22. Artikel 65 W.Succ. 23. Artikel 66bis W.Succ. 24. Artikelen 108 en 109 W.Succ.
| DEEL | I. Toepassingsgebied. |
| 1. | Territoriale toepassing. |
Het Vlaamse Gewest omvat de provincies Antwerpen, Limburg, Oost- en West-Vlaanderen en Vlaams-Brabant. Het omvat dus ook de randgemeenten (Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem), en de Vlaamse taalgrensgemeenten (Voeren, Herstappe, Bever, Spiere-Helkijn, Mesen en Ronse).
Voor het Waalse en het Brusselse Gewest blijven de bepalingen van het Wetboek der successierechten (Koninklijk besluit nr. 308 van 31 maart 1936, bekrachtigd door de wet van 4 mei 1936) onveranderd van toepassing.
| 1.1. | De overledene is een Rijksinwoner. |
| 1.2. | De overledene is geen Rijksinwoner. |
M.a.w. : een aangifte van overgang bij overlijden die overeenkomstig artikel 38, 2° W.Succ. in het Vlaams Gewest moet worden ingediend, zal volledig belast worden volgens het daar geldend regime, ongeacht of de aangifte al dan niet ook goederen vermeldt in een ander Gewest.
Dit is een gevolg van de lokalisatie van het recht van overgang bij overlijden, zoals vastgelegd in de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, art. 5, § 2, 4°.
(Voormeld artikel 5 bepaalt o.m. :
"§ 1. De (...) bedoelde belastingen worden aan de Gewesten toegewezen in functie van hun lokalisatie.
§ 2. Voor de toepassing van § 1 worden deze belastingen geacht als volgt te zijn gelokaliseerd :
(...)
4° het successierecht : op de plaats waar de nalatenschap openvalt
het recht van overgang bij overlijden : in het Gewest waar de goederen gelegen zijn, indien zij gelegen zijn in meerdere Gewesten, in het Gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste kadastraal inkomen gelegen is;")
| 2. | Toepassing in de tijd. |
Wat het successierecht en het recht van overgang bij overlijden betreft betekent dit dat de nieuwe bepalingen van toepassing zijn op alle nalatenschappen opengevallen sedert 1 januari 1997 (cf. art. 61 W.Succ.).
Voor alle nalatenschappen opengevallen vóór deze datum blijven bijgevolg de vroegere bepalingen onverminderd toepasselijk.
DEEL II. Nieuwe bepalingen : bespreking per artikel
| 3. |
Artikel 48 W.Succ. |
| 3.1. | Algemeen. |
| a. | het tarief |
| b. | de grondslagen waarover dit tarief wordt toegepast |
| c. | de aanrekening van de schulden |
| 3.2. | Het tarief in rechte lijn tussen echtgenoten. |
netto-aandeel van 0 tot 2.000.000 F : 3 % netto-aandeel van 2.000.000 tot 10.000.000 F : 9 % netto-aandeel boven de 10.000.000 F : 27 %
| 3.3. | Grondslagen waarover het tarief dient toegepast. |
Per erfgenaam dienen, in principe althans, twee berekeningen gemaakt, waarbij het tarief afzonderlijk wordt toegepast op de beide categorieën van goederen. M.a.w. : de progressiviteit valt weg tussen roerende en onroerende goederen.
De invloed van deze maatregel op de andere, niet door het decreet gewijzigde bepalingen van het Wetboek wordt verder onder deel III besproken.
| 3.4. | Aanrekening van het passief. |
Vooreerst dient opgemerkt dat hier met "schulden" zowel de op de dag van het overlijden bestaande schulden van de overledene als de begrafeniskosten beoogd worden.
| 3.4.1. | Algemeen. |
b) Indien de aangevers evenwel het bewijs leveren dat bepaalde schulden specifiek werden aangegaan om onroerende goederen "te verwerven of te behouden" worden deze schulden bij voorrang op het onroerend actief toegerekend. (Zie evenwel ook de toelichting i.v.m. de aanrekening van het passief bij toepassing van art. 60bis W.Succ. onder punt 10.3. hierna.)
Het bewijs waarvan sprake is niet het bewijs van het bestaan van de schulden (dat hoe dan ook vereist is), maar het bewijs van de specifieke kwalificatie (nl. betrekking hebbend op de verwerving of het behoud van onroerende goederen).
Bij gebrek aan nadere aanwijzingen dient ervan uitgegaan dat dit bewijs dient geleverd overeenkomstig het gemeen recht.
c) De termen "verwerven" en "behouden" dienen hier ruimer begrepen dan wat bedoeld wordt in art. 33, laatste lid, 2° W.Succ. Het onrechtstreeks verband tussen de schuld en de verkrijging of het behoud van het onroerend goed volstaat. Met name zal dus bijvoorbeeld een lening, die de erflater zou hebben aangegaan om de prijs van een door hem aangekocht onroerend goed te betalen, terzake voor aanrekening op het onroerend actief in aanmerking komen. Ook de schulden die betrekking hebben op het juridisch behoud van het onroerend goed kunnen op het onroerend actief aangerekend worden.
Noteer evenwel dat de begrippen "verbetering" en "terugbekoming" niet voorkomen in de formulering van art. 48 W.Succ.
| 3.4.2. | Legaten van de roerende en van de onroerende goederen. |
Het opgeven van de proportionele aanrekening van de schulden zou aldus tot gevolg hebben dat de legataris van de onroerende goederen op fiscaal vlak benadeeld wordt.
Teneinde elke discriminatie terzake uit te sluiten dient als principe vooropgesteld dat de omvang van het bijdragend aandeel van elke erfgenaam en legataris in het passief dient bepaald volgens de regels van het burgerlijk recht. Bij het bepalen van het bedrag van het bijdragend aandeel in het passief van de vruchtgebruiker en de blote eigenaar worden evenwel de fiscale coëfficiënten gebruikt. Het aldus bepaalde bedrag van dit bijdragend aandeel in het passief wordt vervolgens fiscaal omgeslagen (art. 48 W.Succ.). Dit gebeurt enkel :
- voor de erfgenamen in de rechte lijn en de langstlevende echtgenoot (TABEL I);
- die zowel roerende als onroerende goederen en/of goederen van art. 60bis W.Succ. verkrijgen.
Hierna volgt een voorbeeld om één en ander te verduidelijken.
Voorbeeld : legataris onder algemene titel
X (zonder verwantschap) werd door de overledene aangesteld als legataris onder algemene titel van 1/2 van de onroerende goederen (OG). Enige erfgenaam : kind A Actief : 2.000.000 F (onroerende goederen) 8.000.000 F (roerende goederen) ------------- 10.000.000 F Passief : 1.000.000 F (begrafeniskosten inbegrepen) Vereffening (burgerlijk recht) : 1. X bekomt 1/2 in de onroerende goederen : 1.000.000 F X draagt in passief 1.000.000 x 1/10 - 100.000 F ------------ 900.000 F 2. A bekomt : 1/2 in de onroerende goederen 1.000.000 F roerende goederen + 8.000.000 F ------------ 9.000.000 F A draagt bij in het passief : 1.000.000 X 9/10 = - 900.000 F ------------ 8.100.000 F Berekening (fiscaal recht). Er wordt verondersteld dat de schulden niet gespecifieerd zijn. 1. X : nooit omslag van passief voor toepassing van tabel II heffing : 500.000 F x 30 % = 150.000 F 400.000 F x 35 % = 140.000 F ---------- 290.000 F 2. A : bijdragend aandeel in het passief (900.000 F - niet gespecifieerd) bij voorkeur toerekenen op de roerende goederen, want : - A is erfgenaam in rechte lijn (tabel I); - én A bekomt zowel roerende als onroerende goederen. 1.000.000 (onroer. goederen) 8.000.000 (roer. goederen) 0 - 900.000 ---------- ---------- 1.000.000 7.100.000 heffing : - op OG : 1.000.000 F x 3 % = 30.000 F - op RG : 2.000.000 F x 3 % = 60.000 F 5.100.000 F x 9 % = 459.000 F ------------ 549.000 F A heeft geen recht op vermindering (art. 56 W.Succ. - zie punt 8 hierna). Ook niet voor de rechten berekend op het netto-aandeel in de onroerende goederen (1.000.000), zelfs al bedraagt dit minder dan 2.000.000 F. Het netto-erfdeel van A (8.100.000 F) bedraagt immers meer dan 2.000.000 F. 3.4.3. Erfgenamen in rechte lijn of langstlevende echtgenoot samen met zijverwanten.
De wijzigingen in artikel 48 W.Succ. hebben enkel betrekking op het tarief, de grondslag en de aanrekening van schulden voor de vererving in rechte lijn en tussen echtgenoten (TABEL I). De vroegere regels blijven (alvast voorlopig) bestaan voor de vererving in de zijlijn (broers, zusters, ooms/tantes en neven/nichten) en tussen alle andere personen (TABEL II).
Dit heeft tot gevolg dat met name de aanrekening van de schulden niet op een uniforme wijze kan gebeuren in het geval dat erfgenamen uit de eerste categorie samen opkomen met erfgenamen uit de tweede categorie.
Ook hier dienen echter de burgerrechtelijke regels inzake de bijdrage in het passief toegepast, en pas nadien de fiscale regels.
Voorbeeld : langstlevende echtgenoot en zijverwanten.
De nalatenschap van Primus komt toe aan zijn echtgenote Prima (coëfficiënt 9,5; haar vruchtgebruik bedraagt dus 38 %) en zijn neef Secundus (4de graad). Prima : 1/2 VE van het GV 1/1 VRG van het EV Secundus : 1/1 BE van het EV Eigen vermogen Primus actief - onroerende goederen : 18.000.000 - roerende goederen : 4.000.000 ------------ 22.000.000 passief - schulden 2.000.000 - begrafeniskosten 300.000 - 2.300.000 ------------ netto 19.700.000 Gemeenschappelijk vermogen (verdeling bij helften) actief - onroerende goederen : 22.000.000 - roerende goederen : 10.000.000 ------------ 32.000.000 passief schulden (niet gespecifieerd) - 4.000.000 ------------ netto 28.000.000 Nalatenschap Primus omvat 1/2 van het gemeenschappelijk vermogen, hetzij dus 14.000.000 F netto. Het passief van het gemeenschappelijk vermogen (4.000.000 F) wordt proportioneel omgeslagen over de roerende en de onroerende goederen van het gemeenschappelijk vermogen. Alleen het netto-actief van de roerende en de onroerende goederen valt in de nalatenschap (Burgerlijk recht - verdeling van het gemeenschappelijk vermogen) 1/2 netto-actief GV 14.000.000 EV Primus actief + 22.000.000 ------------ 36.000.000 EV Primus passief - 2.300.000 ------------ 33.700.000 Het bijdragend aandeel van Prima en Secundus in het passief van de nalatenschap (2.300.000) wordt bepaald volgens het burgerlijk recht. Het aldus bekomen bijdragend aandeel in het nalatenschapspassief wordt vervolgens voor Prima overeenkomstig de fiscale regels bij voorrang op de roerende goederen aangerekend (art. 48 W.Succ.). Het erfdeel van Secundus wordt belast volgens het tarief van Tabel II, zodat dit erfdeel niet gesplitst wordt in een roerend en een onroerend aandeel.
Emolument Prima actief - onroerende goederen : - gemeenschappelijk vermogen : 22.000.000 -2.750.000 (4.000.000 x 22/32) 19.250.000 x 1/2 = 9.625.000 - eigen vermogen : 18.000.000 x 38 % = 6.840.000 ------------ 16.465.000 - roerende goederen : - gemeenschappelijk vermogen : 10.000.000 -1.250.000 (4.000.000 x 10/32) ----------- 8.750.000 x 1/2 = 4.375.000 - eigen vermogen : 4.000.000 x 38 % = 1.520.000 ---------- 5.895.000 Totaal : 16.465.000 (onroerend) + 5.895.000 (roerend) ----------- 22.360.000 passief Bijdragend aandeel Prima 2.300.000 x 14/36 = 894.444,44 in volle eigendom 2.300.000 x 22/36 = 1.405.555,56 in vruchtgebruik Fiscale berekening - in volle eigendom : 894.444,44 - in vruchtgebruik : 1.405.555,56 x 38 % = 534.111,09 ------------ 1.428.555,53 Fiscale aanrekening op de roerende goederen Heffing : 1. onroerende goederen : 16.465.000 - 0 ------------ 16.465.000 2.000.000 x 3 % = 60.000 8.000.000 X 9 % = 720.000 6.465.000 x 27 % = 1.745.550 ---------- 2.525.550 2. roerende goederen : 5.895.000 - 1.428.555,53 ------------ 4.466.444,47 2.000.000 x 3 % = 60.000 2.466.500 x 9 % = 221.985 -------- 281.985 Emolument neef Secundus BE (= 62 %) van het EV actief 22.000.000 x 62 % = 13.640.000 passief bijdragend aandeel Secundus 2.300.000 x 22/36 = 1.405.555,56 in blote eigendom fiscale berekening 1.405.555,56 x 62 % = - 871.444,41 ------------- 12.768.555,59 tarief "tussen alle andere personen" toe te passen op 12.768.600 F
| 3.4.4. | Vergoedingsrekeningen. |
| 4. |
Artikel 50 W.Succ. |
In art. 50 W.Succ. wordt een tweede lid ingevoegd waardoor het tarief in rechte lijn en tussen echtgenoten toepasselijk gemaakt wordt op de verkrijgingen door de kinderen van de langstlevende echtgenoot van de overledene, met andere woorden op de verkrijgingen door de stiefkinderen van de overleden echtgenoot.
Deze bepaling is vooreerst slechts toepasselijk voor de kinderen van de langstlevende echtgenoot van de overledene. Het toepasselijk tarief op een legaat door een stiefouder aan zijn stiefkind wordt bijgevolg bepaald door de volgorde van overlijden van de stiefouder en zijn echtgenoot (ouder van het stiefkind). Sterft de stiefouder vóór de ouder van het stiefkind, dan is het legaat van de stiefouder aan zijn stiefkind onderworpen aan het tarief rechte lijn. In het tegenovergestelde geval is dit legaat, in principe, onderworpen aan het tarief "tussen alle andere personen".
Art. 50, tweede lid, W.Succ. is bovendien slechts toepasselijk op verkrijgingen door kinderen van de langstlevende echtgenoot van de overledene. Verkrijgingen door andere afstammelingen (bijvoorbeeld kleinkinderen) van de langstlevende echtgenoot vallen bijgevolg buiten het toepassingsgebied van deze bepaling.
Tenslotte dient opgemerkt dat terzake, in tegenstelling tot het bepaalde in art. 52/2 W.Succ. i.v.m. de adoptiekinderen van de overledene zelf, geen enkele voorwaarde gesteld wordt aan de duur of de inhoud van het stiefouderschap, zodat daaromtrent ook geen enkel bewijs dient geleverd. Het enige wat in dit geval dient bewezen te worden is de afstamming t.o.v. de echtgenoot van de overledene.
| 5. |
Artikel 54 W.Succ. |
De voorheen bestaande abattementen en bijabattementen worden vervangen door een degressieve belastingvermindering (nieuw artikel 56 W.Succ.).
De belastingvrijstelling, voorheen voorzien in artikel 54, 2° W.Succ. ten gunste van andere erfgenamen, legatarissen en begiftigden dan de erfgenamen in de rechte lijn en de echtgenoot, wordt afgeschaft.
| 6. |
Artikel 55 W.Succ. |
Vanaf de inwerkingtreding van bovenvermeld decreet zijn de legaten aan de Belgische Staat of aan de openbare instellingen van de Belgische Staat, aan het Waalse of het Brusselse Gewest en aan de openbare instellingen van het Waalse of het Brusselse Gewest, onderworpen aan het successierecht en het recht van overgang bij overlijden volgens het tarief "tussen alle andere personen".
| 7. |
Artikel 55bis W.Succ. |
| 8. |
Artikel 56 W.Succ. |
Dit betekent dat de vermindering van 2 % wegens kinderlast ten gunste van bepaalde erfgenamen, legatarissen of begiftigden, en deze van 4 % ten gunste van de langstlevende echtgenoot, is afgeschaft.
Zoals de voorheen bestaande vermindering van art. 56 W.Succ. geldt de vermindering van het nieuwe art. 56 W.Succ. zowel voor het successierecht als voor het recht van overgang bij overlijden.
| 8.1. | Vermindering. |
Het netto-erfdeel van de erfgenaam wordt gevormd door de som van zijn netto-aandeel in de onroerende goederen, zijn netto-aandeel in de roerende goederen en zijn netto-aandeel in de familiale onderneming of vennootschap (zie hierna onder punt 10). Indien dit netto-erfdeel 2.000.000 F of meer bedraagt is geen enkele vermindering toepasselijk.
De vermindering bedraagt : 20.000 F vermenigvuldigd met de coëfficiënt bekomen door 1 te verminderen met het quotiënt van (erfdeel : 2.000.000).
Voor de berekening van deze verhouding dient toepassing gemaakt van art. 63 W.Succ.
Na uitwerking blijkt dat :
- voor een netto-erfdeel beneden de 500.000 F de vermindering steeds tot gevolg heeft dat geen rechten verschuldigd zijn;
- voor de berekening van de verschuldigde rechten per erfgenaam, inclusief de vermindering, beroep kan worden gedaan op de volgende formule :
| 8.2. | Bijkomende verminderingen. |
De helft van de bijkomende vermindering die de gemeenschappelijke kinderen genieten wordt toegekend aan de overlevende echtgenoot.
Let wel : Gelet op de formulering van dit artikel is noch de vermindering, noch de bijkomende vermindering van toepassing in hoofde van de stiefkinderen van de overledene waarvan sprake in artikel 50, tweede alinea, W.Succ.
| 9. |
Artikel 59, 1° W.Succ. |
Artikel 59, 2° blijft ongewijzigd.
| 10. |
Artikel 60bis W.Succ. |
| 10.1. | Tarief. |
Dit verlaagd tarief geldt enkel voor het successierecht, maar ongeacht de hoedanigheid van de rechtverkrijgenden (dus zowel bij vererving in rechte lijn als tussen echtgenoten, en ook bij vererving in zijlijn en tussen andere personen).
| 10.2. | Bedoelde goederen. |
a) de beroepsmatig door de erflater of zijn echtgenoot in een familiale onderneming geïnvesteerde activa;
Onder "beroepsmatig door de erflater of door zijn echtgenoot in een familiale onderneming geïnvesteerde activa" dient er verstaan : alle van de nalatenschap afhangende onroerende en roerende bestanddelen van het bedrijf, met inbegrip van de cliënteel, de bedrijfsinschulden en de bedrijfsmiddelen, onder aftrek van het aandeel van de erflater in de bij zijn overlijden bestaande schulden van de onderneming, op voorwaarde dat de onderneming zuiver voor beroepsdoeleinden wordt gevoerd in hoofde van de erflater en/of zijn echtgenoot. Dit veronderstelt een persoonlijke exploitatie door deze laatsten, al dan niet samen met anderen (art. 60bis, § 2 W.Succ.).
| b) | de aandelen in, of de vorderingen op een familiale vennootschap. |
| 10.3. | Nettowaarde - Aanrekening van het passief. |
Hieruit dient afgeleid :
a) dat, in het geval van toepassing van art. 60bis W.Succ., de schulden (d.i. de schulden van de overledene en de begrafeniskosten) moeten aangerekend worden :
- vooreerst, tot uitputting, op de goederen waarop dit artikel van toepassing is;
- vervolgens op de andere roerende goederen (eveneens tot uitputting);
- tenslotte op de andere onroerende goederen;
c) dat aan de begrippen "specifiek aangegaan" en "verwerven of behouden" hier dezelfde betekenis moet gegeven worden zoals uiteengezet onder punt 3.4.1. hiervoor.
| 10.4. | Grondvoorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief. |
1) een participatievoorwaarde (art. 60bis, § 1 W.Succ.);
2) een tewerkstellingsvoorwaarde (art. 60bis, § 5 W.Succ.);
3) een voorwaarde m.b.t. het houden van jaarrekeningen (art. 60bis, § 8 W.Succ.);
4) een voorwaarde m.b.t. de rechtmatigheid van de kapitaalverhogingen en bijkomende leningen (art. 60bis, § 6 W.Succ.) (= anti-ontwijkingsmaatregel);
| 10.4.1. | Participatievoorwaarde (art. 60bis, § 1 W.Succ.). |
- De begrippen "familiale onderneming", "familiale vennootschap" en "aandelen" worden toegelicht in de §§ 2, 3 en 4 van art. 60bis W.Succ. Er wordt geen onderscheid gemaakt naargelang van de soort aandelen : aandelen met of zonder stemrecht, stichtersaandelen, aandelen aan toonder, op naam of gedematerialiseerde aandelen.
- Op te merken valt dat de omschrijving hier ruimer wordt opgevat dan in art. 48/2 W.Succ. : naast de nijverheids-, handels-, ambachts- en landbouwbedrijven, komen ook de vrije beroepen in aanmerking voor het gunsttarief van art. 60bis W.Succ. In tegenstelling tot wat geldt voor art. 48/2 W.Succ. is voor familiale vennootschappen noch een persoonlijke exploitatie, noch een beroepsmatige investering vereist.
- Het verlaagd tarief is ook toepasselijk voor holdingmaatschappijen (die buiten de toepassingssfeer van art. 48/2 W.Succ. vallen); in dit geval is evenwel vereist dat de participatievoorwaarde vervuld is op geconsolideerde basis (art. 60bis, § 3, W.Succ.). Tevens valt op dat de familiale vennootschap niet noodzakelijk Belgisch moet zijn (dit in tegenstelling tot wat geldt voor de toepassing van art. 48/2 W.Succ.).
- Voor de beoordeling van de participatievoorwaarde van 50 % wordt tevens rekening gehouden met de activa of aandelen die reeds in het bezit zijn van de descendenten en hun echtgenoten of van de zijverwanten tot en met de tweede graad. De decreettekst bepaalt niet op welke wijze deze activa of aandelen moeten zijn verkregen. De aandacht wordt erop gevestigd dat noch de stiefkinderen van de overledene, noch de echtgenoten van de bedoelde zijverwanten (m.a.w. de schoonbroers of -zusters) van de overledene in aanmerking komen voor de beoordeling van deze participatievoorwaarde.
- De vervulling van de participatievoorwaarde dient te blijken uit het attest, af te leveren door de Vlaamse Gemeenschap, waarvan sprake onder art. 60bis, § 10, W.Succ.
| 10.4.2. | Tewerkstellingsvoorwaarde (art. 60bis, § 5 W.Succ.). |
- De tewerkstelling van tenminste vijf werknemers dient gedurende drie jaar onafgebroken plaats te hebben : de beoordeling dient jaar per jaar te gebeuren en niet gemiddeld.
- De tewerkstelling dient plaats te hebben in het Vlaamse Gewest : een Vlaamse onderneming of vennootschap die geen vijf volledige arbeidsplaatsen telt in het Vlaamse Gewest, voldoet niet aan deze voorwaarde.
- Het tewerkstellingsniveau zal berekend worden aan de hand van de aangiften die de werkgever moet afleveren voor de RSZ; gedeelten van arbeidsplaatsen worden verwaarloosd : enkel volle eenheden worden in aanmerking genomen.
- Indien niet volledig aan de numerieke tewerkstellingsvoorwaarde voldaan is, gaat het voordeel niet volledig verloren, maar wordt in een proportionele regeling voorzien : het verlaagd tarief wordt procentueel toegepast op de nettowaarde van de onderneming à rato van het aantal werknemers (art. 60bis, § 5, tweede lid, W.Succ.).
- Voor de holdingmaatschappijen dient de tewerkstellingsvoorwaarde vervuld te zijn per vennootschap (art. 60bis, § 3, W.Succ.).
- De vervulling van de tewerkstellingsvoorwaarde dient te blijken uit het door de Vlaamse Gemeenschap afgeleverd attest (art. 60bis, § 10, W.Succ.). In voorkomend geval vermeldt dit attest voor welk percentage van de aangegeven nettowaarde van de in de afzonderlijke rubriek vermelde goederen het verminderd tarief kan worden toegepast.
De onderneming of vennootschap komt slechts voor het verlaagd tarief in aanmerking voor zover ze een jaarrekening opmaakte in de periode van drie jaar vóór het overlijden.
- De voorwaarden waaraan deze jaarrekeningen moeten voldoen worden nader gepreciseerd in art. 60bis, § 8, W.Succ. : de jaarrekening dient opgemaakt overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen. De betrokkenen moeten in de aanvraag van het attest bij de Vlaamse Gemeenschap tevens uitdrukkelijk bevestigen dat de jaarrekeningen gedurende een periode van drie jaar vóór het overlijden aangewend werden ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelastingen.
- De voorwaarde geldt voor alle ondernemingen en vennootschappen waarvoor het verlaagd tarief wordt gevraagd, met inbegrip van de familiale ondernemingen en vrije beroepen (die zich eventueel vrijwillig aan de reglementering inzake jaarrekeningen kunnen onderwerpen).
Tenzij door de aangevers wordt bewezen dat ze beantwoorden aan rechtmatige financiële of economische behoeften, komen voor het verlaagd tarief niet in aanmerking :
- de activa die in de laatste drie jaar vóór het overlijden bijkomend belegd worden in de onderneming;
- de kapitaalverhogingen of bijkomende leningen die in de laatste drie jaar vóór het overlijden werden volgestort of toegestaan.
| 10.5. | Sanctie bij niet vervulling van de grondvoorwaarden. |
Indien het in punt 10.4.4. bedoelde bewijs niet geleverd wordt, doch wel aan de andere grondvoorwaarden is voldaan, worden alleen die bijkomende activa, kapitaalverhogingen of bijkomende leningen volgens het gewoon tarief belast.
Hierbij dient echter onmiddellijk opgemerkt dat, indien het gaat om activa zoals bedoeld in artikel 48/2 W.Succ., die verkregen worden door de langstlevende echtgenoot of door een erfgenaam in rechte lijn, de aangevers, mits ze daarom - in ondergeschikte orde - uitdrukkelijk verzoeken in de aangifte, en mits voldaan is aan de gestelde voorwaarden, de mogelijkheid behouden om te genieten van het in artikel 48/2 W.Succ. bepaalde tarief.
| 10.6. | Vormvoorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief. |
| 1. | een spontane vermelding in de aangifte; |
| 2. | een uitdrukkelijk verzoek in de aangifte; |
| 3. | bijvoeging van het attest, uitgereikt door de Vlaamse Gemeenschap; |
| 4. | vermelding in de aangifte in een afzonderlijke rubriek voor welke activa, aandelen of vorderingen de toepassing gevraagd wordt. |
| 10.6.1. | Spontane vermelding in de aangifte. |
Indien er geen spontane aangifte - in de hiervoor uiteengezette zin - plaatsheeft, brengt de bevoegde ontvanger der registratie de dienst van de Vlaamse Gemeenschap, die het attest heeft uitgereikt hiervan op de hoogte.
| 10.6.2. | Uitdrukkelijk verzoek in de aangifte. |
| 10.6.3. | Bijvoeging van het attest. |
De voorwaarden en modaliteiten waaronder dit attest dient te worden aangevraagd en verstrekt dienen nog door de Vlaamse regering te worden bepaald.
Dit attest dient door de aangevers zelf bij de aangifte gevoegd, en zal eraan gehecht blijven.
Wordt het attest niet gevoegd bij de aangifte waarin om de toepassing van art. 60bis W.Succ. gevraagd wordt, dan worden de rechten berekend tegen het gewone tarief van art. 48 W.Succ. In dat geval beschikken de aangevers echter wel nog over de mogelijkheid teruggave te vragen overeenkomstig art. 135, 8° W.Succ. (z. hierna onder punt 11).
| 10.6.4. | Afzonderlijke rubriek in de aangifte. |
Indien slechts een gedeelte van een onroerend goed voor de (niet in de vorm van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid bestaande) onderneming of het vrij beroep wordt aangewend, of indien een roerend goed daarvoor slechts gedeeltelijk wordt gebruikt, bepaalt de daarvan voor de heffing van de inkomstenbelastingen aangewende breuk voor welk deel het goed in kwestie tot de bestanddelen van de onderneming wordt gerekend. Het is dit deel dat bij de nadere aanwijzing van de actieve bestanddelen van de onderneming in de afzonderlijke rubriek van de aangifte dient te worden vermeld.
| 10.7. | Voorwaarden tot behoud van het verlaagd tarief. |
Het zijn de erfgenamen die het voordeel van dit artikel genoten hebben die moeten aantonen dat in de periode van vijf jaar na het overlijden :
| 1. | de tewerkstelling behouden bleef (art. 60bis, § 5, W.Succ.); |
| 2. | het belegd vermogen of het kapitaal niet gedaald zijn (art. 60bis, § 7, W.Succ.); |
| 3. | een jaarrekening wordt opgemaakt (art. 60bis, § 8, W.Succ.); |
10.7.1. Behoud van de tewerkstelling (art. 60bis, § 5, W.Succ.).
Zoals voor de grondvoorwaarde i.v.m. de tewerkstelling wordt de tewerkstelling in de periode van vijf jaar volgend op het overlijden beoordeeld op het aantal voltijdse werknemers (waarbij gedeelten van arbeidsplaatsen worden verwaarloosd en enkel rekening wordt gehouden met de volle eenheden - z. berekeningswijze onder punt 10.4.2.). Het tewerkstellingsniveau dient per jaar beoordeeld (art. 60bis, § 5, vierde alinea, W.Succ.). Een vermindering van het aantal werknemers in de loop van één van die vijf jaren t.o.v. de situatie bij het overlijden heeft een proportioneel verlies van het verlaagd tarief tot gevolg. Dit verlies is onherroepelijk, en wordt niet meer beïnvloed door een gebeurlijke latere stijging van het aantal werknemers (zelfs niet tot boven het niveau ten tijde van het overlijden).
10.7.2. Behoud van het belegd vermogen of van het kapitaal en de vorderingen (art. 6Obis, § 7, W.Succ.).
Mutatis mutandis gelden hier dezelfde principes als voor het behoud van de tewerkstelling.
10.7.3. Opmaken van jaarrekeningen (art. 60bis § 8, W.Succ.).
De jaarrekeningen die in de periode van vijf jaar volgend op het overlijden moeten opgemaakt worden, dienen te beantwoorden aan dezelfde voorwaarden als deze gesteld voor de jaarrekeningen opgemaakt in de periode van drie jaar vóór het overlijden (nl. conformiteit met het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 en aanwending ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelastingen - z. punt 10.4.3. hiervoor).
Het bewijs van de naleving van deze voorwaarde maakt deel uit van de meldingsplicht (z. punt 10.8. hierna).
10.7.4. Overlijden van de erfgenaam die het verlaagd tarief genoten heeft (art. 60bis, § 5, W.Succ.).
Aan de erfgenaam die aandelen of vorderingen geërfd heeft in familiale vennootschappen (dus niet activa in familiale ondernemingen, zoals bedoeld in art. 60bis, § 2 W.Succ.!) die minder dan vijf werknemers tellen, en die, in afwijking van het eerste lid van § 5, het verlaagd tarief van 3 % slechts genoten heeft voor een percentage (20 %, 40 %, 60 % of 80 %) van de nettowaarde bepaald in § 9, wordt nog een bijkomende voorwaarde tot behoud van het verlaagd tarief opgelegd (art. 60bis, § 5, tweede alinea, W.Succ.) : dergelijke erfgenaam moet zijn aandelen of vorderingen behouden gedurende de gestelde periode van vijf jaar. Indien die erfgenaam zou overlijden in de periode van vijf jaar vanaf het overlijden van zijn rechtsvoorganger, kan het verlaagd tarief maar behouden blijven op voorwaarde dat zijn aandelen of vorderingen vererfd worden in rechte lijn of tussen echtgenoten.
De niet-vervulling van deze voorwaarde heeft een volledig verlies van het verlaagd tarief tot gevolg.
| 10.8. | Meldingsplicht - Nieuw attest. |
Ook in het geval bedoeld in art. 60bis, § 5, tweede alinea, W.Succ. (d.i. indien de betrokken erfgenaam zelf overlijdt binnen de vijf jaar na het overlijden naar aanleiding waarvan de toepassing van het verlaagd tarief werd gevraagd - zie punt 10.7.3. hiervoor) dient de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap in kennisgesteld van de al dan niet naleving van de gestelde voorwaarde i.v.m. de vererving.
Luidens de tekst van art. 60bis, § 12 W.Succ. levert de Vlaamse Gemeenschap aan de bevoegde ontvanger van de registratie een nieuw attest af elke keer als zich, binnen de periode van vijf jaar vanaf het overlijden, wijzigingen voordoen in de tewerkstellings- en/of kapitaaltoestand waardoor het verlaagd tarief geheel of gedeeltelijk vervalt. Op basis van dit attest dienen de verschuldigde rechten te worden herberekend.
Teneinde nutteloze herberekeningen te vermijden, zal slechts jaarlijks een nieuw attest aan de bevoegde ontvanger worden toegestuurd indien daartoe aanleiding bestaat.
Bij niet-naleving van de meldingsplicht vervalt de toepassing van het verlaagd tarief volledig (art. 60bis, § 11, laatste alinea, W.Succ.).
10.9. Herberekening i.g.v. niet-vervulling van de voorwaarden tot behoud van het verlaagd tarief.
a) Luidens art. 60bis, § 5, laatste alinea, W.Succ. is de belasting, tegen het normale tarief, evenredig verschuldigd indien en in de mate dat de tewerkstellingsvoorwaarde niet meer vervuld is.
De evenredigheid slaat enkel op de mate waarin het aantal werknemers in de periode van 5 jaar na het overlijden daalt. Het heeft geen belang in de loop van welk jaar (eerste, tweede, derde, vierde of vijfde jaar) na het overlijden die daling plaatsvindt.
Voorbeeld : Een onderneming telt 100 werknemers op datum van het overlijden. Het verlaagd tarief bedoeld in art. 60bis W.Succ. werd toegepast op activa, aandelen of vorderingen ten bedrage van 10.000.000 F.
Uit het door de Vlaamse Gemeenschap afgeleverde nieuw attest blijkt dat het aantal werknemers tijdens het eerste jaar na het overlijden tot 90 is gedaald. Hierdoor worden de activa, aandelen of vorderingen belastbaar aan het normaal tarief ten belope van 10.000.000 x 10/100 = 1.000.000 F, rekening houdend met de aard van de goederen. Een latere verhoging van het aantal werknemers, zelfs tot boven het aantal op datum van het overlijden, heeft geen enkele invloed meer.
Art. 60bis, § 5, laatste alinea, W.Succ. vermeldt eveneens dat die rechten te verhogen zijn met de wettelijke interest "sinds het overlijden". Dit is in tegenstrijd met art. 81 W.Succ., en dient bijgevolg begrepen te worden als "te rekenen vanaf het verstrijken van de wettelijke betalingstermijn bedoeld bij art. 77, eerste alinea, W.Succ.". Overigens blijkt uit de formulering van art. 60bis, § 7 (zie hierna) - dat een gelijkaardige bepaling bevat i.v.m. de kapitaalsvoorwaarde - dat de toevoeging "sinds het overlijden" daarin niet voorkomt; de verschillende behandeling van de beide gevallen van niet-vervulling van de voorwaarden is dan ook niet te verantwoorden.
b) Art. 60bis, § 7, W.Succ. voert m.b.t. de niet-naleving van de kapitaalsvoorwaarde een gelijkaardige regeling in als deze hiervoor uiteengezet onder a). Indien dus uit een door de Vlaamse Gemeenschap aan de ontvanger toegezonden attest blijkt dat in de periode van vijf jaar nà het overlijden het belegd vermogen van de onderneming of het kapitaal van en de vorderingen op de vennootschap gedaald zijn door uitkeringen of terugbetalingen, dienen de verschuldigde rechten te worden herberekend tegen het gewone tarief en naar evenredigheid met de daling.
Ook hier slaat de evenredigheid enkel op de mate waarin de activa, aandelen of vorderingen dalen in de periode van 5 jaar na het overlijden. Het heeft geen belang in de loop van welk jaar (eerste, tweede, derde, vierde of vijfde) na het overlijden die daling plaatsvindt. Het voorbeeld vermeld onder nr. 10.9.a) kan hier mutatis mutandis worden toegepast.
| 10.10. | Verjaring |
| 11. |
Artikel 135, 8° W.Succ. |
Dit veronderstelt uiteraard dat alle andere grond- en vormvoorwaarden voor het bekomen van voormeld tarief reeds in de voormelde aangifte vervuld waren en dat het attest bij de Vlaamse regering aangevraagd werd overeenkomstig de door haar opgelegde voorwaarden en modaliteiten.
Overeenkomstig dit artikel beschikken de belastingplichtigen over een termijn van 2 jaar, te rekenen vanaf de betaling van de (tegen het gewoon tarief van art. 48 W.Succ. berekende) belasting om, door middel van een bijvoeglijke aangifte waarin het feit vermeld wordt dat aanleiding geeft tot de teruggave en waarbij het attest is gevoegd, de teruggave te vragen van de teveel betaalde successierechten, interesten en boeten.
In geval van een gespreide betaling van de tegen het gewoon tarief berekende rechten kan de teruggave slechts toegestaan worden voor de sommen waarvan de betaling zich situeert binnen de periode van twee jaar vóór de indiening van de bijvoeglijke aangifte waarin de teruggave wordt gevraagd.
DEEL III. Invloed van de nieuwe bepalingen op de andere artikelen van het Wetboek der successierechten.
| 12. |
Artikel 1 W.Succ. |
Dit begrip zal in de huidige context en in het kader van het sedert 1 januari 1997 in het Vlaamse Gewest toepasselijk Wetboek der successierechten moeten worden verengd tot "Vlaamse Gewestinwoner". Zoals reeds vermeld (cf. 1.1. hiervoor) zijn de criteria waaraan dit begrip beantwoordt mutatis mutandis dezelfde als voor het begrip "Rijksinwoner".
| 13. |
Artikel 5 W.Succ. |
a) in geval de langstlevende echtgenoot het hele gemeenschappelijk vermogen verkrijgt ingevolge een verblijvingsbeding :
In dit geval blijven de goederen van het gemeenschappelijk vermogen burgerrechtelijk volledig buiten de nalatenschap. Er moet enkel nagegaan worden in welke mate de fictiebepaling van art. 5 W.Succ. toepasselijk is. Niet enkel dient nagegaan welk bedrag de langstlevende echtgenoot ontvangt boven de helft waarop hij recht heeft, maar ook het karakter van de goederen waarop dit bedrag slaat (roerend of onroerend) moet worden vastgesteld. Bovendien wordt de langstlevende echtgenoot geacht dit deel te verkrijgen krachtens een schenking of een uiterste wilsbeschikking, wat een gelijkstelling met erfelijk actief en passief insluit : het deel dat de langstlevende echtgenoot verkrijgt uit het gemeenschappelijk vermogen boven de helft wordt geacht in de nalatenschap aanwezig te zijn.
Bijgevolg moeten de actief- en passiefposten stuk voor stuk worden bekeken. Elke post zal voor de helft bij het emolument van de langstlevende echtgenoot moeten worden gevoegd rekening houdend met de aard van de goederen (voor het actief), en met de bepalingen van art. 48 W.Succ. - in voorkomend geval ook met deze van art. 60bis W.Succ. - m.b.t. de aanrekening van het passief.
b) in geval er in voordeel van de langstlevende echtgenoot een beding van vooruitmaking bestaat of er een andere ongelijke verdeling van het gemeenschappelijk vermogen plaatsheeft :
Bij een beding van vooruitmaking (preciput) moet worden nagegaan welke goederen door de langstlevende echtgenoot uit het gemeenschappelijk vermogen voorafgenomen worden. Deze goederen dienen bij het overeenstemmend belastbaar aandeel (roerend of onroerend) gevoegd te worden. Vermits de langstlevende echtgenoot in het passief van het gemeenschappelijk vermogen moet bijdragen in functie van wat hij uit dit vermogen verkrijgt, zal het deel dat hij boven de helft in het passief moet dragen van zijn emolument mogen worden afgetrokken, rekening houdend met de bepalingen van art, 48 W.Succ., en - in voorkomend geval - met deze van art. 60bis W.Succ.
Dezelfde redenering is van toepassing op de andere bedingen van ongelijke verdeling van het gemeenschappelijk vermogen.
| 14. |
Artikelen 7 en 8 W.Succ. |
| 15. |
Artikelen 9, 10 en 11 W.Succ. |
| 16. |
Artikel 16 W.Succ. |
| 17. |
Artikel 17 W.Succ. |
| 18. |
Artikel 18 W.Succ. |
| 19. |
Artikel 57 W.Succ. |
De terzake voorheen reeds geldende principes blijven verder van toepassing, ondanks het feit dat in een overgangsperiode (alvast voor wat de tot 31 december 1997 opengevallen erfenissen in rechte lijn en tussen echtgenoten betreft) gebeurlijk verschillende tarieven zouden toepasselijk zijn op de eerste en de tweede nalatenschap.
| 20. |
Artikel 62 W.Succ. |
| 21. |
Artikel 63 W.Succ. |
| 22. |
Artikel 65 W.Succ. |
Gelet op de splitsing door artikel 48 W.Succ. van het actief van de nalatenschap in een roerend en onroerend netto-actief en rekening houdend met het feit dat het legaat waarvan sprake in art. 65 W.Succ. steeds betrekking heeft op een roerend goed (een som, rente of pensioen) dat bijgevolg als roerend in hoofde van de begunstigde belast wordt, zal de aftrek in hoofde van de erfopvolger die het legaat volgens de principes van het burgerlijk recht moet dragen, in de eerste plaats gebeuren van zijn netto-aandeel in de roerende goederen. Bij uitputting zal het saldo eerst op de goederen bedoeld in artikel 60bis W.Succ. en vervolgens op het netto-aandeel in de onroerende goederen worden toegerekend.
| 23. |
Artikel 66bis W.Succ. |
Zo zullen de schenkingen van roerende goederen alleen in aanmerking genomen worden om de progressiviteit van het recht over de roerende goederen te bepalen, en deze van onroerende goederen om de progressiviteit van het recht verschuldigd over de onroerende goederen te bepalen.
De berekeningswijze blijft verder onveranderd, ondanks het feit dat het tarief van het schenkingsrecht afwijkt van dit van het successierecht of van het recht van overgang bij overlijden.
Voorbeeld :
X is overleden en laat zijn zoon A als enige erfgenaam na. Zijn netto-roerende nalatenschap bedraagt 4.000.000 F; zijn netto-onroerende nalatenschap bedraagt 6.000.000 F.
Minder dan 3 jaar vóór zijn overlijden heeft X aan zijn zoon een schenking gedaan van een onroerend goed en van aandelen, samen voor een waarde van 8.000.000 F. Hierop werd een schenkingsrecht van 705.000 F geheven. In de akte werd de waarde van het onroerend goed geschat op 5.000.000 F, deze van de aandelen op 3.000.000 F
Heffing op de aangifte van nalatenschap van X : netto-roerend : 4.000.000 F toepassing art. 66bis : 3.000.000 F ------------ 7.000.000 F heffing : 2.000.000 F reeds belast 1.000.000 F reeds belast 4.000.000 F 9 % = 360.000 F netto-onroerend : 6.000.000 F toepassing art. 66bis : 5.000.000 F ------------ 11.000.000 F heffing : 2.000.000 F reeds belast 3.000.000 F reeds belast 5.000.000 F 9% = 450.000 F 1.000.000 F 27% = 270.000 F 720.000 F ------------ Totaal van de verschuldigde rechten : 1.080.000 F Artikel 66bis W.Succ. heeft enkel tot gevolg dat het netto-erfdeel eventueel in een hogere tariefschijf belast wordt. Wanneer het netto-erfdeel van een erfgenaam, legataris of begiftigde 2.000.000 F niet overtreft belet de toepassing van artikel 66bis W.Succ. de toepassing niet van de in artikel 56 W.Succ. bedoelde vermindering.
Artikel 66bis W.Succ. heeft bovendien geen invloed op het bedrag van die vermindering. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de formule voor de berekening van de verschuldigde rechten per erfgenaam, inclusief de vermindering, vermeld in fine van punt 8.1. van deze aanschrijving, enkel kan worden toegepast indien het netto-erfdeel integraal belast wordt in de tariefschijf van 3 %. Die formule kan niet worden toegepast zodra het netto-erfdeel, ingevolge de toepassing van artikel 66bis W.Succ. geheel of gedeeltelijk in een andere tariefschijf belast wordt.
| 24. |
Artikelen 108 en 109 W.Succ. |
Bij toepassing van deze bijzondere bewijsmiddelen zullen de goederen in kwestie dan ook moeten worden gevoegd bij het overeenstemmend netto-aandeel (roerend of onroerend) van de betrokken erfgena(a)m(en).
Namens de Minister :
De Directeur-generaal,
F. BURNONVILLE
Bron: FisconetPlus
