Circulaire nr. 10/2004 (AFZ 13/2004 - Dos. E.E./L 141) d.d. 10.08.2004

Brusselse successierechten (art. 59, 1° W.Succ.)
Brusselse registratierechten (art. 140 W.Reg. )


In het Belgisch Staatsblad van 1 juni 2004, eerste editie, werden de volgende ordonnanties van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad bekendgemaakt:

  • de ordonnantie van 29 april 2004 tot wijziging van het Wetboek van successierechten;
  • de ordonnantie van 29 april 2004 tot wijziging van artikel 140 van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten (1).
    Deze ordonnanties zijn op 1 juni 2004 inwerkinggetreden.
    Bij deze ordonnanties worden:
  • de Duitstalige Gemeenschap toegevoegd aan de opsomming van rechtspersonen die voor aan hen vermaakte legaten het verlaagd successierecht van 6,60 t.h. genieten;
  • de rechtenverminderingen bepaald in artikel 59, 2° en 3° BR. W. Succ en in artikel 140, eerste lid, 2° en 3° BR. W. Reg. (2) onder bepaalde voorwaarden toepasselijk gemaakt op buitenlandse rechtspersonen.
[(1) De in het Belgisch Staatsblad van 01.06.2004, eerste editie, bekendgemaakte Nederlandstalige versie van de tekst van de ordonnantie draagt verkeerdelijk als opschrift "Ordonnantie tot wijziging van het Wetboek van successierechten". Dit foutieve opschrift werd verbeterd bij een erratum gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 14.06.2004.
(2) En, hoewel niet expliciet, ook de rechtenvermindering bepaald in artikel 140, eerste lid, 3°bis, W. Reg. - zie punt 2.2. van deze circulaire.]

In deze circulaire worden de gewijzigde bepalingen kort van commentaar voorzien.

Bijlage 1 bevat de tekst van de ordonnanties.

Bijlage 2 bevat de gecoördineerde teksten van de gewijzigde artikelen van de Wetboeken .

COMMENTAAR
1. Toevoeging van de "Duitstalige Gemeenschap" in artikel 59,1°, tweede lid BR. W. Succ.
Artikel 59, 1°, tweede lid van het BR. W. Succ. werd ingevoegd bij de ordonnantie van 20 december 2002, tot wijziging van het Wetboek der successierechten (zie circulaire AKRED nr. 9/2003, blz 31-32). Daarbij werd vergeten om in dat lid, naast de Vlaamse en de Franse Gemeenschap, ook de Duitstalige Gemeenschap te vermelden als rechthebbende op het gunsttarief van 6,60 t.h.

Deze vergetelheid (3) wordt bij artikel 2 van de hier besproken ordonnantie rechtgezet, zodat het 6,60 t.h.-tarief voortaan ook van toepassing is op legaten gedaan aan de Duitstalige Gemeenschap en aan haar openbare instellingen.

[(3) Brusselse Hoofdstedelijke Raad, Stuk A-543/2 - 2003/2004, VERSLAG, I. Uiteenzetting van de Minister, blz. 3 onderaan.]

Opmerking. De rechtenvermindering voor de Duitstalige Gemeenschap en voor haar openbare instellingen geldt maar vanaf 1 juni 2004. Uit de inwerkingtredingsbepaling blijkt immers dat de Brusselse Hoofdstedelijke Raad geen interpretatief karakter heeft willen toekennen aan artikel 2 van de ordonnantie van 29 april 2004. De gelijkstellingen van de Duitstalige Gemeenschap en van haar openbare instellingen met respectievelijk de Vlaamse en de Franse Gemeenschap en de openbare instellingen van die Gemeenschappen, gelden dus niet retroactief tot op de dag van de inwerkingtreding van de ordonnantie van 22 december 2002 maar vanaf de inwerkingtreding van de ordonnantie van 29 april 2004, m.a.w. enkel voor de toekomst.

2. De rechtenvermindering voor legaten en schenkingen aan bepaalde Belgische rechtspersonen voortaan, onder bepaalde voorwaarden, ook van toepassing op buitenlandse rechtspersonen (4).
[(4) De uitbreiding van het toepassingsgebied van deze rechtenverminderingen is het gevolg van een gemotiveerd advies van de Europese Commissie (d.d. 16 oktober 2002) waarin werd vastgesteld dat het voorbehouden van deze rechtenverminderingen voor Belgische rechtspersonen onverenigbaar is met het communautaire recht.
Ingevolge datzelfde advies van de Europese Commissie hebben de andere Gewesten al eerder aanpassingen aan de betrokken artikelen aangebracht: voor het Vlaamse Gewest gebeurde dit bij het decreet van 19 december 2003 "houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004" (zie circulaire Patrimoniumdocumentatie nr. 5/2004 van 7 april 2004); voor het Waalse Gewest gebeurde dit bij het decreet van van 18 december 2003 "houdende verschillende maatregelen inzake gewestelijke fiscaliteit, thesaurie en schuld, organisatie van de energiemarkten, leefmilieu, landbouw, plaatselijke en ondergeschikte besturen, erfgoed, huisvesting en ambtenarenzaken" (zie circulaire Patrimoniumdocumentatie nr. 7/2004 van 12 mei 2004).
In het verlengde van hetzelfde advies van de Europese Commissie werd op federaal vlak een wetsontwerp ingediend tot wijziging van artikel 80, eerste lid van het Wetboek der successierechten (Stukken Kamer, doc 51 1194/001 van 7 juni 2004), zodat ook buitenlandse rechtspersonen de in dat artikel voorziene opschorting van betaling van successierechten zullen kunnen genieten. Dit wetsontwerp is nog in behandeling.]

2.1. Over welke rechtenverminderingen gaat het ?

Het gaat met zekerheid om:

  • de rechtenverminderingen tot 12,5 t.h. en 25 t.h. voor legaten aan de rechtspersonen bepaald in artikel 59, 2° en 3° BR. W. Succ. (zie circulaire AKRED nr. 9/2003, blz 32-33).;
  • de rechtenvermindering tot 8,80 t.h. en 1,10 t.h. voor schenkingen aan de rechtspersonen bepaald in artikel 140, eerste lid, 2° en 3° BR. W. Reg..
2.2. Quid echter met de rechtenvermindering bepaald in artikel 140, eerste lid, 3°bis BR.W.Reg.?

De Administratie neemt aan dat buitenlandse rechtspersonen in voorkomend geval ook kunnen genieten van de rechtenvermindering bepaald in bedoeld 3°bis.

In het aan de Raad van State voorgelegde voorontwerp van ordonnantie tot wijziging van artikel 140 van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten, luidde het inleidende gedeelte van de ontworpen nieuwe tekst van het tweede lid van artikel 140 W. Reg.: "De verlagingen vermeld in het eerste lid zijn enkel toepasselijk op …". In zijn advies, gegeven op 12 februari 2004, merkte de Raad van State op dat aangezien de onderdelen 1° en 4° van artikel 140, eerste lid, alleen op Belgische instellingen betrekking kunnen hebben, de toepassing van het ontworpen tweede lid bijgevolg beperkt zou moeten worden tot de verlagingen bepaald in de onderdelen 2° en 3° van het eerste lid. De Raad achtte het niet wenselijk tevens te verwijzen naar het onderdeel 3°bis van het eerste lid, omdat de Raad een vernietiging van dat artikelonderdeel - dat door de federale wetgever was ingevoegd bij artikel 43 van de wet van 2 mei 2002 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen - door het Arbitragehof verwachtte (5). In de definitieve tekst van het ontwerp van ordonnantie (ingediend op 16 maart 2004) heeft de Brusselse Hoofdstedelijke Regering rekening gehouden met deze opmerkingen van de Raad van State.

[(5) zie Brusselse Hoofdstedelijke Raad, Stuk A-544/1 - 2003/2004 - Advies van de Raad van State (nr. 36.377/2), blz. 7, tweede paragraaf en voetnoten 2 en 3.]

Het Arbitragehof heeft later, bij arrest van 17 maart 2004, inderdaad artikel 43 van de wet van 2 mei 2002 vernietigd maar heeft niettemin - en met deze mogelijkheid heeft de Raad van State geen rekening gehouden in zijn advies betreffende de al of niet wenselijkheid van een verwijzing naar onderdeel 3°bis in het nieuwe tweede lid van artikel 140 W. Reg. - de gevolgen ervan gehandhaafd "tot de inwerkingtreding van bepalingen waarbij de gewestwetgevers een ander registratierecht hebben of zullen hebben vastgesteld voor de inbrengen om niet aan private stichtingen en stichtingen van openbaar nut of aan rechtspersonen als bedoeld in artikel 140, eerste lid, 2°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, indien de inbrenger zelf een stichting van openbaar nut of een dezer rechtspersonen is".

De combinatie:

1) van het algemeen opzet van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad (6) (volledige opheffing - dus niet enkel voor de schenkingen maar ook voor de inbrengsten om niet - van de discriminatie op grond van nationaliteit en van de belemmeringen van het vrij verkeer van werknemers en van vrijheid van vestiging die volgens de Europese Commissie besloten lagen in het oude artikel 140, tweede lid W. Reg.),

[(6) Idem voetnoot 3 - Memorie van Toelichting, I. Algemene uiteenzetting, blz. 1-2]

2) van de redengeving door de Raad van State betreffende de niet wenselijkheid van de vermelding van 3°bis in het ontworpen nieuwe tweede lid van artikel 140 W. Reg. en

3) van de tijdelijke handhaving door het Arbitragehof van de gevolgen van het vernietigd artikel 43 van de wet van 2 mei 2002,

doet de Administratie besluiten dat de Brusselse Hoofdstedelijke Raad aan buitenlandse rechtspersonen dezelfde rechtenvermindering heeft willen toekennen als die welke Belgische rechtspersonen kunnen genieten op grond van artikel 140, eerste lid, 3°bis, en dit zolang de Brusselse Hoofdstedelijke Raad geen eigen regelgeving in de plaats stelt van dit ten onrechte door de federale wetgever ingevoerde artikelonderdeel.

2.3. Toepassingsvoorwaarden (art. 140, tweede lid, BR. W. Reg. en art. 60 BR. W. Succ)

Wat de toepassings voorwaarden (7) betreft waaronder buitenlandse rechtspersonen dezelfde rechtenverlagingen kunnen genieten als bepaalde Belgische rechtspersonen zijn de teksten die terzake door de Brusselse Hoofdstedelijke Raad bij onderhavige ordonnanties werden aangenomen, identiek aan die welke eerder door het Vlaams Parlement werden aangenomen bij het decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004 (zie circulaire nr. 5/2004, d.d. 7 april 2004, van de Patrimoniumdocumentatie).

[(7) Wat het toepassingsgebied van de verminderingen betreft (welke rechtspersonen komen in aanmerking voor welke rechtenvermindering) bestaan er wel verschillen tussen het Brussels en het Vlaams stelsel.]

2.3.1. de rechten verschuldigd op de schenking, op de inbreng om niet of op het legaat, moeten uiteraard in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te lokaliseren zijn;

Deze voorwaarde behoeft geen commentaar meer (zie circulaire AKRED nr. 7/2002, deel II op blz. 9).

2.3.2. de begunstigde (begiftigde of legataris) moet een rechtspersoon zijn die opgericht is overeenkomstig en die onderworpen is aan de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte

De lidstaten van de Europese Economische Ruimte (E.E.R.) zijn: België, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, IJsland, Italië, Letland, Liechenstein, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slovakije, Slovenië, Spanje, Tsjechië Verenigd Koninkrijk en Zweden.

2.3.3. de begunstigde rechtspersoon moet zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of zijn hoofdvestiging hebben binnen de Europese Economische Ruimte

Ook deze voorwaarde behoeft geen commentaar.

Is één van de voorwaarden vermeld onder de punten 2.3.2. en 2.3.3. niet vervuld (8), dan is de begunstigde niet-Belgische rechtspersoon onderworpen aan het Brussels schenkings- of successietarief "tussen alle andere personen (9)".

[(8) Uiteraard wordt er verondersteld dat de eerste voorwaarde wel vervuld is.
(9) Dat tarief is uiteraard ook van toepassing als alleen de verder onder punt 2.3.4 besproken voorwaarde niet is vervuld.]

2.3.4. de begunstigde niet- Belgische rechtspersoon moet tenslotte ook nog gelijkaardig zijn aan een Belgische rechtspersoon die voor de rechtenvermindering in aanmerking komt

De vraag of een begunstigde niet-Belgische rechtspersoon "gelijkaardig" is aan een Belgische rechtspersoon die voor de rechtenvermindering in aanmerking komt, moet uiteraard maar onderzocht worden indien de niet-Belgische rechtspersoon aan de al eerder opgesomde voorwaarden voldoet.

Net zoals de Vlaamse decreetgever, heeft de Brusselse ordonnantiegever het niet opportuun geoordeeld om in de betrokken artikelen nader te bepalen wat onder een "gelijkaardige" rechtspersoon moet worden verstaan. Ook hier wordt in de memories van toelichting bij beide ontwerp-ordonnanties voor de invulling van dat begrip verwezen naar een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, d.d. 6 december 2002 (10).

[(10) Tijdschrift voor Fiscaal Recht, 2003, nr. 243, blz. 570.]

De rechtspersoon uit een ander lidstaat van de EER zal, om te kunnen worden beschouwd als gelijkaardig aan een voor het verminderd tarief in aanmerking komende Belgische rechtspersoon, aldus aan de volgende voorwaarden moeten voldoen:

  1. het algemeen belang dienen en een menslievend, dierenlievend, godsdienstig, cultureel, wetenschappelijk, artistiek of pedagogisch doel hebben;
  2. (uiteraard) rechtspersoonlijkheid bezitten;
  3. geen winstoogmerk nastreven;
  4. geen stoffelijk voordeel verschaffen aan de oprichters, stichters, leden, bestuurders, of enig ander persoon, behalve indien dit kadert in de verwezenlijking van het belangeloos doel.
Gelet op de veelheid van rechtspersoonsvormen in de EER-landen is het voor de uitvoeringsadministratie niet mogelijk om nu al een lijst op te stellen van in principe "vergelijkbare" rechtspersonen in de EER. Vanuit de regel dat wie zich op een vrijstelling of vermindering beroept moet bewijzen dat hij aan de voorwaarden daartoe voldoet, zal de vermindering bij de registratie van de schenkingsakte of bij de heffing van het successierecht alleen kunnen worden toegekend:

1)indien in de akte of in de aangifte van nalatenschap door de partijen bij de schenking of door de aangevers van de nalatenschap wordt verklaard dat de schenking of het legaat is gedaan aan een met een Belgische rechtspersoon vergelijkbare EER-rechtspersoon, in de zin van artikel 140, tweede lid, BR. W. Reg. respectievelijk artikel 60 BR. W. Succ.,
2)en wanneer de aangeboden akte of de ingediende aangifte van nalatenschap vergezeld gaat van een afschrift van de statuten van de rechtspersoon en van een verwijzing naar de nationaalrechtelijke regels die haar statuut beheersen.
De administratie zal dan achteraf toetsen of aan de voorwaarde van vergelijkbaarheid is voldaan en zoniet de aanvullende rechten invorderen. Ontbreekt één van die elementen dan kan de begiftigde rechtspersoon die meent recht te hebben op de vermindering, nog teruggave vragen (en hij zal daarbij dus alsnog moeten bewijzen dat hij recht heeft op de vermindering). In het kader van het wetboek der registratierechten is bedoelde teruggave inderdaad nog mogelijk bij toepassing van artikel 209, eerste lid, 1° W. Reg. Het Wetboek der successierechten bevat daartentegen geen artikel op grond waarvan, na het definitief worden van de aangifte als heffingstitel, in bedoeld geval nog een teruggave zou kunnen toegestaan worden.

3. Inwerkingtreding.
Voor beide ordonnanties is de inwerkingtreding bepaald op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, m.a.w. op 1 juni 2004.

In de praktijk brengt dit mee:

a) wat betreft de successierechten:

  • dat de Duitstalige Gemeenschap en haar openbare instellingen het verminderd recht van 6,60 t.h. genieten wanneer de nalatenschap waaruit ze het legaat ontvangen openvalt na 31 mei 2004;
  • dat de rechtenvermindering voor een legaat aan een niet-Belgische E.E.R-rechtsper-soon van toepassing kan zijn wanneer de nalatenschap waaruit het legaat voortkomt openvalt na 31 mei 2004;
b) wat betreft de registratierechten:

Opdat een schenking aan een niet-Belgische E.E.R-rechtspersoon onder de toepassing van een verminderd tarief zou kunnen vallen, is vereist dat de schenking wordt gelokaliseerd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest én dat het belastbaar feit zich na 31 mei 2004 situeert.

1. Lokalisatie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Voor wat de toepasselijke principes inzake de lokalisatie van een schenking betreft wordt verwezen naar de circulaire AKRED nr. 7/2002 (z. onder II op blz. 9 van bedoelde circulaire).

Welke datum dient voor de toepassing van het lokalisatiecriterium in aanmerking genomen te worden?

Indien het een schenking bij een in België verleden authentieke akte betreft of een handgift die nadien door de partijen bevestigd wordt in een in België verleden notariële akte, is de datum van de schenking de datum van de authentieke akte. De notaris moet de bij artikel 170 bis W. Reg. voorziene verklaring in de akte opnemen.

Betreft het een schenking bij onderhandse akte of een handgift die nadien door de partijen bevestigd wordt in een onderhandse akte, dient de fiscale woonplaats van de schenker bepaald te worden rekening houdend met het moment waarop de registratierechten op de schenking opeisbaar worden, m.a.w. de datum van de aanbieding ter registratie van de onderhandse akte. De schenker moet in een aanvullende verklaring, overeenkomstig artikel 168 W. Reg., het adres, de datum en de duur van de vestiging van de verschillende fiscale woonplaatsen vermelden die hij gehad heeft in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de registratie van de onderhandse akte.

Een in het buitenland verleden notariële akte wordt in dit opzicht met een onderhandse akte gelijkgesteld (11).

[(11) Het onderscheid tussen een in België en in het buitenland verleden notariële akte geldt eveneens voor de lokalisatie van de schenking in het Vlaams Gewest, zoals bedoeld in Circulaire 5/2004, p. 38.]

2. Situering van het belastbaar feit na 31 mei 2004.

Welke datum dient in aanmerking genomen te worden om uit te maken of het verminderd tarief toepasselijk is ?

Opdat een schenking, die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelokaliseerd wordt, onderworpen zou kunnen zijn aan een verminderd tarief, is vereist dat het belastbaar feit zich situeert na 31 mei 2004.

In geval van een schenking bij notariële akte verleden voor een Belgische notaris dient de datum van de notariële akte in aanmerking genomen te worden.

In geval van een schenking bij onderhandse akte of bij een in het buitenland verleden notariële akte, is het belastbaar feit de aanbieding ter registratie.

Wanneer een handgift nadien door de partijen bevestigd wordt in een notariële akte verleden voor een Belgische notaris, in een onderhandse akte of in een akte verleden voor een buitenlandse notaris dient respectievelijk de datum van de Belgische notariële akte of de datum van aanbieding ter registratie in aanmerking genomen te worden.

Voorbeeld:

Op 31 december 1998 werd door A aan de Franse V.Z.W. B een handgift van een geldsom van € 50.000 gedaan. A heeft op dat ogenblik meer dan vijf jaar zijn fiscale woonplaats in het Vlaams Gewest. Op 1 juli 2004 bieden A en B een door hen ondertekend geschrift ter registratie aan waarin ze verklaren dat B van A bij handgift de geldsom heeft gekregen op 31 december 1998. A heeft op 1 juli 2004 zijn fiscale woonplaats meer dan drie jaar in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

De administratie plaatst zich voor de toepassing van het lokalisatiecriterium op de datum van de aanbieding ter registratie van de onderhandse akte. De registratie geschiedt volgens de tarieven die op 1 juli 2004 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest toepasselijk zijn. De Franse V.Z.W. B kan - mits alle toepassingsvoorwaarden vervuld zijn - genieten van het verminderd recht van 8,80 t.h.

NAMENS DE MINISTER
De adjunct-administrateur-generaal,

Paul NECKEBROECK.

BIJLAGE 1
Uittreksels uit het Belgisch Staatsblad van 1 juni 2004
29 APRIL 2004. - Ordonnantie tot wijziging van het Wetboek van successierechten
De Brusselse Hoofdstedelijke Raad heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

Artikel 1. Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.

Art. 2. Artikel 59, 1°, tweede lid, van het Wetboek van successierechten wordt vervangen als volgt : « tot 6,60 t.h. voor de legaten aan de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, hun openbare instellingen en de openbare wetenschappelijke en culturele instellingen van de federale Staat bedoeld in artikel 6bis, § 2, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen. ».

Art. 3. Artikel 60 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : « De verlagingen bepaald in artikel 59, 2° en 3°, zijn enkel toepasselijk op de Belgische rechtspersonen en op gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben. ».

Art. 4. Deze ordonnantie treedt in werking op de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 29 april 2004.

De Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek,
J. SIMONET

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Openbare Werken, Vervoer, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
J. CHABERT

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Werkgelegenheid, Economie, Energie en Huisvesting,
E. TOMAS

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting, Ambtenarenzaken en Externe Betrekkingen,
G. VANHENGEL

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu en Waterbeleid, Natuurbehoud, Openbare Netheid en Buitenlandse Handel,
D. GOSUIN

29 APRIL 2004. - Ordonnantie tot wijziging van artikel 140 van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten
De Brusselse Hoofdstedelijke Raad heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

Artikel 1. Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.

Art. 2. Artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten wordt vervangen als volgt : « De verlagingen vermeld sub 2° en 3° zijn enkel toepasselijk op de Belgische rechtspersonen en op gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere lid-Staat van de Europese Economische Ruimte, en die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben. ».

Art. 3. Deze ordonnantie treedt in werking op de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

Brussel, 29 april 2004.

De Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek,
J. SIMONET

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Openbare Werken, Vervoer, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
J. CHABERT

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Werkgelegenheid, Economie, Energie en Huisvesting,
E. TOMAS

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting, Ambtenarenzaken en Externe Betrekkingen,
G. VANHENGEL

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu en Waterbeleid, Natuurbehoud, Openbare Netheid en Buitenlandse Handel,
D. GOSUIN

BIJLAGE 2
Gecoördineerde teksten van de gewijzigde artikelen in de Wetboeken
I. Wetboek der successierechten.
Art. 59
De rechten van successie en van overgang bij overlijden worden verlaagd:

1° tot 6,60 % voor de legaten aan provinciën, gemeenten, provinciale en gemeentelijke openbare instellingen, instellingen van openbaar nut, aan de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting en de Nationale Landmaatschappij alsmede de door hen erkende maatschappijen, aan de coöperatieve vennootschap "Woningfonds van de bond der kroostrijke gezinnen in België", aan de C.V. Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen, aan de C.V. Woningfonds van de kroostrijke gezinnen van Wallonië, aan de C.V. Woningfonds van de gezinnen van het Brusselse Gewest, aan de naamloze of samenwerkende maatschappijen die uitsluitend ten doel hebben leningen te doen met het oog op het bouwen, het aankopen of het inrichten van volkswoningen, kleine landeigendommen of daarmee gelijkgestelde woningen, alsmede de uitrusting ervan met geschikt meubilair, aan de door de Wet van 26 augustus 1913 opgerichte Nationale Maatschappij der Waterleidingen, aan de verenigingen gesticht volgens hetgeen voorzien is bij de Wetten van 18 augustus 1907 en 1 maart 1922 en aan de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;

tot 6,60 t.h. voor de legaten aan de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, hun openbare instellingen en de openbare wetenschappelijke en culturele instellingen van de federale Staat bedoeld in artikel 6bis, § 2, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen.

2° tot 25 t.h. voor de legaten gedaan aan de verenigingen zonder winstoogmerken, aan de aangenomen mutualiteitsverenigingen, aan de beroepsverenigingen en aan de internationale verenigingen met wetenschappelijk doel.

3° Tot 12,5 t.h. van de legaten aan verenigingen zonder winstoogmerk en andere rechtspersonen zonder winstoogmerk die de federale erkenning kregen bedoeld in artikelen 104 en 110 van het Wetboek der Inkomstenbelastingen, tenzij ze een voordeliger tarief genieten overeenkomstig het Wetboek

Art. 60
De verlagingen bepaald in artikel 59, 2° en 3°, zijn enkel toepasselijk op de Belgische rechtspersonen en op gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.
II. Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
Art. 140
De bij artikel 131 vastgestelde rechten worden verlaagd tot:

1° 6,60 pct. voor de schenkingen aan provinciën, gemeenten, provinciale en gemeentelijke openbare instellingen, instellingen van openbaar nut, aan de Nationale Maatschappij voor de huisvesting en de Nationale Landmaatschappij alsmede de door hen erkende maatschappijen, aan de samenwerkende vennootschap "Woningfonds van de bond der Grote Gezinnen van België", aan de C.V. Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen, aan de C.V. Woningfonds van de Kroostrijke Gezinnen van Wallonië, aan de C.V. Woningfonds van de gezinnen van het Brusselse Gewest, aan de naamloze of samenwerkende maatschappijen die uitsluitend tot doel hebben leningen te doen met het oog op het bouwen, het aankopen of het inrichten van volkswoningen, kleine landeigendommen of daarmede gelijkgestelde woningen, alsmede de uitrusting ervan met geschikt mobilair, aan de door de wet van 26 augustus 1913 opgerichte Nationale Maatschappij der waterleidingen, aan de verenigingen gesticht volgens hetgeen voorzien is bij de wetten van 18 augustus 1907 en 1 maart 1922 en aan de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;

2° 8,80 pct. voor de schenkingen, met inbegrip van de inbrengsten om niet, gedaan aan verenigingen zonder winstoogmerken, aangenomen mutualiteitsverenigingen, beroepsverenigingen en internationale verenigingen met wetenschappelijk doel;

3° 1,10 pct. voor de schenkingen, gedaan aan instellingen van openbaar nut of aan rechtspersonen die in het 2° bedoeld zijn, zo de schenker of de inbrenger zelf een instelling van openbaar nut of een dezer rechtspersonen is.

3°bis het algemeen vast recht voor de inbrengen om niet aan private stichtingen en stichtingen van openbaar nut of aan rechtspersonen als bedoeld onder 2°, indien de inbrenger zelf een stichting van openbare nut of een dezer rechtspersonen is.

4° 1,10 pct. voor de schenkingen met inbegrip van de inbrengsten om niet gedaan door de gemeenten aan de pensioenfondsen die zij onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk hebben opgericht in uitvoering van een door de voogdijoverheid goedgekeurd saneringsplan.

De verlagingen vermeld sub 2° en 3° zijn enkel toepasselijk op de Belgische rechtspersonen en op gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere lid-Staat van de Europese Economische Ruimte, en die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.