Circulaire nr. Ci.RH.243/411.001 dd. 08.02.1990

CIRC 08.02.90/1

Circulaire nr. Ci.RH.243/411.001 dd. 08.02.1990


Bull. nr. 693, pag. 910

BEROEPSKOSTEN
Huur.
Uitgaven van persoonlijke aard.

FISCALE WOONPLAATS
Natuurlijke personen.

VERIFICATIE VAN DE AANGIFTE
Dienst belast met de verificatie.


1. In zijn arresten van 9.12.1988 en van 31.3.1989, respectievelijk inzake HUYBRECHTS en VAN NIEUWENHUYZE (Die arresten zullen eerlang in het Bulletin der Belastingen worden gepubliceerd), heeft het Hof van Cassatie gevonnist dat de huurprijs en de huurlasten van een onroerend goed dat als woning dient en door de belastingplichtige niet voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid wordt gebruikt, in de regel uitgaven van persoonlijke aard zijn, die, krachtens art. 50, 2°, WIB, niet als beroepskosten kunnen worden aangemerkt (zie Com.IB 44/495).

2. Het Hof van Cassatie heeft echter ook geoordeeld dat het huren van een bijkomende verblijfsgelegenheid onder bepaalde omstandigheden zodanig door de uitoefening van de beroepswerkzaamheid vereist kan zijn, dat de uitgaven die ervoor worden gedaan, in rechte niet meer als uitgaven van persoonlijke aard maar als noodzakelijk voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid en dus als beroepskosten in de zin van art. 44, WIB moeten worden beschouwd.

3. De volgende concrete omstandigheden hebben in de voormelde zaken tot het besluit geleid dat de huurprijs en de huurlasten van een bijkomende verblijfsgelegenheid noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid :

  • in de zaak HUYBRECHTS : de noodzaak voor de belastingplichtige aan wie op 57-jarige leeftijd een kaderfunctie wordt toegewezen, bij het uitvoeren van de door de werkgever opgelegde verrichtingen (op 100 km afstand van zijn woonplaats) verre dagelijkse verplaatsingen te vermijden die hem in de gegeven omstandigheden onredelijk voorkwamen en te zwaar waren;
  • in de zaak VAN NIEUWENHUYZE : de leeftijd van de belastingplichtige (59 jaar) en het feit dat hij door zijn werkgever voor de keuze werd geplaatst tussen zijn ontslag en het aanvaarden van de functie van handelsdirecteur met de verplichting zich te vestigen in de gemeente van de beroepsuitoefening.


4. De Administratie sluit zich bij deze rechtspraak aan. Dit impliceert echter dat de aftrek van de huurprijs en de huurlasten van een bijkomende verblijfsgelegenheid als beroepskosten slechts zal worden toegestaan wanneer uit de feitelijke omstandigheden van de zaak blijkt dat de kosten noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid.

5. Deze noodzakelijkheid kan inzonderheid worden aanvaard wanneer de werknemer aantoont :

  • ofwel dat hij door het huren van een woongelegenheid een abnormaal lange of ongewoon moeilijke pendel vermijdt (eventueel daarbij gelet op zijn gezondheidstoestand en zijn leeftijd);
  • ofwel dat hij buiten de werkuren steeds kan teruggeroepen worden naar de fabriek of het kantoor om BV dringende herstellingen uit te voeren en hij te ver afwoont om daaraan snel genoeg gevolg te kunnen geven.


6. De aftrek van de ermede verband houdende kosten moet uiteraard worden geweigerd wanneer het huren van een bijkomende woongelegenheid ingegeven is door motieven van privé-aard, zoals BV deelname aan of bijwonen van culturele of sportieve activiteiten buiten de werkuren, aanvullende studie die geen uitstaans heeft met het uitgeoefende beroep, aangename omgeving, enz.

7. De aftrek van de huurprijs en de huurlasten van een bijkomende verblijfsgelegenheid mag worden samengevoegd met de aftrek van de normale - meestal wekelijkse - reiskosten van de woonplaats naar de verblijfplaats en met de dagelijkse reiskosten van de bijkomende verblijfplaats naar de plaats van tewerkstelling.

8. Alvorens in voorkomend geval de aftrek van de huurprijs en de huurlasten van een zogeheten bijkomende verblijfsgelegenheid te aanvaarden, moet de aanslagambtenaar in ieder geval onderzoeken of deze in feite niet de echte fiscale woonplaats (zie Com.IB 3/2 en 3) van de betrokkene is.

De bedoelde kosten zijn immers niet aftrekbaar wanneer blijkt dat de betrokkene aldaar zijn werkelijke fiscale woonplaats heeft en niet daar waar hij zijn burgerlijke woonplaats of wettelijke domicilie gevestigd heeft (zie Luik, 29.6.1988, ROCHET M., B. 684, blz. 1253, Luik, 6.4.1989, DOUMONT F.; Brussel, 24.5.1988, J.D., B. 681, blz. 633 en Brussel, 7.6.1988, GOLDSTEIN M., B. 685, blz. 1523).

9. Het spreekt vanzelf dat in het sub 8 bedoelde geval het fiscaal dossier van de betrokkene moet doorgestuurd worden aan de taxatiedienst, die bevoegd is voor de gemeente waar de fiscale woonplaats zich bevindt en die de aanslagen aldaar zal vestigen.