Circulaire 2017/C/20 betreffende de grensbedragen inzake aanvullende pensioenen
Deze circulaire heeft betrekking op het belastingstelsel van de bijdragen gestort in uitvoering van een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood of van een aanvullende pensioentoezegging inzake een rust- en/of overlevingspensioen met het oog op de vorming van een rente of van een kapitaal:
- vaststelling van het wettelijk rustpensioen waarmee rekening moet worden gehouden bij de berekening van het globale bedrag van de toekenning bij leven dat gevestigd kan worden d.m.v. bijdragen die aftrekbaar zijn als beroepskosten;
- indexering van de lopende renten.
Bedragen van toepassing voor het jaar 2016.
personenbelasting ; vennootschapsbelasting ; beroepskosten ; groepsverzekering ; werkgeversbijdrage voor groepsverzekering ; pensioenfonds ; werkgeversbijdrage voor een pensioenfonds
FOD Financiën, 06.04.2017
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Vennootschapsbelasting
I. Inleiding
1. Deze circulaire geeft, voor het jaar 2016, de bedragen die van toepassing zijn inzake de beperking van de toekenningen bij leven die kunnen worden verzekerd door middel van bijdragen die overeenkomstig artikel 59, WIB 92, als beroepskosten aftrekbaar zijn.
II. Grens van de brutobezoldigingen – wettelijk rustpensioen
A. Werknemers
2. De in nr. 59/40 en 59/Bijlage/1, Com.IB 92, beoogde grens van de brutobezoldigingen die in aanmerking komen voor de vaststelling van het wettelijk rustpensioen, bedraagt 54.648,70 euro voor het jaar 2016.
B. Bedrijfsleiders die aan het sociaal statuut van de zelfstandigen onderworpen zijn
3. Het wettelijk rustpensioen van de bedrijfsleiders die aan het sociaal statuut van de zelfstandigen onderworpen zijn, mag worden geraamd op 25 % van hun bruto-inkomen, zonder dat het resultaat lager of hoger mag zijn dan respectievelijk het jaarlijks vast te stellen minimum- of maximumpensioen (zie het nr. 3, circulaire nr. Ci.RH.243/563.402 van 03.08.2004).
4. Voor het jaar 2016 bedraagt het wettelijk minimumpensioen 13.108,32 euro. Het maximumpensioen is vastgesteld op 16.299,35 euro.
III. Indexering van de lopende renten
5. Met betrekking tot de in nr. 59/Bijlage/2, Com.IB 92, uiteengezette berekening van het maximumbedrag van de indexering, gelden voor het jaar 2016 de volgende bedragen (zie ook de nrs. 59/67 en 68, Com.IB 92):
1° beperking van het aanvangsbedrag van de lopende jaarrente: 76.915,80 euro voor renten die in 2016 zijn ingegaan;
2° indexeringscoëfficiënten met betrekking tot de voor het jaar 2016 verschuldigde renten:
| Renten ingegaan in | Indexeringscoëfficiënt |
| 1985 of vroeger 1986, 1987 of 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 of 1996 1997 1998 of 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 of 2008 2009 of 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 | 0,7758 0,7069 0,6734 0,6406 0,5769 0,5157 0,4859 0,4568 0,4282 0,4002 0,3728 0,3459 0,3195 0,2936 0,2682 0,2434 0,2190 0,1951 0,1717 0,1041 0,0824 0,0612 0,02 0,02 0,02 0,02 |
3° toe te voegen bedrag (m.b.t. vóór 1992 ingegane renten): 3.718,69 euro, voor renten betaald in 2016.
Interne ref.: 709.554
