Circulaire 2019/C/119 betreffende de wet van 28 april 2019 inzake het recht op een voorwaardelijke veroordeling
Administratieve commentaar betreffende de wet van 28 april 2019 tot wijziging van art. 210 W.Reg. – registratierecht – voorwaardelijke veroordeling waarbij de voorwaarde niet in vervulling gaat – teruggave van het geheven recht
voorwaardelijke veroordeling ; niet vervulde voorwaarde ; teruggave van het recht
FOD Financiën, 12.11.2019
Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie
I. Inleiding
In het Belgisch Staatsblad van 6 mei 2019 (p. 43.455) werd de wet van 28 april 2019 gepubliceerd, houdende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van artikel 1, § 1ter, van de wet van 5 april 1955 (hierna: wet).
De wet heeft artikel 210 W.Reg. gewijzigd om rekening te houden met het arrest nr. 80/2013 van 6 juni 2013 van het Grondwettelijk Hof, in die zin dat het niet redelijk verantwoord is dat het veroordelingsrecht verschuldigd is naar aanleiding van een voorwaardelijke veroordeling waarbij de voorwaarde niet in vervulling gaat, en waarbij het niet in vervulling gaan van die voorwaarde leidt tot een resultaat dat gelijk is aan dat van het afwijzen van een verzoek, terwijl dat recht niet verschuldigd is in dit laatste geval (art. 26 wet).
De wet is in werking getreden op de tiende dag na haar publicatie, hetzij op 16 mei 2019.
II. Voorwaardelijke veroordeling – niet vervulde voorwaarde
2.1. Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 80/2013 van 6 juni 2013
Artikel 142 W.Reg. voorziet de eisbaarheid van het veroordelingsrecht op de vonnissen, arresten en ermee gelijkgestelde exequaturs, gewezen door de rechtbanken en hoven, houdende definitieve, voorlopige, voornaamste, subsidiaire of voorwaardelijke veroordeling (vereffening of rangregeling) gaande over sommen en roerende waarden.
Deze bepaling wijkt af van het algemeen principe (vervat in art. 16 W.Reg.) volgens hetwelk geen evenredig recht verschuldigd is voor de rechtshandelingen onderworpen aan een opschortende voorwaarde zolang de voorwaarde niet is vervuld.
Is dit verschil in behandeling tussen het voorwaardelijk veroordelingsrecht (verschuldigd zelfs als de voorwaarde niet is vervuld) en het evenredig registratierecht op de rechtshandelingen onderworpen aan een opschortende voorwaarde (enkel verschuldigd in geval van vervulling van de voorwaarde) in strijd met het grondwettelijk principe van gelijkheid en niet-discriminatie?
In het arrest nr. 80/2013 van 6 juni 2013 heeft het Grondwettelijk Hof vastgesteld dat het verschil in behandeling is ingegeven door de verschillende aard van de desbetreffende registratierechten. Terwijl het veroordelingsrecht wordt beschouwd als een vergoeding - in abstracto - van de door het gerecht geleverde dienst en om die reden wordt geheven op het enkel feit van de veroordeling, worden de overige evenredige registratierechten in beginsel geheven naar aanleiding van goederen- of waardeverplaatsingen die voortvloeien uit rechtshandelingen en die slechts worden gerealiseerd op het ogenblik dat de voorwaarde in vervulling gaat. Vermits het veroordelingsrecht wordt geheven naar aanleiding van de rechterlijke beslissing zelf, los van het rechtsfeit waarop die beslissing betrekking heeft, is het in beginsel coherent te bepalen dat dat recht verschuldigd is, ongeacht of de veroordeling voorwaardelijk is of niet (B.16.2).
Het hof is daarentegen van oordeel dat het niet redelijk verantwoord is dat het veroordelingsrecht verschuldigd is naar aanleiding van een voorwaardelijke veroordeling waarbij de voorwaarde niet in vervulling gaat en waarbij het niet in vervulling gaan van die voorwaarde leidt tot een resultaat dat gelijk is aan het afwijzen van een verzoek. Welnu, in dat laatste geval is geen enkel veroordelingsrecht verschuldigd (B.17.2). Het Hof antwoordt bijgevolg bevestigend op de prejudiciële vraag. De federale wetgever moest dus de teruggave toestaan middels de aanpassing van het wetboek aan deze rechtspraak.
2.2. Wijziging van artikel 210 W.Reg.
De wet voegt een nieuw lid in tussen het eerste en tweede lid. Ze behoudt het principe van de heffing in geval van voorwaardelijke veroordeling, maar maakt de teruggave mogelijk van het geheven recht bij bewijs van de niet-vervulling van de opschortende voorwaarde.
Sedert 16 mei 2019 is het nieuwe artikel 210, tweede lid, W.Reg. als volgt geformuleerd:
“Het op een voorwaardelijke veroordeling geheven evenredig recht wordt teruggegeven in de mate dat er wordt aangetoond door alle middelen van gemeen recht, met inbegrip van getuigen en vermoedens, met uitzondering van de eed, dat de voorwaarde niet in vervulling is gegaan en het niet in vervulling gaan van de voorwaarde leidt tot een resultaat dat gelijk is aan het afwijzen van de vordering.”
III. Inwerkingtreding
Bij gebrek aan bijzondere bepalingen treedt de wet van 28 april 2019 in werking de tiende dag die volgt op de publicatie in het Belgisch Staatsblad, namelijk op 16 mei 2019. Ze is bijgevolg toepasselijk op vonnissen en arresten houdende voorwaardelijke veroordeling en gewezen vanaf 16 mei 2019.
