Circulaire 2018/C/55 met betrekking tot de bepaling van het belastbaar roerend inkomen dat wordt toegekend door bepaalde instellingen voor collectieve belegging van het type ?obligaties?

Deze circulaire verduidelijkt de wijze waarop de kosten kunnen worden afgetrokken die betrekking hebben op de roerende inkomsten die worden uitgekeerd door bepaalde instellingen voor collectieve belegging van het type 'obligaties'

Inkomstenbelastingen ; inkomsten van roerende goederen en kapitalen ; interesten ; rechten van deelneming van bepaalde instellingen voor collectieve belegging ; bepaling van de belastbare grondslag ; aftrek van kosten

FOD Financiën, 09.05.2018
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Vennootschapsbelasting

Inhoudstafel

1. Inleiding
2. Bedoeld geval: niet forfaitair inkomen '19bis'
3. Bedoelde kosten

3.1. Kosten die rechtstreeks verbonden zijn met het rendement van de schuldvorderingen
3.2. 'Operationele' en fiscale kosten

4. Modaliteiten van de aanrekening van de kosten

4.1. Directe kosten
4.2. Indirecte kosten

5. Voorbeeld (bedragen in euro)

6. Bewijsstukken die ter beschikking van de administratie moeten worden gehouden

1. Inleiding

1. Art. 19bis, WIB 92, bepaalt dat de inkomsten die worden verkregen ingeval van overdracht onder bezwarende titel van aandelen, ingeval van inkoop van eigen rechten van deelneming of ingeval van gehele of gedeeltelijke verdeling van het eigen vermogen van een instelling voor collectieve belegging (ICB), waarvan meer dan 10 % (1) van het vermogen rechtstreeks of onrechtstreeks is belegd in schuldvorderingen (2), worden belast als interesten (3).

(1) Het tarief van 25 % is verlaagd naar 10 % voor de inkomsten die worden betaald of toegekend voor vanaf 01.01.2018 verworven rechten van deelneming in een ICB (zie de art. 101 en 103, PW 25.12.2017, BS 29.12.2017, blz. 116365 e.v.).
(2) Onder schuldvorderingen, zoals gedefinieerd in art. 19bis, § 1, vijfde lid, WIB 92, worden de schuldvorderingen verstaan zoals bedoeld in art. 2, § 1, 3°, a), KB 27.09.2009 tot uitvoering van art. 338bis, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna 'schuldvorderingen').
(3) Voor een bespreking van art. 19bis, WIB 92 (met uitzondering van de verlaging van de drempel inzake beleggingen in schuldvorderingen van 25 naar 10 %) en in het bijzonder van het begrip 'schuldvorderingen', wordt verwezen naar de circ. van 30.06.2009 (ref. AOIF Nr. 33/2009, Ci.RH.231/579.253) en de circ. van 25.10.2013 (ref. AAFisc Nr. 41/2013, Ci.RH.231/629.328).

Deze circulaire wil enkele verduidelijkingen geven in verband met de bepaling van het belastbaar inkomen zoals bedoeld in art. 19bis, § 1, vierde lid, WIB 92 (hierna 'TIS', afkorting voor Taxable Income per Share, m.a.w. het belastbaar inkomen per deel) en, meer bepaald, in verband met de aftrekmogelijkheden van bepaalde werkelijke kosten die rechtstreeks of onrechtstreeks worden gedragen door de ICB.

2. Bedoeld geval: niet forfaitair inkomen '19bis'

2. Wat hierna volgt, heeft betrekking op de ICB die het inkomen '19bis' bepalen op een niet forfaitaire wijze, m.a.w. overeenkomstig de bepalingen van art. 19bis, § 1, vierde lid, WIB 92, wanneer alle nodige gegevens gekend zijn met betrekking tot de verkregen inkomsten.

In dat geval wordt het belastbaar inkomen '19bis' berekend door rekening te houden met bepaalde directe en indirecte kosten die door de ICB worden gedragen om het geheel van de bruto inkomsten te verwerven waaruit dat belastbaar inkomen is samengesteld. Het betreft onder meer de aftrek van de kosten met betrekking tot de verwerving of de overdacht van bepaalde investeringen (transactiekosten, commissies van agenten, …), administratiekosten, enz.

3. Die aftrek wordt toegepast op het moment waarop het belastbaar inkomen overeenkomstig art. 19bis, § 1, vierde lid, WIB 92, wordt bepaald.

Het betreft hier niet de bepaling van het netto roerend inkomen in toepassing van art. 22, WIB 92.

4. Het geval waarbij de ICB het belastbaar inkomen op forfaitaire wijze bepaalt, wordt niet bedoeld. Bij ontstentenis van werkelijke '19bis' inkomsten wordt, overeenkomstig art. 19bis, § 2, WIB 92, het belastbaar inkomen immers vastgesteld op basis van de positieve evolutie van de netto inventariswaarde (NIW) van de ICB en het percentage van het vermogen van de ICB dat in schuldvorderingen is belegd (4) (5). In dat geval wordt door de toepassing van de NIW inderdaad reeds rekening gehouden met de door de ICB gedragen kosten.

(4) Het betreft het percentage van het vermogen dat rechtstreeks of onrechtstreeks wordt belegd in schuldvorderingen zoals bedoeld in art. 19bis, § 1, zevende en achtste lid en § 2, eerste lid, WIB 92 (eveneens de 'Asset Test' genoemd).
(5) Voor een uitvoerige bespreking wordt verwezen naar de nrs. 54 tot 57 van de circ. van 30.06.2009 en de nrs. 19 tot 22 van de circ. van 25.10.2013.

3. Bedoelde kosten

5. De aftrek heeft betrekking op de kosten die rechtstreeks of onrechtstreeks door de ICB worden gedragen om inkomsten te verkrijgen zoals bedoeld in art. 19bis, WIB 92, en die als dusdanig op een correcte wijze worden geboekt in de resultatenrekening.

3.1. Kosten die rechtstreeks verbonden zijn met het rendement van de schuldvorderingen

6. Het betreft geboekte waardeverminderingen of verwezenlijkte minderwaarden, evenals de wisselresultaten die betrekking hebben op schuldvorderingen.

Volgens het schema van de resultatenrekening, zoals voorzien door het KB 10.11.2006 (6), kunnen die kosten voorkomen in de kostenrekeningen van de rubriek 'I. Waardeverminderingen, minderwaarden en meerwaarden' of 'II. Opbrengsten en kosten van de beleggingen'.

(6) KB 10.11.2006 op de boekhouding, de jaarrekening en de periodieke verslagen van bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging met een veranderlijk aantal rechten van deelneming (KB 10.11.2006).

Die kosten worden rechtstreeks in aanmerking genomen op het niveau van de berekening van de TIS.

3.2. 'Operationele' en fiscale kosten

7. Het betreft de kosten die door de ICB zijn gedragen en die betrekking hebben op het verkrijgen van '19bis' inkomsten:

- ofwel op rechtstreekse wijze, zoals bijvoorbeeld de kosten met betrekking tot de verwerving of de overdracht van effecten die verbonden zijn met een bepaalde investeringslijn (transactiekosten, commissies van agenten, …);

- ofwel op onrechtstreekse wijze onder de vorm van beheerskosten van de ICB in zijn geheel. Die kosten mogen niet verbonden zijn met een bepaalde investering, zoals bijvoorbeeld administratiekosten, beheersvergoeding, juridische kosten, auditkosten, …..

De fiscale kosten worden eveneens bedoeld, zoals bijvoorbeeld de jaarlijkse taks op de ICB, belastingen, ….

Volgens het schema van de resultatenrekening, zoals voorzien door het KB 10.11.2006, kunnen die kosten voorkomen in de rekeningen van de rubriek 'IV. Exploitatiekosten' of 'VI. Belastingen op het resultaat'.

4. Modaliteiten van de aanrekening van de kosten

8. In principe zal de aanrekening van de kosten volgens de gebruikelijke regels verlopen. M.a.w., de kosten zullen aftrekbaar zijn:

- ofwel in hun geheel, wanneer ze uitsluitend betrekking hebben op een investering in schuldvorderingen '19bis';

- ofwel volgens een verdeelsleutel, wanneer ze zowel betrekking hebben op investeringen '19bis' als op andere investeringen.

4.1. Directe kosten

9. De kosten die rechtstreeks verbonden zijn met een bepaalde investeringslijn zullen aftrekbaar zijn in functie van de aard van die investering op basis van de volgende regel:

- wanneer het gaat om een rechtstreekse investering in schuldvorderingen zijn de kosten volledig aftrekbaar;

- wanneer het gaat om een investering in aandelen of rechten van deelneming van een onderliggende ICB (deelfonds) zijn de kosten aftrekbaar in functie van het percentage van het vermogen van dat deelfonds dat in schuldvorderingen is belegd.

Dat percentage wordt vastgesteld aan de hand van de beleggingspolitiek zoals die gedefinieerd is in het reglement of de statuten van het deelfonds, of bij ontstentenis daarvan, op basis van de werkelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille van de ICB (via de Asset Test (7)).

(7) Ter zake wordt inzonderheid verwezen naar de nrs. 25 en 26 van de circ. van 30.06.2009.

Wanneer het een investering in een ander actief betreft, kunnen de directe kosten niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van de TIS (geen aftrek).

4.2. Indirecte kosten

10. De indirecte kosten zijn niet verbonden met een bepaalde investering maar hebben betrekking op de globale activiteit van de ICB. Die kosten kunnen bijgevolg slechts beperkt worden afgetrokken in functie van het gedeelte van het vermogen van de ICB dat in schuldvorderingen is belegd.

11. Dat gedeelte kan worden bepaald aan de hand van de beleggingspolitiek van de ICB zoals die gedefinieerd is de statuten of het fondsreglement of op basis van de werkelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille van de ICB (via de Asset Test).

Het gebruik van één van beide methoden zal met de tijd een duurzaam karakter moeten vertonen.

12. Indien er gebruik wordt gemaakt van de Asset Test, kan de ICB die bepalen:

- ofwel op basis van de 2 laatste beschikbare verslagen, namelijk een jaarlijks en een halfjaarlijks verslag (methode waarnaar verwezen wordt in nr. 26 van de circ. van 30.06.2009);

- ofwel op basis van de werkelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille zoals die wordt vastgesteld bij elke berekening van de NIW van de ICB om op die manier zo goed mogelijk overeen te stemmen met de werkelijke samenstelling van de portefeuille (bepaling van een 'Asset Test', specifiek voor de aftrek van de werkelijke indirecte kosten, die de 'Indirect Cost Asset Test', ICAT, kan worden genoemd).

5. Voorbeeld (bedragen in euro)

13. De ICB, dakfonds X, investeert in 3 categorieën:

- rechtstreekse lijnen in AANDELEN;

- rechtstreekse lijnen in OBLIGATIES en andere schuldvorderingen;

- GEMENGD deelfonds waarvan de Asset Test gelijk is aan 50 %.

De waarde van ICB X is de volgende:

- NIW op 04.01.2017: 300

- NIW op 05.01.2017: 312,50

- indirecte kosten: 2,50

De waardeschommeling van de rechten van X bedraagt, vóór aftrek van de indirecte kosten, 15 (7 + 2 + 6), uitgesplitst volgens de aard van de inkomsten zoals aangegeven in de tabel hieronder.

Aandelen

Obligaties

Gemengd deelfonds

Waarde van de activa op 04.01.2017

100

100

Directe kosten van de ICB voor de periode

3

1

Waarde van de activa op 05.01.2017

(netto na directe kosten)

107

102

NIW op 04.01.2017

100

NIW op 05.01.2017

106

Asset Test

50 %

Bijdrage aan de waardeschommeling van de ICB X

vóór aftrek van de indirecte kosten

7

= (107 - 100)

2

= (102 - 100)

6

= (106 - 100)

Bijdrage aan de TIS van de ICB X

vóór aftrek van de indirecte kosten

2

= (102 - 100)

3

= (6 x 50 %)

De indirecte kosten worden afgetrokken volgens de ICAT. Die stemt overeen met de verhouding tussen de waarde van de activa die rechtstreeks of onrechtstreeks worden belegd in schuldvorderingen (netto na directe kosten) en de NIW van de ICB X (bruto vόόr indirecte kosten). Die verhouding wordt bepaald op elk moment waarop de NIW van de ICB wordt berekend.

Op 05.01.2017, wordt het bedrag van de indirecte kosten, dat van de TIS kan worden afgetrokken, als volgt bepaald:

- ICAT: [(0 + 102 + 53)/315] = 49,21 %

- indirecte aftrekbare kosten: (2,50 x 49,21 %) = 1,23

Op 05.01.2017, kunnen de volgende waarden van de TIS worden vastgesteld:

- TIS vόόr aftrek van de indirecte kosten: (2 + 3) = 5

- TIS na aftrek van de indirecte kosten: (5 – 1,23) = 3,77

6. Bewijsstukken die ter beschikking van de administratie moeten worden gehouden

14. De ICB moet aan de administratie de bewijskrachtige gegevens kunnen voorleggen inzake de aftrek van de werkelijke kosten (directe en indirecte) met betrekking tot de inkomsten die worden bepaald overeenkomstig art. 19bis, § 1, vierde lid, WIB 92.

Interne ref.: 713.004