Circulaire Circ. 971 dd. 18.10.1973 (deel 1)
Bulletin nr. 514, p. 12-60
Dubbelbelastingverdragen. – Nederland
Onderrichtingen betreffende de toepassing van de Belgisch-Nederlandse overeenkomst van 19 oktober 1970 tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing, en van het protocol (V. 1337 – B. 490).
Circ. 971 van 18 oktober 1973.
--------------
Korte inhoud
--------------
B. Algemene kenmerken van de overeenkomst.
A. Inkomsten uit onroerende goederen
3. Royalty’s (auteursrechten inbegrepen).
2. Handels- en nijverheidswinsten
3. Openbare bezoldigingen en pensioenen.
5. Andere pensioenen dan bedoeld onder nr. 3.
6. Bezoldigingen van beheerders en commissarissen van vennootschappen.
8. Inkomsten van beroepsartiesten en sportbeoefenaars.
1. Niet sub A en C, 1, 2, of 7, bedoelde meerwaarden.
2. Toelagen aan studenten en leerlingen.
3. Inkomstenbestanddelen die niet uitdrukkelijk in de overeenkomst zijn vermeld.
III. – Nadere toelichting en wijze van uitvoering van sommige bepalingen.
A. Bepaling van sommige begrippen uit de overeenkomst.
B. Belastingheffing naar de inkomsten.
1° Inkomsten van onroerende goederen. – Beperking van A.O.V.
3° Meerwaarden uit de vervreemding van aandelen of winstbewijzen.
4° Belastingheffing van roerende inkomsten in de bronstaat.
5° Lonen en salarissen uit de particuliere sector.
6° Beloningen en pensioenen uit de overheidssector.
7° Artiesten en sportbeoefenaars.
8° Particuliere pensioenen en andere sociale uitkeringen.
C. Vermijding van dubbele belasting in België.
1° Dividenden verkregen door een natuurlijke persoon (
2° Dividenden verkregen door een vennootschap (
3° Interest (
4° Andere inkomsten (
5° Vermijding van dubbele verliescompensatie (
D. Non-discriminatie (
E. Regeling voor onderling overleg (art, 26).
F. Uitwisseling van inlichtingen (
LIJST VAN DE GEMEENTEN DIE IN DE BELGISCHE EN DE NEDERLANDSE GRENSSTREEK BEGREPEN ZIJN
A. Gemeenten van de Belgische grensstreek.
Administratief arrondissement Oostende.
Administratief arrondissement Brugge
Administratief arrondissement Tielt
Administratief arrondissement Eeklo
Administratief arrondissement Gent
Administratief arrondissement Oudenaarde
Administratief arrondissement Aalst
Administratief arrondissement Sint-Niklaas
Administratief arrondissement Dendermonde
Administratief arrondissement Antwerpen
Administratief arrondissement Mechelen
Administratief arrondissement Turnhout
Administratief arrondissement Halle-Vilvoorde
Administratief arrondissement Leuven
Administratief arrondissement Maaseik.
Administratief arrondissement Hasselt
Administratief arrondissement Tongeren.
Arrondissement administratif Borgworm (Waremme)
Administratief arrondissement Luik
Arrondissement administratif de Verviers
B. Gemeenten van de nederlandse grensstreek
Bijlage: lijst van de gemeenten die in de Belgische en de Nederlandse grensstreek begrepen zijn.
-----------
I. – Algemene beschouwingen.
A. Belangrijke data.
Ondertekening van de overeenkomst : 19.10.1970.
Goedkeuring: wet van 16.8.1971.
Uitwisseling van de bekrachtigingsoorkonden : 16.9.1971.
Publicatie : Belgisch Staatsblad van 25.9.1971.
Inwerkingtreding : 1.10.1971.
Toepassing :
- in België :
a) op de bij de bron verschuldigde belastingen op inkomsten die normaal zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1.1.1971 ;
b) op de andere belastingen geheven naar inkomsten van belastbare tijdperken die eindigen vanaf 31.12.1971 ;
- in Nederland :
voor belastingjaren en tijdvakken welke aanvangen op of na 1.1.1971.
B. Algemene kenmerken van de overeenkomst.
De op 19.10.1970 met Nederland gesloten overeenkomst strekt er voornamelijk toe dubbele belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen te vermijden en, in de tweede plaats, een wederzijdse administratieve bijstand voor de heffing van de belastingen in te stellen. Zij voorziet evenwel niet in bijstand voor de invordering van belastingen ; deze kwestie is geregeld in de op 5.9.1952 tussen België, Nederland en Luxemburg gesloten overeenkomst nopens de wederkerige bijstand inzake invordering van belastingschulden (V. 934 – circ. 831).
Daarnaast bevat de overeenkomst bepalingen betreffende verschillende aangelegenheden die gewoonlijk in dubbelbelastingverdragen worden geregeld. In een protocol wordt de draagwijdte van sommige bepalingen nader toegelicht.
Deze overeenkomst vervangt de gelijkaardige overeenkomst van 20.2.1933 (V. 400) die sinds geruime tijd (onder meer wegens het ontbreken van bepalingen betreffende roerende inkomsten) niet meer aan haar doel beantwoordde.
De hierna volgende onderrichtingen bevatten een algemene commentaar en hernemen ook de voornaamste richtlijnen van onmiddellijk belang die in de gestencilde circ. van 4.10.1971, nr. Ci.R9 NL/258.773, werden versterkt (1).
II. – Synoptische tabellen die op bondige wijze de regeling aangeven die in België van toepassing is op de verschillende categorieën van inkomsten.
Inleidende opmerkingen
1. Inkomsten van Belgische oorsprong die in België van belasting zijn vrijgesteld komen in aanmerking voor de bepaling van het tarief van de B.N.V.-nat. pers., indien de verkrijger van de inkomsten zich in de bij de art. 148, 149 en 151, W.I.B. (2) bedoelde voorwaarden bevindt.
2. Evenzo komen de in België vrijgestelde inkomsten van Nederlandse oorsprong in aanmerking voor de bepaling van het tarief van de P.B. dat op de andere inkomsten van rijksinwoners van toepassing is (cf. Deel III, nr. 58).
3. De inkomsten van Nederlandse oorsprong die van de Nederlandse belastingen zijn vrijgesteld en in België aan de P.B. of de Ven.B. mogen worden onderworpen, moeten deze belasting tegen het volle tarief en in overeenstemming met het gemeen recht ondergaan.
------
(1) B., nov, 1971, nr. 490.
(2) De belastingheffing naar het minimuminkomen dat gelijk is aan het dubbel van het kadastraal inkomen is evenwel niet van toepassing op inwoners van Nederland die hier te lande over een woning beschikken (cf. Deel III, nr. 60).
Regeling in België
|
Belgische inkomsten van inwoners (1) van Nederland. |
Nederlandse inkomsten van inwoners (1) van België. |
A. Inkomsten uit onroerende goederen
(meerwaarden inbegrepen)
|
O.V., en eventueel B.N.V., volgens het gemeen recht (art. 6 en 13, § 1). A.O.V. voor de aanslagjaren 1972 en 1973 beperkt tot het deel van de – eventueel fictief berekende – B.N.V. dat op de Belgische onroerende inkomsten betrekking heeft (punt III, Prot. – zie Deel III, nr. 7). | Vrijstelling (art. 6 en 13, § 1, en 24, § 2, 1°). |
B. Roerende inkomsten.
1. Dividenden (2).
|
R.V. beperkt tot : 5 pct. van het brutobedrag ingeval de genieter van de dividenden een vennootschap op aandelen is die onmiddellijk ten minste 25 pct. bezit van het kapitaal van de uitkerende vennootschap (art. 10, § 2, 1°, ov.) ; 15 pct. van het brutobedrag in de andere gevallen (art. 10, § 2, 2°, ov.). Gemeen recht evenwel, indien het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald tot het bedrijfsvermogen van een Belgische vaste inrichting van de genieter behoort (art. 10, § 4, ov.). |
Gemeen recht, maar voor de aanslagjaren 1972 en 1973 facultatieve vrijstelling van R.V. op Nederlandse dividenden verkregen door Belgische vennootschappen (art. 24, § 2, 3° en 4°, ov. – zie nrs. 54 tot 56 hierna). Vrijstelling indien het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald tot het bedrijfsvermogen van een Nederlandse vaste inrichting van de genieter behoort (art. 10, § 4, en art. 24, § 2, 1°, ov.). |
------
(1) Het woord « inwoner » wordt in de Belgisch-Nederlandse ov. gebezigd ter aanduiding van hetzelfde begrip als datgene dat in de andere Belgische overeenkomsten met het woord « verblijfhouder » wordt weergegeven. Inhoudelijk dient dus een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen « inwoner » als verdragsterm en « rijksinwoner » dat zijn betekenis aan het WI.B. ontleent.
(2). Dit woord omvat ook de inkomsten – interest inbegrepen – die belastbaar zijn als inkomsten van belegde kapitalen van vennoten in Belgische personenvennootschappen (punt V, Prot.).
2. Interest
|
a) Normale interest toegekend aan een onderneming Vrijstelling (zie evenwel litt. c en d hierna) van R.V. behalve indien het gaat om - interest van obligaties of andere effecten van leningen ; - het even welke interest door een Belgische vennootschap op aandelen of een personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid betaald aan een zodanige Nederlandse vennootschap indien een van beide vennootschappen onmiddellijk ten minste 25 pct. van het kapitaal van de andere vennootschap bezit (art. 11, §§ 3 en 4 – cf. Deel III, nr. 18). b) Normale interest waarop de vrijstelling sub a niet van toepassing is : R.V. beperkt tot 10 pct. (zie evenwel lid c hierna) (art. 11, §§ 2 en 6, ov. – zie Deel III. nr. 17). c) Interest betaald uit hoofde van een obligatie, een lening, een schuldvordering of een deposito behorend tot het bedrijfsvermogen van een Belgische vaste inrichting van de genieter : gemeen recht (art. 11, § 6, ov.). d) Overdreven deel van interest : gemeen recht voor de toepassing van de P.B. en Ven.B. (en eventueel B.N.V.) ten name van de schuldenaar, maar beperking van de R.V. zoals voor de dividenden – cf. nr. 1 hierboven (art. 11, § 8, ov.). |
a) Vrijstelling indien de lening, de schuldvordering of het deposito uit hoofde waarvan de interest is verschuldigd tot het bedrijfsvermogen van een Nederlandse vaste inrichting van de genieter behoort (art. 11, § 6, en art. 24, § 2, 1°, ov.). b) Belastingheffing volgens het gemeen recht, met verrekening van het F.B.B., over : - interest die voortkomt van winstdelende obligaties, wanneer die obligaties niet behoren tot het bedrijfsvermogen van een Nederlandse vaste inrichting van de genieter (art. 11, § 2 en 6, en art. 24, § 2, 2°, ov.) ; - het overdreven deel van interest indien dit deel werkelijk aan de Nederlandse belasting werd onderworpen (art. 11, § 8, en art. 24, § 2, 2°, ov.). c) Belastingheffing tegen het volle tarief (geen F.B.B.) over : - interest die door een Belgische onderneming wordt verkregen, behalve in de gevallen bedoeld sub a en b hierboven (art. 11, § 3, ov.) ; - normale interest die niet voortkomt van winstdelende obligaties (art. 11, § 2, ov. en Nederlandse wetgeving – zie Deel III, nr. 27). |
3. Royalty’s (auteursrechten inbegrepen).
|
a) Algemene regel : vrijstelling art. 12, § 1, ov.). b) Gemeen recht indien het goed of het recht dat de royalty’s oplevert behoort tot het bedrijfsvermogen van een Belgische vaste inrichting van de genieter (art. 12, § 3, ov.). c) Overdreven deel van de royalty’s : gemeen recht voor de toepassing van de P.B. en Ven.B (en eventueel de B.N.V.) ten name van de schuldenaar, maar beperking van de R.V. zoals voor de dividenden – cf. nr. 1 hierboven (art. 12, § 4, ov.). |
a) Algemene regel : belastingheffing tegen het volle tarief – F.B.B. enkel voor het overdreven deel van de royalty’s indien het werkelijk in Nederland wordt belast (art. 12, §§ 1 en 4, ov.). b) Vrijstelling indien het goed of het recht dat de royalty’s oplevert tot het bedrijfsvermogen van een Nederlandse vaste inrichting van de genieter behoort (art. 12, § 3, en art. 24, § 2, 1°, ov.). |
C. Bedrijfsinkomsten.
1. Winsten uit de exploitatie van schepen en luchtvaartuigen in internationaal verkeer en van binnenschepen (met inbegrip van meerwaarden uit de vervreemding van die schepen, binnenschepen en luchtvaartuigen, alsmede van de roerende goederen die voor de exploitatie daarvan worden gebruikt).
|
a) Algemene regel : vrijstelling in België (art. 8, § 1, en art. 13, § 3, 1°, ov.). b) Uitgezonderd : belastbaar in België indien de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming in België is gelegen (art. 8, § 2, en 13, § 3, 2°, ov.). |
a) Algemene regel : belastbaar in België (art. 8, § 1, en art. 13, § 3, 1°, ov.). b) Uitzondering : vrijstelling (ook van B.V.R.) indien de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming in Nederland is gelegen (art. 8, § 2, art. 13, § 3, 2°, en art. 24, ov.). |
2. Handels- en nijverheidswinsten (meerwaarden uit de vervreemding van roerende goederen en uit de vervreemding van de vaste inrichting inbegrepen).
|
Belastbaar in zoverre zij aan een Belgische vaste inrichting kunnen worden toegekend (art. 7, § 1, en art. 13, § 2, ov.). B.N.V.-Ven. ten laste van Nederlandse vennootschappen en verenigingen van personen : basistarief verminderd van 35 tot 33,5 pct. (punt XIV, Prot. – zie Deel III, nr. 61). | Vrijstelling van inkomsten die aan een Nederlandse vaste inrichting kunnen worden toegerekend (art. 7, § 1, art. 13, § 2, en art. 24, § 2, 1°, ov.). |
3. Openbare bezoldigingen en pensioenen.
|
a) Wedden en pensioenen door de Belgische Staat of door een straatkundig onderdeel van België betaald aan personen die geen onderdaan zijn van Nederland of die terzelfder tijd onderdaan zijn van België en van Nederland, voor diensten die niet zijn verricht in het kader van een handels- of nijverheidsactiviteit : belasting volgens gemeen recht (art. 19, §§ 1 en 2, ov. – zie Deel III, nrs. 48 en 49). b) Andere gevallen : cf. nrs. 4 of 5 hierna. |
a) Wedden en pensioenen door de Nederlandse Staat of door een staatkundig onderdeel van Nederland betaald aan personen die geen onderdaan zijn van België of die terzelfder tijd onderdaan zijn van België en van Nederland, voor diensten die niet zijn verricht in het kader van een handels- of nijverheidsactiviteit : vrijstelling (art. 19, § 1 en 2, ov.). b) Andere gevallen : cf. nrs. 4 of 5 hierna. |
4. Andere bezoldigingen.
|
a) Voor in België uitgeoefende werkzaamheden, behalve in de hierna bedoelde gevallen : gemeen recht (art. 15, § 1, ov.). b) Voor tijdelijk in België uitgeoefende werkzaamheden in dienst van een buitenlandse werkgever : vrijstelling indien de werkzaamheden gedurende niet meer dan 183 dagen in de loop van een kalenderjaar worden uitgeoefend en indien de bezoldigingen niet ten laste vallen van een Belgische vaste inrichting of van een Belgisch vast middelpunt (art. 15, § 2, ov.). c) Bezoldigingen van Nederlandse grensarbeiders die in België zijn tewerkgesteld : vrijstelling (art. 12, § 3, 1°, ov. – zie Deel III, nrs. 37 tot 47). d) Bezoldigingen ter zake van een dienstbetrekking aan boord van een schip of luchtvaartuig in internationaal verkeer, of aan boord van een schip in de binnenvaart : vrijstelling (art. 15, § 3, 2°, ov.). e) Bezoldigingen van leraren die voor een periode van ten hoogste twee jaar in België komen onderwijzen : vrijstelling (art. 20, ov.). |
a) Voor in Nederland uitgeoefende werkzaamheden, behalve in de hierna bedoelde gevallen : vrijstelling (art. 15, § 1, en 24, § 2, 1°, ov.). b) Voor in Nederland uitgeoefende werkzaamheden in dienst van een werkgever die geen inwoner van Nederland is : belastingheffing tegen het volle tarief indien de werkzaamheden gedurende niet meer dan 183 dagen in de loop van een kalenderjaar in Nederland worden uitgeoefend en indien de bezoldigingen niet ten laste vallen van een Nederlandse vaste inrichting of van een Nederlands vast middelpunt (art. 15, § 2, ov.). c) Bezoldigingen van Belgische grensarbeiders die in Nederland zijn tewerkgesteld : in beginsel, belastingheffing tegen het volle tarief (art. 15, § 3, 1°, ov. – zie Deel III, nrs. 37 tot 47). d) Bezoldigingen ter zake van dienstbetrekking aan boord van een schip of luchtvaartuig in internationaal verkeer, of aan boord van een schip in de binnenvaart : belastingheffing tegen het volle tarief (art. 15, § 3, 2°, ov.). e) Bezoldigingen van leraren die voor een periode van ten hoogste twee jaar in Nederland gaan onderwijzen : belastingheffing tegen het volle tarief (art. 20, ov.). |
5. Andere pensioenen dan bedoeld onder nr. 3.
Vrijstelling (art. 18, ov.). | Belastingheffing tegen het volle tarief (art. 18, ov.). |
6. Bezoldigingen van beheerders en commissarissen van vennootschappen.
Belastingheffing volgens het gemeen recht. Evenwel vrijstelling van de bezoldigingen toegekend voor de uitoefening van wezenlijke en vaste werkzaamheden in een Nederlandse inrichting, die de last van de bezoldigingen draagt (art. 16, ov.). | Vrijstelling. Evenwel belastingheffing tegen het volle tarief van de bezoldigingen toegekend voor de uitoefening van wezenlijke en vaste werkzaamheden in een Belgische vaste inrichting, die de last van de bezoldigingen draagt (art. 16, ov.). |
7. Baten van vrije beroepen (meerwaarden uit de vervreemding van roerende goederen en uit de vervreemding van een vast middelpunt inbegrepen).
Belastingheffing in de mate dat de baten kunnen worden toegerekend aan werkzaamheden die door middel van een vast middelpunt in België worden uitgeoefend (art. 14 en 13, § 2, ov.). | Vrijstelling indien de baten kunnen worden toegerekend aan werkzaamheden die door middel van een vast middelpunt in Nederland worden uitgeoefen; belastingheffing tegen het volle tarief in het andere geval (art. 14 en 13, § 2, en 24, § 2, 1°, ov.). |
8. Inkomsten van beroepsartiesten en sportbeoefenaars.
Gemeen recht (art. 17, ov.). | Vrijstelling (art. 17 en 24, § 2, 1°, ov.). |
D. Diversen
1. Niet sub A en C, 1, 2, of 7, bedoelde meerwaarden.
Vrijstelling (art. 13, § 4, ov. en punt VIII, Prot.). | Belastingheffing volgens het gemeen recht, behalve over meerwaarden verkregen door een Nederlands onderdaan uit de vervreemding van bepaalde aandelen, en op bepaalde voorwaarden, in een Nederlandse vennootschap (art. 13, §§ 4 en 5, ov. – punt VIII, Prot.). |
2. Toelagen aan studenten en leerlingen.
Vrijstelling van de toelagen die hun oorsprong in België niet hebben en toegekend worden aan studenten of leerlingen die uitsluitend voor hun onderwijs of hun opleiding in België verblijven (art. 21, ov.). | Gemeen recht voor de toelagen van Belgische oorsprong toegekend aan studenten of leerlingen die uitsluitend voor hun onderwijs of in Nederland verblijven (art. 21, ov.). |
3. Inkomstenbestanddelen die niet uitdrukkelijk in de overeenkomst zijn vermeld.
Vrijstelling (art. 22, ov.). | Gemeen recht (art. 22, ov.). |
III. – Nadere toelichting en wijze van uitvoering van sommige bepalingen.
A. Bepaling van sommige begrippen uit de overeenkomst.
1° Persoon en inwoner.
1. In haar geheel is de ov. van toepassing op natuurlijke personen en op vennootschappen die op grond van de nationale wetgeving van België of Nederland worden geacht inwoner te zijn van een van deze Staten (art. 1 en 4, § 1, ov.).
Het woord « vennootschap » omvat (art. 3, § 1, 3°, ov.) :
- elke rechtspersoon ;
- elk ander lichaam zonder rechtspersoonlijkheid dat in de Staat waarvan het inwoner is als een rechtspersoon wordt behandeld voor de heffing van de inkomsten- of vermogensbelastingen ;
- elke maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap, naar Nederlands recht ; die verenigingen bezitten de rechtspersoonlijkheid niet en worden door de Nederlandse belastingwetgeving niet als rechtspersonen behandeld.
2. Wanneer een persoon (natuurlijke persoon of vennootschap in de hierboven aangegeven zin) terzelfder tijd inwoner is van België en van Nederland, moet zijn fiscale woonplaats voor de toepassing van de overeenkomst in een van de twee Staten worden gesitueerd volgens de hierna volgende criteria
- voor een natuurlijke persoon gelden achtereenvolgens als criterium het duurzaam tehuis, het middelpunt van de levensbelangen, het gewoonlijk verblijf en de nationaliteit ; indien deze criteria geen uitsluitsel geven voor de lokalisatie van de fiscale woonplaats, wordt de zaak opgelost door onderling overleg tussen de administraties van beide Staten (art. 4, § 3, ov.). ;
- voor een vennootschap wordt de fiscale woonplaats bepaald door de plaats van haar werkelijke leiding (art. 4, § 4) ;
- voor ondernemingen van zeescheepvaart of binnenvaart, waarvan de plaats van de werkelijke leiding zich aan boord van een schip bevindt, moet deze plaats worden gesitueerd in de Staat waar het schip zijn thuishaven heeft, of, indien er geen thuishaven is, in de Staat waarvan de exploitant een inwoner is (art. 8, § 3, ov.).
Personen die op grond van andere overeenkomsten de exceptie van fiscale woonplaats genieten : Internationale en Europese ambtenaren.
3. Volgens punt II, Prot., betekent de uitdrukking « ingevolge de wetten van die Staat » welke in art. 4, § 1, ov., voorkomt, de wetten van die Staat zoals ze in verband met de belastingplichtigheid van sommige personen door internationale verdragen zijn gewijzigd of aangevuld.
Deze precisering beoogt in hoofdzaak de ambtenaren en andere personeelsleden van internationale (o.a. de Europese) instellingen, die krachtens de bepalingen van een internationaal verdrag onder de exceptie van fiscale woonplaats vallen, d.w.z. dat zij worden geacht hun fiscale woonplaats niet te hebben in het land waar zij in feite zijn gevestigd. (Voorbeeld : de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen op wie art. 14 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese gemeenschappen van toepassing is – zie W.I.B., Deel V, 3, bijlage XVI).
De in België gevestigde internationale en Europese ambtenaren en beambten die aldus voor de toepassing van de Belgische belastingen niet als rijksinwoner worden behandeld, kunnen dus evenmin als inwoner van België voor de toepassing van de Belgisch-Nederlandse overeenkomst worden beschouwd.
Indien die ambtenaren en beambten evenwel op grond van de bepalingen van het verdrag, waaraan zij hun bijzondere status ontlenen, moeten worden geacht hun fiscale woonplaats in Nederland te hebben, kunnen zij, wat hun inkomsten uit Belgische bronnen betreft, de vrijstellingen of verminderingen van Belgische belasting genieten, waarin de overeenkomst van 19 oktober 1970 voorziet, op voorwaarde dat zij dezelfde formaliteiten vervullen als de gewone verblijfhouders van Nederland.
Beperkt gevolg van de verdragsdefinitie van de uitdrukking « inwoner ».
4. Indien een belastingplichtige op grond van de bepalingen van het W.I.B. wordt beschouwd als hebbende zijn fiscale woonplaats in België doch voor de toepassing van de overeenkomst volgens de bepalingen van art. 4 als inwoner van Nederland moet worden aangemerkt, mag België geen belasting heffen over inkomsten die de overeenkomst alleen in de domiciliestaat (in casu Nederland) belastbaar stelt.
Daarentegen blijft de betrokken belastingplichtige onderworpen aan de Belgische wetgeving van gemeen recht met betrekking tot :
- de inkomsten waarvoor de overeenkomst het recht van belastingheffing in België (als bronstaat) toekent, met dien verstande dat eventueel de door de overeenkomst opgelegde tariefbeperkingen voor dividenden, interest en overdreven royalty’s (zie nrs. 14 tot 24) in acht moeten worden genomen ;
- de inkomsten die uit een derde Staat afkomstig zijn en als dusdanig niet onder de toepassing van de overeenkomst vallen ; indien België met deze derde Staat eveneens een overeenkomst tot vermijding van dubbele belasting heeft gesloten, zal deze overeenkomst ter zake toepasselijk zijn.
2° Belastingen.
5. De ov. is van toepassing op de in art. 2 vermelde belastingen. Zij zal ingevolge art. 2, § 4, ook van toepassing zijn op alle gelijke of in wezen gelijksoortige toekomstige belastingen.
B. Belastingheffing naar de inkomsten.
1° Inkomsten van onroerende goederen. – Beperking van A.O.V.
6. Inkomsten van onroerende goederen zijn belastbaar in de Staat waar die goederen zijn gelegen (art. 6, § 1, ov.). Een gelijkaardige regel geldt ook voor de meerwaarden op onroerende goederen (art. 13, § 1).
De uitdrukking « inkomsten van onroerende goederen » omvat onder meer de winsten van landbouw- en bosbedrijven, alsmede inkomsten uit onroerende goederen van een onderneming of uit onroerende goederen die voor de uitoefening van een vrij beroep worden gebruikt (afwijking van de regel van de vaste inrichting – zie nr. 8 – en van het vast middelpunt).
België heeft dus het recht de inkomsten van alle in België gelegen onroerende goederen te belasten volgens de nationale wetgeving, met eventuele beperking van de A.O.V. (cf. nr. 7). Wanneer die inkomsten ingevolge de Belgische wetgeving als winsten worden aangemerkt, is daarop de B.N.V. ten laste van inwoners van Nederland verschuldigd zo deze laatsten over een Belgische inrichting in de zin van art. 140, § 3, W.I.B. beschikken ; in dat verband wordt aangestipt dat een onroerend goed, zelf wanneer het in huur wordt gegeven, normaal als een dergelijke Belgische inrichting te beschouwen is (zie nrs. 140/13 en 16, Com.I.B.).
Opmerking.
De interesten van hypothecaire meningen die onder het verdrag van 20.2.1933 onder de toepassing van de bepaling betreffende de inkomsten van onroerende goederen vielen ondergaan in de nieuwe ov. de regeling van de interesten (roerende inkomsten) (art. 11, § 5, ov.).
7. Volgens punt III, Prot., moet de A.O.V. voor de aanslagjaren 1972 en 1973 beperkt worden tot het op de Belgische onroerende inkomsten betrekking hebbende deel van de B.N.V. die – zo nodig fictief – op het totale bedrag van de Belgische inkomsten van de betrokken belastingplichtige wordt berekend.
Voor de toepassing van deze beperking wordt verwezen naar nr. 2, circ. 920, betreffende de overeenkomst met Frankrijk (V.1120), die in een gelijkaardige regeling voorziet.
Aangezien de A.O.V. met ingang van het aanslagjaar 1974 wordt afgeschaft (art. 59 en 86, § 1, 2°, W. 25.6.1973, V.1369-B.510), hebben de onderrichtingen in dit verband die voorafgaan, met ingang van dat aanslagjaar, geen uitwerking.
2° Ondernemingswinst.
1. Algemeen beginsel.
8. Winsten van een onderneming van een der staten mogen in de andere Staat slechts worden belast in zoverre zij aan een in die Staat gelegen vaste inrichting kunnen worden toegerekend (art. 7, § 1).
2. Definitie van de vaste inrichting (bijzonderheden).
9. Overeenkomstig art. 5, § 2,7°, ov., maken bouwwerken en constructiewerkzaamheden een vaste inrichting uit indien de uitvoering daarvan meer dan negen maanden duurt.
Volgens art. 5, § 5, ov., wordt de vertegenwoordiger die uitsluitend voor rekening van een of ten hoogste twee verzekeringsondernemingen handelt en gemachtigd is overeenkomsten af te sluiten, niet beschouwd als een werkelijk zelfstandige agent : de aanwezigheid van een zodanige vertegenwoordiger geeft dus ontstaan aan een vaste inrichting van de desbetreffende onderneming(en).
3. Bepaling van de aan de vaste inrichting toe te rekenen winst.
10. De aan de vaste inrichting toe te rekenen winst is die welke de inrichting had kunnen behalen indien zij een onafhankelijke en zelfstandige onderneming was (art. 7, § 2, ov.).
Wanneer evenwel de vaste inrichting, naast haar gewone verrichtingen op gebied van handel of nijverheid, ook goederen aankoopt voor de onderneming waarvan zij afhangt, mogen aan de inrichting geen winsten op die aankopen worden toegerekend (art. 7, § 4, ov.). Als corollarium hiervan zijn kosten in verband met dezelfde aankopen niet aftrekbaar van de belastbare winst van de vaste inrichting.
Kosten van leiding en van algemeen beheer, gemaakt door de hoofdzetel van de onderneming, mogen in mindering van de winst van de vaste inrichting worden gebracht in zoverre zij ten behoeve van deze inrichting werden gedaan (art. 7, § 3, ov.).
Indien geen afdoende gegevens voorhanden zijn om de winst van de vaste inrichting te bepalen, mag de Belgische belasting worden gevestigd op een volgens de Belgische wetgeving bepaalde grondslag. Dit sluit ondermeer de mogelijkheid in, de methode van vergelijking, met inbegrip van de bij art. 146, K.B. tot uitv. W.I.B., bepaalde minima, toe te passen.
4. Onderneming van zee- en luchtvaart en van binnenvaart.
11. In afwijking van de regel van de vaste inrichting zijn :
- winsten uit de exploitatie van schepen en luchtvaartuigen in internationaal verkeer, en
- winsten uit de exploitatie van schepen in de binnenvaart, slechts belastbaar in de Staat waar de exploitant zijn woonplaats heeft (art. 7, § 1, ov.).
Als uitzondering op deze algemene regel geldt dat die winsten echter ook in de andere Staat mogen worden belast, indien de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming in die andere Staat is gelegen (art. 8, § 2, ov. – cf. nr. 2 supra). In dat laatste geval moet de domiciliestaat gezegde winsten vrijstellen op grond van art. 24, ov.
5. Meerwaarden op roerende goederen van een onderneming.
12. Meerwaarden uit de vervreemding van toerende goederen van een onderneming zijn in de regel belastbaar in de Staat waar de vaste inrichting, tot het bedrijfsvermogen waarvan die goederen behoren is gevestigd (art. 13, § 2, ov.).
Daarentegen zijn meerwaarden uit de vervreemding van schepen, luchtvaartuigen en binnenschepen en van roerende goederen die voor de exploitatie daarvan worden gebruikt, in de regel belastbaar in de Staat waar de exploitant zijn woonplaats heeft (art. 13, § 3, 1°, ov.). Deze meerwaarden zijn echter in de andere Staat belastbaar indien de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming in die andere Staat is gelegen ; in dat geval zal dubbele belasting worden voorkomen door toepassing van art. 24 in de domiciliestaat van de exploitant (zie nr. 11 hierboven).
3° Meerwaarden uit de vervreemding van aandelen of winstbewijzen.
13. Meerwaarden uit de vervreemding van aandelen of winstbewijzen die tot het privé-patrimonium van de eigenaar behoren, mogen in beginsel slechts worden belast in de Staat waarvan de vervreemder een inwoner is (art. 13, § 4 en punt VIII, Prot.).
Evenwel mag Nederland een belasting van ten hoogste 20 pct. ten laste van inwoners van België heffen, indien :
a) de vervreemder een Nederlands onderdaan is die in de loop van de vijf jaar vóór de vervreemding inwoner van Nederland is geweest, en
b) de vervreemde aandelen of winstbewijzen in de loop van hetzelfde tijdvak hebben behoord tot een aanmerkelijk belang in een Nederlandse vennootschap op aandelen ; de uitdrukking « aanmerkelijk belang » heeft hier de betekenis die door het Nederlandse interne recht daaraan wordt gegeven (art. 13, § 5, ov.).
4° Belastingheffing van roerende inkomsten in de bronstaat.
1. Roerende inkomsten van Belgische afkomst verkregen door inwoners van Nederland.
a) Dividenden.
14. Ingevolge art. 10, § 2, 2°, ov., moet België de R.V. op dividenden (inkomsten van belegde kapitalen inbegrepen) die door een Belgische vennootschap aan een inwoner van Nederland worden toegekend, in de regel beperken tot 15 pct. van het brutobedrag van die inkomsten.
Dit tarief wordt evenwel verminderd tot 5 pct. van het brutobedrag van de dividenden indien de Nederlandse genieter van de inkomsten een vennootschap op aandelen – d.i. een naamloze vennootschap (n.v.) of een commanditaire vennootschap op aandelen – is die onmiddellijk ten minste 25 pct. bezit van het kapitaal van de Belgische vennootschap die de dividenden uitkeert (art. 10, § 2, 1°, ov.).
Voorwaarde : de deelneming die de dividenden oplevert mag niet behoren tot het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting waarover de genieter van de inkomsten in België zou beschikken (art. 10, § 4, ov.).
Bijzondere voorwaarde voor de beperking tot 5 pct.
15. Uit de combinatie van punt IV van het Protocol en van art. 10, § 2, 1°, ov. volgt dat de R.V. niet tot 5 pct., maar wel tot 15 pct. wordt beperkt indien een Nederlandse vennootschap, die dividenden van Belgische afkomst geniet, in Nederland vennootschapsbelasting verschuldigd is ter zake van die dividenden ; dit is namelijk het geval wanneer het aanhouden van het aandelenbezit als een belegging wordt beschouwd.
Volgens de Nederlandse opvattingen ter zake wordt een aandelenbezit niet als een belegging aangemerkt indien er een zakelijk verband tussen de betrokken lichamen bestaat, d.w.z. wanneer het aanhouden van de deelneming past in het kader van de bedrijfsuitoefening of het aangaan van de deelneming is geschied in het algemeen belang.
Of de Nederlandse vennootschap aan de voorwaarden voldoet om de vermindering van de R.V. tot 5 pct. in plaats van 15 pct. te bekomen, zal in de praktijk normaal door de bevoegde Nederlandse belastinginspecteur worden vastgesteld bij de in het formulier 276 Div.(NL) (zie nr. 16) af te leveren bijkomende bevestiging.
16. De vermindering wordt verleend aan de hand van een aanvraag nr. 176 Div.(NL) (1) en volgens de in circ. 925 bis van 29.1.1968 uiteengezette procedure.
------
(1) Deze formulieren worden in België kosteloos afgeleverd door de Documentatiedienst der directe belastingen, Belliardstraat 45, 1040 Brussel en in Nederland, bij het Ministerie van Financiën, Directie Organisatie van de Belastingdienst, te ’s-Gravenhage.
b) Interest.
Algemene regel : beperking van R.V. tot 10 pct.
17. Wat betreft het normale bedrag van interest van Belgische afkomst (interest van hypothecaire schuldvorderingen inbegrepen) die aan een inwoner van Nederland wordt toegekend, moet België de R.V. tot 10 pct. van het brutobedrag van de interest beperken, indien de genieter in België niet beschikt over een vaste inrichting waartoe de lening, de schuldvordering of het deposito, uit hoofde waarvan de interest verschuldigd is, behoort (art. 11, §§ 2 en 6, ov.).
Bijzonder geval : vrijstelling van R.V. op interest toegekend aan een Nederlandse onderneming.
18. Bij toepassing van art. 11, §§ 3, 4, 6 en 8, ov., is normale interest van Belgische afkomst, toegekend aan een onderneming die door een inwoner van Nederland wordt gedreven, vrijgesteld van Belgische belasting. Vrijstelling geldt echter niet :
a) wanneer het interest van obligaties (op naam of aan toonder) of van andere effecten van leningen (overheidsfondsen, kasbons, schatkistcertificaten, enz.) betreft ; handelspapier dat handelsschuldvorderingen vertegenwoordigt wordt niet als een effect beschouwd ; of
b) wanneer de interest door een Belgische vennootschap op aandelen of een personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid wordt toegekend aan een zodanige vennootschap (naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of commanditaire vennootschap op aandelen) die inwoner is van Nederland, indien een van beide vennootschappen onmiddellijk ten minste 25 pct. van het kapitaal van de andere vennootschap bezit ; of
c) wanneer de lening, de schuldvordering of het deposito, uit hoofde waarvan de interest verschuldigd is, tot het bedrijfsvermogen behoort van een vaste inrichting welke de verkrijger van de inkomsten in België zou uitbaten.
Interest geldt als zijnde toegekend aan een onderneming indien hij deel uitmaakt van de winsten van enig handels- of nijverheidsbedrijf.
19. Op normale interest, waarop de vrijstelling van R.V. geen toepassing vindt doordat hij verschuldigd is uit hoofde van obligaties of andere in effecten belichaamde schuldvorderingen of doordat hij door een Belgische dochtervennootschap aan een Nederlandse moedervennootschap wordt betaald, is de R.V. tegen 10 pct. verschuldigd, mits de vordering niet tot het bedrijfsvermogen van een Belgische vaste inrichting van de genieter behoort.
20. De vrijstelling of vermindering van R.V. wordt verleend aan de hand van een aanvraag nr. 276 Int.(NL) (1) en van de daarin voorkomende bevestiging(en) van de bevoegde Nederlandse belastinginspecteur ; voor de wijze van berekening en de te volgen procedure wordt naar circ. 925 bis verwezen, onder voorbehoud van de hierna volgende bijzonderheid.
------
(1) Cf. voetnoot onder nr. 16
21. Wanneer interest van Belgische belasting is vrijgesteld omdat hij aan een Nederlandse onderneming wordt toegekend, zal de vrijstelling normaal, dadelijk bij de bron worden verleend. Indien de R.V. werd gestort dient aan de genieter van de interest het bedrag van de werkelijk geïnde belasting te worden terugbetaald, ongeacht of de schuldenaar de belasting heeft ingehouden dan wel te zijnen laste heeft genomen ; dus alleen in het geval dat de R.V. tegen het normale tarief van 20 pct. werd geheven, is het terug te betalen bedrag gelijk aan een vierde (20/80) van de netto-interest.
Indien de R.V. ingevolge art. 11, § 2, ov. tot 10 pct. van de bruto-interest moet worden beperkt, dient aan de genieter in beginsel 10 pct. van de bruto-interest, namelijk 10/80 of 12,5 pct. van de netto-interest, te worden terugbetaald, behalve wanneer de interest op grond van het gemeen recht is vrijgesteld. Deze regeling geldt evenzeer voor interest van leningen die werden uitgegeven of van overeenkomsten die werden afgesloten vóór 1.12.1962 als voor interest van leningen of overeenkomsten welke na die datum tot stand zijn gekomen. De teruggaaf van belasting op interest van leningen of overeenkomsten die vóór 1.12.1962 zijn uitgegeven, resp. afgesloten mag in geen enkel geval hoger zijn dan het bedrag van de werkelijk gestorte R.V. : deze beperking moet toepassing vinden in alle gevallen waarin het tarief van de R.V. volgens het gemeen recht 6 pct. (interest voorheen vrijgesteld van M.B.) of 8 pct. (interest voorheen onderworpen aan de M.B. tegen 2 pct. of 2,4 pct.) bedraagt.
c) Royalty’s.
22. Royalty’s van Belgische afkomst voor het gebruik of het recht van gebruik van lichamelijke of onlichamelijke roerende goederen, toegekend aan een inwoner van Nederland, zijn tot hun normale bedrag vrijgesteld van R.V., indien het recht of het goed dat de royalty’s oplevert, niet behoort tot het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting waarover de genieter hier te lande zou beschikken (art. 12, §§ 1, 3 en 4, ov.).
23. De te volgen procedure is analoog met die welke hierboven onder de nrs. 16 en 20 voor dividenden en interest is aangegeven. De vrijstelling van royalty’s mag echter normaal bij de bron worden verleend.
De genieter van de royalty’s moet een aanvraag in tweevoud indienen door middel van een formulier 276 R(NL) (1). Dit formulier legt hij ter waarmerking voor aan de Nederlandse belastingdienst van zijn gebied en stuurt het vervolgens of wel aan de Belgische schuldenaar van de royalty’s ten laatste binnen 10 dagen na de vervaldag na de vervaldag van de royalty’s (om de inhouding van R.V. te voorkomen), of wel aan de Hfd.cr. te Sint-Joost-ten-Node 1 (om teruggaaf van de bij de bron ingehouden R.V. te bekomen).
------
(1) Cf. voetnoot onder nr. 16
d) Bovenmatig deel van interest en royalty’s
24. Indien tussen de schuldenaar en de genieter of tussen hen beiden en derden enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bestaat en het bedrag van de interest of de royalty’s hoger is dan het bedrag dat in normale omstandigheden zou zijn overeengekomen, mag België op het deel van de betalingen dat overdreven voorkomt, de bepalingen van zijn wetgeving toepassen, wat insluit dat dit deel desvoorkomend op grond van de art. 24 en 50, W.I.B., aan de belastbare winst van de schuldenaar dient te worden toegevoegd (zie ook in art. 9, ov.). de R.V. moet evenwel worden beperkt tot de percenten die voor dividenden bepaald zijn (zie nr. 14).
2. Roerende inkomsten van Nederlandse afkomst verkregen door inwoners van België.
a) Dividenden.
25. Ingevolge art. 10, §§ 2 en 4, ov., moet de Nederlandse dividendbelasting worden beperkt tot :
- 15 pct. (algemene regel) ;
- 5 pct. indien de genieter van de dividenden een Belgische vennootschap op aandelen is (naamloze vennootschap of commanditaire vennootschap op aandelen), die onmiddellijk ten minste 25 pct. van het kapitaal van de Nederlandse vennootschap bezit. Punt IV van het Protocol blijft te dien aanzien zonder uitwerking voor de aanslagjaren 1972 en 1973 ; met ingang van het aanslagjaar 1974 zal de vrijstelling van de Ven.B. in België evenwel worden beperkt tot dividenden van vaste deelnemingen (W. 25.6.1973, V.1369-B. 510), zodat Nederland de bronheffing van 15 pct. zal mogen toepassen op dividenden van niet vaste deelnemingen die Belgische vennootschappen bezitten.
Geen beperking geldt, indien de aandelen ter zake waarvan de dividenden worden betaald, behoren tot een vaste inrichting waarover de Belgische genieter in Nederland zou beschikken.
b) Interest.
26. Volgens de bewoordingen van de overeenkomst wordt de interest van Nederlandse afkomst verkregen door inwoners van België in de regel in Nederland aan een belasting van 10 pct. onderworpen (art. 11, § 2, ov.) ; hij is vrijgesteld van Nederlandse belasting indien de genieter een Belgische onderneming is en de interest niet voortkomt van obligaties of andere effecten van leningen ; er wordt evenwel geen vrijstelling verleend voor interest door een Nederlandse vennootschap op aandelen – d.i. een naamloze vennootschap of een commanditaire vennootschap op aandelen – of door een Nederlandse besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid toegekend aan een Belgische vennootschap op aandelen of personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid, indien een van de twee vennootschappen onmiddellijk ten minste 25 pct. van het kapitaal van de andere vennootschap bezit (art. 11, §§ 3 en 4, ov.).
De vrijstelling of de beperking geldt slechts voor het normale bedrag van de interest en mits de vordering, die de interest oplevert, niet tot een in Nederland gelegen inrichting van de Belgische genieter behoort (art. 11, § 6, ov.).
27. Volgens de huidige Nederlandse belastingwetgeving wordt de Nederlandse bronbelasting alleen geheven over interest van winstdelende obligaties. Er is dus geen aanleiding tot een bijzondere procedure om de in de overeenkomst neergelegde tariefbeperking van de Nederlandse belasting op interest van andere obligaties of vorderingen of om de vrijstelling van belasting op interest die door Belgische ondernemingen wordt verkregen, te genieten.
Wijze waarop de vrijstelling of vermindering van Nederlandse belasting op dividenden en interest wordt verleend.
28. De Nederlandse dividendbelasting, welke in de vorm van een bronheffing op dividenden en op interest van winstdelende obligaties wordt geheven, bedraagt 25 pct. van het brutobedrag van de inkomsten.
Dividenden – behalve dividenden uit een onmiddellijke deelneming van ten minste 25 pct. – en interest van winstdelende obligaties.
Beperking bij de bron.
29. In Nederland wordt de vermindering van de bronbelasting « dividendbelasting » (tot 15 pct. voor dividenden en tot 10 pct. voor interest van winstdelende obligaties) in de regel bij de betaling van de inkomsten verleend. De teruggaafmethode geldt slechts in uitzonderingsgevallen.
Om de beperking van de Nederlandse dividendbelasting dadelijk bij de betaling van de inkomsten te bekomen moet de genieter van de inkomsten een verklaring « Inkomstenbelasting nr. 92 B » (1) invullen en ondertekenen. Hij bezorgt de twee exemplaren aan de Belgische belastingdienst van zijn gebied ; nadat hij een gewaarmerkt exemplaar van de verklaring van de voormelde dienst heeft terugontvangen, legt hij dit over bij het innen van de opbrengst van zijn aandelen, winstbewijzen of winstdelende obligaties.
------
(1) Cf. voetnoot onder nr. 16
Teruggaaf van de teveelgehevendividendbelasting.
30. Indien een inwoner van België overeenkomstig de voorgaande procedure zijn aanspraak op beperking niet heeft kunnen geldend maken, kan hij van de te veel ingehouden dividendbelasting teruggaaf bekomen. Hij dient daartoe in tweevoud een ingevulde en ondertekende verklaring « Inkomstenbelasting nr. 92 B » (1) in bij de belastingdienst een gewaarmerkt exemplaar aan de Belgische genieter heeft terugbezorgd stuurt deze laatste, onder toevoeging van de dividendnota, dat exemplaar :
- indien de inkomsten in Nederland werden betaald, aan de persoon die de inkomsten heeft betaald, aan de persoon die de inkomsten heeft betaald, die op zijn beurt de stukken doorstuurt naar de Inspecteur der Vennootschapsbelasting, Wibautstraat 2-4, te Amsterdam ;
- indien de inkomsten niet in Nederland werden betaald, rechtstreeks aan voornoemde Inspecteur der vennootschapsbelasting.
------
(1) Cf. voetnoot onder nr. 16
Dividenden uit een onmiddellijke deelneming van ten minste 25 pct.
31. Voor het verkrijgen van de vermindering is geen bijzonder formulier voorgeschreven en de Belgische vennootschap heeft de keuze in het volgen van de methode van de vermindering bij de bron, dan wel de teruggaafmethode.
Om de vermindering bij de bron te bekomen kan de Belgische vennootschap zich wenden tot de Nederlandse vennootschap die de dividenden uitkeert en die een verzoek om ontslagen te worden van de inhouding tegen een tarief dat 5 pct. te boven gaat bij de inspecteur der vennootschapsbelasting van haar gebied kan indienen.
Om de teruggaaf van de te veel ingehouden dividendbelasting te bekomen kan de Belgische vennootschap op aandelen daartoe, langs de Nederlandse vennootschap die de dividenden heeft betaald om, een verzoek te richten tot de inspecteur der vennootschapsbelasting binnen wiens ambtsgebied die Nederlandse vennootschap is gevestigd.
32. De inwoners van België (natuurlijke personen of rechtspersonen) die hun aanspraak op teruggaaf van dividendbelasting niet overeenkomstig de nrs. 30 en 31 geldend hebben kunnen maken, kunnen zich wenden tot de inspecteur der vennootschapsbelasting, Wibautstraat nr. 2-4, te Amsterdam, met het verzoek voor hen een bijzondere regeling te treffen.
Er wordt aangeraden de verzoeken om teruggaaf zo spoedig mogelijk te doen en alleszins binnen een termijn van twee jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belasting is geheven (Punt VII, Prot.).
Zo nodig, kunnen de inwoners van België eveneens een verzoek indienen bij de Belgische administratie der directe belastingen, overeenkomstig de regeling en binnen de speciale termijn van twee jaar waarin art. 26, § 1, ov., voorziet.
c) Royalty’s.
33. Royalty’s van Nederlandse afkomst verkregen door inwoners van België zijn tot een normaal bedrag van Nederlandse belasting vrijgesteld, indien het recht of het goed dat de royalty’s oplevert niet tot het bedrijfsvermogen behoort van een vaste inrichting waarover de Belgische genieter in Nederland zou beschikken (art. 12, §§ 1, 3 en 4, ov.).
34. Daar in Nederland geen bronbelasting wordt geheven op royalty’s, geeft de toepassing van de overeenkomst aldaar voor zulke inkomsten geen aanleiding tot bijzondere maatregelen.
d) Bovenmatig deel van interest en royalty’s.
35. Het deel van interest of van royalty’s dat overdreven voorkomt in de zin van de art. 11, § 8, en 12, § 4, ov., mag, wanneer het door een Nederlandse inwoner aan een inwoner van België wordt toegekend, overeenkomstig de Nederlandse wetgeving worden belast. Indien dat deel evenwel als een dividend wordt beschouwd voor de toepassing van de Nederlandse belastingen, moet de belasting welke daarop ten laste van de inwoner van België wordt ingehouden, in elk geval worden beperkt tot de tarieven die voor dividenden bepaald zijn (zie nr. 25).
5° Lonen en salarissen uit de particuliere sector.
36. Als algemene regel geldt, dat lonen en salarissen uit een dienstbetrekking bij een werkgever uit de particuliere sector belastbaar zijn in de Staat waar de werkzaamheden worden verricht (art. 15, § 1, ov.).
Deze regel kent drie uitzonderingen :
a) werknemers, inwoners van een Staat, die slechts tijdelijk in de andere Staat werkzaamheden verrichten gedurende ten hoogste 183 dagen in de loop van een kalenderjaar, zijn in hun domiciliestaat belastbaar, op voorwaarde dat de lonen of salarissen niet worden betaald door of namens een werkgever die in die andere Staat is gevestigd of niet als zodanig ten laste komen van een in die Staat gelegen vaste inrichting (art. 15, § 2, ov.) ;
b) grensarbeiders zijn belastbaar in de Staat waarvan zij inwoner zijn (art. 15, § 3, 1°, ov. – zie nrs. 37 tot 47) ;
c) werknemers die hun werkzaamheden verrichten aan boord van een schip of luchtvaartuig in internationaal verkeer, of aan boord van een binnenschip, zijn ter zake van hun lonen of salarissen belastbaar in de Staat waarvan zij inwoner zijn (art. 15, § 3, 2°, ov.).
Grensarbeiders.
Algemeen.
37. Lonen, salarissen en andere beloningen van personen die in de grensstreek van een Staat werken en hun duurzaam tehuis in de grensstreek van de andere Staat hebben, waar zij gewoonlijk of ten minste eenmaal per week terugkeren, zijn slechts in die andere Staat belastbaar (art. 15, § 3, 1°, ov.).
38. De grensarbeidersregeling is evenwel niet van toepassing op personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten en na 1 januari 1970 hun woonplaats van Nederland naar België hebben overgebracht (Punt XI, Prot.). Indien die personen in Nederland in dienstverband werken, zijn zij over ’t algemeen in Nederland belastbaar (art. 15, § 1, ov.).
Het bovenstaande geldt ook :
- personen van Nederlandse nationaliteit die na 1 januari 1970 hun woonplaats van Nederland naar België hebben overgebracht, en eerst een zeker tijd in België werkzaam zijn geweest alvorens hun werkzaamheid in de Nederlandse grensstreek te gaan uitoefenen ;
- personen van Nederlandse nationaliteit die na 1 januari 1970 hun woonplaats via een derde land van Nederland naar België hebben overgebracht.
Het geldt echter niet voor personen die na 1 januari 1970 hun woonplaats van Nederland naar België hebben overgebracht en die de Belgische nationaliteit verkrijgen (en in verband daarmede de Nederlandse nationaliteit hebben verloren) ; vanaf het ogenblik dat zij de Nederlandse nationaliteit niet meer bezitten moeten die personen de in artikel 15, § 3, 1°, voorziene regeling ondergaan.
In tegenstelling met wat in de ov. van 20.2.1933 was bepaald is de nationaliteit behoudens voor wat wordt vermeld onder nr. 38 hierboven, niet meer van betekenis bij het beoordelen of een werknemer al dan niet grensarbeider is in de zin van de ov.
39. Onder grensarbeiders vallen ook niet beheerders, bestuurders en commissarissen van vennootschappen, artiesten en sportbeoefenaars en personen in overheidsdienst (art. 16, 17 en 19, ov.).
Grensstreek.
40. De grensstreek van Nederland is het gebied dat ten zuiden wordt begrensd door de Nederlands-Belgische grens en ten noorden door Grevelingen, Krammer, Volkerak, Hollandsch Diep, Dodtsche Kil, Merwede, Maas tot Gennep, spoorlijn van Gennep naar het oosten tot aan de Duitse grens ; ze is dus niet gewijzigd t.o.v. de ov. van 20.2.1933 (punt IX, a, Protocol).
De grensstreek van België is het gebied dat ten noorden wordt begrensd door de Belgisch-Nederlandse grens en ten zuiden door een denkbeeldige kortste lijn die de volgende gemeenten verbindt : Oostende, Brugge, Tielt, Oudenaarde, Aalst, Mechelen, Leuven, Tienen, Landen, Borgworm (Waremme), Luik (Liège), Verviers, Eupen, Raeren ; zij is dus onder de nieuwe ov. niet meer zo uitgestrekt als onder de ov. van 1933 (punt IX, b, Protocol). De gemeenten die door de bovengenoemde denkbeeldige lijn worden doorsneden, worden geacht in hun geheel tot de grensstreek te behoren. Om ter zake alle misverstand en twijfel te vermijden, wordt in bijlage de lijst medegedeeld van de gemeenten, die tot de grensstreek van beide landen behoren.
Belgische grensarbeiders die in Nederland werken.
41. Belgische grensarbeiders zijn de loontrekkers die, ongeacht hun nationaliteit, in de Nederlandse grensstreek werken en die hun duurzaam tehuis in de Belgische grensstreek hebben, waar zij gewoonlijk dagelijks of ten minste eenmaal per week terugkeren (zie evenwel de afwijkingen waarvan sprake onder nr. 38). Hun salarissen, lonen en andere beloningen zijn vrijgesteld van Nederlandse belastingen.
De Nederlandse werkgever van de Belgische grensarbeider mag de inhouding van Nederlandse belasting achterwege laten op grond van een door de Nederlandse inspecteur der belastingen gewaarmerkte « Inkomstenbelasting nr. 90 a België » (1).
------
(1) Deze formulieren worden in Nederland kosteloos afgeleverd door de Nederlandse belastingkantoren.
42. Om zijn hoedanigheid van grensarbeider aan te tonen gaat de Belgische werknemer als volgt tewerk. Hij vraagt zijn Nederlandse werkgever om een verklaring in tweevoud, te stellen in vak I van de grensarbeiders « Inkomstenbelasting nr. 90 a België ». Hij vult daarna vak II in, ondertekent zijn verklaring en levert het formulier in bij de bevoegde ambtenaar van de Belgische belastingdienst van zijn woonplaats. Deze ambtenaar bevestigt op het eerste exemplaar dat de in de verklaring vermelde woonplaats van de werknemer juist is en dat deze de hoedanigheid van grensarbeider bezit, bezorgt dit exemplaar terug aan de werknemer en behoudt het tweede exemplaar. De werknemer levert vervolgens het eerste exemplaar in bij de bevoegde Nederlandse inspecteur der belastingen die daarop machtiging verleent om de inhouding van de loonbelasting achterwege te laten en het exemplaar teruggeeft aan de werknemer die het aan zijn werkgever afgeeft om het bij de loonstaat te voegen.
43. Als regel geldt dat de grensarbeidersverklaring « Inkomstenbelasting nr. 90 a België » om de drie jaar moet worden vernieuwd. De grensarbeidersverklaringen die onder de werking van het verdrag van 1933 werden afgeleverd dienden ten laatste op 1.11.1972 door een verklaring « Inkomstenbelasting nr. 90 a België » te worden vervangen.
Nederlandse grensarbeiders die in België werken.
44. Nederlandse grensarbeiders zijn de loontrekkers die, ongeacht hun nationaliteit, in de Belgische grensstreek werken en die hun duurzaam tehuis in de Nederlandse grensstreek hebben waar zij gewoonlijk dagelijks of ten minste eenmaal per week terugkeren. Hun lonen, salarissen en ander beloningen zijn vrijgesteld van Belgische belastingen.
45. Om de vrijstelling van Belgische belastingen bij de bron te kunnen genieten, vraagt de Nederlandse grensarbeider aan zijn Belgische werkgever een verklaring in tweevoud nr. 276 Grens (NL) of nr. 276 Front(NL) (1), naargelang die werkgever in het Nederlandse of in het Franse taalgebied van België is gevestigd. Nadat hij vak I van dat formulier heeft ingevuld, levert de werknemer de twee exemplaren in bij zijn werkgever, die vak II invult en beide exemplaren aan de werknemer terugbezorgt. Deze laatste geeft vervolgens beide exemplaren af aan de inspecteur der belastingen van zijn gebied in Nederland. Deze ambtenaar brengt hierop in vak III de vereiste verklaring aan, behoudt het eerste exemplaar van het formulier en bezorgt het tweede exemplaar aan de werknemer terug die het aan zijn Belgische werkgever overhandigt. Deze laatste voegt het bij de loonopgave waarop de grensarbeider voorkomt en vermeldt op die opgave « Nederlandse grensarbeider».
Op grond van de in dit exemplaar voorkomende verklaring van de Nederlandse inspecteur der belastingen mag de Belgische werkgever ervan afzien de bedrijfsvoorheffing op de beloningen van de betrokken grensarbeider in te houden en aan de Schatkist te storten.
------
(1) Deze formulieren worden in België kosteloos afgeleverd door de Belgische belastingkantoren uit de grensstreek.
46. Het verzoek moet elk jaar tijdig hernieuwd worden opdat het tweede exemplaar met de verklaring van de belastinginspecteur van het ambtsgebied over de woonplaats van de grensarbeider bij de werkgever kan toekomen vóór de eerste loonbetaling van het jaar. Een nieuw verzoek moet bovendien worden ingediend wanneer de werknemer in de loop van het jaar bij een andere werkgever in dienst treedt en de hoedanigheid van grensarbeider behoudt.
Bij wijze van uitzondering zal de voor 1972 afgeleverde grensarbeidersverklaring nr. 276 Grens (NL) of 276 Front (NL) ook voor het jaar 1973 gelden.
47. Vóór 1 februari van elk jaar dienen de Belgische werkgevers die grensarbeiders, inwoners van Nederland, tewerkstellen hun samenvattende opgaven nr. 325.10 en de loonfiches nr. 281.10 voor de leden van hun personeel (grensarbeiders of niet) bij de Belgische belastingdiensten in ; de fiches die betrekking hebben op grensarbeiders, inwoners van Nederland, dienen duidelijk de vermelding Nederlandse grensarbeider» te dragen.
6° Beloningen en pensioenen uit de overheidssector.
Algemeen.
48. In beginsel zijn beloningen en pensioenen die door een Staat of een staatkundig onderdeel van die Staat worden betaald, slechts in die Staat belastbaar (art. 19, § 1, ov.).
Afwijkingen.
49. De regel van de belastingheffing in de Staat die de beloningen of pensioenen uitkeert, is niet van toepassing :
- indien de genieter, de nationaliteit bezit van de andere Staat en niet tevens de nationaliteit bezit van de Staat die de inkomsten betaalt (art. 19, § 1, lid 2, ov.) ;
- indien de beloningen of pensioenen worden betaald wegens diensten die de genieter verricht of vroeger heeft verricht, in verband met een op winst gericht bedrijf uitgeoefend door de schuldenaar van de inkomsten (art. 19, § 2, ov.).
In beide gevallen is op de desbetreffende beloningen en pensioenen de regeling van art. 15 of 18 van toepassing.
7° Artiesten en sportbeoefenaars.
50. Beroepsartiesten en sportbeoefenaars die inwoners zijn van Nederland, zijn in België belastbaar op de inkomsten die zij behalen uit in België uitgeoefende werkzaamheden, ongeacht of zij in dienstverband werken dan wel zelfstandig (art. 17, ov.).
Deze regel wijzigt dus de regeling voorzien door het oude verdrag van 1933 dat bepaalde dat zelfstandige artiesten slechts belastbaar waren in hun woonstaat, behalve indien zij voor de uitoefening van hun bedrijfsactiviteiten in de andere Staat over een vaste inrichting beschikten. De inkomsten van zelfstandige Nederlandse artiesten en sportbeoefenaars moeten dus voortaan zowel als die van niet-zelfstandige aan de B.V. onderworpen worden.
8° Particuliere pensioenen en andere sociale uitkeringen.
51. Particuliere pensioenen en andere sociale uitkeringen die aan inwoners van Nederland worden betaald ter zake van een vroeger - in de particuliere sector - uitgeoefende dienstbetrekking, zijn uitsluitend in Nederland belastbaar (art. 18, ov.) ; zij zijn derhalve vrijgesteld van Belgische belastingen, met inbegrip van de B.V.
Anderzijds zijn pensioenen en andere uitkeringen van dezelfde aard als de hierboven bedoelde, wélke inwoners van België uit Nederlandse bronnen verkrijgen, in België belastbaar ; zij moeten dus de P.B. in de voorwaarden van het gemeen recht ondergaan.
C. Vermijding van dubbele belasting in België.
52. Dubbele belastingheffing van inkomsten die door een inwoner van België uit Nederlandse bronnen worden verkregen en volgens de overeenkomst in Nederland mogen worden belast, wordt op de gebruikelijke wijze vermeden. De ter zake geldende regelen worden hierna bondig toegelicht.
1° Dividenden verkregen door een natuurlijke persoon (art. 24, § 2, 2°, ov.).
53. Het F.B.B. wordt tegen het tarief van het gemeen recht verrekend.
2° Dividenden verkregen door een vennootschap (art. 24, § 2, 3° en 4°, ov.).
54. In België zijn de Nederlandse dividenden in beginsel aan de regeling van het gemeen recht onderworpen ; normaal zijn zij op grond van hun incassering aan de R.V. van 10 pct. onderworpen en zijn zij daarna vrijgesteld van Ven.B. en, wanneer zij door de Belgische vennootschap worden weder uitgekeerd, van de R.V. (art. 24, § 2, 3°, ov.).
55. Belgische vennootschappen die de aanslag van hun winsten in de P.B. niet hebben gekozen kunnen echter desgewenst, ingevolge art. 24, § 2, 4°, ov., de R.V. van 10 pct. op grond van de incassering ontgaan met betrekking tot dividenden van aandelen of delen die zij gedurende het volledige boekjaar van de uitdelende Nederlandse vennootschap in uitsluitende eigendom hebben gehad. De Nederlandse dividenden die vrij van R.V. worden geïnd, blijven tot hun nettobedrag van Ven.B. vrijgesteld, doch moeten dan later de R.V. ondergaan wanneer zij door de Belgische vennootschap worden uitgekeerd (afwijking van art. 169, 2° en 3°, W.I.B.).
Wat betreft de dividenden die begrepen zijn in de winst van de aanslagjaren 1972 en 1973, mag de vrijstelling van R.V. op inkomende dividenden slechts worden toegekend voor die waar voor de vennootschap een schriftelijke aanvraag heeft gedaan binnen de termijn, die voor het indienen van haar aangifte in de Ven.B. is voorgeschreven. Voor de toepassing van deze bepaling wordt verwezen naar de nrs. 15 en 16, circ. van 16.4.1968, nr. Ci.R9S/244.214.
56. Met ingang van het aanslagjaar 1974, zullen enkel de dividenden voortkomend uit vaste deelnemingen die Belgische vennootschappen in het kapitaal van Nederlandse vennootschappen bezitten, vrijgesteld zijn van de Ven.B. ten belope van hun nettobedrag (90 of 95 pct. van het werkelijk verkregen bedrag na buitenlandse belasting - verhoogd met de fictieve R.V. van 5 pct.) (W. 25.6.1973 - V.1369 - B.510). De dividenden uit niet vaste deelnemingen zullen aan de Ven.B. worden onder worpen maar zij zullen aanleiding geven tot verrekening van het F.B.B. volgens het gemeen recht.
Aangezien bovendien de R.V. niet meer zal verschuldigd zijn op inkomende buitenlandse dividenden verkregen door buitenlandse vennootschappen, zal art. 24, § 2, 4°, ov., dat onder bepaalde voorwaarden in de facultatieve vrijstelling van R.V. voorziet, automatisch van toepassing zijn.
3° Interest (art. 24, § 2, 2°, ov.).
57. Het F.B.B wordt overeenkomstig het gemeen recht verrekend op voorwaarde dat de genieter aantoont dat deze inkomsten in Nederland werkelijk werden belast. Geen verrekening van F.B.B. wordt toegestaan met betrekking tot intrest waarover geen Nederlandse belasting werd geheven ; dit zal het geval zijn voor andere interest dan interest van winstdelende obligaties.
4° Andere inkomsten (art. 24, § 2, 1°, ov.),
58. Wat de andere inkomsten van Nederlandse oorsprong betreft die volgens de overeenkomst in Nederland belastbaar zijn, verleent België vrijstelling van belasting ; de aldus in België vrijgestelde inkomsten worden evenwel in aanmerking genomen voor het bepalen van het belastingtarief dat op de andere inkomsten van toepassing is (vrijstelling met progressievoorbehoud).
5° Vermijding van dubbele verliescompensatie (art. 24, § 2, 5°, ov.).
59. Ten einde dubbele compensatie te vermijden van verliezen die een Belgische onderneming in haar Nederlandse vaste inrichting heeft geleden, mag België belasting heffen van de winsten van die vaste inrichting, indien die winsten in Nederland niet werden belast doordat zij er werden gecompenseerd met verliezen die, voor enig aanslagjaar ook van in België belastbare winsten werden afgetrokken. Een gelijkaardige bepaling komt, in alle recente overeenkomsten voor. Ter illustratie van deze regeling stelle men dat een Belgische onderneming in Nederland over een vaste inrichting beschikt en dat haar exploitatieresultaten over twee opeenvolgende jaren de volgende zijn :
België | Nederland |
1e jaar : Winst van 700.000 F | Verlies van 200.000 F |
2e jaar: Winst van 400.000 F | Winst van 300.000 F |
Krachtens de Belgische wetgeving bedraagt de belastbare winst in België voor het eerste jaar 700.000 F - 200.000 F =500.000 F.
Voor het tweede jaar zal de Nederlandse belasting verschuldigd zijn op een winst van 100.000 F, zijnde de winst van dit tweede jaar min het verlies van het voorgaande jaar.
Aldus zou de winst, die in beide landen aan de belasting wordt onderworpen, in totaal slechts bedragen 500.000 F + 400.000 F (België) + 100.000 F (Nederland) = 1.000.000 F, alhoewel het totale batige saldo van de twee jaren in werkelijkheid gelijk is aan 700.000 F - 200.000 F + 400.000 F.+ 300.000 F = 1.200.000 F.
Art. 24, § 2, 5°, ov., verhelpt deze abnormale toestand door België het tweede jaar belasting te laten heffen van de Nederlandse winst van 200.000 F, zijnde het bedrag dat, eensdeels, overeenstemt met het verlies dat het eerste jaar in België werd verrekend en, anderdeels, het tweede jaar niet bij de heffing van de Nederlandse belasting werd betrokken omdat het door het in Nederland geleden verlies van het eerste jaar werd opgeslorpt. Deze winst is in België tegen het volle tarief te belasten, aangezien zij in Nederland niet is belast.
D. Non-discriminatie (art. 25).
60. Op grond van de overeenkomst en in het bijzonder van art. 22 wordt, ten behoeve van inwoners van Nederland die in België over een woning beschikken, afgezien van de belastingheffing op een minimuminkomen gelijk aan tweemaal het kadastraal inkomen van die woning.
61. Daarentegen bevestigt de overeenkomst het recht van België de B.N.V.-ven. van Nederlandse vennootschappen en verenigingen van personen die in België over een vaste inrichting beschikken, te heffen volgens de interne wetgeving.
Het tarief van de B.N.V.-ven. ten laste van die vaste inrichtingen in België wordt evenwel, ingevolge punt XIV van het Protocol, beperkt tot het geheel der tegen het gewone tarief berekende diverse belastingen die door een Belgische vennootschap zouden verschuldigd zijn op haar winsten en op de inkomsten uitgedeeld aan haar aandeelhouders of vennoten ingeval die winsten dezelfde bestemming zouden krijgen als deze van de Nederlandse vennootschap. De R.V. wordt fictief berekend tegen het tarief van 10 pct. op de helft van het verschil tussen de belastbare winst van de vaste inrichting en het bedrag van de Ven.B. berekend op die winst tegen het normaal tarief, in hoofdsom, dat de door Belgische vennootschappen uitgekeerde winsten treft.
Voor de aanslagjaren 1972 en 1973 zal de fictieve R.V. dus gelijk zijn aan 10 X (100 - 30) = hetzij 3,5 pct.
100 x 2
van de belastbare winst en de B.N.V.-ven. die eisbaar is van de .Nederlandse vennootschappen zal dus worden berekend tegen het tarief van 33,5 pct., in hoofdsom (in de plaats van 35 pct. volgens het gemeen recht).
De 6 opcentiemen ten behoeve van het speciaal fonds en de eventuele opdeciemen worden berekend op het beperkte tarief van 33,5 pct.
Met ingang van het aanslagjaar 1974, zal het tarief van de B.N.V.-ven. volgens het gemeen recht 48 pct. bedragen. Ingevolge de overeenkomst zal dit tarief evenwel worden beperkt tot
tot 42 pct. + 10 x (100 – 42) hetzij 44,9 pct.
100 X 2
E. Regeling voor onderling overleg (art, 26).
62. Art. 26, ov., voert een speciale procedure in waardoor de bevoegde autoriteiten van de twee Staten rechtstreeks met elkaar in verbinding kunnen treden om gevallen van belastingheffing in strijd met de overeenkomst, in onderlinge overeenstemming te regelen of om twijfelpunten die met betrekking tot de toepassing van de overeenkomst mochten rijzen, op te lossen.
In het kader van die procedure kan een inwoner van België, onverminderd de rechtsmiddelen van het gemeen recht, bij de Belgische bevoegde autoriteiten een gemotiveerd verzoekschrift indienen binnen een termijn van twee jaar vanaf het tijdstip waarop hij kennis kan dragen van de belastingheffing die hij niet in overeenstemming met de overeenkomst acht.
63. Elk verzoekschrift dat op grond van art. 26 strekt tot de herziening van een belastingheffing die in strijd met de overeenkomst wordt geacht, moet door inwoners van België normaal worden ingediend bij de gewestelijke directeur der belastingen van het ambtsgebied waar de verzoekers hun woonplaats hebben. Dergelijke verzoeken die aan de Minister van Financiën of aan de Directeur-generaal der directe belastingen zijn gericht worden echter eveneens beschouwd als geldig ingediend ten aanzien van art. 26.
64. In elk geval, en overeenkomstig de gevestigde regels, is alleen het Hoofdbestuur bevoegd in verbinding te treden met de belastingadministratie van Nederland om de in art. 26, §§ 2, 3 en 4, ov. (of in enig ander artikel) neergelegde regeling van onderling overleg in werking te stellen. Te dien einde moeten de gewestelijke directeurs de verzoeken die bij hen zijn ingekomen, na onderzoek aan het Hoofdbestuur (Dir. I/3) zenden.
65. Wanneer ingevolge het onderling overleg de in België gevestigde aanslag als in strijd met de overeenkomst moet worden beschouwd, dan dient de gewestelijke directeur van het ambtsgebied, waar de aanslag is gevestigd, uitspraak te doen over het verzoek om herziening.
F. Uitwisseling van inlichtingen (art. 27).
66. Binnen de aldaar gestelde perken voorziet art. 27, ov., in de uitwisseling tussen België en Nederland van inlichtingen die nodig zijn voor de uitvoering van de overeenkomst en voor de toepassing van de nationale wetgeving in verband met de belastingen die onder de werking van de overeenkomst vallen en waarvan de heffing niet in strijd is met de overeenkomst.
67. Deze uitwisseling van inlichtingen kan uitsluitend op het vlak van de centrale besturen plaatsvinden. De plaatselijke diensten moeten eventuele inlichtingen aanvragen langs het Hoofdbestuur, Directie l/3 om. Zij mogen in geen geval rechtstreeks inlichtingen bij de Nederlandse belastingdiensten inwinnen ; evenmin kunnen zij ingaan op verzoeken om inlichtingen die hen vanwege de Nederlandse diensten rechtstreeks zouden bereiken.
