Circulaire 2019/C/96 betreffende de Brusselse ordonnantie van 25.04.2019 inzake successie- en registratierechten
Administratieve commentaar betreffende de Brusselse ordonnantie van 25 april 2019 tot invoering van een tijdelijke fiscale fictiebepaling in het kader van de Brexit – Brussels Hoofdstedelijk Gewest – Successie- en registratierechten – Tijdelijke fiscale fictiebepaling – Gelijkstelling van het Verenigd Koninkrijk met een lidstaat van de Europese Unie
Lidstaat van de Europese Unie ;Lidstaat van de Europese Economische Ruimte
FOD Financiën, 25.09.2019
Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie
Inhoud
2. Doelstelling van de Brusselse wetgever
3. Tijdelijke fiscale fictiebepaling
4.1. Bepalingen inzake successierechten (W.Succ.Br.)
4.2. Bepalingen inzake registratierechten (W.Reg.Br.)
1. Inleiding
In het Belgisch Staatsblad van 24 mei 2019 (ed. 1) werd de Brusselse ordonnantie van 25 april 2019 gepubliceerd tot invoering van een tijdelijke fiscale fictiebepaling in het kader van de Brexit (hierna: ordonnantie).
In de veronderstelling van een uitstap zonder akkoord van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (“hard Brexit” of Brexit zonder akkoord), stelt de ordonnantie het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland gelijk met een lidstaat van de Europese Unie tot 31 december 2019.
Deze circulaire bespreekt de fiscale bepalingen van het Brussels Wetboek der Registratierechten (W.Reg.Br.) en het Brussels Wetboek der Successierechten (W.Succ.Br.) die door deze tijdelijke fiscale fictie beoogd worden in geval van een Brexit zonder akkoord.
De tekst van de ordonnantie wordt in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.
De ordonnantie treedt in werking op de datum dat het Verenigd Koninkrijk de Europese Unie verlaat zonder akkoord, en de uitwerking houdt – in principe – op op 31december 2019.
2. Doelstelling van de Brusselse wetgever
De ordonnantie voert een algemene tijdelijke fictie in die nodig zou blijken als het Verenigd Koninkrijk daadwerkelijk de Europese Unie zou verlaten zonder akkoord in de zin van artikel 50, § 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). In deze veronderstelling zou het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland een derde land worden en de betrokken burgers van het Verenigd Koninkrijk zouden geconfronteerd worden met een wijziging van het op hen toepasselijk stelsel krachtens diverse fiscale wetgevingen.
Om de negatieve gevolgen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (Brexit) zonder akkoord over het vertrek (hard Brexit) te beperken, heeft de Brusselse Regering een overgangsregeling ingevoerd, berustend op de wederkerigheid en in overeenstemming met de overgangsmaatregelen overeengekomen door de federale regering en de federale entiteiten, en dit in uitvoering van een beslissing van het Overlegcomité van 21 januari 2019.
3. Tijdelijke fiscale fictiebepaling
In verschillende bepalingen van het in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest toepasselijke Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten en het Wetboek der Successierechten wordt verwezen naar een lokalisatiecriterium voor één of meer grensoverschrijdende elementen die bepalend zijn voor de toepassing van tarieven, verminderingen, vrijstellingen enz. Dit lokalisatiecriterium laat een onderscheid in fiscale behandeling toe naargelang deze elementen gesitueerd zijn binnen of buiten de Europese Unie (EU), en derhalve de Europese Economische Ruimte (EER). De EER is een politieke unie die de 28 lidstaten van de EU verenigt (tot heden het Verenigd Koninkrijk inbegrepen) en 3 van de 4 lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA), met name IJsland, Liechtenstein en Noorwegen (dus zonder Zwitserland).
Met het oog op de rechtszekerheid, de eenvoud en de gelijkberechtiging van alle belastingplichtigen is er een algemene tijdelijke fiscale fictiebepaling ingevoerd voor de Wetboeken van registratierechten en successierechten toepasselijk in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Voor de toepassing van de bepalingen van deze wetboeken wordt het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland nog altijd beschouwd als deel uitmakend van de Europese Unie – en dus ook van de EER – tot 31 december 2019. Voor de lopende verrichtingen en voor de bepalingen van de Brusselse wetboeken (W.Succ. en W.Reg.) blijft het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland gelijkgesteld met een lidstaat, zelfs na de daadwerkelijke uittreding uit de Europese Unie. Bijgevolg blijven de bepalingen van de Brusselse fiscale regelgeving die grensoverschrijdende verrichtingen kunnen bevatten tijdelijk integraal van toepassing, met inbegrip van deze die plaatshebben nà de officiële datum van uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (Voorstel van ordonnantie tot invoering van een tijdelijke fiscale fictiebepaling in het kader van de Brexit, Doc., BHP, 2018-2019, nr. A-850/1, commentaar bij de artikelen, p. 2).
4. Toepassingsgebied
De algemene tijdelijke fiscale fictiebepaling beoogt de volgende Brusselse bepalingen inzake successierechten en inzake registratierechten.
4.1. Bepalingen inzake successierechten (W.Succ.Br.)
- Art. 1, 18 en 27, tweede lid (aftrekbaar passief in de nalatenschap van een inwoner van de EER die geen rijksinwoner is);
- Art. 52² (toepasselijk tarief in geval van adoptie van een kind onder voogdij van de openbare onderstand of van een OCMW);
- Art. 55 (vrijstelling voor legaten aan bepaalde rechtspersonen van publiek recht);
- Art. 59 en 60 (vermindering voor de legaten aan bepaalde rechtspersonen van publiek recht);
- Art. 60bis en 60bis/1 (verlaagd recht van 3% in rechte lijn en 7% tussen andere personen voor de erfelijke overdracht van de nettowaarde van de volle eigendom, van de blote eigendom of van het vruchtgebruik van aandelen in een familiale vennootschap waarvan de zetel van werkelijke leiding zich bevindt in een van de lidstaten van de EER, mits bepaalde grond- en vormvoorwaarden en voorwaarden tot behoud);
- Art. 80 (schorsing van de invordering voor legaten ten behoeve van een rechtspersoon met statutaire zetel, hoofdbestuur of hoofdvestiging op het grondgebied van een lidstaat van de EER, onderworpen aan de machtiging of goedkeuring van de overheid);
- Art. 94 en 95 (specifieke waarborgen voor sommen verschuldigd door een rechtsopvolger wonende buiten de EER).
4.2. Bepalingen inzake registratierechten (W.Reg.Br.)
- Art. 63^1, eerste lid, 3° (aankoop tegen het verlaagd recht door beroepspersonen – verplichting om de erkenning door de administratie te verkrijgen van een in België gevestigde vertegenwoordiger die medeaansprakelijk is indien de beroepspersoon zijn wettelijke verblijfplaats of maatschappelijke zetel buiten de EER heeft);
- Art. 140, tweede lid (verlaagd tarief voor schenkingen aan bepaalde gelijkaardige rechtspersonen van publiek recht opgericht volgens en onderworpen aan de wetgeving van een lidstaat van de EER en die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de EER hebben);
- Art. 140/1 en 140/2 (vrijstelling van het registratierecht voor schenkingen van de volle eigendom, van de blote eigendom of van het vruchtgebruik van aandelen in een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een lidstaat van de EER, mits bepaalde grond- en vormvoorwaarden en voorwaarden tot behoud).
5. Inwerkingtreding
De fiscale overgangsbepaling is toepasselijk:
- Inzake successierechten: op de nalatenschappen opengevallen vanaf de datum waarop het Verenigd Koninkrijk de Europese Unie verlaat zonder akkoord;
- Inzake registratierecht: op de akten verleden voor een Belgische notaris en/of op de onderhandse akten die ter registratie worden aangeboden, vanaf die datum.
Ze is niet meer toepasselijk na 31 december 2019 (art. 2 ordonnantie).
De Brusselse Regering kan de termijn inkorten of verlengen, alsook de nodige uitvoeringsmaatregelen nemen (art. 3 ordonnantie).
