Circulaire nr. Ci.RH.222/471.117 van 27.06.1995
CIRC 27.06.95/2
Bull. nr. 752, pag. 2159
KADASTRAAL INKOMEN
Vrijstelling van het kadastraal inkomen.
ONROERENDE VOORHEFFING
Vrijstelling van de onroerende voorheffing.
Vrijstelling van het kadastraal inkomen.
ONROERENDE VOORHEFFING
Vrijstelling van de onroerende voorheffing.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2.
Als bijlage is de tekst gevoegd van een instructie van 2.5.1995, nr. K.T./152.444, die door de Administratie van het kadaster in samenwerking met de Administratie der directe belastingen werd opgesteld.
Deze instructie, die het gevolg is van twee recente arresten van de Hoven van Beroep te Gent en te Antwerpen, geeft een nieuwe definitie van de soorten rust- en verzorgingstehuizen die door de vrijstelling voorzien bij art. 12, § 1, en art. 253, 1°, WIB 92 als soortgelijke weldadigheidsinstellingen mogen worden beschouwd.
De aandacht wordt gevestigd op het feit dat, ingevolge de voormelde definitie, art. 253, 1°, WIB 92 voor het Vlaamse Gewest een bredere draagwijdte krijgt dan art. 253, 1°bis, WIB 92 dat bij decreet van de Vlaamse Raad van 22.12.1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 in art. 253 WIB 92 werd ingelast. Hiervoor komt art. 253, 1°bis, WIB 92 in onbruik, evenals nr. 5, 2de en 3de gedachtenstreep, circ. 15.3.1993, Ci.RH.222/447.542 (B 727, blz. 1107 en vlg.) en nr. 12, 3de lid, 2°, 2de gedachtenstreep, circ. 23.3.1995, Ci.RH.222/457.501 (B 749, blz. 1207 en vgl.).
De administratie dringt erop aan dat de ter zake nog hangende dossiers zo vlug mogelijk zouden worden behandeld.
Voor de Directeur-generaal :De Auditeur-generaal,
G. MALEMPRE
BIJLAGE
MINISTERIE VAN FINANCIEN Brussel, 02.05.1995 Administratie van het Kadaster K.T./152.444 95/8 Aan de Heer Gewestelijke Directeur van het Kadaster te ...................(ALLEN). - (beperkte verspreiding : niv. 1 en 2) BETREFT : Toepassing van de artikelen 12, § 1 en 253, 1° WIB. Soortgelijke weldadigheidsinstellingen. Rusthuizen en rust- en verzorgingstehuizen. Mijnheer de Gewestelijke Directeur, 1. Voorwoord. 1.1. De M.D. van 24 november 1988, nr. K.T./119.792, heeft in het kader van de toepassing van artikel 12, § 1 WIB de na te komen richtlijnen voorgeschreven wat de onroerende goederen of delen van onroerende goederen betreft die door een belastingplichtige die geen winstoogmerken nastreeft als rusthuis worden aangewend. 1.2. Rekening houdend met recente arresten van het Hof van Beroep, die een nieuwe rechtspraak op dit gebied aangeven, is het nodig gebleken om in dit geval de in de voornoemde M.D. uiteengezette principes inzake de toepassing van artikel 12, § 1, WIB aan te passen voor wat de rusthuizen betreft. 2. Vroegere beschikkingen - Herinnering. Bovengenoemde M.D. maakt een onderscheid tussen de bedden "R.T." (gewone rusthuizen die niet kunnen genieten van artikel 12, § 1 WIB) en de officieel erkende bedden "G", "V", of "R.V.T." (rust- en verzorgingstehuizen die onder bepaalde voorwaarden kunnen gelijkgesteld worden met een weldadigheidsinstelling). In voorkomend geval werd verduidelijkt dat er reden is om de schifting van het geheel kadastraal inkomen in vrijgestelde en niet vrijgestelde gedeelten te bewerkstelligen in funktie van het type van bedden gerangschikt volgens de hiervoor vermelde criteria. Volgens deze beschikkingen kunnen de gewone zorgen die met toewijding worden verstrekt aan de bewoners van de "gewone" rusthuizen niet leiden tot een gelijkstelling met een soortgelijke weldadigheidsinstelling. 3. Arresten van Gent en Antwerpen - Principes. 3.1. In zijn arrest d.d. 21.04.1994 heeft het Hof van Beroep te Gent uitspraak gedaan over het feit dat wanneer een rusthuis - als zodanig aangewend door een belastingplichtige die geen winstoogmerken nastreeft - zorgenbehoevende bejaarden opvangt, dit het karakter van een verpleeginrichting krijgt, en dit ongeacht de klassering van de bedden waarmede dit rusthuis is uitgerust. Deze beschouwing opent ongetwijfeld de toegang tot het recht om te genieten van de artikelen 12, § 1 en 253, 1°, WIB voor het geheel van de beschouwde onroerende goederen. 3.2. Het Hof van Beroep te Antwerpen stipuleert in zijn arrest d.d. 21.04.1994 ook dat een rusthuis gelijkgesteld wordt met een godshuis in de zin van artikel 12, § 1, WIB. Immers, de bejaarden zijn door hun toestand natuurlijkerwijze genoodzaakt zorgen te ontvangen en de instelling die hen huisvest streeft hetzelfde doel na als datgene eertijds aangetroffen in de godshuizen. Deze beoordeling ligt in de lijn van de evolutie van het begrip "godshuis" en het is dan ook e wil van de wetgever om voor dit soort van instelling de gelijkstelling met een weldadigheidsinstelling te aanvaarden. In dit geval is het feit dat een rusthuis al dan niet hulpbehoevende personen ontvangt, geen ter zake dienend criterium bij het onderzoek naar de voorwaarde van het gebrek aan winstbejag. 4. Draagwijdte. 4.1. Het past op te merken dat de twee arresten in kwestie betrekking hebben op het aanslagjaar 1989, dat voorafgaand is aan de inwerkingtreding van de decreten van het Vlaamse Gewest van 25 juni 1992 en 22 december 1993, die de voordelen van artikel 253, 1°, toekennen aan de bejaardenvoorzieningen. Zodoende kan dus aangenomen worden dat de door de Hoven van Gent en Antwerpen gedane nieuwe rechtspraak voortaan van toepassing is in het gehele Rijk. 4.2. Deze nieuwe rechtspraak streeft trouwens dezelfde doelstellingen na als deze beoogd door bepaalde beschikkingen van de bovengenoemde decreten. Deze behouden echter, uitsluitend voor het Vlaamse Gewest, al hun belang in het bijzonder wat betreft het behoud van het voordeel van de vrijstelling in het geval dat het betreffend onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een financiering door middel van financiële leasing of huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht voor de duur van de overeenkomst (decreet van 22 december 1993, art. 90, § 1, 2°). 4.3. Overigens stelt de Brusselse Hoofdstedelijke Raad in artikel 3 van de ordonnantie van 22 december 1994, in dezelfde zin regels op door van de onroerende voorheffing vrij te stellen het in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen onroerend goed of het gedeelte van onroerend goed dat "door een openbaar bestuur of een belastingplichtige zonder winstoogmerk wordt gebruikt om er een erkend bejaardenoord in te beheren". 5. Toepassingsmodaliteiten. 5.1. In de toekomst zult u - met dien verstande dat voor het Vlaamse Gewest met ingang van 1 januari 1991 de richtlijnen verstrekt bij de M.D. van 15.03.1993, nr. K.T./143.945* van toepassing zijn en die met ingang van het aanslagjaar 1994 werden aangevuld met de richtlijnen verstrekt bij de M.D. van 01.06.1994, nr. K.T./148.487* - toezien op het toepassen van de hiervoor ontwikkelde principes voor elke instelling die zou voldoen aan de dubbele voorwaarde van het gebrek aan winstbejag in hoofde van de belastingplichtige en de bestemming van het onroerend goed tot het huisvesten van de bejaarden die er al dan niet gewone verzorging ontvangen. De rechtstreekse en/of onrechtstreekse bestemming moet natuurlijk altijd nagegaan worden volgens de algemene regels die van toepassing blijven. 5.2. Dergelijke dossiers die in uw dienstomschrijving hangende zijn (voor het Vlaamse Gewest : aanslagjaren voorafgaand aan 1991) moeten behandeld worden volgens deze nieuwe richtlijnen; er is echter voorlopig geen reden om de gelijkaardige gevallen, die reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van vroegere beslissingen, te herzien. 5.3. Ter herinnering, de te volgen procedure inzake de vrijstelling van de onroerende voorheffing voorgeschreven in de M.D. van 01.06.1988, nr. K.T./112.520, vervolledigd door de M.D. van 14.07.1988, nr. K.T./124.000, is in dit geval strikt van toepassing. 6. Nawoord. 6.1. De vroegere beschikkingen van de M.D. van 24 november 1988, nr. K.T./119.792, worden opgeheven, niettemin moet deze omzendbrief worden bewaard als documentatie. 6.2. De in de M.D. van 11 april 1989, nr. K.T./126.900, uiteengezette begrippen betreffende de term "godshuis" moeten uitgebreid worden tot de principes aangehaald in onderhavige M.D. 6.3. Op dezelfde wijze komen de bewoordingen van het antwoord op de parlementaire vraag, opgenomen als bijlage bij de M.D. van 3 april 1990, nr. K.T./133.500, thans te vervallen. DE DIRECTEUR-GENERAAL; R. VANHOECKE.Bron: FisconetPlus
