Circulaire nr. Ci.RH.332/458.660 van 11.10.1996
Bull. nr. 765, pag. 2206
AFZONDERLIJK BELASTBAAR INKOMEN
Aanslagvoet van 10 %.
Aanslagvoet van 16,5 %
Aanslagvoet van 33 %.
FISCALE, FINANCIELE EN DIVERSE BEPALINGEN 1992
Afkoopwaarde.
Kapitaal.
Taks op het lange termijnsparen.
GROEPSVERZEKERING
Afkoopwaarde.
Kapitaal.
LEVENSVERZEKERING
Afkoopwaarde.
Kapitaal.
PENSIOENFONDS
Afkoopwaarde.
Kapitaal.
PENSIOENSPAREN
Afkoopwaarde.
Kapitaal.
TAKS OP HET LANGE TERMIJNSPAREN
Levensverzekering.
Pensioensparen.
Aanslagvoet van 10 %.
Aanslagvoet van 16,5 %
Aanslagvoet van 33 %.
FISCALE, FINANCIELE EN DIVERSE BEPALINGEN 1992
Afkoopwaarde.
Kapitaal.
Taks op het lange termijnsparen.
GROEPSVERZEKERING
Afkoopwaarde.
Kapitaal.
LEVENSVERZEKERING
Afkoopwaarde.
Kapitaal.
PENSIOENFONDS
Afkoopwaarde.
Kapitaal.
PENSIOENSPAREN
Afkoopwaarde.
Kapitaal.
TAKS OP HET LANGE TERMIJNSPAREN
Levensverzekering.
Pensioensparen.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2 en 3.
INHOUDSTABEL Nr. I. WETTEKSTEN (W 28.12.1992) 1 GECOORDINEERDE TEKST 8 II. INLEIDING 13 III. VORMWIJZIGINGEN 15 IV. BELASTINGSTELSEL VAN TOEPASSING OP KAPITALEN, AFKOOPWAARDEN EN SPAARTEGOEDEN DIE IN HET KADER VAN HET LANGE TERMIJNSPAREN ZIJN GEVORMD Draagwijdte 23 A. Kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden die belastbaar zijn tegen 10 % 24 B. Kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden die belastbaar zijn tegen 16,5 % 40 C. Kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden die belastbaar zijn tegen 33 % 49 D. Kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden die belastbaar zijn tegen het progressief tarief 52 V. DE INDIRECTE TAKS OP HET LANGE TERMIJNSPAREN 55 Bijlagen : 1. Belastingstelsel van de uitkeringen inzake groepsverzekeringen en pensioenfondsen; 2. Belastingstelsel van de uitkeringen inzake individuele levensverzekeringen (toestand op 1.1.1993); 3. Belastingstelsel van de uitkeringen inzake pensioensparen (toestand op 1.1.1993). I. WETTEKSTEN
W 28.12.1992 (BS 31.12.1992 - V 2212 - Bull. 725, blz. 419)
| 1. | Art. 88 |
In artikel 169, § 1, van hetzelfde Wetboek (WIB 92), gewijzigd bij artikel 14, 1° van de wet van 28 juli 1992, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, worden de woorden "als vermeld in artikel 81, 1°" en de woorden "als vermeld in artikel 81, 2°", respectievelijk vervangen door de woorden "als vermeld in artikel 145/1, 2°" en de woorden "als vermeld in de artikelen 145/1, 3° en 145/17, 1° en 2°";
2° in het tweede lid, worden de woorden "artikel 52, 3°, b en 9°" vervangen door de woorden "de artikelen 52, 3°, b en 145/1, 1°".
| 2. | Art. 89 |
In artikel 171 van hetzelfde Wetboek (WIB 92), gewijzigd bij artikel 15 van de wet van 28 juli 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
| 1° |
het 1° wordt aangevuld met de als volgt luidende littera's d tot g:
"d) afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten vermeld in 2°, b, indien anders dan in 4°, f, vereffend;
e) kapitalen als vermeld in 2°, c, indien anders dan in 4°, g, vereffend;
f) afkoopwaarden als vermeld in 2°, d, indien anders vereffend;
g) spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in 2°, e, indien anders uitgekeerd";
|
| 2° |
het 2° wordt vervangen door de volgende bepaling:
"2° tegen een aanslagvoet van 10 %: a).....
b) kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in 4°, f, in zoverre dat zij door persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 145/1, 1°, zijn gevormd;
c) kapitalen als vermeld in 4°, g, in zoverre dat zij door persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 145/1, 1°, zijn gevormd;
d) kapitalen die worden vereffend bij overlijden van de verzekerde en afkoopwaarden die worden vereffend in één der 5 jaren die aan het normaal verstrijken van het contract voorafgaan, en voor zover die kapitalen en afkoopwaarden worden uitgekeerd uit hoofde van levensverzekeringscontracten als vermeld in artikel 145/1, 2°, en tot het bedrag dat niet dient voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening;
e) de in het kader van het pensioensparen door middel van betalingen als vermeld in artikel 145/1, 5°, gevormde spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden, wanneer zij aan de rechthebbende worden uitgekeerd naar aanleiding van zijn pensionering op de normale datum of in één van de 5 jaren die aan die datum voorafgaan, naar aanleiding van zijn brugpensionering of naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is;
|
| 3° |
het 4°, f, wordt als volgt aangevuld:
"en in zoverre dat die kapitalen en afkoopwaarden door werkgevers bijdragen als vermeld in artikel 52, 3°, b zijn gevormd";
|
| 4° | het 4°, fbis, ingevoegd door artikel 15, 3°, van de wet van 28 juli 1992, wordt opgeheven; |
| 5° |
het 4°, g, wordt als volgt aangevuld:
"en in zoverre die kapitalen door werkgeversbijdragen als vermeld in artikel 52, 3°, b, zijn gevormd";
|
| 6° | het 4°, i, wordt opgeheven. |
| 3. | Art. 90 |
In artikel 172, eerste lid, van hetzelfde Wetboek (WIB 92) worden de woorden "artikelen 81 tot 85 en 104 tot 125" vervangen door de woorden "artikelen 104 tot 116".
| 4. | Art. 91 |
In artikel 174 van hetzelfde Wetboek (WIB 92) worden de volgende wijzigingen aangebracht:
| 1° | in de inleidende zin van het eerste lid, worden de woorden "artikel 174°, i" vervangen door de woorden "artikel 171, 2°, e"; |
| 2° | in het eerste lid, 1°, worden de woorden "artikel 118, eerste lid, 1°, b" vervangen door de woorden "artikel 145/9, eerste lid, 1°, b"; |
| 3° | het tweede lid wordt opgeheven. |
| 5. | Art. 98 |
In hetzelfde Wetboek (WIB 92) wordt een als volgt luidend artikel 515bis ingevoegd:
"Artikel 515bis
...
...
Artikel 169, zoals het bestond voordat het door artikel 88 van de wet van 28 december 1992 werd gewijzigd, blijft van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde kapitalen en afkoopwaarden geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood als vermeld in artikel 52, 9°, voordat het door artikel 78 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven, of in uitvoering van levensverzekeringscontracten) als vermeld in artikel 81, 1° en 2°, voordat het door artikel 80 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven.
Artikel 171, zoals het bestond voordat het door artikel 89 van de wet van 28 december 1992 werd gewijzigd, blijft van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood als vermeld in artikel 52, 9°, voordat het door artikel 78 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven, of in uitvoering van levensverzekeringscontracten als vermeld in artikel 81, 1°, voordat het door artikel 80 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven, of betalingen als vermeld in de artikelen 104, eerste lid, 10° en 117, voordat deze artikelen respectievelijk door de artikelen 81, 2°, en 85 van de wet van 28 december 1992 zijn opgeheven.
In afwijking van het tweede tot het vijfde lid, zijn vrijgesteld de kapitalen en de afkoopwaarden die worden uitgekeerd uit hoofde van levensverzekeringscontracten gevormd door middel van bijdragen als vermeld in artikel 81, 1°, voordat het door artikel 80 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven of gevormd in het kader van het pensioensparen door middel van betalingen als vermeld in artikel 104, eerste lid, 10°, voordat het door artikel 81, 2°, van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven, indien en in zoverre zij het voorwerp zijn geweest van een taks op het lange termijnsparen zoals bepaald in titel XIII van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen of in artikel 119 van de wet van 28 december 1992."
| 6. | Art. 101 |
De artikelen ..., 88, 1°, 89, 1°, f en g, 2°, ..., d en e, 4°, 6°, 90, 91, 1° en 2°, 95 tot 100 treden in werking met ingang van het aanslagjaar 1993.
...
...
De artikelen ..., 88, 2°, 89, 1°, d en e, 89, 2°, b en c, 89, 3° en 5°, treden in werking met ingang van het aanslagjaar 1994.
De artikelen 91, 3° ... treden in werking op 1 januari 1993.
| 7. | Overgangsbepalingen |
| Art. | 103 |
In afwijking van artikel 145/9 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd door artikel 86 van deze wet, wordt de in het eerste lid, 1°, b, vermelde minimumlooptijd van 10 jaar verminderd tot 5 jaar voor personen die op 31 december 1986 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt.
| Art. | 104 |
In afwijking van artikel 171, 2°, d en e, van hetzelfde Wetboek (WIB 92), ingevoegd door artikel 89, 2°, van deze wet zijn de aldaar bedoelde kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden die in 1992 worden vereffend, afzonderlijk belastbaar tegen een aanslagvoet van 16,5 %.
Wanneer die vereffening in 1993 of later plaats heeft, geldt de aanslagvoet van 16,5 % slechts in zoverre het kapitaal, de afkoopwaarde of het spaartegoed is gevormd door middel van premies of betalingen die in 1992 werden gestort of gedaan.
| Art. | 105 |
In afwijking van artikel 174 van hetzelfde Wetboek (WIB 92), gewijzigd bij artikel 91 van deze wet, wordt de toepassing van artikel 171, 2°, e, afhankelijk gemaakt van de enige voorwaarde dat de looptijd van 5 jaar verstreken is voor personen die op 31 december 1986 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt.
| Art. | 106 |
De artikelen 103 en 105 treden in werking met ingang van het aanslagjaar 1993.
Artikel 104, eerste lid, is van toepassing voor het aanslagjaar 1993.
Artikel 104, tweede lid, is van toepassing vanaf het aanslagjaar 1994.
GECOORDINEERDE TEKST VAN DE ART. 169, 171, 172, 174 en 515bis WIB 92 (zoals gewijzigd of ingevoegd door de W 28.12.1992)
Hoofdstuk III - Berekening van de belasting
Afdeling II. - Bijzondere stelsels van aanslag
Onderafdeling I. - Omzetting van sommige kapitalen, vergoedingen en afkoopwaarden in lijfrente
| 8. | Art. 169 |
§ 1. Kapitalen die worden vereffend bij het normaal verstrijken van het contract of bij het overlijden van de verzekerde en afkoopwaarden die worden vereffend in een der vijf jaren die aan het normaal verstrijken van het contract voorafgaan, en voor zover die kapitalen en afkoopwaarden worden uitgekeerd uit hoofde ofwel van levensverzekeringscontracten als vermeld in artikel 145/1, 2°, en tot het bedrag dat dient voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening, ofwel van levensverzekeringscontracten als vermeld in de artikelen 145/1, 3° en 145/17, 1° en 2°, of van aanvullende pensioenen overeenkomstig artikel 52bis van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, alsmede kapitalen die de aard hebben van een vergoeding tot geheel of gedeeltelijk herstel van een bestendige derving van beroepsinkomsten, worden voor de vaststelling van de belastbare grondslag slechts in aanmerking genomen tot het bedrag van de lijfrente die zou voortvloeien uit de omzetting van die kapitalen en afkoopwaarden volgens door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit vastgestelde coëfficiënten die niet meer dan 5 % mogen bedragen.
Hetzelfde omzettingsstelsel is van toepassing op de eerste schijf van 2.000.000 frank van het kapitaal of van de afkoopwaarde van levensverzekeringscontracten in de zin van de artikelen 52, 3°, b en 145/1, 1°, waarop voorschotten zijn opgenomen of die als waarborg van een hypothecaire lening hebben gediend, voor zover die voorschotten verleend of die leidingen gesloten zijn voor het bouwen, het verwerven of het verbouwen van een in België gelegen eerste woning die uitsluitend bestemd is voor het persoonlijk gebruik van de leningnemer en zijn gezinsleden en indien, bij leven van de verzekerde, de voorschotten op contracten of de vestiging van de hypotheek ten minste tien jaar voor het verstrijken van het contract hebben plaatsgevonden.
§ 2. De omzettingsrente wordt voor elk belastbaar tijdperk gezamenlijk met de andere inkomsten belast vanaf de dag waarop het kapitaal of de afkoopwaarde is betaald of toegekend:
a) wanneer de omzettingsrente overeenkomstig de bepalingen van § 1, 5 % bedraagt, gedurende 10 opeenvolgende belastbare tijdperken of tot het belastbare tijdperk waarin de verkrijgen is overleden wanneer die gebeurtenis plaatsvindt voor het verstrijken van die periode van 10 belastbare tijdperken;
b) wanneer die omzettingsrente overeenkomstig dezelfde bepalingen minder dan 5 % bedraagt, gedurende 13 opeenvolgende belastbare tijdperken of tot het belastbare tijdperk waarin de verkrijgen is overleden wanneer die gebeurtenis plaatsvindt voor het verstrijken van die periode van 13 belastbare tijdperken.
Onderafdeling II. - Afzonderlijke aanslagen
| 9. | Art. 171 |
In afwijking van de artikelen 130 tot 168, zijn afzonderlijk belastbaar, behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting betreffende de andere inkomsten, meer bedraagt dan die welke zou voortvloeien uit de toepassing van de evenvermelde artikelen op het geheel van de belastbare inkomsten:
1° tegen een aanslagvoet van 33 %:
a) tot c) ...
d) afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten vermeld in 2°, b, indien anders dan in 4°, f, vereffend;
e) kapitalen als vermeld in 2°, c, indien anders dan in 4°, g, vereffend;
f) afkoopwaarden als vermeld in 2°, d, indien anders vereffend;
g) spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in 2°, e, indien anders uitgekeerd;
2° tegen een aanslagvoet van 10 %:
a) ...
b) kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in 4°, f, inzoverre dat zij door persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 145/1, 1°, zijn gevormd;
c) kapitalen als vermeld in 4°, g, in zoverre dat zij door persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 145/1, 1°, zijn gevormd;
d) kapitalen die worden vereffend bij overlijden van de verzekerde en afkoopwaarden die worden vereffend in één der 5 jaren die aan het normaal verstrijken van het contract voorafgaan, en voor zover die kapitalen en afkoopwaarden worden uitgekeerd uit hoofde van levensverzekeringscontracten als vermeld in artikel 145/1, 2°, en tot het bedrag dat niet dient voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening;
e) de in het kader van het pensioensparen door middel van betalingen als vermeld in artikel 145/1, 5°, gevormde spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden, wanneer zij aan de rechthebbende worden uitgekeerd naar aanleiding van zijn pensionering op de normale datum of in één van de 5 jaren die aan die datum voorafgaan, naar aanleiding van zijn brugpensionering of naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is.
2°bis ...
3°...
4° tegen een aanslagvoet van 16,5 %:
a) tot e) ...
f) niet volgens artikel 169, § 1, belastbare kapitalen van levensverzekeringscontracten die worden vereffend bij het normale verstrijken van het contract of bij het overlijden van de verzekerde, alsmede de afkoopwaarden van die contracten wanneer zij vereffend worden, naar aanleiding van de pensionering of brugpensionering van de verzekerde, in een der 5 jaren voor het normaal verstrijken van het contract of op de normale leeftijd waarop de verkrijgen zijn beroepswerkzaamheid uit hoofde waarvan het kapitaal is gevormd, volledig en definitief stopzet en in zoverre die kapitalen en afkoopwaarden door werkgeversbijdragen als vermeld in artikel 52, 3°, b, zijn gevormd;
fbis) ...;
g) andere kapitalen geldend als renten of pensioenen, wanneer zij aan de rechthebbende worden uitgekeerd ten vroegste naar aanleiding van zijn pensionering op de normale datum of in één van de 5 jaren die aan die datum voorafgaan, naar aanleiding van zijn brugpensionering, naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is of op de normale leeftijd waarop de verkrijgen zijn beroepswerkzaamheid uit hoofde waarvan het kapitaal is gevormd, volledig en definitief stopzet en in zoverre die kapitalen door werkgeversbijdragen als vermeld in artikel 52, 3°, b, zijn gevormd;
h) en i) ...;
5° en 6° ...
| 10. | Art. 172 |
Om het belastbare bedrag van de in artikel 171 vermelde inkomsten te bepalen, worden de artikelen 104 tot 116 niet toegepast.
Om te bepalen of de in artikel 90, 8°, b, vermelde meerwaarden belastbaar zijn tegen de aanslagvoet van 33 % of van 16,5 % wordt de verkrijging van het goed door de schenker in aanmerking genomen.
| 11. | Art. 174 |
Behoudens in geval van overlijden vinden de bepalingen van artikel 171, 2°, e, slechts toepassing op voorwaarde dat :
1° de in artikel 145/9, eerste lid, 1°, b, bepaalde minimumlooptijd van 10 jaar verstreken is;
2° de belastingplichtige gedurende ten minste 5 belastbare tijdperken stortingen heeft verricht op een collectieve of op een individuele spaarrekening of als premie van een spaarverzekering;
| 3° | elke storting gedurende ten minste 5 jaar belegd is gebleven. |
...
TITEL X
OVERGANGSBEPALINGEN
| 12. | Art. 515bis |
Artikel 31, derde lid, zoals het bestond alvorens door artikel 74 van de wet van 28 december 1992 te zijn gewijzigd, blijft van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde bezoldigingen hun oorsprong vinden in de overdracht van aandelen waarvan het betaalde bedrag voorheen van de beroepsinkomsten is afgetrokken.
Artikel 34, § 1, 2°, zoals het bestond alvorens door artikel 75, 1°, van de wet van 28 december 1992 te zijn gewijzigd, blijft van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde pensioenen, renten, kapitalen en afkoopwaarden geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van persoonlijke bijdragen van aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood als vermeld in artikel 52, 9°, voordat het door artikel 78 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven, en in artikel 81, 1° en 2°, voordat het door artikel 80, van voormelde wet werd opgeheven.
Artikel 34, § 1, 3° en § 3, eerste lid, zoals het bestond voordat het door artikel 75, 2° en 3°, van de wet van 28 december 1992 werd gewijzigd, blijven van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde inkomsten geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van bedragen als vermeld in de artikelen 104, eerste lid, 10° en 117, voordat deze artikelen respectievelijk door de artikelen 81, 2°, en 85 van de wet van 28 december 1992 zijn opgeheven.
Artikel 169, zoals het bestond voordat het door artikel 88 van de wet van 28 december 1992 werd gewijzigd, blijft van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde kapitalen en afkoopwaarden geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood als vermeld in artikel 52, 9°, voordat het door artikel 78 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven, of in uitvoering van levensverzekeringscontracten als vermeld in artikel 81, 1° en 2°, voordat het door artikel 80 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven.
Artikel 171, zoals het bestond voordat het door artikel 89 van de wet van 28 december 1992 werd gewijzigd, blijft van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood als vermeld in artikel 52, 9°, voordat het door artikel 78 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven, of in uitvoering van levensverzekeringscontracten als vermeld in artikel 81, 1°, voordat het door artikel 80 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven, of betalingen als vermeld, in de artikelen 104, eerste lid, 10° en 117, voordat deze artikelen respectievelijk door de artikelen 81, 2°, en 85 van de wet van 28 december 1992 zijn opgeheven.
In afwijking van het tweede tot het vijfde lid, zijn vrijgesteld de kapitalen en de afkoopwaarden die worden uitgekeerd uit hoofde van levensverzekeringscontracten gevormd door middel van bijdragen als vermeld in artikel 81, 1°, voordat het door artikel 80 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven of gevormd in het kader van het pensioensparen door middel van betalingen als vermeld in artikel 104, eerste lid, 10°, voordat het door artikel 81, 2°, van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven, indien en in zoverre zij het voorwerp zijn geweest van een taks op het lange termijnsparen zoals bepaald in titel XIII van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen of in artikel 119 van de wet van 28 december 1992.
II. INLEIDING
| 13. | Deze circulaire heeft tot doel: |
- enerzijds, te wijzen op een aantal vormwijzigingen die zijn aangebracht aan het WIB 92 inzonderheid ingevolge de omvorming van het stelsel van aftrek "inkomen van inkomen", waarbij het fiscale voordeel hoger wordt naarmate het inkomen stijgt, in een stelsel van belastingverminderingen (art. 88, 90 en 91, W 28.12.1992);
- en anderzijds, de wijzigingen te bespreken die zijn aangebracht aan het belastingstelsel dat van toepassing is op de in het kader van het lange termijnsparen uitgekeerde kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden die zijn gevormd door sommen die niet langer aanleiding hebben gegeven tot een aftrek maar tot een belastingvermindering (art. 89, W 28.12.1992).
| 14. | Ter zake wordt er ook aandacht besteed aan: |
- de indirecte taks op het lange termijnsparen die vanaf 1.1.1993 van toepassing is op sommige kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden;
- de continuïteit in de belastbaarheid van de in het kader van het lange termijnsparen uitgekeerde kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden die zijn gevormd door sommen die tot een aftrek van het inkomen aanleiding hebben gegeven (art. 98, 4de tot 6de lid, W 28.12.1992);
- een aantal overgangsbepalingen (art. 103 tot 105, W 28.12.1992).
III. VORMWIJZIGINGEN
| A. | omzetting van sommige kapitalen en afkoopwaarden in lijfrente |
15. Art. 88, W 28.12.1992, heeft art. 169, § 1, WIB 92 (omzetting van sommige kapitalen en afkoopwaarden in lijfrente), zoals gewijzigd door art. 14, W 28.7.1992 (zie circ. 10.6.1993, Ci.D.19/444.905, 14e aflevering, fiscale en financiële bepalingen 1992 Bull. 729, blz. 1824), aangepast zodat voor de aanduiding van sommige kapitalen en afkoopwaarden die onder de vorm van een fictieve omzettingsrente belastbaar zijn, wordt verwezen naar het stelsel van de belastingverminderingen dat van toepassing is op de bijdragen waarmee die kapitalen en afkoopwaarden zijn gevormd.
| 16. | Het betreft: |
A) kapitalen en afkoopwaarden die voortkomen van individuele levensverzekeringscontracten als vermeld in art. 145/1, 2°, WIB 92, tot het bedrag dat dient voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening; m.a.w. kapitalen en afkoopwaarden van individueel gesloten verzekeringscontracten tegen ouderdom en vroegtijdige dood, waarvan de bijdragen door de belastingplichtige definitief in België zijn betaald voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden en in zoverre die kapitalen en afkoopwaarden hebben gediend voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening;
b) kapitalen en afkoopwaarden die voortkomen van levensverzekeringscontracten als vermeld in de art. 145/1, 3°, en 145/17, 1° en 2°, WIB 92 (het betreft voornamelijk kapitalen die zijn gestort ter uitvoering van gemengde levensverzekeringscontracten of van zogenaamde "schuldsaldoverzekeringen" die zijn aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen);
c) de eerste schijf van 2.000.000 F (te indexeren) van het kapitaal of van de afkoopwaarde van groepsverzekeringscontracten in de zin van de art. 52, 3°, b, en 145/1, 1°, WIB 92, waarop voorschotten zijn opgenomen of die als waarborg van een hypothecaire lening hebben gediend, voor zover die voorschotten verleend of die leningen gesloten zijn voor het bouwen, het verwerven of het verbouwen van een in België gelegen eerste woning die uitsluitend bestemd is voor het persoonlijk gebruik van de leningnemer en zijn gezinsleden en indien, bij leven van de verzekerde, de voorschotten op contracten of de vestiging van de hypotheek ten minste tien jaar vóór het verstrijken van het contract hebben plaatsgevonden.
De wijzigingen onder a) en b) treden in werking met ingang van het aj. 1993. De wijziging onder c) (kapitalen en afkoopwaarden van sommige groepsverzekeringscontracten) treedt in werking met ingang van het aj. 1994.
17. Om de continuïteit te verzekeren van de belastbaarheid van de hierboven bedoelde kapitalen en afkoopwaarden, die zijn gevormd door sommen die tot een aftrek van het inkomen aanleiding hebben gegeven, heeft art. 98, W 28.12.1992, een art. 515bis ingevoegd dat in zijn 4de lid art. 169, zoals het bestond alvorens door art. 88, W 28.12.1992, te zijn gewijzigd, bij voortduur van toepassing maakt op eerstgenoemde kapitalen en afkoopwaarden.
18. Uit de samenlezing van art. 169, WIB 92, zoals gewijzigd door art. 88, W 28.12.1992, en art. 515bis, 4de lid, WIB 92, zoals ingevoegd door art. 98, W 28.12.1992, volgt dan ook dat voortaan onder de vorm van een fictieve omzettingsrente belastbaar zijn, de kapitalen die worden vereffend bij het normaal verstrijken van het contract of bij het overlijden van de verzekerde en de afkoopwaarden die worden vereffend in één der vijf jaren die aan het normaal verstrijken van het contract voorafgaan en die voortkomen van:
a) individuele levensverzekeringscontracten als vermeld in art, 145/1, 2°, WIB 92, tot het bedrag dat dient voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening en die zijn gevormd met bedragen die van het totale beroepsinkomen zijn afgetrokken of die tot een belastingvermindering aanleiding hebben gegeven;
b) levensverzekeringscontracten als vermeld in de art. 145/1, 3° en 145/17, 1° of 2°, WIB 92, en die zijn gevormd met premies die van het totale beroepsinkomen zijn afgetrokken of die tot een belastingvermindering aanleiding hebben gegeven;
c) van groepsverzekeringscontracten in de zin van de art. 52, 3°, b, en 145/1, 1°, WIB 92, die het voorwerp hebben uitgemaakt van voorschotten op contracten of die als waarborg hebben gediend van een hypothecaire lening voor zover:
- die voorschotten werden verleend of die leningen werden gesloten voor het bouwen, het verwerven of het verbouwen van een in België gelegen eerste woning die uitsluitend bestemd is voor het persoonlijk gebruik van de leningnemer en van de personen die van zijn gezin deel uitmaken;
- bij leven van de verzekerde, de voorschotten op contracten of de vestiging van de hypotheek ten minste tien jaar vóór het verstrijken van het contract hebben plaatsgevonden.
Wat de onder c) bedoelde groepsverzekeringscontracten betreft, is de omzetting in een fictieve rente nochtans slechts van toepassing op de schijf van de kapitalen of van de afkoopwaarden die overeenstemt met het bedrag van het (de) voorschot(ten) of van de hypothecaire waarborg(en) dit bedrag wordt, in voorkomend geval, beperkt tot een absoluut maximum van 2.000.000 F (dat maximumbedrag wordt geïndexeerd overeenkomstig art. 178, WIB 92).
Er wordt aan herinnerd dat de belastbaarheid van de onder c) bedoelde kapitalen en afkoopwaarden geenszins afhankelijk is van enigerlei premieaftrek of belastingvermindering.
| 19. | Blijven eveneens belastbaar in de vorm van een omzettingsrente: |
- de kapitalen die worden vereffend bij het normaal verstrijken van het contract of bij het overlijden van de verzekerde en de afkoopwaarden die worden vereffend in één der vijf jaren die aan het normaal verstrijken van het contract voorafgaan en die voortkomen van het wettelijk aanvullend pensioenstelsel bedoeld in art. 52bis, KB nr 72, 10.11.1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen;
- de vergoedingen in kapitaal die de aard hebben van vergoedingen die het gehele of gedeeltelijke herstel van een bestendige derving van beroepsinkomsten uitmaken.
B. Vaststelling van het belastbaar bedrag van de inkomsten die afzonderlijk belastbaar zijn
20. Art. 90, W 28.12.1992, heeft art. 172, 1ste lid, WIB 92, gewijzigd zodat voor de vaststelling van het belastbaar bedrag van de in art. 171, WIB 92, vermelde afzonderlijk belastbare inkomsten nog enkel wordt verwezen naar de art. 104 tot 116, WIB 92 (aftrekbare bestedingen).
De art. 81 tot 85 en 117 tot 125, WIB 92, die betrekking hadden op de aftrekken van het totale beroepsinkomen, en op de voorwaarden, beperkingen en wijze van aftrek van de sommen besteed aan het pensioensparen, werden immers opgeheven door de art. 80 en 85, W 28.12.1992 (zie nrs 13, 14, 18 en 19 van circ. 24.12.1993, Ci.RH.243/450.511 - Bull. 735, blz. 319).
Deze wijziging treedt in werking met ingang van het aj. 1993.
C. Voorwaarden voor afzonderlijke taxatie van in het kader van het pensioensparen gevormde kapitalen en afkoopwaarden
21. Art. 91, 1° en 2°, 28.12.1992, heeft art. 174, 1ste lid, WIB 92, betreffende de voorwaarden omtrent de looptijd en de stortingen waaronder de in het kader van het pensioensparen gevormde kapitalen en spaartegoeden afzonderlijk belastbaar zijn tegen 10 % of 16,5 % (zie ook nr. 37) in overeenstemming gebracht met het WIB 92 zoals het is gewijzigd door de W 28.12.1992, door:
- in de inleidende zin van het 1ste lid van art. 174 de verwijzing naar art. 171, 4°, i, WIB 92 (afzonderlijke taxatie tegen 16,5 % van de in het kader van het pensioensparen gevormde kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden), dat is opgeheven door art. 89, 6°, W 28.12.1992 (zie ook nr. 46), te vervangen door een verwijzing naar het door art. 89, 2°, W 28.12.1992 ingevoegde art 171, 2°, e, WIB 92 (afzonderlijke taxatie tegen 10 % van de in het kader van het pensioensparen gevormde kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden);
- in het 1ste lid van art. 174, WIB 92, de verwijzing naar art. 118, 1ste lid, 1°, b, WIB 92, te vervangen door een verwijzing naar art. 145/9, 1ste lid, 1°, b, WIB 92 (minimumlooptijd van 10 jaar).
| D. | Anti-misbruikbepaling |
22. Tal van verkrijgers van pensioenkapitalen (groepsverzekering, pensioenfonds, pensioensparen) onttrokken zich aan de belasting door naar bepaalde landen (o.m. Frankrijk) uit te wijken alvorens hun kapitaal op te trekken.
De in art. 174, 2de lid, WIB 92, ingeschreven maatregel om daar tegen in te gaan was onvolledig en stond bovendien niet op zijn plaats.
Om dit te verhelpen is door art. 93, W 28.12.1992, een nieuwe maatregel ingevoegd (art. 364bis, WIB 92) die in een afzonderlijke circulaire zal worden besproken.
Correlatief met de voornoemde invoeging heeft art. 91, 3°, W 28.12.1992, art. 174, 2de lid, WIB 92, dat nu geen reden van bestaan meer heeft, met ingang van 1.1.1993 opgeheven.
IV. BELASTINGSTELSEL VAN TOEPASSING OP KAPITALEN, AFKOOPWAARDEN EN SPAARTEGOEDEN DIE IN HET KADER VAN HET LANGE TERMIJNSPAREN ZIJN GEVORMD
Draagwijdte
23. De W 28.12.1992 heeft het belastingstelsel van de opbrengsten uit het lange termijnsparen ingrijpend gewijzigd,
a) enerzijds, door de invoering van een lagere eindbelasting van de uitkeringen in het kader van het lange termijnsparen die zijn gevormd door middel van sommen waarvoor een belastingvermindering i.p.v. een aftrek is verleend, namelijk 10 % i.p.v. 16,5 % en 33 % i.p.v. het progressief tarief (art. 89, W 28.12.1992), en
b) anderzijds, door de invoering van een indirecte taks op het lange termijnsparen van 10, 16,5 of 33 % die met ingang van 1.1.1993 behoudens voor verzekeringscontracten die uitsluitend voordelen bij overlijden bedingen en voor levensverzekeringscontracten in de mate dat zij dienen voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening normaliter verschuldigd is op het tijdstip dat de verzekeringnemer of de pensioenspaarder de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, zelfs wanneer er geen uitkering is.
Opmerkingen
1. De aandacht wordt erop gevestigd dat de bijlagen 1, 2 en 3 een schematisch overzicht geven van de belastingstelsels die respectievelijk van toepassing zijn op de uitkeringen inzake:
a) groepsverzekeringen en pensioenfondsen (bijlage 1 toepassing van de art. 169, § 1, 2de lid, en § 2, 171, 1°, d en e, 2°, b en c, 4°, f en g, en 515bis, 4de tot 6de lid, WIB 92);
b) individuele levensverzekeringen (bijlage 2 toepassing van de art. 169 en 171, 1°, f, en 2°, d, en 515bis, 4de tot 6de lid, WIB 92, en van art. 104, W 28.12.1992);
c) pensioensparen (bijlage 3 toepassing van de art. 171, 1°, g, en 2°, e, en 515bis, 5de en 6de lid, WIB 92, en van art. 104, W 28.12.1992).
2. Hierna wordt het belastingstelsel besproken van de uitkeringen in het kader van het lange termijnsparen die zijn gevormd door middel van sommen waarvoor een belastingvermindering is verleend. Het spreekt evenwel vanzelf dat de belastbaarheid van voordelen uit individuele levensverzekeringen of pensioensparen behouden blijft wanneer ze voortkomen van premies of stortingen waarvan er minstens één van de belastbare inkomsten is afgetrokken (of tot belastingvermindering aanleiding heeft gegeven).
3. Alhoewel de wettelijke bepalingen aangaande die indirecte taks (art. 117 en 119, W 28.12.1992) in het Wetboek van de met het zegel gelijkgestelde taksen zijn opgenomen en de richtlijnen terzake bijgevolg door de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen zullen worden uiteengezet, moet die indirecte taks, in de mate dat hij de personenbelasting vervangt, ook hierna worden besproken. De uitkeringen van de sommen (pensioenen, renten, kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden) die in het kader van het lange termijnsparen zijn gevormd, zijn overeenkomstig de art. 39, 4°, en 515bis, 6de lid, WIB 92, immers van personenbelasting vrijgesteld, indien en in zoverre zij het voorwerp zijn geweest van de voormelde indirecte taks.
A. Kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden die belastbaar zijn tegen 10 % (art. 171, 2°, b tot e, WIB 92)
24. Vóór de W 28.12.1992 werden de hierna volgende kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden belast tegen 16,5 % indien ze werden uitgekeerd op een in de wet bepaald ogenblik.
Art. 89, 2°, W 28.12.1992, verlaagt het tarief tot 10 % mits bepaalde voorwaarden omtrent het tijdstip van verkrijging (deze voorwaarden zijn in beginsel dezelfde gebleven als vóór de W 28.12.1992), de looptijd en de stortingen waarmee ze zijn gevormd, vervuld zijn.
1. Kapitalen en afkoopwaarden van groepsverzekeringscontracten (art. 171, 2°, b, WIB 92)
Voorwaarden
25. a) betreffende het tijdstip van verkrijging (Zie nrs. 171/104 tot 132, Com.IB 92)
- wanneer de kapitalen aan de rechthebbende worden uitgekeerd bij het normaal verstrijken van het contract of bij het overlijden van de verzekerde;
- wanneer de afkoopwaarden aan de rechthebbende worden uitgekeerd:
- ofwel naar aanleiding van zijn pensionering of brugpensionering;
- ofwel in een van de 5 jaren vóór het normaal verstrijken van het contract,
- ofwel op de normale leeftijd waarop hij zijn beroepswerkzaamheid uit hoofde waarvan het kapitaal is gevormd, volledig en definitief stopzet;
| 26. | b) in verband met de stortingen |
In zoverre die kapitalen en afkoopwaarden zijn gevormd door persoonlijke bijdragen die onder het nieuwe stelsel van belastingvermindering (art. 145/1, 1°, WIB 92) vallen, m.a.w. kapitalen en afkoopwaarden die zijn gevormd door persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood die door de werkgever op de bezoldigingen zijn ingehouden (in casu voor groepsverzekering) en die vanaf het aj. 1994 aanleiding geven tot een belastingvermindering.
Inwerkingtreding
27. Deze nieuwe bepaling treedt in werking met ingang van het aj. 1994, en is m.a.w. dus van toepassing op kapitalen en afkoopwaarden die vanaf 1.1.1993 zijn betaald of toegekend en in zoverre zij zijn gevormd door bijdragen die vanaf 1.1.1993 zijn betaald.
2. Andere kapitalen geldend als renten of pensioenen (inzonderheid worden bedoeld de éénmalige vergoedingen in kapitaal van pensioenfondsen) (art. 171, 2°, c, WIB 92):
Voorwaarden
28. a) betreffende het tijdstip van verkrijging (Zie nrs. 171/57 en 159 tot 185, Com.IB 92)
Wanneer zij aan de rechthebbende worden uitgekeerd ten vroegste:
- ofwel naar aanleiding van zijn pensionering op de normale datum of in één van de 5 jaren die aan die datum voorafgaan;
- ofwel naar aanleiding van zijn brugpensionering;
- ofwel naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is;
- ofwel op de normale datum waarop hij zijn beroepswerkzaamheid uit hoofde waarvan het kapitaal is gevormd, volledig en definitief stopzet.
| 29. | b) in verband met de stortingen |
In zoverre die kapitalen zijn gevormd door persoonlijke bijdragen die onder het nieuwe stelsel van belastingvermindering vallen (art. 145/1, 1°, WIB 92) - zie ook nr 26, in casu betreft het persoonlijke bijdragen voor pensioenfonds.
| 30. | Inwerkingtreding |
Idem als onder nr 27.
3. Kapitalen en afkoopwaarden van individuele levensverzekeringscontracten (art. 171, 2°, d, WIB 92):
Voorwaarden
| 31. | a) betreffende het tijdstip van verkrijging: |
- wanneer de kapitalen worden vereffend bij het overlijden van de verzekerde;
- wanneer de afkoopwaarden worden vereffend in de loop van één der vijf jaren die het normaal verstrijken van het contract voorafgaan;
| 32 | b) betreffende de aanwending: |
indien, en in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde niet heeft gediend voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening. Ter zake is bedoeld, het gedeelte (of eventueel het totale bedrag) van het kapitaal of de afkoopwaarde dat daadwerkelijk aan de belastingplichtige is gestort, met uitsluiting dus van de sommen die aan de uitlener of de leningsinstelling worden doorgestort, m.a.w. het gedeelte (of eventueel het totale bedrag) van het kapitaal of de afkoopwaarde dat heeft gediend voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening en dat mits vereffening op hetzelfde tijdstip als bedoeld in nr 31, onder de vorm van een fictieve omzettingsrente belastbaar is (zie nr 16).
| 33. | c) in verband met de stortingen: |
Voor zover die kapitalen en afkoopwaarden zijn gevormd door premies die het nieuwe stelsel van belastingvermindering hebben ondergaan (art. 145/1, 2°, WIB 92).
Opmerking
34. Art. 171, 2°, d, WIB 92 zoals ingevoegd door art. 89, 2°, W 28.12.1992, vervangt het met ingang van het aj. 1993 (zie evenwel nr 35) door art. 89, 4°, W 28.12.1992 opgeheven art. 171, 4°, fbis, WIB 92, dat werd ingevoegd door art. 15, 3°, W 28.7.1992, houdende fiscale en financiële bepalingen (betreffende de afzonderlijke taxatie aan 16,5 % van de sub 30 tot 32 hiervoor bedoelde kapitalen en afkoopwaarden die met ingang van 1.8.1992 werden vereffend).
Het belastingstelsel tegen een fictieve omzettingsrente gedurende een periode tot maximum 10 of 13 jaar, naargelang die omzettingsrente 5 % of minder bedraagt, van de kapitalen en afkoopwaarden van individuele levensverzekeringscontracten die:
- vóór 1.8.1992 zijn vereffend (art. 515, § 2, WIB 92, zoals ingevoegd door art. 40, W 28.7.1992, houdende fiscale en financiële bepalingen en gewijzigd door art. 97, W 28.12.1992 - cf. circ. 13.10.1993, nr. Ci.D.19/452.260 - Bull. 733, blz. 3339);
- met ingang van 1.8.1992 zijn vereffend, voor het gedeelte dat dient voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening,
is reeds besproken in de voormelde circ. 10.6.1993, Ci.D.19/444.905, 14e aflevering, houdende fiscale en financiële bepalingen 1992. Dit belastingstelsel werd door de W 28.12.1992 niet gewijzigd (zie ook nrs 171/134 tot 136, Com.IB 92).
Inwerkingtreding
35. Deze nieuwe bepalingen (art. 89, 2°, d, en 4°, W 28.12.1992) treden in beginsel in werking met ingang van het aj. 1993 (art. 101, W 28.12.1992), en zijn dus in principe van toepassing op de vanaf het belastbaar tijdperk 1992 gedane uitkeringen.
Uit de overgangsbepaling van art. 104, W 28.12.1992, blijkt evenwel dat de afzonderlijke taxatie aan 16,5 % (i.p.v. aan 10 %) behouden blijft voor de kapitalen en afkoopwaarden van individuele levensverzekeringscontracten:
- die in 1992 (aj. 1993) zijn vereffend;
- of die in 1993 of later zijn vereffend, in zoverre ze zijn gevormd door middel van premies die in 1992 zijn gestort.
4. Spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden betaald in het kader van het pensioensparen (art. 171, 2°, e, WIB 92):
Voorwaarden
| 36. | a) betreffende het tijdstip van verkrijging |
Wanneer zij aan de rechthebbende worden uitgekeerd:
- ofwel naar aanleiding van zijn pensionering op de normale datum of in één van de 5 jaren die aan die datum voorafgaan;
- ofwel naar aanleiding van zijn brugpensionering;
- ofwel naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is.
Ter zake moet worden opgemerkt dat de eventualiteit "ofwel ten vroegste op de leeftijd van 65 jaar" zoals die van toepassing was vóór de inwerkingtreding van de W 28.12.1992 niet meer in aanmerking wordt genomen, aangezien de indirecte taks reeds op of vóór die leeftijd is toegepast (zie nr 57).
| 37. | b) in verband met de looptijd en de stortingen: |
Indien de spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden zijn gevormd door middel van stortingen die in het nieuwe stelsel aanleiding hebben gegeven tot een belastingvermindering (art. 145/1, 5°, WIB 92).
Voorts is overeenkomstig art. 174, WIB 92, zoals gewijzigd door art. 91, W 28.12.1992 (zie nr 21 ), vereist dat:
- de minimumlooptijd van 10 jaar voor de collectieve of individuele spaarrekening of de spaarverzekering verstreken is;
- gedurende ten minste 5 verschillende al dan niet opeenvolgende belastbare tijdperken stortingen zijn verricht op een collectieve of individuele spaarrekening of als premie van een spaarverzekering (Voor een belastingplichtige die in 1932 of later geboren is, is deze verplichting opgeheven voor de individuele of collectieve spaarrekeningen die zijn geopend en de spaarverzekeringen die zijn aangegaan vóór 4 augustus 1992 (cf. circ. 9.12.1993, Ci.RH.861/452.215 - Bull. 735, blz. 306));
- elke storting gedurende ten minste 5 jaar belegd is gebleven.
Aan deze laatste drie voorwaarden moet niet voldaan zijn in geval van uitkering bij overlijden van de spaarder.
Overgangsmaatregel voor personen die op 31.12.1986 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt
| 38. | a) Algemeen |
Voor personen die op 31.12.1986 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt, worden door de art. 103 en 105, W 28.12.1992, afwijkingen ingevoerd op de voorwaarden enerzijds voor de toepassing van een belastingvermindering op de betalingen en anderzijds voor de afzonderlijke taxatie aan 10 % van de uitkeringen in het kader van het pensioensparen.
| b) | Voorwaarden voor de toepassing van een belastingvermindering |
Voor de sub a) bedoelde personen wordt de voorwaarde van art. 145/9, 1°, b, WIB 92, dat de spaarrekening moet geopend zijn of de spaarverzekering moet aangegaan zijn voor een minimumlooptijd van 10 jaar opdat de betalingen voor belastingvermindering in aanmerking kunnen komen door art. 103, W 28.12.1992, teruggebracht tot een minimumlooptijd van 5 jaar.
| c) | Voorwaarden voor de afzonderlijke taxatie aan 10 % |
Voor dezelfde sub a) bedoelde personen is de afzonderlijke taxatie aan 10 % afhankelijk van de enige voorwaarde dat op het tijdstip van de uitkering de looptijd van 5 jaar verstreken moet zijn, m.a.w. de drie in nr. 37 opgesomde voorwaarden zijn hier niet van toepassing.
Deze door art. 105, W 28.12.1992, ingevoerde overgangsmaatregel bestond reeds vóór de inwerkingtreding van de W 28.12.1992 voor de kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden die in het kader van het pensioensparen werden gevormd door betalingen die van het totale netto-inkomen aftrekbaar waren (minimumlooptijd van 5 jaar voor personen die vóór 1.1.1932 geboren zijn cf. art. 9, § 4, KB 22.12.1986 en nr 141 van circ. 19.4.1988, Ci.RH.26/389.287 - Bull. 673, blz. 948) en geldt dus thans ook voor de kapitalen, enz. die zijn gevormd door betalingen die het stelsel van belastingvermindering hebben ondergaan.
Inwerkingtreding
39. Deze nieuwe bepalingen (art. 89, 2°, e, W 28.12.1992) treden in beginsel in werking met ingang van het aj. 1993 (art. 101, W 28.12.1992), en zijn dus in principe van toepassing op de vanaf het belastbaar tijdperk 1992 gedane uitkeringen.
Uit de overgangsbepaling van art. 104, W 28.12.1992, blijkt evenwel dat de afzonderlijke taxatie aan 16,5 % (i.p.v. aan 10 %) behouden blijft voor de in het kader van het pensioensparen gevormde spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden:
- die in 1992 (aj. 1993) zijn vereffend;
- of die in 1993 of later zijn vereffend, in zoverre ze zijn gevormd door middel van premies of betalingen die in 1992 zijn gestort of gedaan, (zie ook nr 35).
B. Kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden die belastbaar zijn tegen 16,5 % (art. 171, 4°, f en g, en art. 515bis, 5de lid, WIB 92)
Principes
40. De wijzigingen die door art. 89, 3°, en 5°, W 28.12.1992, aan art. 171, 4°, f en g, WIB 92, werden aangebracht, strekken ertoe de sub A, 1, en A, 2, (zie nrs 25 tot 30) bedoelde kapitalen en afkoopwaarden van groepsverzekeringen en extra-wettelijke pensioenkapitalen bij voortduur afzonderlijk tegen 16,5 % te belasten in de mate dat zij gevormd zijn met werkgeversbijdragen welke - in tegenstelling tot de persoonlijke bijdragen die voortaan het stelsel van belastingvermindering ondergaan - bij de werkgever nog steeds aanleiding geven tot een aftrek als beroepskost.
Vóór de inwerkingtreding van de W 28.12.1992 werd inzake de afzonderlijke taxatie van dergelijke kapitalen en afkoopwaarden geen onderscheid gemaakt naargelang zij met persoonlijke of werkgeversbijdragen werden gevormd.
Afzonderlijk belastbaar tegen 16,5 % zijn dus:
| 41. | 1. de kapitalen en afkoopwaarden van groepsverzekeringscontracten: |
- die worden vereffend op één der in de sub A, 1, a, bepaalde tijdstippen (zie nr 25);
- in zoverre die kapitalen en afkoopwaarden zijn gevormd door werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood (art. 52, 3°, b, WIB 92);
| 42. | 2. andere kapitalen, geldend als renten of pensioenen: |
- die worden vereffend op één der in de sub A, 2, a, bepaalde tijdstippen (zie nr 28);
- in zoverre die kapitalen zijn gevormd door werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood (art. 52, 3°, b, WIB 92) (De bij art. 89, 5°, W 28.12.1992, in art. 171, 4°, g, WIB 92, ingevoegde voorwaarde (afzonderlijke aanslag tegen 16,5 % in zoverre die kapitalen door werkgeversbijdragen als vermeld in art. 52, 3°, b, WIB 92, zijn gevormd) is ondertussen opgeheven en vervangen door de voorwaarde dat dit tarief slechts toepasselijk is voor zover die kapitalen niet zijn gevormd door persoonlijke bijdragen als vermeld in art. 145/1, 1°, WIB 92, (zie circ. 25.8.1995, Ci.RH.332/473.389 betreffende de commentaar op art. 24, 2°, W 6.7.1994, houdende fiscale bepalingen)).
Overgangsbepaling
43. Om de continuïteit te verzekeren van de belastbaarheid van de hierboven bedoelde kapitalen en afkoopwaarden (zie nrs 41 en 42), alsmede van de spaartegoeden die zijn gevormd met persoonlijke bijdragen, premies of betalingen die de aftrek "inkomen van inkomen" hebben genoten, heeft art. 98, W 28.12.1992 een art. 515bis, WIB 92, ingevoegd dat in zijn 5de lid art. 171, zoals dat bestond alvorens door art, 89, W 28.12,1992 te zijn gewijzigd, bij voortduur van toepassing maakt op eerstgenoemde kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden.
44. Concreet zijn hier bedoeld de in het kader van het lange termijnsparen uitgekeerde kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden die:
- op de sub A, 1, a, A, 2, a, A, 3, a en A, 4, a, hierboven (zie nrs 25, 28, 31 en 36) bedoelde tijdstippen worden vereffend;
- in zoverre ze zijn gevormd door middel van sommen die vóór de inwerkingtreding van de W 28.12.1992 bij het bepalen van de belastbare grondslag in verschillende stadia van de belastbare inkomsten aftrekbaar waren zoals:
45.
- de kapitalen en afkoopwaarden van groepsverzekeringscontracten en de andere pensioenkapitalen, in zoverre ze zij n gevormd niet persoonlijke bijdragen van aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood die als beroepskosten of van het totale beroepsinkomen aftrekbaar waren;
- de kapitalen en afkoopwaarden van individuele levensverzekeringscontracten, in zoverre ze zijn gevormd door van het totale beroepsinkomen aftrekbare bijdragen;
- de in het kader van het pensioensparen uitgekeerde spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden, in zoverre ze zijn gevormd door van het totale netto-inkomen aftrekbare stortingen.
Opmerking
46. Het (oud) art. 171, 4°, i, WIB 92, dat vóór de inwerkingtreding van de W 28.12.1992 de afzonderlijke aanslag tegen 16,5 % regelde van de in het kader van het pensioensparen gevormde voordelen die op welbepaalde tijdstippen werden uitgekeerd, is ingevolge art. 171, 2°, e, en 515bis, 5de lid, WIB 92, zoals respectievelijk vervangen door art. 89, 2°, W 28.12.1992 en ingevoegd door art. 98, W 28.12.1992, overbodig geworden en is derhalve door art. 89, 6°, W 28.12.1992 opgeheven.
Inwerkingtreding
47. De bepalingen van art. 89, 3° en 5°, W 28.12.1992 treden in werking met ingang van het aj. 1994, en zijn dus van toepassing op de vanaf 1.1.1993 uitgekeerde kapitalen in zoverre zij door werkgeversbijdragen (zie nr 41) of niet door persoonlijke bijdragen (zie nr 42) zijn gevormd.
Art. 515bis, WIB 92, treedt in beginsel in werking met ingang van het aj. 1993 en maakt het vroegere belastingstelsel (afzonderlijke aanslag tegen 16,5 %) van toepassing op de uitkeringen of gedeelten ervan die gevormd zijn met premies die van het inkomen aftrekbaar waren, d.w.z.
- tot en met aj. 1992 wat de premies van individuele levensverzekeringen en pensioensparen betreft;
- tot en met aj. 1993 wat de bijdragen voor groepsverzekering en extra-wettelijke pensioenen betreft.
- Gelet op de overgangsbepaling van art. 104, W 28.12.1992 blijven de uitkeringen ter uitvoering van individuele levensverzekeringscontracten die zijn gevormd met vóór 1.1.1993 gestorte premies maar die vanaf 1.8.1992 zijn betaald of toegekend, en in de mate dat de levensverzekering niet dient voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening, belastbaar tegen 16,5 %.
Overzicht van de belastbaarheid tegen 16,5 %
48. In de praktijk zullen dus voortaan ingevolge W 28.12.1992 tegen 16,5 % belastbaar zijn:
- de kapitalen en afkoopwaarden van groepsverzekeringscontracten en de pensioenkapitalen of gedeelten ervan die zijn gevormd met werkgevers en met vóór 1.1.1993 gestorte persoonlijke bijdragen;
- de in het kader van het pensioensparen gekapitaliseerde uitkeringen of gedeelten ervan die zijn gevormd met vóór 1.1.1993 gedane stortingen;
- de uitkeringen ter uitvoering van individuele levensverzekeringscontracten die zijn gevormd met vóór 1.1.1993 gestorte premies maar die vanaf 1.8.1992 zijn betaald of toegekend, en in de mate dat de levensverzekering niet dient voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening.
De aandacht wordt erop gevestigd dat de uitkeringen van individuele levensverzekeringscontracten die vóór 1.8.1992 zijn betaald of toegekend of die zijn gevormd met vóór 1.1.1993 gestorte premies maar die vanaf 1.8.1992 zijn betaald of toegekend en in de mate dat de levensverzekering dient voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening, belastbaar blijven tegen een fictieve omzettingsrente (zie ook nr 34).
C. Kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden die belastbaar zijn tegen 33 % (art. 171, 1°, d tot g, WIB 92)
49. Krachtens art. 171, 1°, d tot g, WIB 92, zoals aangevuld door art. 89, 1°, W 28.12.1992, worden de sub A bedoelde kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden, in de mate dat zij gevormd zijn door sommen die het stelsel van de belastingverminderingen hebben genoten, afzonderlijk tegen het tarief van 33 % belast wanneer ze niet op de in hetzelfde art. 171, 2°, d of e, of 4°, f of g, bepaalde tijdstippen (m.a.w. voortijdig) worden uitgekeerd.
| 50. | Het betreft: |
1. de kapitalen en afkoopwaarden van groepsverzekeringen (art. 171, 1°, d, WIB 92) en de extra-wettelijke pensioenkapitalen (art. 171, 1°, e, WIB 92) die:
- zijn gevormd door persoonlijke bijdragen die het stelsel van belastingverminderingen hebben genoten, en
- anders zijn vereffend dan sub A, 1, (groepsverzekering, nr 25) en A, 2 (pensioenfonds, nr 28);
2. de in het kader van het pensioensparen (art. 171, 1°, g, WIB 92) en ter uitvoering van individuele levensverzekeringscontracten (art. 171, 1°, f, WIB 92) uitgekeerde kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden die:
- zijn gevormd met premies of stortingen waarvoor een belastingvermindering is verkregen, en
- anders zijn vereffend dan sub A, 3, (individuele levensverzekeringen, nr 31 ) en A, 4 (pensioensparen, nr 36).
Daarbij moet worden opgemerkt dat voor de toepassing van het tarief van 33 % op de afkoopwaarden (of gedeelten ervan) van individuele levensverzekeringen het zonder belang is of de levensverzekeringen wel of niet hebben gediend om een hypothecaire lening weder samen te stellen of te waarborgen (cf. PV nr 799 van 30.11.1993, Volksv. THISSEN, Bull. 738, blz. 1.146).
Inwerkingtreding
| 51. | De afzonderlijke aanslag tegen 33 % is van toepassing: |
- met ingang van het aj. 1994 op de sub C, 1, bedoelde uitkeringen (groepsverzekering, pensioenfonds) die zijn gevormd met vanaf 1.1.1993 gedane stortingen;
- met ingang van het aj. 1993 op de sub C, 2, bedoelde uitkeringen (al dan niet beleende individuele levensverzekeringen en pensioensparen) die zijn gevormd met vanaf 1.1.1992 betaalde premies of gedane stortingen.
D. Kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden die belastbaar zijn tegen het progressief tarief
52. Uit de samenlezing van art. 171, 1°, d tot g, WIB 92, zoals aangevuld door art. 89, 1°, W 28.12.1992 en art. 515bis, 5de lid, WIB 92, zoals ingevoegd door art. 98, W 28.12.1992, blijkt dat de volgende uitkeringen gezamenlijk belastbaar zijn tegen het progressief tarief:
1. de kapitalen en afkoopwaarden van groepsverzekeringscontracten en de extra-wettelijke pensioenkapitalen of gedeelten ervan die:
- zijn gevormd door werkgeversbijdragen of door persoonlijke bijdragen die als beroepskosten of van het totale beroepsinkomen zijn afgetrokken, en
- anders zijn vereffend dan sub A, 1, (groepsverzekering, nr. 25) en A, 2 (pensioenfonds nr. 28);
2. de in het kader van het pensioensparen en ter uitvoering van individuele levensverzekeringscontracten uitgekeerde kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden (of gedeelten ervan) die:
- zijn gevormd met premies of stortingen die ofwel van het totale beroepsinkomen (individuele levensverzekering), ofwel van het totale netto-inkomen (pensioensparen) zijn afgetrokken, en
- anders zijn vereffend dan sub A, 3, (individuele levensverzekering, nr. 31) of sub A, 4 (pensioensparen, nr. 36).
Dienaangaande is het zonder belang dat de kapitalen en afkoopwaarden van individuele levensverzekeringscontracten al dan niet hebben gediend voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening.
Inwerkingtreding
53. De gezamenlijke aanslag tegen het progressief tarief die voortvloeit uit art. 515bis, WIB 92, is van toepassing met ingang van het aj. 1993 en geldt in de praktijk voor:
- de sub D, 1, vermelde kapitalen en afkoopwaarden (groepsverzekering, pensioenfonds) voor zover ze zijn gevormd door werkgeversbijdragen en persoonlijke bijdragen die voor 1.1.1993 zijn betaald;
- de sub D, 2, vermelde kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden (individuele levensverzekering, pensioensparen) die zijn gevormd door vóór 1.1.1992 gedane stortingen en premies.
Opmerking
54. Alhoewel ze buiten het bestek van deze circulaire vallen, blijven de periodieke uitkeringen en renten die in het kader van het lange termijnsparen worden betaald of toegekend, net als vóór de inwerkingtreding van de W 28.12.1992, tegen het progressief tarief belastbaar.
V. DE INDIRECTE TAKS OP HET LANGE TERMIJNSPAREN
55. Zoals reeds aangehaald in nr 23, b), wordt overeenkomstig de art. 39, 4°, en 515bis, 6de lid, WIB 92, de inning van de directe belasting op sommige uitkeringen in het kader van het lange termijnsparen vervangen door een indirecte taks, die in principe wordt geheven op het ogenblik dat de belastingplichtige de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt.
Die anticipatieve heffing is definitief en vervangt elke andere heffing, met name de inkomstenbelastingen, bij de vereffening van het kapitaal (cf. Kamer, gewone zitting 1992-1993, Stuk 717/1, blz. 30).
Ter zake is het van belang de gevolgen van die indirecte taks voor de inkomstenbelastingen na te gaan. Hierna wordt dan ook uiteengezet welke uitkeringen of gedeelten ervan onderworpen zijn aan de indirecte taks en derhalve definitief ontsnappen aan de inkomstenbelastingen.
Bedoelde pensioenen
56. De indirecte taks wordt geheven op de kapitalen, afkoopwaarden, theoretische afkoopwaarden, spaartegoeden, pensioenen en renten van
- individuele levensverzekeringscontracten;
- pensioenspaarrekeningen (individuele of collectieve) en pensioenspaarverzekeringen.
Er wordt aangestipt dat de taks alleen verschuldigd is voor zover er minstens één premie of storting aanleiding heeft gegeven tot een vrijstelling, vermindering of aftrek inzake inkomstenbelastingen.
De taks op het lange termijnsparen is evenwel niet van toepassing op:
- verzekeringscontracten die uitsluitend voordelen bedingen bij overlijden;
- levensverzekeringscontracten in zoverre ze ertoe strekken de aflossing of de wedersamenstelling van een hypothecaire lening te waarborgen (beleende verzekeringscontracten).
De taks op het lange termijnsparen is definitief en heeft tot gevolg dat de uitkeringen van de inkomstenbelastingen zijn vrijgesteld, zelfs als ze voorkomen van premies en stortingen verricht na de toepassing van de taks op het lange termijnsparen.
Tot de taks op het lange termijnsparen aanleiding gevend feit
57. De taks op het lange termijnsparen is verschuldigd op het ogenblik dat de verzekeringsnemer of de pensioenspaarder de leeftijd van 60 jaar bereikt.
Voor personen die 60 jaar zijn geworden na 31.12.1992 en een levensverzekeringscontract hebben gesloten of een spaarrekening of spaarverzekering hebben geopend of aangegaan op de leeftijd van 55 jaar of ouder, is de taks op het lange termijnsparen niet op 60-jarige leeftijd van toepassing, maar op de datum van de tiende verjaardag van het afsluiten van het contract of het openen van de rekening, of bij de daadwerkelijke uitkering indien die plaats heeft vóór die tiende verjaardag en voor zover de betrokkene op dat tijdstip 60 jaar of ouder is.
De taks is, bij overgangsmaatregel, eveneens verschuldigd voor de verzekeringsnemer of de rekeninghouder die op 1.1.1993 meer dan 60 jaar oud is.
58. Uit het voorgaande volgt dat de volgende uitkeringen die in het kader van het lange termijnsparen worden betaald of toegekend uitdrukkelijk aan de indirecte taks ontsnappen en derhalve aan de inkomstenbelasting onderworpen blijven:
a) de periodieke uitkeringen, renten, kapitalen en afkoopwaarden die voortkomen van groepsverzekeringscontracten;
b) de periodieke uitkeringen, renten, kapitalen en afkoopwaarden die voortkomen van een extra-wettelijke voorzorgsregeling van verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood (pensioenfonds);
c) de periodieke uitkeringen, renten, kapitalen of spaartegoeden van levensverzekeringscontracten in de volgende eventualiteiten:
- wanneer die contracten uitsluitend voordelen bij overlijden bedingen;
- in de mate dat die contracten dienen voor de aflossing of de weder samenstelling van een hypothecaire lening (beleende verzekeringscontracten, zowel individuele levensverzekeringen als pensioenspaarverzekeringen);
- wanneer de vereffening plaats vindt vóór de leeftijd van 60 jaar (in voorkomend geval de verzekeringsleeftijd).
Opmerkingen
| 59. | 1. Gemengde levensverzekeringscontracten |
Er wordt aangestipt dat de periodieke uitkeringen, renten of kapitalen van gemengde levensverzekeringscontracten integraal onderworpen zijn aan de indirecte taks, zonder dat er op de leeftijd van 60 jaar een opsplitsing moet worden gemaakt tussen de uitkeringen bedongen bij leven of bij overlijden.
| 2. | Beleende contracten |
Of een contract al dan niet geheel of gedeeltelijk beleend is, moet worden beoordeeld op het ogenblik dat de taks op het lange termijnsparen verschuldigd is (60 jaar zie nrs 57 en 58).
Alleen het op dat tijdstip niet beleend contract of niet beleend gedeelte is aan de taks op het lange termijnsparen onderworpen en van de inkomstenbelastingen vrijgesteld.
Voor de contracten die nog zijn beleend wanneer de belastingplichtige de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, moeten de volgende fasen van belastbaarheid worden onderscheiden:
a) de belastingplichtige is 60 jaar en er heeft geen uitkering plaats op dat tijdstip: heffing van de taks op het lange termijnsparen op het gedeelte dat op dat tijdstip niet beleend is;
b) de uitkering gebeurt na de leeftijd van 60 jaar van de belastingplichtige het bedrag dat op 60-jarige leeftijd niet beleend was, werd aan de taks op het lange termijnsparen onderworpen en is dus vrijgesteld in de personenbelasting. Het gedeelte dat op 60-jarige leeftijd beleend was, moet echter bij uitkering aan de personenbelasting worden onderworpen (met inbegrip van het kapitaal dat tussen de 60-jarige leeftijd en de uitkering is gevormd met betrekking tot het gedeelte dat niet aan de taks op het lange termijnsparen werd onderworpen):
- het gedeelte dat op het tijdstip van de uitkering nog beleend is, wordt belast volgens een fictieve omzettingsrente (art. 169, WIB 92);
- het gedeelte dat op het tijdstip van de uitkering niet meer beleend is, maar op het moment dat de belastingplichtige de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt nog was beleend, wordt in principe belast tegen het tarief van 10 of 16,5 % (art. 171, 2°, d, en 4°, f, WIB 92).
Inwerkingtreding
| 60. | De indirecte taks is van toepassing met ingang van 1.1.1993. |
NAMENS DE MINISTER:Voor de Directeur-generaal:De Auditeur-generaal,
V. KINDT.
Bron: FisconetPlus
