Circulaire 2019/C/84 over de pensioenovereenkomst voor zelfstandigen (POZ)

Commentaar over het nieuwe stelsel van aanvullende pensioenen voor zelfstandigen actief als natuurlijk persoon, voor de meewerkende echtgenoten en voor de zelfstandige helpers.

aanvullende pensioenen ; zelfstandigen actief als natuurlijk persoon ; afzonderlijke aanslag ; meewerkende echtgenoten ; zelfstandige helpers ; fiscale voordelen ; 80 %-grens

FOD Financiën, 04.09.2019
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting

Inhoudstafel

I. Inleiding
II. Belastingstelsel
III. Inwerkingtreding
IV. Wet van 18.02.2018 – Wijziging van het WIB 92

I. Inleiding

1. Dit nieuwe stelsel van aanvullende pensioenen, ingevoerd door de wet van 18.02.2018 (1) geeft zelfstandigen actief als natuurlijk persoon (die geen bedrijfsleider zijn) de mogelijkheid een aanvullend pensioen op te bouwen bovenop het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen (2), zoals dit voor bedrijfsleiders al langer kan.

(1) Wet van 18.02.2018 houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen en tot instelling van een aanvullend pensioen voor de zelfstandigen actief als natuurlijk persoon, voor de meewerkende echtgenoten en voor de zelfstandige helpers (BS 30.03.2018, hierna wet van 18.02.2018 genoemd).

(2) Algemeen gekend onder de afkorting VAPZ (zie de artikelen 41 en volgende van de Programmawet (I) van 24.12.2002).

2. De door onderhavige wet gecreëerde mogelijkheid voor zelfstandigen die hun activiteit uitoefenen als natuurlijk persoon om een aanvullend pensioen op te bouwen, past in een kader met twee partijen, want het is de zelfstandige actief als natuurlijk persoon die zelf een pensioenovereenkomst afsluit bij een pensioeninstelling.

II. Belastingstelsel

3. Aangezien voor zelfstandigen actief als natuurlijk persoon, de meewerkende echtgenoten en de zelfstandige helpers de mogelijkheid wordt gecreëerd om een aanvullend pensioen op te bouwen in het kader van de tweede pijler, wordt op het vlak van de inkomstenbelastingen een nieuwe belastingregeling voorzien die als volgt kan worden samengevat:

Bijdragen (vermindering)

4. De bijdragen voor het aanvullend pensioen komen in aanmerking voor een (federale) belastingvermindering tegen het tarief van 30 %.

Het bedrag van de bijdragen dat in aanmerking komt voor de belastingvermindering wordt bepaald in functie van een aangepaste 80 %-grens.

Berekening 80 %-grens – proratering van andere tweede pijlerpensioenen

5. Voor de berekening van de 80 %-grens in het kader van het nieuwe stelsel van aanvullende pensioenen voor zelfstandigen moeten naast de wettelijke pensioenen ook eventuele andere tweede pijlerpensioenen (3) in rekening worden gebracht, en dit voor de jaren van beroepswerkzaamheid die in de teller van de loopbaanbreuk (4) in aanmerking worden genomen (5).

(3) Het zal hier voornamelijk gaan om VAPZ- en/of RIZIV-contracten.

(4) Zoals bedoeld in artikel 145^3/1, tweede lid 4°, WIB 92.

(5) Toepassing van artikel 145^3/1, tweede lid 3°, WIB 92.

6. Het antwoord van de Minister van Financiën op de mondelinge parlementaire vraag nr. 28331 van Volksvertegenwoordiger Griet Smaers verduidelijkt hoe die berekening praktisch moet worden uitgevoerd (6).

(6) Integraal verslag, Commissie voor de Financiën en de Begroting, CRIV 54 COM 1034, d.d. 13.02.2019, blz. 19 en 20. Aangezien Volksvertegenwoordiger Griet Smaers in haar mondelinge vraag tijdens de commissievergadering het voorbeeld zelf niet herneemt, wordt hierna de volledige ingediende vraag hernomen.

Vraag:

Recent hebben wij het wetsontwerp betreffende de 2e-pensioenpijler voor zelfstandigen-natuurlijke personen behandeld in de Kamercommissie. Ik heb recent een antwoord mogen ontvangen van u op mijn vraag nr. 23824. Daarbij hebt u gesteld dat de RIZIV-overeenkomsten ook geprorateerd moeten worden. Ik had echter nog een bijkomende vraag over hoe de 80%-grens nu in de praktijk best berekend wordt.

De POZ-contracten die vanaf vandaag opgestart worden, kunnen mogelijks berekend worden op basis van de pensioenfiches die de verzekeraar in 2018 uitreikt. Daarbij maakt men altijd een onderscheid tussen het geprojecteerde/verwachte pensioenkapitaal en het verworven pensioenkapitaal. Het verschil tussen beide bedragen kan dan een indicatie geven voor de berekening van de 80%-grens.

Hoewel, na verloop van jaren zal het wellicht moeilijker zijn om deze werkwijze te volgen, zeker omdat de premies en het verwachte pensioenkapitaal zullen fluctueren. Een meer correcte berekeningsmethode zal zich dus opdringen. Dit zal wel niet gemakkelijk gaan, als men voor de POZ en de VAPZ bij verschillende verzekeraars is aangesloten. Bij gebrek aan exacte berekeningen kan eventueel een meer pragmatische worden gehanteerd, namelijk de looptijdevenredige berekening. In de gespecialiseerde vakpers wordt daar een voorbeeld voor gegeven:

'Stel dat de gevaloriseerde POZ-loopbaanjaren in de teller van de loopbaanbreuk, inclusief de inhaalperiode van maximaal tien jaar, 15 jaar bedraagt. Dit is de periode gelegen tussen 1 januari 2018 en 1 januari 2033 (zijnde de pensioenleeftijd zoals voorzien in de POZ-overeenkomst).

Ga ervan uit dat de zelfstandige al een VAPZ/RIZIV-overeenkomst had afgesloten in 2008, die in dezelfde pensioenleeftijd voorziet. Het VAPZ/RIZIV-pensioen wordt aldus in totaal opgebouwd over 25 jaar. Stel dat de pensioenfiche van die VAPZ/RIZIV-overeenkomst aangeeft dat het verwacht pensioenkapitaal op 1 januari 2033 een bedrag vertegenwoordigt van 75.000 EUR.

Het bedrag van het in rekening te brengen VAPZ-pensioenkapitaal (over de gevaloriseerde POZ-loopbaanjaren) is dan gelijk aan 15/25 x 75.000 EUR = 45.000 EUR. Uitgedrukt in rente is dit 45.000 EUR/16,1004 (=coëfficiënt cfr. Com. IB 92, nr. 59/76), wat gelijk is aan 2.794,96 EUR. Dit is dan het bedrag dat onder de parameter AAPRT ≥ 2018 gebruikt moet worden.'

Het is in deze context dat ik u daarom de volgende vragen wil stellen:

1) Kan de minister bevestigen of deze meer pragmatische 'looptijdevenredige' berekening gebruikt mag worden, om de 80%-grens te bepalen?

2) Zo nee, hoe moet de berekening dan verlopen?

Ik dank de Minister alvast voor zijn antwoorden.

Antwoord:

Om pragmatische redenen mag in uw voorbeeld de evenredige berekening volgens de looptijd worden toegepast op de extrawettelijke pensioenen waarmee bij de vaststelling van de 80 %-grens rekening moet worden gehouden.

Uitkeringen (belastingheffing)

Kapitalen en afkoopwaarden

7. De uitkeringen in het kader van het nieuwe aanvullende pensioen voor zelfstandigen zijn steeds belastbaar, ongeacht het feit of er al dan niet een belastingvermindering werd verleend voor de bijdragen.

De uitkeringen, die niet belastbaar zijn onder de vorm van een fictieve rente, die ten vroegste worden uitgekeerd vanaf de leeftijd van het al dan niet vervroegd rustpensioen of naar aanleiding van het overlijden van de aangeslotene zijn belastbaar in de inkomstenbelasting tegen het tarief van 10 %. Indien zij in andere omstandigheden worden uitgekeerd zijn zij belastbaar tegen het tarief van 33 %.

Afstand van kapitaal – lijfrente

8. De lijfrenten die zijn aangelegd tegen storting met afstand van kapitaal dat is gevormd in het kader van het nieuwe aanvullende pensioen zijn geen pensioenen. De inkomsten die begrepen zijn in dergelijke renten maken roerende inkomsten uit.

Kapitaal omgezet in fictieve renten

9. Het kapitaal of de afkoopwaarde van een aanvullend pensioen waarop voorschotten op prestaties zijn opgenomen of dat heeft gediend voor het waarborgen of het weder samenstellen van een hypothecaire lening voor een woning is, onder bepaalde voorwaarden en binnen een bepaalde grens, belastbaar onder de vorm van fictieve omzettingsrenten.

Pensioenen en renten

10. De pensioenen en de renten zijn steeds belastbaar tegen het progressief tarief.

Belasting van niet-inwoners

11. De in de nieuwe belastingregeling beoogde belastingvermindering is eveneens van toepassing in de belasting van niet-inwoners, maar de bijdragen worden slechts in aanmerking genomen in de mate dat ze betrekking hebben op in België belastbare beroepsinkomsten die in de aangifte daadwerkelijk worden geregulariseerd.

Overdracht van kapitalen

12. Wanneer kapitalen of afkoopwaarden die gevormd zijn in het kader van het nieuwe aanvullende pensioen voor zelfstandigen door de pensioeninstelling waarbij ze zijn gevestigd, worden overgedragen naar een soortgelijke pensioenovereenkomst bij een pensioeninstelling gevestigd in de Europese Economische Ruimte, wordt deze overdracht niet als een betaling of toekenning aangemerkt. Dit belet niet dat de latere betaling of toekenning een belastingheffing voortbrengt.

III. Inwerkingtreding

13. Deze nieuwe aanvullende pensioenregeling is van toepassing vanaf aanslagjaar 2019 (7).

(7) Artikel 66, wet van 18.02.2018.

IV. Wet van 18.02.2018 – Wijziging van het WIB 92

14. De betrokken artikelen van het WIB 92 zijn als volgt aangepast (de aanpassingen zijn in het vet aangeduid):

Inkomen van roerende goederen en kapitalen

Artikel 17, § 1, WIB 92 (8)

(8) Artikel 52, wet van 18.02.2018.

§ 1. Inkomsten uit roerende goederen en kapitalen zijn alle opbrengsten van roerend vermogen aangewend uit welken hoofde ook, namelijk:

1° dividenden;

2° interest;

3° inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen;

4° inkomsten die begrepen zijn in lijfrenten of tijdelijke renten die geen pensioenen zijn en na 1 januari 1962 onder bezwarende titel zijn aangelegd ten laste van enige rechtspersoon of onderneming. De lijfrenten die zijn aangelegd tegen storting met afstand van een kapitaal dat is gevormd, ofwel, met bijdragen of premies als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°, ofwel, in het kader van een aanvullend pensioen voor zelfstandigen als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°bis en 2°ter, zijn geen pensioenen;

5° de inkomsten verkregen uit de cessie of de concessie van auteursrechten en naburige rechten, alsook van de wettelijke en verplichte licenties, bedoeld in boek XI van het Wetboek van economisch recht of in overeenkomstige bepalingen in het buitenlands recht.

Pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen

Artikel 34, § 1, WIB 92 (9)

(9) Artikel 53, wet van 18.02.2018.

§ 1. Pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen omvatten, ongeacht de schuldenaar, de verkrijger of de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld en toegekend:

(…)

2°ter aanvullende pensioenen van zelfstandigen als bedoeld in titel II van de wet van 18 februari 2018 houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen en tot instelling van een aanvullend pensioen voor de zelfstandigen actief als natuurlijke persoon, voor de meewerkende echtgenoten en voor de zelfstandige helpers;

Vrijgestelde pensioenen, renten, kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden

Artikel 39, § 2, 2°, WIB 92 (10)

(10) Artikel 54, wet van 18.02.2018.

§ 2. Pensioenen, aanvullende pensioenen, renten, kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden zijn vrijgesteld:

(…)

2° indien ze voortkomen uit een individueel levensverzekeringscontract dat is afgesloten ten gunste van de belastingplichtige of de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is, en:

(…)

d) ze niet geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van werkgeversbijdragen of bijdragen van de onderneming, noch van bijdragen of premies als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 16°, noch van bijdragen die, overeenkomstig artikel 52, 7°bis, in aanmerking konden komen als beroepskosten, noch van bijdragen die in aanmerking konden komen voor de toepassing van artikel 145^1, 1° of 1°bis;

Beroepskosten

Artikel 59, § 4, tweede lid, WIB 92 (11)

(11) Artikel 55, wet van 18.02.2018.

De extrawettelijke pensioenen omvatten inzonderheid de pensioenen:

- die met persoonlijke bijdragen als bedoeld in artikel 52, 7°bis, artikel 145^3 of artikel 145^3/1 zijn gevormd;

- die met werkgeversbijdragen zijn gevormd;

- die door de werkgever ter uitvoering van een contractuele verplichting zijn toegekend.

Vermindering voor het lange termijnsparen

A. Algemeen

Artikel 145^1, WIB 92 (12)

(12) Artikel 56, wet van 18.02.2018.

Binnen de grenzen en onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 1452 tot 145^16 wordt een belastingvermindering verleend die wordt berekend op de volgende uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald:

(…)

1°bis als bijdragen en premies voor een aanvullend pensioen als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°ter;

(…)

B. Bijdragen en premies betaald voor een aanvullend pensioen voor zelfstandigen (13)

(13) Artikel 57, wet van 18.02.2018.

Artikel 145^3/1, WIB 92 (14)

(14) Artikel 58, wet van 18.02.2018.

§ 1. De in artikel 145^1, 1°bis bedoelde bijdragen en premies komen voor een belastingvermindering in aanmerking onder de volgende voorwaarden en binnen de volgende grenzen:

1° de bijdragen en premies zijn definitief gestort aan een in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeringsonderneming of instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen;

2° de wettelijke en extra-wettelijke uitkeringen naar aanleiding van de pensionering, uitgedrukt in jaarlijkse renten en berekend op basis van een normale duur van de beroepswerkzaamheid van 40 jaar, bedragen niet meer dan 80 % van het referentie-inkomen. Een indexering van de renten is toegelaten;

3° de belastingplichtige houdt de bewijsstukken ter beschikking van de administratie die de vaststelling mogelijk maken van de echtheid en het bedrag van de betalingen en het naleven van de in het 1° en 2° vermelde voorwaarden en grenzen.

Voor de toepassing van het eerste lid, 2°:

1° is het referentie-inkomen gelijk aan het gemiddelde van de in de artikelen 23, § 1, 1° en 2°, en 30, 3°, bedoelde inkomsten van de belastingplichtige van de drie vorige belastbare tijdperken, met uitzondering van de meerwaarden, na aftrek van de andere dan de in artikel 52, 7°, en 7°bis, bedoelde beroepskosten. De in artikel 23, § 1, 2°, bedoelde inkomsten die geen betrekking hebben op een activiteit als zelfstandige als bedoeld in artikel 2, 2° tot 5°, van de wet van 18 februari 2018 houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen en tot instelling van een aanvullend pensioen voor de zelfstandigen actief als natuurlijke persoon, voor de meewerkende echtgenoten en voor de zelfstandige helpers, worden hierbij buiten beschouwing gelaten;

2° worden, om na te gaan of aldaar bedoelde begrenzing in acht wordt genomen voor uitkeringen in kapitaal, die uitkeringen omgezet in een rente op basis van de gegevens in een door de Koning vastgestelde tabel die, zonder rekening te houden met de overdraagbaarheid of de indexering van de uitgestelde rente binnen de grens van 2 % per jaar te rekenen vanaf de aanvang ervan, voor onderscheiden leeftijden van de rente, het nodig geachte kapitaal, inclusief winstdeelnemingen, vermeldt voor een per twaalfden na vervallen termijn betaalbare rente van 1 euro. Zo nodig, mogen de gegevens van de tabel worden aangepast om rekening te houden met de overdraagbaarheid of de indexering van de uitgestelde rente binnen de grens van 2 % per jaar te rekenen vanaf de aanvang van de rente;

3° wordt de begrenzing tot 80 % beoordeeld ten opzichte van het totale bedrag van de wettelijke pensioenen en van de op jaarbasis berekende extra-wettelijke pensioenen, waaronder het extrawettelijk pensioen gevormd met bijdragen als bedoeld in artikel 52, 7°bis, betaald voor de jaren van beroepswerkzaamheid die overeenkomstig de bepaling onder 4° in de teller van de loopbaanbreuk in aanmerking worden genomen. De uitkeringen op grond van pensioensparen en van andere individuele levensverzekeringen dan die welke worden gesloten ter uitvoering van een individuele aanvullende pensioentoezegging inzake een rust- en/of overlevingspensioen worden niet in aanmerking genomen;

4° wordt om de rente te berekenen op basis van de duur van de beroepswerkzaamheid, 80 % van het referentie-inkomen vermenigvuldigd met een breuk met als teller het aantal werkelijk gepresteerde jaren waarin een beroepswerkzaamheid werd uitgeoefend als zelfstandige als bedoeld in artikel 2, 2° tot 5°, van de wet van 18 februari 2018 houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen en tot instelling van een aanvullend pensioen voor de zelfstandigen actief als natuurlijke persoon, voor de meewerkende echtgenoten en voor de zelfstandige helpers vanaf het kwartaal van het sluiten van de pensioenovereenkomst, desgevallend verhoogd met maximaal 10 vanaf 1 januari 2018 daadwerkelijk gepresteerde jaren van beroepswerkzaamheid voorafgaand aan het sluiten van de pensioenovereenkomst, en het nog te presteren aantal jaren van de beroepswerkzaamheid tot de pensioenleeftijd en als noemer 40 jaar;

5° kunnen de uitkeringen die overeenkomen met vanaf 1 januari 2018 reeds gepresteerde jaren van beroepsactiviteit voorafgaand aan het kwartaal van het sluiten van de pensioenovereenkomst die in de teller van de loopbaanbreuk in aanmerking worden genomen, worden gefinancierd onder de vorm van één of meerdere bijdragen of premies;

6° mag de overdraagbaarheidscoëfficiënt van de toekenningen ten voordele van de langstlevende echtgenoot waarin de pensioenovereenkomst voorziet, niet meer bedragen dan 80 %;

7° komen de bijdragen en premies slechts voor de belastingvermindering in aanmerking in zover ze jaarlijks niet hoger zijn dan de bedragen die verschuldigd zijn krachtens de pensioenovereenkomst.

Wanneer de belastingplichtige slechts in één van de drie vorige belastbare tijdperken inkomsten als bedoeld in het tweede lid, 1°, heeft behaald, is het referentie-inkomen gelijk aan de in dat belastbare tijdperk behaalde in aanmerking te nemen inkomsten. Wanneer de belastingplichtige slechts in twee van de drie vorige belastbare tijdperken inkomsten als bedoeld in het tweede lid, 1°, heeft behaald, is het referentie-inkomen gelijk aan het gemiddelde van de in die twee belastbare tijdperken behaalde in aanmerking te nemen inkomsten. Wanneer de belastingplichtige in geen van de drie vorige belastbare tijdperken inkomsten als bedoeld in het tweede lid, 1°, heeft behaald, wordt het referentie-inkomen bepaald op basis van de in het belastbare tijdperk zelf behaalde in aanmerking te nemen inkomsten.

§ 2. Voorschotten op prestaties, inpandgevingen van pensioenrechten voor het waarborgen van een lening en de toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet vormen geen beletsel voor de definitieve storting van de bijdragen en premies vereist door paragraaf 1, eerste lid, 1°, wanneer ze worden toegestaan om het de belastingplichtige mogelijk te maken in de Europese Economische Ruimte gelegen onroerende goederen die in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte belastbare inkomsten opbrengen, te verwerven, te bouwen, te verbeteren, te herstellen of te verbouwen en op voorwaarde dat de voorschotten en leningen terugbetaald worden zodra de voormelde goederen uit het vermogen van de zelfstandige verdwijnen.

De in het eerste lid bedoelde beperking moet ingeschreven zijn in de pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 2, 7°, van de wet van 18 februari 2018 houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen en tot instelling van een aanvullend pensioen voor de zelfstandigen actief als natuurlijke persoon, voor de meewerkende echtgenoten en voor de zelfstandige helpers.

§ 3. De koning kan de inhoud en vorm van de bewijsstukken vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, en de toepassingsmodaliteiten van de belastingvermindering verder bepalen.

C. Premies van individuele levensverzekeringen

Artikel 145^4, 3°, WIB 92 (15)

(15) Artikel 59, wet van 18.02.2018.

De in artikel 145^1, 2°, vermelde bijdragen komen voor vermindering in aanmerking op voorwaarde dat:

(…)

3° die bijdragen niet geheel of gedeeltelijk in aanmerking kunnen komen voor de toepassing van artikel 52, 7°bis of van artikel 145^1, 1°bis;

Bijzondere stelsels van aanslag

Omzetting in lijfrente

Artikel 169, § 1, tweede lid, WIB 92 (16)

(16) Artikel 60, wet van 18.02.2018.

Hetzelfde omzettingsstelsel is van toepassing op de eerste schijf van 50.000 EUR van het kapitaal of van de afkoopwaarde van een aanvullend pensioen als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°, eerste lid, a tot c, en 2°ter, waarop voorschotten op prestaties zijn opgenomen of dat heeft gediend voor het waarborgen van een lening of het weder samenstellen van een hypothecair krediet, in zover die voorschotten verleend of die leningen gesloten zijn voor het bouwen, het verwerven, het verbouwen, het verbeteren of het herstellen van de in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen enige woning die uitsluitend bestemd is voor het persoonlijk gebruik van de leningnemer en zijn gezinsleden.

Afzonderlijke aanslagen

Artikel 171, WIB 92 (17)

(17) Artikel 61, wet van 18.02.2018.

In afwijking van de artikelen 130 tot 145 en 146 tot 156, zijn afzonderlijk belastbaar, behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting Staat op de andere inkomsten, meer bedraagt dan de overeenkomstig de voormelde artikelen bepaalde belasting op de in de artikelen 17, § 1, 1° tot 3° en 90, eerste lid, 6° en 9°, vermelde inkomsten en op de meerwaarden op roerende waarden en titels die op grond van artikel 90, eerste lid, 1°, belastbaar zijn, vermeerderd met de belasting Staat met betrekking tot het geheel van de andere belastbare inkomsten:

1° tegen een aanslagvoet van 33 %:

(…)

j) kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in 2°, c), indien anders uitgekeerd;

(…)

2° tegen een aanslagvoet van 10 %:

(…)

c) de kapitalen en afkoopwaarden die inkomsten vormen als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°ter, die niet belastbaar zijn overeenkomstig artikel 169, § 1, wanneer ze aan de rechthebbende worden uitgekeerd bij leven vanaf de leeftijd waarop hij voldoet aan de voorwaarden om zijn al dan niet vervroegd rustpensioen op te nemen of naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is;

(…)

Belasting van niet-inwoners

Berekening van de belasting

Artikel 243, derde lid, WIB 92 (18)

(18) Artikel 62, wet van 18.02.2018.

De artikelen 126 tot 129, 145^1, 1°,1°bis en 4°, 145^2 tot 145^3/1, 145^7, 145^26, § 5, 145^32, §§ 2 en 3, 154bis, 157 tot 169, en 171 tot 178/1 zijn eveneens van toepassing, met dien verstande dat:

1° de in artikel 145^1, 1°, en 1°bis bedoelde persoonlijke bijdragen en premies slechts in aanmerking worden genomen in de mate dat ze betrekking hebben op in België belastbare beroepsinkomsten die in de aangifte daadwerkelijk worden geregulariseerd overeenkomstig de artikelen 232 en 248, §§ 2 en 3;

(…)

Artikel 243/1, 1°bis, WIB 92 (19)

(19) Artikel 63, wet van 18.02.2018.

Wanneer de belastingplichtige in België belastbare beroepsinkomsten heeft behaald of verkregen die ten minste 75 % bedragen van het geheel van zijn in het belastbaar tijdperk behaalde of verkregen binnenlandse en buitenlandse beroepsinkomsten, zijn, in afwijking van artikel 243, de artikelen 86 tot 89 van toepassing en wordt de belasting berekend overeenkomstig de artikelen 130 tot 145^16, 145^24, 145^26, 145^28, 145^32 tot 145^35, 145^48, 146 tot 154bis, 157 tot 169, en 171 tot 178/1, met dien verstande dat:

(…)

1°bis de in artikel 145^1, 1°, en 1°bis bedoelde persoonlijke bijdragen en premies slechts in aanmerking worden genomen in de mate dat ze betrekking hebben op in België belastbare beroepsinkomsten die in de aangifte daadwerkelijk worden geregulariseerd overeenkomstig de artikelen 232 en 248, §§ 2 en 3;

Artikel 244, 1°bis, WIB 92 (20)

(20) Artikel 64, wet van 18.02.2018.

(…)

1°bis de in artikel 145^1, 1°, en 1°bis bedoelde persoonlijke bijdragen en premies slechts in aanmerking worden genomen in de mate dat ze betrekking hebben op in België belastbare beroepsinkomsten die in de aangifte daadwerkelijk worden geregulariseerd overeenkomstig de artikelen 232 en 248, §§ 2 en 3;

Aanslagjaar en belastbaar tijdperk

Artikel 364ter, eerste lid, WIB 92 (21)

(21) Artikel 65, wet van 18.02.2018.

Wanneer kapitalen of afkoopwaarden die gevormd zijn door in artikel 52, 7°bis, of in artikel 145^1, 1°, of 1°bis, vermelde persoonlijke bijdragen, door werkgeversbijdragen of door bijdragen van de onderneming, door de verzekeringsonderneming, de voorzorgsinstelling of de instelling voor bedrijfspensioen-voorzieningen waarbij ze zijn gevestigd, ten bate van de begunstigde of van zijn rechtverkrijgenden worden overgedragen naar een soortgelijke pensioentoezegging of pensioen-overeenkomst, wordt deze verrichting niet als een betaling of toekenning aangemerkt, zelfs als die overdracht op verzoek van de begunstigde geschiedt, onverminderd het recht van belastingheffing bij de latere betaling of toekenning door de instellingen of ondernemingen aan de begunstigde.

Interne ref.: 715.731