Circulaire nr. Ci.RH.233/573.971 (AOIF 4/2006) van 09.01.2006

CIRC 09.01.06/1
INTEREST
Interestbetaling

ROERENDE VOORHEFFING
Inhouding van de RV
Spaarder niet-inwoner
Vrijstelling van de RV

ROEREND INKOMEN
Inkomen uit spaargeld
Interest
Woonstaatheffing
Weerslag van de inwerkingtreding van de W 17.5.2004 op bepaalde modaliteiten betreffende de inhouding van de RV.
Aan alle ambtenaren van de niveaus A, B en C.
1. De onderhavige circulaire heeft betrekking op de invloed van de inwerkingtreding van de W 17.5.2004 tot omzetting in het Belgisch recht van de Richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing (hierna W 17.5.2004) op bepaalde modaliteiten betreffende de inhouding van de RV.
1. WOONSTAATHEFFING (WSH)
2. De W 17.5.2004 heeft, los van de RV, met betrekking tot bepaalde inkomsten uit zogenaamde spaargelden, het principe van een nieuwe bronheffing ingevoerd, woonstaatheffing (WSH) genoemd.
Die wet heeft het voorwerp uitgemaakt van een volledige commentaar in de administratieve circ. van 8.7.2005, ref. Ci.RH.231/569.168 (hierna circ. 8.7.2005).
De eventuele inhouding van de WSH heeft betrekking op alle inkomsten die als "interestbetaling" worden gekwalificeerd (zie in dat verband de nrs. 56 e.v., circ. 8.7.2005).
3. De naleving van de bepalingen van die nieuwe wetgeving betekent noodzakelijkerwijs dat, voor wat betreft de bedoelde inkomsten en voorafgaand aan hun betaalbaarstelling, een identificatie gebeurt van de fiscale woonplaats van de begunstigde, wetende dat die identificatie van doorslaggevend belang is voor de al dan niet toepassing van de WSH (zie de nrs. 111 e.v., circ. 8.7.2005).
Immers, bij gebrek aan identificatie van de fiscale woonplaats van de begunstigde, is het niet mogelijk om te bepalen of de betaalbaar gestelde inkomsten in principe al dan niet onderworpen zijn aan een inhouding van de WSH.
4. Wat betreft de modaliteiten van identificatie van de fiscale woonplaats van de begunstigde voor de toepassing van de WSH, wordt verwezen naar de nrs. 115 e.v., circ. 8.7.2005.
In geval van twijfel omtrent de fiscale woonplaats van de begunstigde, kan de uitbetalende instantie deze laatste verzoeken zich te wenden tot de Belgische [De vragen hieromtrent moeten worden gericht aan de Directeur te Brussel II Vennootschappen-Buitenland, North Galaxy, Toren B, 7e verdieping, Koning Albert II laan 33 bus 321, 1030 Brussel, tel. 02/336.98.11, e-mail gew.dir.db.buitenland@minfin.fed.be .] of buitenlandse fiscale administratie.
2. RV
5. Aan de Administratie werd de invloed gevraagd van de W 17.5.2004 op de verplichtingen inzake de inhouding van de RV en, meer in het bijzonder, op de toepassing van de bepalingen met betrekking tot de verzaking van de inning van die voorheffing ten voordele van de begunstigden van de inkomsten die de hoedanigheid hebben van "spaarder niet-inwoners" (in de zin van artikel 105, 5°, KB/WIB 92).
6. Zoals hiervoor in punt 3 werd meegedeeld, moet de schuldenaar van de RV, zoals bedoeld in artikel 261, WIB 92, die een "interestbetaling" verricht en naar aanleiding van die verrichting eveneens de hoedanigheid van "uitbetalende instantie" verkrijgt in de zin van de W 17.5.2004 (zie het nr. 26 e.v., circ. 8.7.2005) voorafgaandelijk formeel in kennis worden gesteld van de fiscale woonplaats van de begunstigde van de inkomsten.
Die informatie wordt rechtstreeks van de begunstigde van de inkomsten verkregen en moet in principe niet in twijfel worden getrokken (zie het nr. 121, circ. 8.7.2005 en de nrs. 9 en 10 hierna).
7. Het spreekt voor zich dat de informatie voor de identificatie van de fiscale woonplaats van de begunstigde niet enkel geldt voor de toepassing van de WSH, maar dat er inzake de RV naar aanleiding van de toekenning of betaalbaarstelling van elk inkomen, al dan niet onderworpen aan de WSH, eveneens mee moet rekening worden gehouden voor de vaststelling van de kwalificatie als "spaarder niet-inwoner" van die begunstigde.
8. Met betrekking tot de toepassing van de verzakingen van de inning van de RV overeenkomstig artikel 266, WIB 92, kan de schuldenaar van de RV in bezit worden gesteld van een attest ter identificatie van de begunstigde van de inkomsten.
9. De schuldenaar van de RV en/of de WSH zal moeten letten op de samenhang van de informatie op basis waarvan hij overgaat tot de betaalbaarstelling van de inkomsten, ten einde op de juiste wijze de verplichtingen te vervullen die op hem rusten op het vlak van de inhouding van de RV en/of de WSH.
Hij moet de nodige besluiten trekken wanneer hij ten aanzien van een welbepaalde begunstigde over informatie beschikt die onsamenhangend is en dit in de gevallen dat die onsamenhangende informatie zou kunnen leiden tot twijfel omtrent het toe te passen stelsel inzake de RV en/of de WSH.
10. Indien de schuldenaar van de RV en/of de WSH over inlichtingen beschikt die overduidelijk onsamenhangend of in tegenspraak zijn met de kwalificatie als "spaarder niet-inwoner", die door de begunstigde van de inkomsten naar voren wordt geschoven, kan de verzaking van de RV die verbonden is met die kwalificatie slechts worden toegepast nadat dienaangaande voorafgaandelijk de nodige verduidelijking werd verkregen.
Bij gebrek aan dergelijke verduidelijking vanwege de begunstigde van de inkomsten die aan de schuldenaar van de RV tijdig moet worden overgemaakt met inachtneming van de bepalingen van artikel 412, WIB 92, zal de RV aan de bron moeten worden ingehouden.
11. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn indien een begunstigde van de inkomsten het statuut van "spaarder niet-inwoner" vraagt op basis van een attest dat wordt opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 117, KB/WIB 92, maar voor de toepassing van de WSH en de bewijskrachtige documenten tot staving ervan nalaat zijn fiscale woonplaats mee te delen (zie onder meer het nr. 123, circ. 8.7.2005).
In die omstandigheden moet de geldigheid van het voormelde attest in vraag worden gesteld, zoals in alle gevallen waarbij een schuldenaar van de RV kennis heeft van onsamenhangende of tegenstrijdige informatie.
Voor de Administrateur-generaal
van de Belastingen en de Invordering :
De Auditeur-generaal van financiën,
G. DELSOIR