Circulaire nr. Ci.R.14/461.041 dd. 19.08.1994

Bull. nr. 742, pag. 2628

FAILLISSEMENT
Goed uit het actief van het faillissement gesloten.

INVORDERING
Bericht van beslag.
Bericht van delegatie.
Bericht van overdracht.
Roerend goed dat niet vatbaar is voor beslag.
Som die niet vatbaar is voor beslag.
Uitvoerend beslag op roerend goed.

UITVOEREND BESLAG OP ROEREND GOED
Verkoop in der minne.


Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2.

INHOUDSTAFEL Nr. I. INLEIDING .................................................. 1 II. BESPREKING A. Berichten van beslag, delegatie en overdracht a. Bericht van beslag .................................. 4 b. Bericht van delegatie ............................... 6 c. Bericht van overdracht .............................. 8 d. Modellen ............................................ 12 e. Raadpleging ter griffie ............................. 17 B. Lichamelijke en onlichamelijke roerende goederen die niet vatbaar zijn voor beslag a. Lichamelijke roerende goederen die niet vatbaar zijn voor beslag ......................................... 20 b. Uitzonderingen ...................................... 25 c. Onlichamelijke goederen die niet vatbaar zijn voor beslag of overdracht ................................ 26 d. Uitbreiding van de wettelijke bescherming ........... 31 e. Andere sommen die geheel of gedeeltelijk niet voor beslag vatbaar zijn ................................. 33 f. Teruggave van het eventueel teveel geïnde ........... 35 g. Toepassing in geval van faillissement ............... 36 C. Toepassingsmoeilijkheden a. Toepassingsgebied ................................... 39 b. Moeilijkheden inzake de toepassing van art. 1408, §§ 1 en 2, Ger.W .................................. 41 c. Toepassing van art. 1409bis, tweede lid, Ger.W ...... 47 D. Nieuwe vermeldingen die moeten voorkomen in het exploot van uitvoerend beslag op roerend goed ................... 53 E. Nieuwe termijnen voor verkoop ........................... 54 F. Verkoop in der minne a. Doel ................................................ 57 b. Voorwaarden ......................................... 58 c. Procedure ........................................... 59 G. Inwerkingtreding ........................................ 61 BIJLAGEN Bijlage 1 : W 14.1.1993 Bijlage 2 : KB 8.12.1993 I. INLEIDING

1. Deze circulaire heeft tot doel de invorderingsambtenaren in te lichten over de wijzigingen die de W 14.1.1993 (BS 20.2.1993; zie bijlage 1) heeft aangebracht aan het Gerechtelijk Wetboek en aan de Faillissementswet, en deze wijzigingen te bespreken. In de bespreking die volgt, wordt de W 14.1.1993 "de wet" genoemd.



2.Deze wet bevat vier hoofdpunten.
Het eerste betreft de wijziging van art. 1390 en volgende, Ger.W met het oog op de verbetering en de verdere uitbouw van de publiciteitsmaatregelen inzake beslag, delegatie en overdracht.

Het tweede hoofdpunt betreft de nieuwe afbakening van de lichamelijke en onlichamelijke roerende goederen die niet vatbaar zijn voor beslag of overdracht. Die afbakening is gebeurd in het kader van de armoedebestrijding en heeft tot doel aan de beslagene, aan de gefailleerde en aan hun familie levensomstandigheden te garanderen die beter aansluiten bij de huidige tijdgeest (art. 1408 e.v., Ger.W). Het KB 8.12.1993 (zie bijlage 2) heeft het voor beslag vatbare gedeelte voor het eerst aangepast op basis van de nieuwe berekeningsmethode voor dat gedeelte.

Het derde hoofdpunt betreft de instelling van een nieuwe rechtspleging voor de beslagrechter (art. 1408, § 3, Ger.W) met als doel de moeilijkheden inzake de toepassing van art. 1408, §§ 1 en 2, nieuw, Ger.W, snel en zonder veel kosten te beslechten en de grenzen van de toepassing van het nieuwe art. 1409bis, Ger.W vast te stellen.

Het vierde hoofdpunt tenslotte, geeft aan de beslagen schuldenaar de mogelijkheid om de in beslag genomen roerende goederen zelf in der minne te verkopen ten einde de opbrengst ervan aan te wenden voor de betaling van de schuldeisers (art. 1526bis, Ger.W).

3. De teksten van de W 14.1.1993 en van het KB 8.12.1993 zijn opgenomen als bijlagen 1 en 2 bij deze circulaire.

II. BESPREKING



A.Berichten van beslag, delegatie en overdracht
a)Bericht van beslag (art. 1390, Ger.W)
4. Art. 1 van de wet heeft art. 1390, Ger.W gewijzigd door de opmaak van een beslagbericht verplicht te stellen in geval van beslag op onroerend goed. Tot dan was het beslag op onroerend goed op het vlak van de bekendmaking enkel onderworpen aan de formaliteit van de overschrijving in het register van het hypotheekkantoor van de plaats waar de in beslag genomen goederen gelegen waren (art. 1569, Ger.W en Handl.Inv., Deel X - Titel X, nrs. 1407 e.v.).

Deze dubbele bekendmaking kan zwaar lijken, maar is ingesteld omwille van haar nut : degene die goederen in beslag neemt, zowel roerende als onroerende, kan zo de globale vermogenstoestand en de solvabiliteit van zijn schuldenaar kennen.

5. De griffier van de rechtbank van eerste aanleg van de plaats van het beslag en, in voorkomend geval, van de woonplaats van de beslagene moet voortaan op het beslagbericht de datum en het uur vermelden waarop het ter griffie werd ontvangen.

Het bewijs van de verzending moet evenwel worden geleverd door de optredende deurwaarder of, indien het beslagbericht niet door hem ter griffie kan worden neergelegd (bijvoorbeeld in geval van notificatie 247.7 bij toepassing van art. 164, KB/WIB 92), door de Ontv. die het beslag legt.



b)Bericht van delegatie (art. 1390bis, Ger.W)
6. Art. 2 van de wet heeft art. 1390bis, Ger.W aangevuld, zodat het bericht van delegatie, net als het bericht van beslag, bewaard wordt ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg van de woonplaats van de schuldenaar door wie de delegatie is gedaan, gedurende drie jaren te rekenen van het van kracht worden van de delegatie.

7. De delegatie is slechts tegenstelbaar aan derden vanaf het tijdstip van neerlegging van het bericht van delegatie op de griffie. De griffier moet trouwens de datum en het uur vermelden waarop het bericht ter griffie werd ontvangen.

De termijn van 24 uren voor de neerlegging is niet voorzien.



c)Bericht van overdracht (art. 1390ter, Ger.W)
8. Art. 3 van de wet heeft een nieuw art. 1390ter ingelast, dat de publiciteit van de procedure van loonoverdracht organiseert door het bericht van overdracht in te stellen.

9. De overnemer moet het bericht van overdracht sturen aan de griffier van de rechtbank van eerste aanleg van de woonplaats van de overdrager, binnen 24 uren na de overzending van de ingebrekestelling bedoeld in art. 28, 1°, W 12.4.1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.

Geschiedt de overdracht overeenkomstig art. 1690, BW, dan moet dat bericht eveneens worden verzonden, hetzij door de optredende gerechtsdeurwaarder in geval van betekening, hetzij door de overnemer in geval van aanneming van de overdracht door de schuldenaar bij wege van authentieke akte.

10. De nieuwe verplichting is niet van toepassing op het endossement van de factuur overeenkomstig de bijzondere regeling van art. 16, W 25.10.1919 betreffende het in pand geven van een handelszaak en het endossement van de factuur, en op de inpandgeving van een schuldvordering, die krachtens art. 2075, BW nochtans onderworpen is aan dezelfde regels als die van art. 1690, BW.

11. Net als de delegatie, is de overdracht van loon slechts tegenstelbaar aan derden vanaf het tijdstip van de neerlegging van het bericht van overdracht op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg van de woonplaats van de overdrager. De griffier vermeldt de datum en het uur waarop het bericht ter griffie werd ontvangen.



d)Modellen
12. De modellen van de berichten van beslag, delegatie en overdracht van loon moeten nog worden vastgesteld door de Koning.

13. Naast de vermeldingen die er reeds vroeger op voorkwamen, moet het nieuwe beslagbericht de volgende vermeldingen bevatten (art. 1390, Ger.W) :

  • in voorkomend geval, de identiteit van de derde bij wie het beslag geschiedt;
  • de geboortedatum van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt;
  • de aard en het bedrag van de schuldvordering van de beslaglegger (belastingen, voorheffingen, taksen, boeten, ...);
  • de eventuele redenen van voorrang (aard van het ingeroepen voorrecht of hypotheekrecht met vermelding van de wetsbepaling die het instelt);
  • de beschrijving van de inbeslaggenomen goederen (de beschrijving moet beknopt zijn in geval van roerend beslag, en in geval van beslag onder derden moeten ze de aard van de inbeslaggenomen schuldvordering bevatten : loon, vergoeding, spaarboekje, bankrekening, ... alsook de onontbeerlijke vermelding van de werkgever, de verzekeraar (nr. van het contract), de bankier (nr. van de rekening of van het boekje, ...).


14. Naast de hiervoor bedoelde vermeldingen, moet het bericht van delegatie ook de geboortedatum bevatten van de schuldenaar door wie de delegatie is gedaan.

15. Het nieuwe bericht van overdracht tenslotte, moet volgende vermeldingen bevatten :

  • de identiteit en de woonplaats van de overnemer;
  • de identiteit en de woonplaats van de overdrager;
  • de identiteit en de woonplaats van de gecedeerde schuldenaar;
  • de aard en het bedrag van de schuldvordering van de overnemer.


16. De Ontv. dienen die rubrieken zorgvuldig in te vullen wanneer zij de berichten zelf opstellen (bijvoorbeeld in geval van toepassing van art. 164, KB/WIB of in geval van overdracht van loon).



e)Raadpleging ter griffie
17. Art. 5 van de wet heeft art. 1391, Ger.W gewijzigd en heeft een absolute verplichting gemaakt van de raadpleging van die berichten door de optredende ministeriële ambtenaar, voorafgaand aan ieder uitvoerend beslag of aan iedere procedure van verdeling. Deze absolute verplichting is nochtans niet op straffe van nietigheid voorgeschreven (zie evenwel art. 1396, Ger.W).

18. Deze verplichte raadpleging is opgelegd aan de advocaten en de gerechtsdeurwaarders belast met een procedure tegen een bepaalde persoon. De notarissen kunnen op dezelfde wijze inzage nemen van de berichten die zijn opgemaakt op naam van personen voor wier goederen een handeling moet worden verricht welke tot hun ambt behoort.

19. De Ontv. daarentegen kunnen de berichten niet inzien, hoewel zij er regelmatig toe gebracht worden uitvoerende beslagen te leggen bij toepassing van art. 164, KB/WIB 92.

Zij waken er wel over dat de vermelding van de raadpleging (datum en uur) duidelijk voorkomt op ieder beslagexploot of op ieder proces-verbaal van verdeling dat door een op hun verzoek optredende ministeriële ambtenaar is opgesteld (zie immers art. 1396, Ger.W).



B.Lichamelijke en onlichamelijke roerende goederen die niet vatbaar zijn voor beslag
a)Lichamelijke roerende goederen die niet vatbaar zijn voor beslag
20. Om aan de beslagene en zijn gezin levensomstandigheden te garanderen die beter aansluiten bij de huidige tijdgeest, heeft art. 6 van de wet de lijst aangevuld van de lichamelijke roerende goederen die art. 1408, § 1, Ger.W niet vatbaar voor beslag verklaart.

Daardoor zijn een aantal meubels, toestellen en voorwerpen voor huishoudelijk gebruik niet langer vatbaar voor beslag (art. 1408, § 1, Ger.W), zoals :

  • de meubelen nodig voor het opbergen van de kleren en het linnengoed die volstrekt noodzakelijk zijn voor het persoonlijk gebruik van de beslagene en zijn gezin;
  • een wasmachine en een strijkijzer (de droogkast en de strijkplank zijn wel voor beslag vatbaar);
  • de toestellen die noodzakelijk zijn voor de verwarming van de gezinswoning (met uitsluiting dus van de verwarmingstoestellen voor andere, niet bewoonde vertrekken (kelder, zolder, garage, ...);
  • de tafel en de stoelen die voor de familie een gemeenschappelijke maaltijd mogelijk maken, alsook het vaatwerk en het huishoudgerei dat volstrekt noodzakelijk is voor het gezin;
  • een meubel om het vaatwerk en het huishoudgerei op te bergen;
  • een toestel om warme maaltijden te bereiden;
  • een toestel om voedingsmiddelen te bewaren;
  • één verlichtingstoestel per bewoonde kamer (zelfde voorbehoud als voor de verwarmingstoestellen);
  • de voorwerpen die noodzakelijk zijn voor de mindervalide gezinsleden;
  • de voorwerpen die bestemd zijn om te worden gebruikt door de kinderen ten laste die onder hetzelfde dak wonen;
  • de gezelschapsdieren (huisdieren die deelnemen aan het gezinsleven);
  • de voorwerpen en produkten die noodzakelijk zijn voor de lichaamsverzorging en voor het onderhoud van de vertrekken;
  • het gereedschap dat nodig is voor het onderhoud van de tuin (niet een dure grasmaaier of een tractor (parl. st., Kamer, 1990-91, nr. 1114/6, 24));


21. De boeken en overige voorwerpen, nodig voor de voortzetting van de studies of voor de beroepsopleiding van de beslagene of van de kinderen te zijnen laste die onder hetzelfde dak wonen, zijn evenmin vatbaar voor beslag (art. 1408, § 1, 2°).

22. Ook de goederen die de beslagene volstrekt nodig heeft voor zijn beroep, zijn niet vatbaar voor beslag tot een waarde van 100.000 F op het tijdstip van het beslag en naar de keuze van de beslagene, behalve voor de betaling van de prijs van die goederen (art. 1408, § 1, 3°).

Merk op dat de uitzondering die is ingesteld ten voordele van de verkoper of van de financier die is tussengekomen bij de aankoop, enkel geldt voor de beroepsgoederen, hetgeen geleid heeft tot de splitsing van het oude art. 1408, § 1, 2°.

Deze uitzondering geldt niet voor de verhuurder en de hersteller, hoewel die beiden een schuldvordering hebben die bevoorrecht is op die goederen (art. 20, 1° en 4°, Hyp.W). De hersteller kan wel het retentierecht uitoefenen.

23. Wat de voorwerpen betreft die dienen voor de uitoefening van de eredienst, is tijdens de parlementaire werkzaamheden verduidelijkt dat voorwerpen die dienen voor de uitoefening van de eredienst, alleen die zijn die men effectief aantreft in kerken en gelijkgestelde plaatsen en niet die bij particulieren (zie het antwoord van de Minister op een bemerking van de Raad van State van 29.6.1964, Pasin., 1967, p. 892) (Verslag Vandenberghe, parl.st., Senaat, 1992-93, nr. 353/2, 9).

24. Ten slotte is de opsomming van de dieren die niet voor beslag vatbaar zijn uitgebreid (art. 1408, § 1, 6°).



b)Uitzonderingen
25. Er zijn vier uitzonderingen op de regel dat de in art. 1408, § 1, Ger.W bedoelde goederen niet vatbaar zijn voor beslag.

Voor beslag zijn vatbaar :

  • de luxemeubelen en luxeartikelen (art. 1408, § 1, 1° in fine);
  • de in § 1 bedoelde voorwerpen indien zij zich op een andere plaats bevinden dan waar de beslagene gewoonlijk woont of werkt (art. 1408, § 2);
  • de goederen die de beslagene volstrekt nodig heeft voor zijn beroep, voor de betaling van de prijs van die goederen (art. 1408, § 1, 3°);
  • de meubels en voorwerpen die niet bestemd zijn om gebruikt te worden door de beslagene zelf of door zijn gezin.




c)Onlichamelijke goederen die niet vatbaar zijn voor beslag of overdracht
26. Art. 7 van de wet heeft art. 1409, Ger.W gewijzigd zodat de bedragen die zijn vermeld in § 1 van art. 1409, Ger.W, voortaan jaarlijks door de Koning, naar boven of naar beneden, worden aangepast, rekening houdend met het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand november van elk jaar. Het aanvangsindexcijfer is dat van de maand november 1989.

27. De aandacht van de Ontv. wordt erop gevestigd dat de aanpassing voortaan jaarlijks gebeurt, dat de gewijzigde bedragen binnen de eerste vijftien dagen van de maand december van elk jaar bekendgemaakt worden in het BS en dat ze van kracht worden op 1 januari van het volgende jaar; de aanpassing kan leiden tot de verhoging of tot de verlaging van de bedragen die niet vatbaar zijn voor overdracht of beslag.

28. Het aldus aangepast minimumbedrag mag evenwel nooit lager zijn dan het bedrag bepaald bij art. 2, § 1, 1°, W 7.8.1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum (BS 18.9.1974), dat van kracht zal zijn op 1 januari van het jaar volgend op de aanpassing (cf. Handl.Inv., Deel IX - Titel I, nr. 17).

29. Een eerste aanpassing overeenkomstig de nieuwe formule is doorgevoerd door art. 1 en 2, KB 8.12.1993 (BS 15.12.1993; zie bijlage 2).

De bedragen van 27.000 F, 29.000 F en 35.000 F die waren vastgesteld bij KB 11.12.1992 (Circ. 5.2.1993, Ci.R.14/301.697), zijn thans, na afronding, respectievelijk gebracht op 30.300 F, 32.600 F en 39.300 F.

30. Buiten deze jaarlijkse aanpassing, kan de Koning bovendien de in art. 1409, § 1, Ger.W bepaalde bedragen aanpassen na advies van de Nationale Arbeidsraad, rekening houdend met de economische toestand van dat ogenblik.



d)Uitbreiding van de wettelijke bescherming
31. Art. 8 van de wet heeft een art. 1409bis ingelast in het Gerechtelijk Wetboek.

Daarmee heeft de wetgever de bescherming die vroeger enkel bestond voor de genieters van de in art. 1409, § 1, Ger.W bedoelde inkomsten, uit billijkheidsoverwegingen, willen uitbreiden tot iedereen (zelfstandigen, ...) die niet over dergelijke inkomsten beschikt.

32. Deze bescherming geldt nochtans niet automatisch. Indien de beslagen schuldenaar aanspraak maakt op die bescherming, moet hij zijn aanspraak voorleggen aan de beslagrechter overeenkomstig art. 1408, § 3, Ger.W (art. 1409bis, tweede lid). Deze laatste kan de duur beperken tijdens welke de schuldenaar van de bescherming geniet.



e)Andere sommen die geheel of gedeeltelijk niet voor beslag vatbaar zijn
33. Art. 9 van de wet heeft twee wijzigingen aangebracht aan art. 1410, Ger.W.

De eerste wijziging (art. 1410, § 1, 8°) heeft tot gevolg dat de vergoeding die wordt toegekend bij onderbreking van de beroepsloopbaan, nog slechts gedeeltelijk voor beslag vatbaar is, daar ze net als de werkloosheidsuitkering als een vervangingsinkomen wordt beschouwd.

De tweede wijziging (art. 1410, § 2, 8°) houdt in dat de bedragen die de OCMW's uitkeren als maatschappelijke dienstverlening, in het geheel niet meer vatbaar zijn voor beslag of overdracht, hetgeen vroeger reeds gold voor het bestaansminimum.

34. Art. 11 van de wet bepaalt evenwel uitdrukkelijk dat de bedragen, die de OCMW's als maatschappelijke dienstverlening uitkeren, in tegenstelling tot het bestaansminimum, niet vatbaar zijn voor beslag of overdracht zelfs niet wegens een onderhoudsverplichting (art. 1412, 1°, Ger.W).

Dit bedrag vertegenwoordigt immers een strikt levensminimum dat men de schuldenaar in geen enkel geval kan ontnemen (memorie van toelichting, parl.st., Kamer, gewone zitting, 1989-1990, nr. 1114/1, p. 6).



f)Teruggave van het eventueel teveel geïnde
35. Indien bepaalde derden-houders na 1.1.1994 nog inhoudingen hebben verricht overeenkomstig de vroegere modaliteiten van art. 1409, Ger.W, mag het teveel gestorte bedrag, eventueel beperkt door de beschikking gewezen bij toepassing van art. 1408, § 3, 5de lid en 1409bis, Ger.W, net als vroeger, geregulariseerd worden bij volgende afhoudingen.

Indien regularisatie bij volgende afhoudingen onmogelijk is, mogen de Ontv. terugbetalen aan de stortende partij die er uitdrukkelijk om verzoekt.



g)Toepassing in geval van faillissement
36. Art. 16 van de wet heeft art. 476, W 18.4.1851 betreffende het faillissement, de bankbreuk en het uitstel van betaling, vervangen.

Aldus worden uit het actief van het faillissement gesloten :

  • de lichamelijke goederen bedoeld in art. 1408, Ger.W, met uitzondering evenwel van de goederen die de beslagene volstrekt nodig heeft voor zijn beroep. Die uit het actief gesloten goederen blijven onder het beheer en ter beschikking van de gefailleerde (art. 476, § 2).


37. Deze nieuwe beschermingsmaatregel belet niet dat de gefailleerde bovendien voor zichzelf en zijn gezin levensonderhoud kan verkrijgen, te bepalen door de rechtbank, op voorstel van de curatoren en op verslag van de rechter-commissaris (art. 476, § 3).

38. De curatoren moeten een staat opmaken van de in de §§ 1 en 3 bedoelde goederen (art. 476, § 4).



C.Toepassingsmoeilijkheden (art. 1408, § 3, Ger.W)
a)Toepassingsgebied
39. Art. 6 van de wet heeft niet alleen de lijst aangevuld van de lichamelijke roerende goederen die niet vatbaar zijn voor beslag. Het heeft ook een nieuwe, eenvoudige en snelle procedure zonder veel kosten ingevoerd die de beslagrechter in staat stelt bij voorrang boven alle andere zaken uitspraak te doen over de moeilijkheden inzake de toepassing van §§ 1 en 2 van art. 1408, Ger.W en over de aanspraken die schuldenaars hem op grond van het nieuwe art. 1409bis, Ger.W voorleggen.

40. Art. 1408, § 3, Ger.W mag in geen geval gebruikt worden om een vordering in te leiden die geen betrekking heeft op de vatbaarheid voor beslag van een lichamelijk roerend goed of een inkomen, op straffe van onontvankelijkheid van de vordering (Beslagr. Antwerpen, 30.8.1993, J.L.M.B., 1993, p. 1284).

Deze procedure mag dus niet gebruikt worden voor revindicatievorderingen (art. 1514, Ger.W), voor vorderingen inzake zwarigheden bij de tenuitvoerlegging (art. 1498, Ger.W) of voor betwistingen van de uitvoerbare titel (Beslagr. Antwerpen, loc.cit. en noot DE LEVAL, G. in J.L.M.B., 1993, p. 1284 e.v.).



b)Moeilijkheden inzake de toepassing van art. 1408, §§ 1 en 2, Ger.W
41. De procedure wordt geopend op grond van de opmerkingen die de beslagene op straffe van verval aan de optredende gerechtsdeurwaarder moet meedelen en die de deurwaarder moet aantekenen in het P.V. van beslag, hetzij op het tijdstip van het beslag, hetzij binnen vijf dagen na de betekening van de eerste akte van beslag. Er mag rekening worden gehouden met een fax die de advocaat van de beslagene binnen deze termijn heeft gezonden aan de gerechtsdeurwaarder, ook al is de bevestigingsbrief slechts na het verstrijken van die termijn bij de deurwaarder toegekomen (Beslagr. Luik, 28.6.1993 met noot DE LEVAL, G., J.L.M.B., 1993, p. 1280).

42. Er is geen dagvaarding, verzoekschrift of begeleidende brief vereist. Bij de neerlegging ter griffie van een afschrift van het P.V. van beslaglegging door de gerechtsdeurwaarder of door de meest gerede partij, binnen vijftien dagen na de overhandiging van het afschrift van dat proces-verbaal of, indien daartoe grond bestaat, van de betekening van het beslag aan de schuldenaar, bepaalt de beslagrechter dag en uur van het onderzoek en de regeling van de moeilijkheden, de schuldeiser en de schuldenaar vooraf gehoord of opgeroepen.

Op die termijn van vijftien dagen is geen sanctie gesteld : die termijn kadert in de nieuwe termijn bedoeld in art. 1520, Ger.W, zoals gewijzigd door art. 13 van de wet (zie verder). Vermits beide termijnen op hetzelfde tijdstip aanvangen (cf. art. 1512 en 1520 (nieuw), Ger.W) wordt de gerechtsdeurwaarder in principe tijdig ingelicht over de beschikking van de beslagrechter (Verslag Vandenberghe, parl.st., Senaat, 1992-93, nr. 353/2, 22).

43. De griffier roept de partijen op en verwittigt de optredende gerechtsdeurwaarder, die, hoewel hij niet noodzakelijk partij is bij het geding, toch gehoord kan worden.

44. Het derde lid van art. 1408, § 3, Ger.W bepaalt dat "de procedure" niet kan worden voortgezet indien de in het tweede lid bedoelde neerlegging van het afschrift van het proces-verbaal niet heeft plaatsgehad.

Die tekst is niet zeer duidelijk, en men heeft er dan ook verschillende interpretaties aan gegeven : sommigen leiden er uit af dat de procedure van tenuitvoerlegging wordt geschorst, zelfs indien de neerlegging van het afschrift van het P.V. niet heeft plaatsgehad, daar het vierde lid bepaalt dat de vordering de vervolging schorst (in die zin CAUPIN, M.-Th., "Le nouveau droit de saisies", Actualités du droit, Luik, 1993, p. 586; LECLERCQ, C., Eléments pratiques de procédure civile, Bruylant, 1993, p. 191); anderen daarentegen, menen dat de procedure van tenuitvoerlegging kan worden voortgezet indien het afschrift van het P.V. niet binnen de gestelde termijn is neergelegd (cf. DE LEVAL, G., loc.cit. in J.L.M.B., 1993, p. 1280) en besluiten dat alleen de gerechtelijke procedure geschorst wordt.

45. Wat er ook van zij, als de Ontv. vernemen dat er opmerkingen zijn in verband met de toepassingsmoeilijkheden, moeten zij er over waken dat het afschrift van het P.V. met de aangetekende opmerkingen zo vlug mogelijk ter griffie wordt neergelegd, opdat de beslagrechter vlug uitspraak kan doen.

De vordering schorst immers de vervolging, doch de goederen blijven onder beslag totdat de uitspraak is gedaan (art. 1408, § 3, 4de lid, Ger.W).

46. De beschikking wordt gewezen bij voorrang boven alle andere zaken (de aanvankelijk voorgestelde termijn van 10 dagen is uiteindelijk niet opgenomen), zowel in aanwezigheid als bij ontstentenis van de partijen, en ze is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Van de departementsadvocaten (sector invordering) wordt in deze zaak dan ook een grote beschikbaarheid verwacht.

De procedure van tenuitvoerlegging kan dan onmiddellijk worden hervat (art. 1408, § 3, 5de lid in fine en Beslagr. Antwerpen, reeds geciteerd). Zodra de Ontv. kennis hebben van de beschikking, verzoeken zij de optredende deurwaarder om de tenuitvoerlegging voort te zetten.



c)Toepassing van art. 1409bis, tweede lid, Ger.W
47. Art. 1408, § 3, waar art. 1409bis naar verwijst, handelt over de toepassingsmoeilijkheden inzake roerend beslag op goederen die niet vatbaar zijn voor beslag zijn verklaard.

Het blijkt moeilijk te zijn om die tekst toe te passen op een procedure van uitvoerend beslag onder derden of op het vereenvoudigde beslag bedoeld in art. 164, KB/WIB 92. De administratie kan er zich evenwel niet aan onttrekken.

48. Ingeval art. 164, KB/WIB 92 is toegepast, moeten twee hypothesen beschouwd worden :

  • indien de aanspraken van de beslagen schuldenaar op grond van art. 1409bis, Ger.W, blijken uit de verklaring van derde-houder, beschouwen de Ontv. dat verzet als een van de gevallen bedoeld in art. 165, § 1, KB/WIB 92, die hen verplichten om binnen de gestelde termijn uitvoerend beslag onder derden te leggen.

    In die hypothese vangen de termijn van vijf dagen (art. 1408, § 3, eerste lid, Ger.W) en de termijn van vijftien dagen (art. 1408, § 3, tweede lid, Ger.W) aan na de aanzegging van het beslag onder derden aan de beslagen schuldenaar;
  • indien de beslagen schuldenaar zijn aanspraken rechtstreeks aan de Ontv. meedeelt, zonder dat een verklaring van derde-houder is afgelegd, loopt de termijn van vijf dagen vanaf de notificatie 247.7.


49. Vermits de procedure niet kan worden voortgezet indien de neerlegging van het afschrift van het P.V. van beslaglegging niet heeft plaatsgehad (zie supra nr. 42), wordt de Ontv. ten stelligste aangeraden om, welke ook de hypothese is, zelf tot de in art. 1408, § 3, tweede lid bedoelde neerlegging over te gaan, indien de belastingschuldenaar en de derde-houder dit nalaten.

50. De vordering van de belastingschuldige schorst de vervolging, doch de goederen blijven onder beslag totdat uitspraak is gedaan (art. 1408, § 3, 4de lid, Ger.W).

51. Vermits de beschikking van de beslagrechter niet vatbaar is voor verzet of hoger beroep, kan de beslagprocedure onmiddellijk worden hervat. Daarbij moet evenwel rekening worden gehouden met het dispositief van de beschikking.

52. Gelet op de twijfels die de toepassing van art. 1409bis, tweede lid, Ger.W oproept, worden de Ontv. uitgenodigd om, in afwachting dat de rechtspraak overeenstemmende oplossingen aanreikt, omzichtig te handelen en verslag uit te brengen bij de Compt.insp. van de juridische cel van hun ambtsgebied, die zal oordelen of de zaak voor onderzoek of eventuele publicatie moet worden voorgelegd aan het hoofdbestuur.



D.Nieuwe vermeldingen die moeten voorkomen in het exploot van uitvoerend beslag op roerend goed
53. Art. 1502, Ger.W bepaalt dat in het exploot van uitvoerend beslag op roerend goed op straffe van nietigheid de tekst moet worden opgenomen van art. 1408, § 3, Ger.W (over de bijzondere rechtspleging voor de beslagrechter), alsook van de art. 1409bis (over de bewerking van het onvermogen) en 507 (over de wegmaking van in beslag genomen goederen), Sw.

Het gaat om een relatieve nietigheid.

De Ontv. waken er over dat deze nieuwe vermeldingen, alsook die vermeld in nr. 19, opgenomen worden in de exploten van uitvoerend beslag op roerend goed. Indien nodig, herinneren zij de optredende deurwaarder aan deze verplichting.



E.Nieuwe termijnen voor verkoop
54. Art. 13 van de wet heeft art. 1520, Ger.W gewijzigd en de minimumtermijn tussen de overhandiging van het afschrift van het P.V. van beslaglegging of, in voorkomend geval, van de betekening van het beslag aan de schuldenaar en de verkoop, op één maand gebracht.

In geval van omzetting van bewarend beslag in uitvoerend beslag moet dezelfde termijn verlopen tussen het dwangbevel bedoeld in art. 1497, Ger.W en de verkoop.

55. Art. 14 van de wet heeft het tweede lid van art. 1524, Ger.W in dezelfde zin gewijzigd. Voortaan kan de beslaglegger bij vergelijking slechts doen overgaan tot de verkoop indien de oorspronkelijke verkoop niet heeft plaats gehad binnen de vijftien dagen volgend op de maand na het reeds gelegde beslag.

56. Die termijnverlengingen laten toe rekening te houden met het schorsende incident waarin het nieuwe art. 1408, § 3, Ger.W voorziet.



F.Verkoop in der minne (art. 1526bis, Ger.W)
a)Doel
57. Art. 1526bis, Ger.W, dat is ingevoegd bij art. 15 van de wet, geeft de beslagen schuldenaar de mogelijkheid om de inbeslaggenomen goederen in geval van uitvoerend beslag op roerend goed in der minne ter verkopen, ten einde de opbrengst ervan aan te wenden voor de betaling van de schuldeisers. Het gaat hier om een nieuwe wettelijke procedure die ervoor moet zorgen :

  • dat de schuldenaar de traumatische ervaring van een gedwongen weghaling van zijn goederen bespaard blijft en dat hij eventueel het gebruik van zijn goederen kan behouden zonder het eigendomsrecht;
  • dat de schuldeiser niet de kosten moet maken die verbonden zijn aan elke procedure van openbare verkoop (kosten van bekendmaking, kosten van weghaling van de goederen, ...) en dus tijd en geld wint.




b)Voorwaarden
58. Een dergelijke verkoop in der minne is evenwel slechts onder bepaalde voorwaarden toegelaten :

  • de verkoopprijs moet worden aangewend om de schuldeisers te betalen (art. 1526bis, eerste lid).

    Hoewel de verkoop in der minne gebeurt en niet bij opbod, blijft het een gedwongen verkoop, waarvan de opbrengst onderworpen blijft aan de procedure van evenredige verdeling (Noot DE LEVAL, G. in J.L.M.B., 1993, p. 1289);
  • op straffe van niet-onontvankelijkheid moet de schuldenaar binnen tien dagen na de betekening van de beslaglegging de gerechtsdeurwaarder in kennis stellen van de hem gedane voorstellen (art. 1526bis, tweede lid);
  • de schuldenaar moet de toestemming van de vervolgende schuldeiser bekomen : indien de schuldeiser immers bewijst dat die voorstellen ontoereikend zijn, wordt met het verzoek tot verkoop in der minne geen rekening gehouden (art. 1526bis, derde lid). Behalve indien de weigering om met de verkoop in te stemmen is ingegeven door de bedoeling om de schuldenaar te benadelen, kan de schuldeiser niet aansprakelijk worden gesteld (art. 1526bis, 4de lid). Er is reeds gevonnist dat de beslagene de instemming van alle schuldeisers moet bekomen in de hypothese dat meerdere schuldeisers gekend zijn (verplichte raadpleging van de beslagberichten) (Beslagr. Luik, 8.9.1993 met noot DE LEVAL, G., in J.L.M.B., 1993, p. 1286 e.v.);
  • de overdracht van de eigendom van de goederen is afhankelijk van de betaling van de prijs ervan in handen van de gerechtsdeurwaarder binnen acht dagen na de aanvaarding van het aankoopaanbod.

    De termijn van acht dagen begint slechts te lopen vanaf het tijdstip waarop de schuldenaar in kennis wordt gesteld van de instemming van de verschillende schuldeisers (Beslagr. Luik, loc.cit.). Bij niet- naleving van die termijn kunnen de goederen onverwijld openbaar te koop worden gesteld (art. 1526bis, 5de lid).




c)Procedure
59. Zoals reeds vermeld, moet de betaling van de verkoopprijs gebeuren in handen van de gerechtsdeurwaarder.

Na de betaling van de prijs in handen van de gerechtsdeurwaarder, maakt deze een proces-verbaal op van verkoop in der minne met vermelding van :

  • de identiteit van de koper;
  • de identiteit van de verkoper;
  • de betaalde prijs;
  • de omschrijving van de verkochte goederen.


Een afschrift van het proces-verbaal wordt ter beschikking gesteld van de koper.

60. Het proces-verbaal wordt binnen de 24 uren aangezegd aan de griffier, in de vorm van een bericht van beslag als bedoeld in artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek.



G.Inwerkingtreding
61. De wijzigingen die de W 14.1.1993 (BS 20.2.1993) heeft aangebracht aan het gerechtelijk wetboek en aan de wet van 18.4.1851 betreffende het faillissement, de bankbreuk en het uitstel van betaling, zijn in werking getreden sinds de 10de dag na de publicatie in het Belgisch Staatsblad, dus sinds 2.3.1993.

62. Blijkens de bewoordingen van art. 1409, § 2, Ger.W zijn de nieuwe niet voor beslag vatbare bedragen evenwel slechts van toepassing vanaf 1 januari van het jaar volgens op hun aanpassing, dus sinds 1.1.1994.

Voor de Directeur-generaal :
De Eerste Auditeur,


R. VERSLUYS.


BIJLAGE 1

14 JANUARI 1993. - Wet tot wijziging van titel I, voorafgaande regels, en titel III, gedwongen tenuitvoerlegging, van deel V van het Gerechtelijk Wetboek inzake het bewarend beslag en de middelen tot tenuitvoerlegging en tot wijziging van artikel 476 van de wet van 18 april 1851 betreffende het faillissement, de bankbreuk en het uitstel van betaling (BS 20.2.1993).

BOUDEWIJN, Koning der Belgen.

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Artikel 1. Artikel 1390, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

"Bij beslag op roerende of onroerende goederen zendt de gerechtsdeurwaarder die het heeft gelegd binnen vierentwintig uren na de akte, onder zijn handtekening, aan de griffier van de rechtbank van eerste aanleg van de plaats van het beslag en, in voorkomend geval, van de woonplaats van de beslagene, een bericht van beslag, met vermelding van de identiteit en de woonplaats van de beslaglegger, van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt en, in voorkomend geval, van de derde bij wie het beslag geschiedt, de geboortedatum van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt, de datum en de plaats van het beslag en, in voorkomend geval, de datum van de betekening aan de beslagen schuldenaar, de aard en het bedrag van de schuldvordering van de beslaglegger, de eventuele redenen van voorrang en de beschrijving van de inbeslaggenomen goederen.

De griffier vermeldt op het bericht van beslag de datum en het uur waarop het ter griffie werd ontvangen."

Art. 2. In artikel 1390bis van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :



het eerste lid, wordt aangevuld met wat volgt :
"De griffier vermeldt op het bericht van delegatie de datum en het uur waarop het ter griffie werd ontvangen";

2° in het tweede lid, worden tussen de woorden "in de plaats gesteld schuldenaar", en de woorden "het bedrag en de oorzaak van de delegatie" de woorden "de geboortedatum van de schuldenaar door wie de delegatie is gedaan", ingevoegd;



het artikel wordt aangevuld met wat volgt :
"Het bericht van delegatie wordt ter griffie bewaard gedurende drie jaren te rekenen van het van kracht worden van de delegatie, onverminderd, in voorkomend geval, de voorafgaande schrapping, in der minne of bij beslissing van de rechter, van het bericht. Het vervalt van rechtswege bij het verstrijken van die termijn, indien het niet tevoren is vernieuwd. Het model van bericht van delegatie wordt door de Koning opgemaakt.

De delegatie is slechts aan derden tegenstelbaar vanaf het tijdstip van neerlegging van het bericht van delegatie op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg van de woonplaats van de schuldenaar."

Art. 3. In hetzelfde Wetboek wordt in de plaats van artikel 1390ter, dat artikel 1390quater wordt, een nieuw artikel 1390ter ingevoegd, luidend als volgt :

"Art. 1390ter. In geval van overdracht van loon stuurt de overnemer, die aan de gecedeerde schuldenaar een afschrift heeft overgezonden van de ingebrekestelling omschreven in artikel 28, 1°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, binnen vierentwintig uren na die overzending, onder zijn handtekening een bericht dat de identiteit en de woonplaats vermeldt van de overnemer, de overdrager en de gecedeerde schuldenaar, de geboortedatum van de overdrager alsook de aard en het bedrag van de schuldvordering van de overnemer; de overnemer stuurt dit bericht aan de griffier van de rechtbank van eerste aanleg van de woonplaats van de overdrager.

Geschiedt de overdracht van loon op grond van artikel 1690 van het Burgerlijk Wetboek, dan zendt in geval van betekening de optredende gerechtsdeurwaarder, of, in geval van aanneming van de overdracht door de schuldenaar bij wege van authentieke akte, de overnemer, binnen vierentwintig uren na de betekening of de aanneming, onder zijn handtekening, een bericht aan de griffier van de rechtbank van eerste aanleg van de woonplaats van de overdrager, dat de identiteit en de woonplaats vermeldt van de overnemer, de overdrager en de gecedeerde schuldenaar, de geboortedatum van de overdrager alsook de aard en het bedrag van de schuldvordering van de overnemer.

De griffier vermeldt op het bericht van overdracht de datum en het uur waarop ter griffie werd ontvangen.

De overdracht is slechts aan derden tegenstelbaar vanaf het tijdstip van neerlegging van het bericht van overdracht op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg van de woonplaats van de overdrager.

Het bericht van overdracht wordt, vanaf het van kracht worden van de overdracht, gedurende drie jaar ter griffie bewaard, onverminderd, in voorkomend geval, de voorafgaand schrapping, in der minne of bij beslissing van de rechter, van het bericht.

Het vervalt van rechtswege bij het verstrijken van die termijn, indien het niet tevoren is vernieuwd.

Het model van het bericht van overdracht wordt door de Koning opgemaakt."

Art. 4. In artikel 1390quater van hetzelfde Wetboek worden in het eerste lid de woorden "de artikelen 1390 en 1390bis" vervangen door de woorden "de artikelen 1390, 1390bis en 1390ter."

Art. 5. Artikel 1391 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 31 maart 1987, wordt vervangen door de volgende bepaling :

"Art. 1391. De advocaten en de gerechtsdeurwaarders belast met een procedure tegen een bepaald persoon kunnen op de griffie ter plaatse inzage nemen van de berichten van beslag, delegatie en overdracht, die op diens naam zijn opgemaakt.

De notarissen kunnen op dezelfde wijze inzage nemen van de berichten van beslag, delegatie en overdracht, die zijn opgemaakt op naam van de personen voor wier goederen een handeling moet worden verricht welke tot hun ambt behoort.

Geen uitvoerend beslag of procedure van verdeling kan plaatsvinden zonder voorafgaande raadpleging door de ministeriële ambtenaar van de berichten van beslag, delegatie en overdracht.

Te dien einde vermeldt het exploot van beslag of het proces-verbaal van verdeling de datum en het uur waarop de ministeriële ambtenaar de berichten van beslag, delegatie en overdracht heeft geraadpleegd."

Art. 6. Artikel 1408 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

"Art. 1408. § 1. Behalve op zaken, niet vatbaar voor beslag verklaard door bijzondere wetten, mag ook geen beslag worden gelegd :

1° op het nodige bed en beddegoed van de beslagene en van zijn gezin, de kleren en het linnengoed volstrekt noodzakelijk voor hun persoonlijk gebruik alsmede de meubelen nodig om deze op te bergen, een wasmachine en strijkijzer voor het onderhoud van het linnen, de toestellen die noodzakelijk zijn voor de verwarming van de gezinswoning, de tafel en de stoelen die voor de familie een gemeenschappelijke maaltijd mogelijk maken, alsook het vaatwerk en het huishoudgerei dat volstrekt noodzakelijk is voor het gezin, een meubel om het vaatwerk en het huishoudgerei op te bergen, een toestel om warme maaltijden te bereiden, een toestel om voedingsmiddelen te bewaren, één verlichtingstoestel per bewoonde kamer, de voorwerpen die noodzakelijk zijn voor de mindervalide gezinsleden, de voorwerpen die bestemd zijn om te worden gebruikt door de kinderen ten laste die onder hetzelfde dak wonen, de gezelschapsdieren, de voorwerpen en produkten die noodzakelijk zijn voor de lichaamsverzorging en voor het onderhoud van de vertrekken, het gereedschap dat nodig is voor het onderhoud van de tuin, een en ander met uitsluiting van de luxemeubelen en luxeartikelen;

2° op de boeken en overige voorwerpen, nodig voor de voortzetting van studies of voor de beroepsopleiding van de beslagene of van de kinderen te zijnen laste die onder hetzelfde dak wonen;

3° op de goederen die de beslagene volstrekt nodig heeft voor zijn beroep, tot een waarde van honderdduizend frank op het tijdstip van het beslag en naar keuze van de beslagene, behalve voor de betaling van de prijs van die goederen;

4° op de voorwerpen die dienen voor de uitoefening van de eredienst;


5° op de levensmiddelen en brandstof die de beslagene en zijn gezin voor een maand nodig hebben;

6° een koe, of twaalf schapen of geiten, naar keuze van de beslagene, alsmede een varken en vierentwintig dieren van de hoenderhof, met het stro, voeder en graan, nodig voor het strooisel en de voeding van dat vee gedurende één maand.

§ 2. De in § 1 bedoelde voorwerpen blijven voor beslag vatbaar indien zij zich op een andere plaats bevinden dan daar waar de beslagene gewoonlijk woont of werkt.

§ 3. De moeilijkheden inzake de toepassing van dit artikel worden beslecht door de beslagrechter op grond van het proces-verbaal van beslaglegging, waarin de opmerkingen van de beslagene, op straffe van verval aan de gerechtsdeurwaarder mee te delen, hetzij op het tijdstip van het beslag, hetzij binnen vijf dagen na de betekening van de eerste akte van beslag, worden aangetekend.

Bij de neerlegging ter griffie van een afschrift van het proces- verbaal van beslaglegging door de gerechtsdeurwaarder of door de meest gerede partij, binnen vijftien dagen na de overhandiging van het afschrift van dat procesverbaal of, indien daartoe grond bestaat, van de betekening van het beslag aan de schuldenaar, bepaalt de beslagrechter dag en uur van het onderzoek en de regeling van de moeilijkheden, de schuldeiser en de schuldenaar vooraf gehoord of opgeroepen. De griffier roept de partijen op en verwittigt de instrumenterende gerechtsdeurwaarder.

De procedure kan niet worden voortgezet indien de in het vorige lid bedoelde neerlegging van het afschrift van het proces-verbaal niet heeft plaatsgehad.

De vordering schorst de vervolging, doch de goederen blijven onder beslag totdat uitspraak is gedaan.

De beslagrechter doet uitspraak bij voorrang boven alle andere zaken, zowel in aanwezigheid als bij ontstentenis van de partijen; zijn beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep; de rechtspleging kan onmiddellijk worden hervat."

Art. 7. In artikel 1409 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 16 juni 1978, worden de volgende wijzigingen aangebracht :



het eerste, tweede en derde lid vormen § 1;
het vierde en vijfde lid worden opgeheven;
een § 2 en een § 3 worden toegevoegd, luidend als volgt :
  • "§ 2. Elk jaar past de Koning de in § 1 bepaalde bedragen aan, rekening houdend met het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand november van elk jaar.


Het aanvangsindexcijfer is dat van de maand november 1989.

Elke verhoging of verlaging van het indexcijfer brengt een verhoging of verlaging van de bedragen met zich mee, overeenkomstig de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag, vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer. Het resultaat wordt afgerond tot het hogere honderdtal.

Het aldus aangepaste laatste bedrag mag evenwel nooit lager zijn dan het bedrag bepaald bij artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, dat van kracht zal zijn op 1 januari van het jaar volgend op de aanpassing, afgerond tot het hogere duizendtal.

Binnen de eerste vijftien dagen van de maand december van elk jaar, worden de nieuwe bedragen bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Zij worden van kracht vanaf 1 januari van het jaar volgend op hun aanpassing."

"§ 3. De Koning kan bovendien de in § 1 bepaalde bedragen na advies van de Nationale Arbeidsraad aanpassen, rekening houdend met de economische toestand.

Het besluit treedt in werking op 1 januari van het jaar na dat waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad."

Art. 8. Een artikel 1409bis, luidend als volgt, wordt in hetzelfde Wetboek ingevoegd :

"Art. 1409bis. De schuldenaar die niet beschikt over inkomsten als bedoeld in artikel 1409, kan voor hem en zijn gezin de noodzakelijke inkomsten behouden welke berekend worden overeenkomstig de artikelen 1409 en 1411.

Iedere aanspraak van de schuldenaar, steunend op het eerste lid, wordt aan de beslagrechter voorgelegd overeenkomstig artikel 1408, § 3. Deze kan de duur beperken tijdens welke deze inkomsten van de schuldenaar niet voor beslag vatbaar zijn.

Art. 9. In artikel 1410 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 1 april 1969, 27 juni 1969, 12 mei 1971, 7 augustus 1974, 9 juli 1975 en 31 juli 1985, worden de volgende wijzigingen aangebracht :



§ 1 wordt aangevuld als volgt :
"8° - de uitkering toegekend als onderbreking van de beroepsloopbaan.";



§ 2 wordt aangevuld als volgt :
"8° - de bedragen uitgekeerd als maatschappelijke dienstverlening door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn."

Art. 10. In artikel 1411, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 12 mei 1971, worden de woorden "in artikel 1409" vervangen door de woorden "in de artikelen 1409 en 1409bis."

Art. 11. In artikel 1412 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 31 maart 1987, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° de eerste zin van het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :

"De beperkingen en uitsluitingen waarin de artikelen 1409, 1409bis en 1410, § 1er, § 2, 1° tot 7°, § 3 en § 4 voorzien, zijn niet van toepassing :";

2° in het laatste lid wordt het woord "werknemer" vervangen door het woord "onderhoudsplichtige".

Art. 12. Artikel 1502 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

"Art. 1502. In het exploot van uitvoerend beslag op roerend goed wordt op straffe van nietigheid, de tekst opgenomen van artikel 1408, § 3, alsook van de artikelen 490bis en 507 van het Strafwetboek."

Art. 13. Artikel 1520 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

"Art. 1520. Er moet ten minste één maand verlopen tussen de overhandiging van het afschrift van het proces-verbaal van beslaglegging of, in voorkomend geval, van de betekening van het beslag aan de schuldenaar en de verkoop.

In geval van omzetting van een bewarend beslag in een uitvoerend beslag, moet er ten minste één maand verlopen tussen het bevel dat bedoeld wordt in artikel 1497 en de verkoop."

Art. 14. Artikel 1524, tweede lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

"Heeft de verkoop niet plaats binnen vijftien dagen, volgend op de maand na het reeds gelegde beslag, dan kan de beslaglegger bij vergelijking, na aanmaning aan de eerste beslaglegger en zonder enige vordering tot indeplaatsstelling, doen overgaan tot de verkoop."

Art. 15. Een artikel 1526bis, luidend als volgt, wordt in hetzelfde Wetboek ingevoegd :

"Art. 1526bis. De schuldenaar tegen wie een uitvoerend beslag op roerend goed geschiedt, kan de in beslag genomen goederen in der minne verkopen ten einde de opbrengst ervan aan te wenden voor de betaling van de schuldeisers.

Op straffe van niet-ontvankelijkheid moet de schuldenaar binnen tien dagen na de betekening van de beslaglegging de gerechtsdeurwaarder in kennis stellen van de hem gedane voorstellen.

Indien de schuldeiser bewijst dat die voorstellen ontoereikend zijn, wordt met het verzoek tot verkoop in der minne geen rekening gehouden.

Behalve indien de weigering om met de verkoop in te stemmen is ingegeven door de bedoeling om de schuldenaar te benadelen, kan de schuldeiser niet aansprakelijk worden gesteld.

De overdracht van eigendom van het goed is afhankelijk van de betaling van de prijs ervan in handen van de gerechtsdeurwaarder binnen acht dagen na de aanvaarding van het aankoopaanbod. Bij niet-naleving van die termijn kunnen de goederen onverwijld openbaar te koop worden gesteld.

Na de betaling van de prijs in handen van de gerechtsdeurwaarder, maakt deze een proces-verbaal op van verkoop in der minne met vermelding van de identiteit van de koper en verkoper, de betaalde prijs en de omschrijving van de verkochte goederen. Hij stelt hiervan een afschrift ter beschikking van de koper.

Het proces-verbaal wordt binnen 24 uren aangezegd aan de griffier, in de vorm van een bericht van beslag, als bedoeld in artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek."

Art. 16. Artikel 476 van de wet van 18 april 1851 betreffende het faillissement, de bankbreuk en het uitstel van betaling wordt vervangen door de volgende bepaling :

"Art. 476. § 1. De goederen bedoeld in artikel 1408 van het Gerechtelijk Wetboek, met uitzondering van de goederen die de beslagene volstrekt nodig heeft voor zijn beroep, bedoeld in het 3° van dat artikel, worden uit het actief van het faillissement gesloten en blijven onder het beheer en ter beschikking van de gefailleerde.

§ 2. Uit het actief van het faillissement worden eveneens gesloten, de bedragen, sommen en uitkeringen die de gefailleerde ontvangt sinds de faillietverklaring voor zover zij krachtens de artikelen 1409 tot 1412 van het Gerechtelijk Wetboek of krachtens bijzondere wetten niet voor beslag vatbaar zijn.

§ 3. De gefailleerde kan bovendien voor zichzelf en zijn gezin levensonderhoud verkrijgen, te bepalen door de rechtbank, op voorstel van de curatoren en op verslag van de rechter-commissaris.

§ 4. De curatoren maken een staat op van de in de §§ 1 en 3 bedoelde goederen."

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt."

Gegeven te Brussel, 14 januari 1993.

BOUDEWIJN


Van Koningswege :

De Minister van Justitie,
M. WATHELET


Met 's Lands zegel gezegeld :

De Minister van Justitie,
M. WATHELET


BIJLAGE 2

8 DECEMBER 1993 - Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 1409, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek (BS 15.12.1993).

Artikel 1. De bedragen die worden vermeld in artikel 1409, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek zoals zij zijn bepaald bij het koninklijk besluit van 11 december 1992, worden met de volgende formule aangepast, rekening houdend met het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand november van het jaar 1993 : 1° 27.000 F x 116,65 ----------------- = 30.275 F 104,03 2° 29.000 F x 116,65 ----------------- = 32.518 F 104,03 3° 35.000 F x 116,65 ----------------- = 39.245 F 104,03 Art. 2. De bedragen vermeld in artikel 1 worden als volgt tot het hogere honderdtal afgerond : 30.300 F, 32.600 F en 39.300 F.

Art. 3. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 8 december 1993.

ALBERT


Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
M. WATHELET