Circulaire nr. Ci.D.19/416.334 dd. 30.08.1993

CIRC 30.08.93/1

Circulaire nr. Ci.D.19/416.334 dd. 30.08.1993


Bull. nr. 731, pag. 2802

FISCALE BEPALINGEN 1989
Vastrentend effect

ROEREND INKOMEN
Vastrentend effect

ROERENDE VOORHEFFING
Vastrentend effect

VASTRENTEND EFFECT
Belastingstelsel


34e aflevering FISCALE BEPALINGEN 1989

Commentaar op art. 253, W. 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen :

  • belastingstelsel van vastrentende effecten :
  • vaststelling van de roerende inkomsten;
  • voorheffingen.
INKOMSTEN VAN VASTRENTENDE EFFECTEN

Inhoudstabel I. WETTEKSTEN II/51 II. INLEIDING II/52 III. COMMENTAAR A. Inkomsten van vastrentende effecten 1. Algemeen II/54 2. Begripsbepaling "vastrentende effecten" II/55 3. Vaststelling van de roerende inkomsten II/56 B. Voorheffingen 1. Vastrentende effecten van Belgische oorsprong II/59 2. Vastrentende effecten van buitenlandse oorsprong II/60 IV. VOORBEELDEN II/63 I. WETTEKSTEN II/51
Art. 253, W. 22.12.1989 heeft art. 11bis, WIB vervangen door de volgende bepaling :

"§ 1. De in artikel 11 bedoelde inkomsten van vastrentende effecten, omvatten iedere som die door de schuldenaar van de inkomsten boven het kapitaal wordt betaald of toegekend bij de terugbetaling of de inkoop van het effect, ongeacht of die al dan niet plaats heeft op de bij de overeenkomst vastgestelde vervaldag.

Als vastrentende effecten worden aangemerkt obligaties, kasbons en andere soortgelijke effecten, met inbegrip van door effecten belichaamde leningen waarvan de interesten worden gekapitaliseerd of van effecten die geen aanleiding geven tot een periodieke uitbetaling van interest en die werden uitgegeven met een disconto dat overeenstemt met de tot op de vervaldag van het effect gekapitaliseerde interesten.

§ 2. De inkomsten van de in § 1 bedoelde effecten zijn ten name van elke belastingplichtige belastbaar in verhouding tot de bezitsduur van het effect."

Luidens art. 333, § 1, 11°, W. 22.12.1989 is deze bepaling van toepassing op de vanaf 01.01.1990 ontvangen inkomsten.

II. INLEIDING

II/52
Luidens het vroegere art. 11bis, WIB, werd het roerend inkomen van de in dat art. bedoelde effecten (met name kapitalisatie- en zerobons) omschreven als de som die de emittent bij de terugbetaling of bij de inkoop boven het kapitaal op enig tijdstip toekende. Dat inkomen werd geacht te zijn toegekend bij de terugbetaling of inkoop, en onderging steeds de RV.

Teneinde bepaalde misbruiken tegen te gaan en om de regeling beter in overeenstemming te brengen met de regels inzake de in verhouding tot de bezitsduur beperkte verrekening van de RV, werd art. 11bis, WIB, door art. 253, W. 22.12.1989, aangepast, in die zin dat voortaan :

  • onder de in art. 11bis, WIB, bedoelde vastrentende effecten, benevens de kapitalisatie- en zerobons, ook de gewone obligaties en kasbons worden begrepen;
  • de opeenvolgende bezitters van eenzelfde vastrentend effect, belastbaar zijn op een in verhouding tot de bezitsduur vastgesteld roerend inkomen.
II/53
De gevolgen van deze wijzigingen op het stuk van de vaststelling van het roerend inkomen (en met name t.a.v. tussentijdse verhandelingen) worden hierna besproken. Wat anderzijds de verrekening van de voorheffingen (RV en FBB) en inning en verzaking van de RV op de inkomsten uit vastrentende effecten betreft, wordt inzonderheid verwezen naar de circ. 31.03.1993, Ci.RH.421/444.672 (verrekening van voorheffingen met de Ven.B) en naar de circ. 22.04.1993, Ci.RH.233/439.182. Aangezien bepaalde aspecten van die verrekening, inning en verzaking volledigheidshalve ook in onderhavige circ. aan bod komen, lijkt een voorafgaande lezing van die twee circ. aangewezen.

III. COMMENTAAR

A. Inkomsten uit vastrentende effecten



1.Algemeen
II/54
Art. 11bis, § 1, 1e lid, WIB bepaalt vooreerst hoe inkomsten van vastrentende effecten worden vastgesteld. In een tweede lid wordt uiteengezet wat onder "vastrentende effecten" moet worden verstaan en tenslotte voorziet de § 2 in de prorata belastbaarheid van de bedoelde inkomsten in functie van de bezitsduur van de effecten.



2.Begripsbepaling "vastrentende effecten"
II/55
Onder vastrentende effecten wordt verstaan :

  • "gewone" obligaties, kasbons en andere soortgelijke effecten, waarvan de inkomsten niet worden gekapitaliseerd;
  • effecten waarvan de interesten worden gekapitaliseerd of effecten die geen aanleiding geven tot een periodieke uitbetaling van interesten en die zijn uitgegeven met een disconto dat overeenstemt met de tot op de vervaldag van het effect gekapitaliseerde interest (hierna genoemd kapitalisatie- en zerobons).


3.Vaststelling van de roerende inkomsten
a) Principes

II/56
De inkomsten van vastrentende effecten omvatten benevens de interesten van eventuele coupons, iedere som die door de schuldenaar van de inkomsten boven het kapitaal wordt betaald of toegekend bij de terugbetaling of de inkoop van het effect, ongeacht of die al dan niet plaats heeft op de bij de overeenkomst vastgestelde vervaldag.

Bovendien zal bij het vaststellen van het inkomen bij elke opeenvolgende bezitter slechts rekening worden gehouden met het gedeelte dat overeenstemt met de bezitsduur van de effecten. Overigens wordt ook de verrekening van de erop betrekking hebbende voorheffing tot die bezitsduur beperkt.

Dit betekent dat bij aankoop of verkoop van effecten tussen twee vervaldagen, of vóór de vervaldag wanneer de interest wordt gekapitaliseerd (hierna eenvoudigweg "tussentijdse verhandelingen" genoemd), elke houder belastbaar is op het gedeelte van de inkomsten dat betrekking heeft op het tijdperk gedurende hetwelk hij de effecten in zijn bezit heeft gehad. Deze inkomsten worden al naargelang het geval geacht te zijn toegekend, bij de toekenning of betaalbaarstelling van de interest op de vervaldag van de coupon, bij de tussentijdse verhandeling (verkoop) van het effect of bij de terugbetaling of inkoop van het effect.

Niettemin is de RV slechts verschuldigd op de vervaldag (vervaldag van de coupon of eindvervaldag) of op het ogenblik van de vervroegde terugbetaling of inkoop door de emittent van het effect. Bij tussentijdse verhandelingen is in de regel op dat ogenblik nog geen RV verschuldigd op de gelopen prorata interesten (zie evenwel II/62 m.b.t. vastrentende effecten van buitenlandse oorsprong die vóór de vervaldag worden verkocht door een aan de RPB onderworpen belastingplichtige).

Bij de berekening van het prorata-inkomen dient een onderscheid te worden gemaakt al naargelang het gaat om effecten waarvan de inkomsten niet, dan wel gekapitaliseerd worden.

b) Kasbons en obligaties waarvan de inkomsten niet gekapitaliseerd worden

II/57
Het verlopen rente-prorata dient lineair te worden berekend in verhouding tot de bezitsduur (zie voorbeeld 1, nr. II/63).

Wanneer het hierbij gaat om buitenlandse effecten wordt het aldus in vreemde valuta bepaalde inkomen in Belgische frank opgezet naar de wisselkoers bij de verkoop (art. 16, lid 2, WIB).

c) Kapitalisatie- en zerobons

II/58
Het roerend inkomen van een kapitalisatie- of zerobon is het bedrag dat de emittent op de vervaldag (of bij vervroegde inkoop) boven de oorspronkelijke inschrijvingsprijs zal uitkeren.

Dit inkomen is ten name van elke opeenvolgende bezitter belastbaar in verhouding tot de bezitsduur van het effect.

Bij tussentijdse verhandeling van kapitalisatie- of zerobons moet het als roerend inkomen te beschouwen verlopen rente prorata actuarieel in verhouding tot de bezitsduur worden berekend. Het aldus bepaalde inkomen kan reeds van bij de uitgifte onveranderlijk worden vastgesteld aan de hand van een kapitalisatieplan tegen samengestelde interest.

Voor het opstellen van dit kapitalisatieplan kan gebruik worden gemaakt van de volgende formule : V V P = -------- of i = (-----)1/n-1, waarbij (1 + i)n P P = de oorspronkelijke inschrijvingsprijs V = de terugbetalingsprijs n = de looptijd in jaren (en fracties van jaren) i = het rendement Uit deze formule kan, rekening houdend met P, V en n als gekende gegevens, het rendement "i" worden afgeleid, dat op zijn beurt toelaat voormeld kapitalisatieplan op te stellen (zie voorbeeld 2, nr. II/64). Het aldus afgeleide inkomen stijgt naarmate het desbetreffende effect dichter bij de eindvervaldag komt en geeft het werkelijk vastrentend inkomen weer. Dit inkomen is ten name van elke opeenvolgende bezitter als een roerend inkomen aan te merken. Externe factoren, zoals raming, marktrente, wisselkoers, valuta, ..., enz. worden ten name van die verschillende bezitters buiten beschouwing gelaten. Deze laatste factoren kunnen er de oorzaak van zijn dat de prorata-interest verschillend is van het verwezenlijkte inkomen. Het verschil moet alsdan worden aangemerkt ofwel als een niet-roerend inkomen (meerwaarde) ofwel als een kost (minderwaarde) die hun eigen fiscale regeling ondergaan.

Aangezien de voormelde formule uitgaat van een kapitalisatie per jaar, dient bij tussentijdse verhandeling van kapitalisatie- of zerobons voor de berekening van het inkomen m.b.t. jaargedeelten, de lineaire proratering als bedoeld in nr. II/57 te worden toegepast.

Wanneer het gaat om buitenlandse effecten wordt het overeenkomstig de vorige leden in vreemde valuta bepaalde inkomen in Belgische frank omgezet naar de wisselkoers bij de verkoop.

B. Voorheffingen



1.Vastrentende effecten van Belgische oorsprong
II/59
M.b.t. obligaties, kasbons en andere soortgelijke effecten van Belgische oorsprong die tussentijds worden verhandeld, geldt in beginsel voor de vanaf 01.09.1989 toegekende of betaalbaargestelde inkomsten, geen mogelijkheid meer tot vrijstelling van RV (deze bepaling wordt in een afzonderlijke circ. besproken). Daarenboven kan m.b.t. inkomsten van kapitalisatie- en zerobons van Belgische oorsprong in de regel nooit van de inning van de RV worden afgezien (zie circ. 22.04.1993, Ci.RH.233/439.182, nr. 9 e.v.). In die gevallen is, voor de vanaf 01.01.1990 ontvangen inkomsten, de RV ten name van iedere opeenvolgende belastingplichtige, in principe verrekenbaar in verhouding tot de bezitsduur, m.a.w. in verhouding tot het prorata roerend inkomen zoals het wordt berekend overeenkomstig de nrs. II/57 en II/58.

De aandacht wordt er op gevestigd dat m.b.t. bepaalde effecten van de Staatsschuld (inzonderheid lineaire obligaties en schatkistcertificaten) alsmede m.b.t. gedematerialiseerde deposito- en thesauriebewijzen, bijzondere regels inzake vrijstelling van RV gelden. Aan deze categorie van vastrentende effecten zal evenwel een afzonderlijke circ. worden gewijd.



2.Vastrentende effecten van buitenlandse oorsprong
II/60
M.b.t. vastrentende effecten van buitenlandse oorsprong die tussentijds worden verhandeld, kan slechts op de vervaldag worden vastgesteld of de RV is verschuldigd. In die gevallen zal in de regel geen verrekening van RV kunnen worden toegestaan tenzij de belastingplichtige onbetwistbaar het bewijs aanbrengt dat de inkomsten, bij de aanbieding van de desbetreffende effecten op de vervaldag daadwerkelijk in België aan de RV werden onderworpen, in welk geval de in nr. II/59 bedoelde prorata-verrekening, in principe zal kunnen worden toegepast.

II/61
Daarenboven zal in deze gevallen in de regel geen verrekening van FBB kunnen worden toegestaan, tenzij de belastingplichtige onbetwistbaar het bewijs aanbrengt dat de inkomsten, bij de aanbieding van de desbetreffende effecten aan de emittent op de vervaldag, in het buitenland daadwerkelijk werden onderworpen aan een belasting gelijkaardig aan de PB, de Ven.B of de BNV, in welk geval de principiële verrekening (op roerende inkomsten met beroepskarakter) dient te geschieden in verhouding tot de bezitsduur van de effecten, m.a.w. in verhouding tot het prorata roerend inkomen zoals het wordt berekend overeenkomstig de nrs. II/57 en II/58.

Bijzonder geval : aan de RPB onderworpen belastingplichtigen

II/62
De aandacht wordt er op gevestigd dat wanneer vastrentende effecten van buitenlandse oorsprong vanaf 01.05.1990 door aan de RPB onderworpen belastingplichtigen vóór de vervaldag worden vervreemd, de RV door deze belastingplichtigen zelf is verschuldigd (zie circ. 22.04.1993, Ci.RH.233/439.182, nrs. 7 en 8). Deze RV moet worden berekend op het prorata roerend inkomen zoals vastgesteld overeenkomstig de nrs. II/57 en II/58 (zie voorbeeld 2, nr. II/64).

IV. VOORBEELDEN

Voorbeeld 1

II/63
Een vennootschap koopt op vervaldag 15.10.1992, na coupon, een Belgische obligatie uitgegeven op 15.10.1991 met een nominale waarde van 50.000 F en een rente van 9,25 %, tegen 51.000 F. Op 15.01.1993 verkoopt zij deze obligatie tegen 53.000 F netto.

Het roerend inkomen dat zij aldus verkrijgt is als volgt samengesteld : - bruto-interest : 50.000 x 9,25 % x 3/12 = 1.156 - bedrag van de overeenstemmende RV : 1.156 x 10 % = - 116 ----- netto roerend inkomen 1.040 Het totaal inkomen is gelijk aan : (53.000 + 116) - 51.000 = 2.116 F Dit inkomen omvat : - belastbaar roerend inkomen (inbegrepen 116 F verrekenbare RV) : 1.156 - niet-roerend inkomen (meerwaarde) : 960 Voorbeeld 2 II/64



1.Gegevens
Op 1 april van het jaar n wordt een buitenlandse zerobon uitgegeven met de volgende karakteristieken :

  • valuta = USD;
  • inschrijvingsprijs : P = 9.855 USD per effect
  • terugbetalingsprijs : V = 20.000 USD per effect
  • looptijd : n = 8 jaar
  • wisselkoers bij inschrijving = 33,80 BEF
  • er wordt verondersteld dat het tarief van de RV 10 % bedraagt (ten vroegste op 01.03.1990 uitgegeven effecten)
2. Kapitalisatieplan - De wiskundige formule voor de berekening van het rendement V i = (-----)[1/n] -1 P geeft na invulling van de cijfergegevens de volgende vergelijking : 20000 i = (-----)[1/8] -1 9.855 De uitwerking van deze vergelijking levert het rendement op, t.t.z. i = 9,25 % - Het kapitalisatieplan ziet er dan ook als volt uit : 1.4 van berekeningen gekapitaliseerde de jaren waarde in USD n - 9.855 n + 1 9.855 x 1,0925 10.767 n + 2 9.855 x (1,0925)² 11.762 n + 3 9.855 x (1,0925)3 12.851 n + 4 9.855 x (1,0925)4 14.039 n + 5 9.855 x (1,0925)5 15.338 n + 6 9.855 x (1,0925)6 16.757 n + 7 9.855 x (1,0925)7 18.307 n + 8 9.855 x (1,0925)8 20.000
3.Bepaling van het roerend inkomen
a)Op 01.08.(n + 3) verkoopt A aan B (A en B zijn aan de RPB onderworpen belastingplichtigen), 100 effecten die A van bij de inschrijving bezat, tegen de globale prijs van 45.800.000 BEF. De wisselkoers van de USD op die dag bedraagt 34,50 BEF.
Bepaling van het resultaat gerealiseerd bij de verkoop : 1° roerend inkomen - gekapitaliseerde waarde op 01.04. (n + 3) 12.851 - roerend inkomen van de periode 01.04 tot 31.07 (n + 3) (14.039 - 12.851) x 4/12 + 396 ------- - totaal 13.247 - inschrijvingsprijs - 9.855 ------- - verschil 3.392 - wisselkoers bij verkoop x 34,50 ------- - roerend inkomen per effect 117.024 - 100 effecten x 100 ------- - totaal roerend inkomen 11.702.400 - RV = 11.702.400 x 10 % : 1.170.240 (deze RV is door A uiterlijk op 15.01. (n + 4) te storten - eindbelasting inzake RPB) 2° niet-roerend resultaat - verkoopprijs 45.800.000 - aanschaffingsprijs (9.855 x 33,80 x 100) - 33.309.900 ------------ - verschil 12.490.100 - roerend inkomen - 11.702.400 ------------ - winst (meerwaarde) 787.700
b)Op 01.02. (n + 6) verkoopt B op zijn beurt de 100 effecten aan een buitenlandse vennootschap voor de prijs van 16.500 USD per effect. De wisselkoers bedraagt 33,10 BEF.
Bepaling van het resultaat gerealiseerd bij de verkoop : 1° roerend inkomen - gekapitaliseerde waarde op 01.04. (n + 5) 15.338 - roerend inkomen van de periode 01.04 (n+5) tot 01.02 (n+6) (16.757 - 15.338) x 10/12 + 1.182,5 ----------- - totaal 16.520,5 - gekapitaliseerde waarde op 01.08. (n+3) - 13.247 ----------- - verschil 3.273,5 - wisselkoers bij verkoop x 33,10 ----------- - roerend inkomen per effect 108.352,85 - 100 effecten x 100 ----------- - totaal roerend inkomen 10.835.285 - RV = 10.835.285 x 10 % : 1.083.529 (deze RV is door B uiterlijk op 15.01. (n + 7) te storten ) 2° niet-roerend resultaat - verkoopprijs 54.615.000 - aanschaffingsprijs (16.500 x 33,10 x 100) - 45.800.000 ------------ - verschil 8.815.000 - roerend inkomen - 10.835.285 ------------ - verlies (minderwaarde) 2.020.285