Aanschrijving nr. 1 dd. 09.03.1998
AANSCHRIJVING 98/001
Aanschrijving nr. 1 dd. 09.03.1998
Wet 07.01.1998 tot wijziging art. 91, § 3, lid 1, W.BTW
Inleiding
1. Het Belgische Staatsblad van 10 februari 1998 heeft de wet van 7 januari 1998 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde gepubliceerd (z. bijlage) (z. BTW-Rev. 133/1). Deze tekst vervangt degene verschenen in het Belgisch Staatsblad van 5 februari 1998.
Artikel 2 van voormelde wet stelt nieuwe maatregelen in onder punt 2° van artikel 91, § 3, eerste lid, van het BTW-Wetboek, met het oog op de aanpassing van voormeld Wetboek aan de Achtste Richtlijn nr. 79/1072/EEG van 6 december 1979 (PB EG, nr. L 331/11 van 27 december 1979; BTW-Revue 44/199).
Draagwijdte van de nieuwe wettelijke bepaling
2. Artikel 91, § 3, van het BTW-Wetboek is dermate gewijzigd dat voor de vanaf 1 oktober 1997 ingediende aanvragen om teruggaaf ambtshalve interest zal verschuldigd zijn door de Belgische Staat indien de teruggaaf bedoeld in voornoemde Achtste Richtlijn niet uitgevoerd is binnen de termijn voorzien in artikel 7, § 4, van deze richtlijn.
Voormeld artikel 7, § 4, voorziet dat het tijdstip van aanvang van de termijn van zes maanden waarbinnen de beslissing met worden genomen en de teruggaaf moet worden uitgevoerd, de datum is waarop de aanvraag om teruggaaf, vergezeld van alle documenten die volgens de richtlijn voor het onderzoek van de aanvraag nodig zijn, bij de bevoegde dienst wordt ingediend.
3. Na ontvangst van een aanvraag om teruggaaf die regelmatig is wat de vorm betreft en die alle door de richtlijn vereiste documenten omvat, kunnen evenwel bijkomende inlichtingen noodzakelijk zijn om, zoals artikel 6 van de richtlijn in bijzondere gevallen toelaat, de gegrondheid ervan te beoordelen. De tekst van de nieuwe wettelijke bepaling voorziet dat in die gevallen de loop van voormelde termijn geschorst wordt vanaf de datum van de verzending van het verzoek om inlichtingen aan de belastingplichtige, en dit tot op de datum waarop de belastingplichtige voldaan heeft aan zijn verplichting om die inlichtingen te verschaffen.
4. Artikel 91, § 3, eerste lid, 2°, van voormeld Wetboek betreft aanvragen om teruggaaf ingediend vanaf 1 oktober 1997 die betrekking hebben op de aankopen van goederen of het ontvangen van diensten of op invoeren, waarvoor de belasting ten vroegste vanaf 1 januari 1997 opeisbaar is geworden.
Eventuele nalatigheidsinteresten beginnen bijgevolg pas te lopen vanaf 1 april 1998.
Onderwerp van de aanschrijving
5. Deze aanschrijving heeft tot doel de nieuwe maatregelen inzake ambtshalve interesten toe te lichten, de toepassing ervan te beschrijven, evenals de voorwaarden en de te volgen procedure voor de uitbetaling van deze interest vast te leggen.
6. De aandacht wordt overigens gevestigd op het feit dat de aanschrijvingen nr. 6 van 10 maart 1981 (z. BTW-Rev. 49/426) en nr. 4 van 24 februari 1988 (z. BTW-Rev. 81/215) met betrekking tot teruggaaf van Belgische BTW aan buitenlandse belastingplichtigen van toepassing blijven wat betreft de voorwaarden en de modaliteiten die de buitenlandse belastingplichtigen moeten naleven om teruggaaf van Belgische BTW te bekomen.
Zo is het belangrijk om op te merken dat een aanvraag om teruggaaf die niet voldoet aan bepaalde in deze aanschrijving omschreven voorwaarden om in aanmerking te worden genomen voor de toekenning van een ambtshalve interest (z. hoofdstuk I), toch altijd recht kan geven op teruggaaf van Belgische BTW.
HOOFDSTUK I.
TOEPASSINGSGEBIED VAN DE NIEUWE WETTELIJKE BEPALING - BEOOGDE AANVRAGEN OM TERUGGAAF.
7. Artikel 91, § 3, eerste lid, 2°, nieuw, is van toepassing op de sommen die moeten worden terugbetaald overeenkomstig de bepalingen van voormelde Achtste Richtlijn.
Zijn bijgevolg uitgesloten van de toepassing van deze bepaling, de terug te betalen bedragen ingevolge aanvragen om teruggaaf op grond van de Dertiende Richtlijn van 17 november 1986 door niet op het grondgebied van de Europese Unie (EU) gevestigde belastingplichtigen (z. BTW-Rev. 75/95).
In principe worden dan ook, voor de toepassing van de nieuwe maatregelen inzake de interesten, enkel de aanvragen om teruggaaf van Belgische BTW in aanmerking genomen die in de Achtste Richtlijn beoogd zijn en die alle door deze laatste richtlijn opgelegde voorwaarden omvatten.
In feite gaat het om de aanvragen om teruggaaf waarvoor de voor de terugbetaling gevolgde procedure uiteengezet is in de voornoemde aanschrijving nr. 6/1981, opgemaakt in uitvoering van de Achtste Richtlijn.
8. Is bijgevolg beoogd en vatbaar voor de betaling van een ambtshalve interest, iedere aanvraag om teruggaaf die werd ingediend ten vroegste op 1 oktober 1997, die betrekking heeft op de aankopen van goederen of het ontvangen van diensten of op invoeren, waarvoor de belasting ten vroegste vanaf 1 januari 1997 opeisbaar is geworden (z. nr. 4 hierboven) en die voldoet aan alle volgende voorwaarden:
a) de aanvraag gaat uit van een in een andere Lid-Staat van de EU gevestigde aanvrager die in de periode waarop de aanvraag om teruggaaf betrekking heeft hier in België noch de zetel van zijn economische activiteit, noch een vaste inrichting, noch, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft gehad;
b) in de onder a) beoogde periode heeft de aanvrager geen leveringen van goederen of diensten verricht die geacht worden in België plaats te vinden, met uitzondering van de volgende handelingen:
c) de aanvraag heeft betrekking op een periode van niet meer dan een kalenderjaar en moet worden ingediend uiterlijk zes maanden na het verstrijken van het kalenderjaar waarin de belasting verschuldigd is geworden (z. art. 7, § 1, van de Achtste Richtlijn; aanschr. 6/1981, nrs. 19 en 20);
d) in toepassing van artikel 91, § 3, tweede en derde lid van het BTW-Wetboek, mag het na verificatie door de administratie terug te geven bedrag waarop de aanvraag betrekking heeft niet lager zijn dan 13.000 BEF;
e) de aanvraag moet worden ingediend in drie exemplaren op een formulier (nr. 821) dat overeenstemt met het model opgenomen in bijlage A van de reeds vermelde aanschrijving 6/1981);
f) bij de aanvraag moeten de van de leveranciers of dienstverrichters ontvangen originele facturen en/of originele invoerdocumenten worden gevoegd. De facturen moeten de vermeldingen bevatten die voorgeschreven zijn door artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde;
g) bij de aanvraag moet een voor eensluidend attest worden gevoegd afgeleverd door de bevoegde overheid van de Lid-Staat van de Europese Unie waar de aanvrager gevestigd is en waaruit blijkt dat hij in die Lid-Staat de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige bezit. Wanneer evenwel reeds eerder een dergelijk attest werd verstrekt, moet de belastingplichtige gedurende een jaar, te rekenen vanaf de datum van de aflevering van het vorige attest, geen nieuw attest voorleggen;
h) op het teruggaafformulier moet de aanvrager er zich toe verbinden alle ten onrechte ontvangen sommen terug te betalen;
i) bij de aanvraag moet een geschreven verklaring worden gevoegd waarin de aanvrager, naargelang het geval, verklaart
ofwel
ofwel
j) wanneer een derde werd aangeduid als lasthebber gemachtigd tot het ondertekenen en of het innen van de betaling, moet een volmacht bij de aanvraag worden gevoegd. Deze volmacht moet op de vereiste wijze worden gegeven en voldoen aan bepaalde voorwaarden (z. nr. 26 van aanschr. 6/81) [Er moet worden opgemerkt dat de wet van 27 november 1996 (BS, 18.04.1997, nr. 75, blz. 9088) (z. BTW-Rev. 129/575) het verdrag betreffende de afschaffing van de legalisatie van akten in de Lid-Staten van de Europese Unie ratificeert. Dit verdrag wordt eveneens reeds toegepast in Denemarken, Frankrijk en Italië. Bijgevolg is voor de volmachten gegeven door een belastingplichtige van een van deze drie Lid-Staten en waarvan de handtekening voor echt werd verklaard door een notaris geen enkele legalisatie meer vereist voor de Belgische administratie.].
Andere beoogde aanvragen. - Administratieve tolerantie.
9. Bij wijze van tolerantie en met het oog op het vermijden van elke discriminatie heeft de administratie beslist om het toepassingsgebied van artikel 91, § 3, eerste lid, 2°, van het BTW-Wetboek uit te breiden tot andere belastingplichtigen behorende tot de EU.
Onder hen zijn nochtans die belastingplichtigen uitgesloten welke gebruik maken van de ontheffing van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen, wanneer de toepassing van deze ontheffing afhankelijk is van de verplichting een samenvattende BTW- aangifte in te dienen via dewelke zij hun recht op aftrek van Belgische BTW kunnen uitoefenen (bv. de regeling voor personenvervoer, de deelname aan beurzen, tentoonstellingen, ...). In die gevallen is de toepassing van een ambtshalve interest eigenlijk niet gerechtvaardigd, gelet op het feit dat het eindresultaat van deze samenvattende aangifte meestal een door de belastingplichtige aan de Staat te betalen bedrag is;
11. Om in aanmerking te kunnen komen voor de toepassing van artikel 91, § 3, eerste lid, 2°, van het Wetboek moet de aanvraag om teruggaaf door een in nr. 10 beoogde belastingplichtige voldoen aan alle voorwaarden uiteengezet hierboven in nr. 8, c), d), f), g), h) en j). Bovendien moeten ook volgende voorwaarden vervuld zijn:
a) de aanvraag moet in drievoud worden ingediend op het formulier (nr. 803) conform het model opgenomen in bijlage 3 van de voormelde aanschrijving nr. 4/1988 [Ingevolge de handelingen die hij hier te lande verricht bevindt de belastingplichtige zich niet in het toepassingsgebied van de aanschrijving 6/1981. De te volgen procedure voor teruggaaf van Belgische BTW aan deze belastingplichtige is uiteengezet in de aanschrijving 4/1988];
b) bij de aanvraag moet een schriftelijke verklaring worden gevoegd waarin de aanvrager bevestigt dat hij, in de periode waarop de aanvraag om teruggaaf betrekking heeft, uitsluitend:
Het attest moet volgende vermeldingen bevatten:
1° de identificatie van de partijen evenals hun adres;
2° een verwijzing naar de factuur (nr., datum);
3° indien de belasting betaald werd door opname in een periodieke BTW-aangifte of in een bijzondere aangifte, de vermelding van het tijdvak waarop de aangifte betrekking heeft en de datum van betaling van de belasting.
Indien de medecontractant de belasting voldaan heeft door het aanbrengen en onbruikbaar maken van gehele fiscale zegels, moet een fotocopie van het met zegels beklede document bij het attest worden gevoegd.
HOOFDSTUK II.
TERMIJN VAN ZES MAANDEN BEOOGD IN ARTIKEL 7, § 4, VAN DE ACHTSTE RICHTLIJN. - SCHORSING. - BEREKENING VAN DE TERMIJN.
Aanvang van de termijn
12. Overeenkomstig artikel 7, § 4, van de Achtste Richtlijn moeten de beslissingen over de verzoeken om teruggaaf worden meegedeeld binnen zes maanden te rekenen vanaf de datum van de voorlegging ervan bij de bevoegde dienst, samen met alle documenten die volgens de richtlijn nodig zijn voor het onderzoek van de aanvraag. De teruggaaf moet plaatsvinden vóór het verstrijken van voornoemde termijn.
13. Het tijdstip waarop de termijn van zes maanden aanvangt waarbinnen de aanvraag behandeld moet worden en de teruggaaf verricht moet zijn, is de datum van ontvangst door het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen (Dienst terugbetalingen) van de aanvraag om teruggaaf die beantwoordt aan alle voorwaarden uiteengezet in hoofdstuk I hiervoor onder, naargelang het geval, nr. 8 of nr. 11.
14. De aandacht van de aanvrager moet bijgevolg gevestigd worden op het feit dat, wanneer de aanvraag om teruggaaf niet aan alle vereiste voorwaarden voldoet, bijvoorbeeld omdat niet alle nodige documenten bijgevoegd zijn of omdat de vorm niet regelmatig is, deze aanvraag niet bedoeld is door de nieuwe wettelijke bepaling over de betaling van een ambtshalve interest.
15. Ingeval een aanvraag niet volledig is of niet beantwoordt aan de voorgeschreven vorm verzoekt de administratie de aanvrager schriftelijk om de aanvraag te vervolledigen of te regulariseren, en wel op een wijze die laatstgenoemde toelaat dit te doen binnen de termijn vereist voor de indiening van de aanvraag (z. hoofdstuk I, nr. 8, c).
16. Wanneer de aanvraag om teruggaaf aan alle vereiste voorwaarden voldoet, begint de termijn van zes maanden te lopen vanaf de datum van ontvangst van deze aanvraag op voormeld kantoor.
Schorsing van de termijn
17. De termijn van zes maanden wordt geschorst tijdens een periode die ingaat op de datum waarop inlichtingen aan de belastingplichtige gevraagd worden in het kader van artikel 6 van de Achtste Richtlijn en die eindigt op de datum waarop de belastingplichtige voldaan heeft aan zijn verplichting om de inlichtingen te verstrekken welke nodig zijn voor de beoordeling van de gegrondheid van het verzoek om teruggaaf.
18. Enkel de vragen gericht aan de aanvrager met het oog op het bekomen van bijkomende inlichtingen nodig voor de beoordeling van de gegrondheid van het verzoek om teruggaaf zijn van aard om de termijn van zes maanden te schorsen.
19. Wordt enkel door de Administratie beschouwd als van aard zijnde om de termijn van zes maanden te schorsen, de aanvragen om inlichtingen met het oog op het oplossen van volgende problemen:
a) vragen om inlichtingen met betrekking tot in België verrichte uitgaande handelingen door de aanvrager en die tot doel hebben vast te stellen:
Opmerkingen
Inlichtingen met betrekking tot het onderzoek van de uitgaande handelingen in hoofde van aanvragers die verklaard hebben geen enkele levering van goederen of geen enkele dienst te hebben verricht die geacht wordt in België plaats te vinden, met uitzondering van de handelingen beoogd in nr. 8, b, eerste en tweede streepje (z. hoofdstuk I), zullen niet aan laatstgenoemden gevraagd worden behalve indien de administratie hieromtrent twijfels heeft gelet op de aard van de uitgeoefende activiteit en op basis van de bij de aanvraag om teruggaaf gevoegde inkomende facturen of invoerdocumenten;
b) vragen om inlichtingen met betrekking tot de identiteit van de aanvrager en met als doel na te gaan of hij niet kan beschouwd worden als gevestigd in België (drie voorwaarden te vervullen, z. antwoord op de parl. vr. nr. 157, van 20 maart 1991, van Senator de Clippele, Bulletin van Vragen en Antwoorden, Senaat, 1990-1991, nr. 27, blz. 1183; BTW-Revue 95, blz. 270);
c) vragen om inlichtingen met betrekking tot de aan de aanvrager verstrekte handelingen en met als doel vast te stellen:
d) vragen om inlichtingen met betrekking tot de aan de aanvrager verstrekte handelingen met als doel bepaalde vermeldingen die op de inkomende facturen voorkomen te verklaren;
e) vragen om inlichtingen met betrekking tot de problematiek van de in artikel 44 van het BTW-Wetboek beoogde personen (gemengde belastingplichtigen).
20. De periode van schorsing begint te lopen vanaf de datum van de in artikel 6 van voormelde richtlijn beoogde schriftelijke vraag om inlichtingen gericht aan de belastingplichtige. Zij eindigt op de datum van ontvangst door de administratie van het door de belastingplichtige verstrekte antwoord.
21. De schriftelijke vraag om inlichtingen gericht aan de aanvrager moet de vermelding bevatten op grond waarvan, vanaf die datum de in artikel 7, § 4, van de Achtste Richtlijn beoogde termijn van zes maanden worden geschorst.
22. Wanneer het door de belastingplichtige verstrekte antwoord onvoldoende is of aanleiding geeft tot andere vragen om inlichtingen, moet de administratie schriftelijk reageren binnen de maand, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van dat antwoord opdat de periode van schorsing zou blijven lopen.
23. Indien de administratie niet reageert binnen de maand, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het laatste door de belastingplichtige verstrekte antwoord, begint de termijn van zes maanden opnieuw te lopen vanaf de datum van dit laatste antwoord.
24. Zolang hij niet verstreken is, kan de termijn van zes maanden steeds opnieuw geschorst worden op het ogenblik waarop de administratie schriftelijk een nieuwe vraag om inlichtingen richt aan de belastingplichtige en dit vanaf de datum van deze vraag tot op de datum van ontvangst van het antwoord van de belastingplichtige.
25. Overigens is het aan de belastingplichtige om een door de administratie aan hem gerichte vraag om inlichtingen te beantwoorden binnen een redelijke termijn zo niet bestaat het gevaar dat de administratie beslist om de aanvraag om teruggaaf te verwerpen.
De termijn waarbinnen de belastingplichtige gehouden is te antwoorden, is een feitenkwestie die de administratie geval per geval beoordeelt, rekening houdend met de aard en het belang van de gevraagde inlichtingen.
Een beslissing tot verwerping kan evenwel nooit worden genomen vóór het verstrijken van een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de datum van de aan de belastingplichtige gerichte vraag om inlichtingen.
Opmerking
26. Uit het door de belastingplichtige verstrekte antwoord kan blijken dat zijn aanvraag om teruggaaf niet gegrond is (verwerping van terugbetaling), of dat het terug te geven bedrag uiteindelijk minder bedraagt dan 13.000 BEF (z. hoofdstuk I, nr. 8, d)). In dat geval is de aanvraag om teruggaaf uiteraard niet bedoeld in artikel 91, § 3, eerste lid, 2°, van het BTW-Wetboek.
Berekening van de termijn.
27. De termijn van zes maanden wordt per volledige maand berekend, vanaf de bewuste datum tot de vooravond van bewust datum.
Voorbeeld: de datum van ontvangst van de aanvraag om teruggaaf (die voldoet aan alle opgelegde voorwaarden) is 15 juni. De termijn van zes maanden begint op 15 juni.
Indien de termijn niet is geschorst (geen vraag om inlichtingen beoogd in artikel 6 van de Achtste Richtlijn), verstrijkt de termijn van zes maanden op 14 december om middernacht.
Voorbeeld: de datum waarop de inlichtingen gevraagd worden is 27 juni. De administratie ontvangt het antwoord van de belastingplichtige op 9 juli.
De periode van schorsing vangt aan op 27 juni en eindigt op 9 juli.
29. Wanneer voor de berekening van de termijn van zes maanden de schorsingsperiode aanvangt in de loop van een maand, dan wordt voor de bepaling van één maand met dagen gerekend, ervan uitgaande dat een maand overeenstemt met 30 dagen.
Zo wordt in de situatie die in de nrs. 27 en 28 hiervoor als voorbeeld wordt aangehaald, de maand waarin de schorsingsperiode zich voordoet als volgt berekend: van 15 juni tot 26 juni: 12 dagen (van 27 juni tot 9 juli = schorsingsperiode) (30 dagen) van 10 juli tot 27 juli: 18 dagen De maand verstrijkt op 27 juli om middernacht.
EERSTE SITUATIE 15/6: ontvangst van de aanvraag om teruggaaf (bedrag: 100.350 BEF). 25/9: terugbetaling Berekening van de termijn van zes maanden:
van 15/6 tot 14/7: 1ste maand van de termijn
van 15/7 tot 14/8: 2de maand
van 15/8 tot 14/9: 3de maand
van 15/9 tot 14/10: 4de maand
van 15/10 tot 14/11: 5de maand
van 15/11 tot 14/12: 6de maand
De termijn van zes maanden verstrijkt op 14/12 om middernacht.
TWEEDE SITUATIE 15/6: ontvangst van de aanvraag om teruggaaf (bedrag: 100.350 BEF). 27/6: vraag om inlichtingen door de administratie 9/7: ontvangst van het antwoord 20/7: nieuwe vraag om inlichtingen door de administratie [Opmerking: aangezien de administratie binnen de termijn van een maand reageert op het eerste antwoord, loopt de periode van schorsing verder (z. nr. 22)] 13/8: ontvangst van het antwoord 25/9: terugbetaling Berekening van de termijn van zes maanden: 1ste maand van de termijn van 15/6 tot 26/6: 12 dagen (van 27/6 tot 13/8: schorsingsperiode) (30 dagen) van 14/8 tot 31/8: 18 dagen De tweede maand van de termijn vangt aan op 1/9.
De periode van zes maanden verstrijkt op 31/1 om middernacht.
DERDE SITUATIE 15/6: ontvangst van de aanvraag om teruggaaf (bedrag: 100.350 BEF). 27/7: vraag om inlichtingen door de administratie 19/8: ontvangst van het antwoord 26/9: vraag om inlichtingen door de administratie [Opmerking: reactie van de administratie op het eerste antwoord na meer dan een maand, de termijn van zes maanden begint opnieuw te lopen (z. nr. 23)] 25/10: ontvangst van het antwoord 23/3: terugbetaling Berekening van de periode van zes maanden: 1ste maand van de termijn van 15/6 tot 14/7 2de maand van de termijn van 15/7 tot 26/7: 12 dagen (van 27/7 tot 19/8: eerste schorsingsperiode) (30 dagen) van 20/8 tot 6/9: 18 dagen 3de maand van de termijn van 7/9 tot 25/9: 19 dagen (van 26/9 tot 25/10: tweede schorsingsperiode) (30 dagen) van 26/10 tot 5/11: 11 dagen De vierde maand van de termijn begint op 6/11 De termijn van zes maanden verstrijkt op 5/2 om middernacht. HOOFDSTUK III. INTEREST
Berekening van de interest
31. De in artikel 91, § 3, eerste lid, 2°, van het BTW-Wetboek beoogde interest loopt van rechtswege vanaf de datum van het verstrijken van de termijn van zes maanden en tot op de datum van de betaling van de terug te geven sommen.
32. De interest wordt om de maand berekend over het totaal van de terug te geven belasting, afgerond op het duizendtal naar beneden (z. art. 91, § 3, tweede lid, van het BTW-Wetboek). Het totaal van de terug te geven belasting is het terug te betalen bedrag na verificatie door de administratie en na aftrek van het aan de Staat terug te storten bedrag aan BTW met betrekking tot de door de aanvrager ontvangen creditnota's betreffende hetzij de handelingen waarvoor teruggaaf wordt gevraagd, hetzij de handelingen waarvoor teruggaaf wordt gevraagd, hetzij de handelingen vermeld in reeds eerder ingediende aanvragen om teruggaaf.
In de in hoofdstuk II, nr. 30, voorgestelde situaties wordt de interest als volgt berekend: Eerste situatie: geen interest Tweede situatie: geen interest Derde situatie: de interest loopt vanaf 6/2 tot 23/3: van 6/2 tot 5/3: eerste maand interest van 6/3 tot 23/3: tweede maand interest Twee maanden interest zijn verschuldigd, hetzij
(0,8 pct x 100.000 BEF) x 2 = 1.600 BEF.
Betaling van de interest. - Beslissing over de aanvraag om teruggaaf.
34. De interest wordt ambtshalve betaald. De betaling gebeurt op hetzelfde ogenblik en op dezelfde wijze als de terug te betalen belasting (z. nr. 24 van de aanschr. 6/1981 en nr. 31 van de aanschr. 4/1988).
35. Wanneer een interest verschuldigd is, wordt in de beslissing over de teruggaaf die aan de rechthebbende betekend wordt eveneens het bedrag van deze interest gemotiveerd.
Bijzonder geval. - Fraude.
36. Ingeval de teruggaaf die aanleiding heeft gegeven tot de betaling van een ambtshalve interest, op bedrieglijke of onregelmatige wijze werd verkregen, zal het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen de ten onrechte terugbetaalde belasting verhoogd met de uitbetaalde interest terugvorderen.
BIJLAGE 1
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 10 februari 1998
7 JANUARI 1998. - Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt:
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2. Artikel 91, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, gewijzigd bij de wetten van 24 december 1976, 28 december 1983 en 4 augustus 1986, wordt vervangen door de volgende bepaling:
"Een interest van 0,8 pct. per maand is van rechtswege verschuldigd over de sommen die moeten worden teruggegeven:
1° met toepassing van artikel 76, § 1, eerste lid, te rekenen vanaf het verstrijken van de in deze tekst bepaalde termijn;
2° met toepassing van de bepalingen van de Achtste Richtlijn nr. 79/1072/EEG, van 6 december 1979, betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen (LEES: "belastingplichtigen"), voor de aanvragen om teruggaaf ingediend vanaf 1 oktober 1997, te rekenen vanaf het verstrijken van de termijn van zes maanden bepaald in artikel 7, punt 4, van die richtlijn. Wanneer evenwel de Administratie van de BTW, registratie en domeinen aanvullende inlichtingen vraagt op basis van artikel 6 van voornoemde richtlijn, wordt de loop van die termijn geschorst tijdens een periode die ingaat op de datum van de verzending van het verzoek om inlichtingen aan de belastingplichtige en die eindigt op de datum waarop de belastingplichtige voldaan heeft aan zijn verplichting om de nodige inlichtingen te verschaffen om de gegrondheid van zijn aanvraag om teruggaaf te beoordelen.".
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 1 januari 1998.
Met 's Lands zegel gezegeld:
Aanschrijving nr. 1 dd. 09.03.1998
Wet 07.01.1998 tot wijziging art. 91, § 3, lid 1, W.BTW
Inleiding
1. Het Belgische Staatsblad van 10 februari 1998 heeft de wet van 7 januari 1998 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde gepubliceerd (z. bijlage) (z. BTW-Rev. 133/1). Deze tekst vervangt degene verschenen in het Belgisch Staatsblad van 5 februari 1998.
Artikel 2 van voormelde wet stelt nieuwe maatregelen in onder punt 2° van artikel 91, § 3, eerste lid, van het BTW-Wetboek, met het oog op de aanpassing van voormeld Wetboek aan de Achtste Richtlijn nr. 79/1072/EEG van 6 december 1979 (PB EG, nr. L 331/11 van 27 december 1979; BTW-Revue 44/199).
Draagwijdte van de nieuwe wettelijke bepaling
2. Artikel 91, § 3, van het BTW-Wetboek is dermate gewijzigd dat voor de vanaf 1 oktober 1997 ingediende aanvragen om teruggaaf ambtshalve interest zal verschuldigd zijn door de Belgische Staat indien de teruggaaf bedoeld in voornoemde Achtste Richtlijn niet uitgevoerd is binnen de termijn voorzien in artikel 7, § 4, van deze richtlijn.
Voormeld artikel 7, § 4, voorziet dat het tijdstip van aanvang van de termijn van zes maanden waarbinnen de beslissing met worden genomen en de teruggaaf moet worden uitgevoerd, de datum is waarop de aanvraag om teruggaaf, vergezeld van alle documenten die volgens de richtlijn voor het onderzoek van de aanvraag nodig zijn, bij de bevoegde dienst wordt ingediend.
3. Na ontvangst van een aanvraag om teruggaaf die regelmatig is wat de vorm betreft en die alle door de richtlijn vereiste documenten omvat, kunnen evenwel bijkomende inlichtingen noodzakelijk zijn om, zoals artikel 6 van de richtlijn in bijzondere gevallen toelaat, de gegrondheid ervan te beoordelen. De tekst van de nieuwe wettelijke bepaling voorziet dat in die gevallen de loop van voormelde termijn geschorst wordt vanaf de datum van de verzending van het verzoek om inlichtingen aan de belastingplichtige, en dit tot op de datum waarop de belastingplichtige voldaan heeft aan zijn verplichting om die inlichtingen te verschaffen.
4. Artikel 91, § 3, eerste lid, 2°, van voormeld Wetboek betreft aanvragen om teruggaaf ingediend vanaf 1 oktober 1997 die betrekking hebben op de aankopen van goederen of het ontvangen van diensten of op invoeren, waarvoor de belasting ten vroegste vanaf 1 januari 1997 opeisbaar is geworden.
Eventuele nalatigheidsinteresten beginnen bijgevolg pas te lopen vanaf 1 april 1998.
Onderwerp van de aanschrijving
5. Deze aanschrijving heeft tot doel de nieuwe maatregelen inzake ambtshalve interesten toe te lichten, de toepassing ervan te beschrijven, evenals de voorwaarden en de te volgen procedure voor de uitbetaling van deze interest vast te leggen.
6. De aandacht wordt overigens gevestigd op het feit dat de aanschrijvingen nr. 6 van 10 maart 1981 (z. BTW-Rev. 49/426) en nr. 4 van 24 februari 1988 (z. BTW-Rev. 81/215) met betrekking tot teruggaaf van Belgische BTW aan buitenlandse belastingplichtigen van toepassing blijven wat betreft de voorwaarden en de modaliteiten die de buitenlandse belastingplichtigen moeten naleven om teruggaaf van Belgische BTW te bekomen.
Zo is het belangrijk om op te merken dat een aanvraag om teruggaaf die niet voldoet aan bepaalde in deze aanschrijving omschreven voorwaarden om in aanmerking te worden genomen voor de toekenning van een ambtshalve interest (z. hoofdstuk I), toch altijd recht kan geven op teruggaaf van Belgische BTW.
HOOFDSTUK I.
TOEPASSINGSGEBIED VAN DE NIEUWE WETTELIJKE BEPALING - BEOOGDE AANVRAGEN OM TERUGGAAF.
7. Artikel 91, § 3, eerste lid, 2°, nieuw, is van toepassing op de sommen die moeten worden terugbetaald overeenkomstig de bepalingen van voormelde Achtste Richtlijn.
Zijn bijgevolg uitgesloten van de toepassing van deze bepaling, de terug te betalen bedragen ingevolge aanvragen om teruggaaf op grond van de Dertiende Richtlijn van 17 november 1986 door niet op het grondgebied van de Europese Unie (EU) gevestigde belastingplichtigen (z. BTW-Rev. 75/95).
In principe worden dan ook, voor de toepassing van de nieuwe maatregelen inzake de interesten, enkel de aanvragen om teruggaaf van Belgische BTW in aanmerking genomen die in de Achtste Richtlijn beoogd zijn en die alle door deze laatste richtlijn opgelegde voorwaarden omvatten.
In feite gaat het om de aanvragen om teruggaaf waarvoor de voor de terugbetaling gevolgde procedure uiteengezet is in de voornoemde aanschrijving nr. 6/1981, opgemaakt in uitvoering van de Achtste Richtlijn.
8. Is bijgevolg beoogd en vatbaar voor de betaling van een ambtshalve interest, iedere aanvraag om teruggaaf die werd ingediend ten vroegste op 1 oktober 1997, die betrekking heeft op de aankopen van goederen of het ontvangen van diensten of op invoeren, waarvoor de belasting ten vroegste vanaf 1 januari 1997 opeisbaar is geworden (z. nr. 4 hierboven) en die voldoet aan alle volgende voorwaarden:
a) de aanvraag gaat uit van een in een andere Lid-Staat van de EU gevestigde aanvrager die in de periode waarop de aanvraag om teruggaaf betrekking heeft hier in België noch de zetel van zijn economische activiteit, noch een vaste inrichting, noch, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft gehad;
b) in de onder a) beoogde periode heeft de aanvrager geen leveringen van goederen of diensten verricht die geacht worden in België plaats te vinden, met uitzondering van de volgende handelingen:
- de vervoerdiensten en de met dat vervoer samenhangende handelingen beoogd in artikel 41, § 1, 2° tot 6° van het BTW-Wetboek, alsook de vrijgestelde handelingen overeenkomstig artikel 41, § 2, eerste lid, van voormeld Wetboek, wanneer de aldaar bedoelde personen tussenkomst verlenen bij een vervoer of bij de hiervoor vermelde samenhangende diensten;
- de diensten beoogd in artikel 21, § 3, 7° van het BTW-Wetboek en de diensten beoogd in artikel 21, § 3, 2° b, 3°bis, 3°ter, 4°bis, 4°ter en 8°, van voormeld Wetboek wanneer de ontvanger van de dienst beschikt over een Belgisch BTW-identificatienummer voorafgegaan door de letters BE en de handeling hem onder dit nummer wordt verstrekt;
c) de aanvraag heeft betrekking op een periode van niet meer dan een kalenderjaar en moet worden ingediend uiterlijk zes maanden na het verstrijken van het kalenderjaar waarin de belasting verschuldigd is geworden (z. art. 7, § 1, van de Achtste Richtlijn; aanschr. 6/1981, nrs. 19 en 20);
d) in toepassing van artikel 91, § 3, tweede en derde lid van het BTW-Wetboek, mag het na verificatie door de administratie terug te geven bedrag waarop de aanvraag betrekking heeft niet lager zijn dan 13.000 BEF;
e) de aanvraag moet worden ingediend in drie exemplaren op een formulier (nr. 821) dat overeenstemt met het model opgenomen in bijlage A van de reeds vermelde aanschrijving 6/1981);
f) bij de aanvraag moeten de van de leveranciers of dienstverrichters ontvangen originele facturen en/of originele invoerdocumenten worden gevoegd. De facturen moeten de vermeldingen bevatten die voorgeschreven zijn door artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde;
g) bij de aanvraag moet een voor eensluidend attest worden gevoegd afgeleverd door de bevoegde overheid van de Lid-Staat van de Europese Unie waar de aanvrager gevestigd is en waaruit blijkt dat hij in die Lid-Staat de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige bezit. Wanneer evenwel reeds eerder een dergelijk attest werd verstrekt, moet de belastingplichtige gedurende een jaar, te rekenen vanaf de datum van de aflevering van het vorige attest, geen nieuw attest voorleggen;
h) op het teruggaafformulier moet de aanvrager er zich toe verbinden alle ten onrechte ontvangen sommen terug te betalen;
i) bij de aanvraag moet een geschreven verklaring worden gevoegd waarin de aanvrager, naargelang het geval, verklaart
ofwel
- dat hij in de periode in a) geen enkele levering van een goed of een dienst heeft verricht die geacht wordt in België plaats te vinden;
ofwel
- dat hij in diezelfde periode uitsluitend handelingen beoogd in b), eerste en tweede streepje heeft verricht;
j) wanneer een derde werd aangeduid als lasthebber gemachtigd tot het ondertekenen en of het innen van de betaling, moet een volmacht bij de aanvraag worden gevoegd. Deze volmacht moet op de vereiste wijze worden gegeven en voldoen aan bepaalde voorwaarden (z. nr. 26 van aanschr. 6/81) [Er moet worden opgemerkt dat de wet van 27 november 1996 (BS, 18.04.1997, nr. 75, blz. 9088) (z. BTW-Rev. 129/575) het verdrag betreffende de afschaffing van de legalisatie van akten in de Lid-Staten van de Europese Unie ratificeert. Dit verdrag wordt eveneens reeds toegepast in Denemarken, Frankrijk en Italië. Bijgevolg is voor de volmachten gegeven door een belastingplichtige van een van deze drie Lid-Staten en waarvan de handtekening voor echt werd verklaard door een notaris geen enkele legalisatie meer vereist voor de Belgische administratie.].
Andere beoogde aanvragen. - Administratieve tolerantie.
9. Bij wijze van tolerantie en met het oog op het vermijden van elke discriminatie heeft de administratie beslist om het toepassingsgebied van artikel 91, § 3, eerste lid, 2°, van het BTW-Wetboek uit te breiden tot andere belastingplichtigen behorende tot de EU.
| 10. | Het betreft: |
- in een andere Lid-Staat van de EU gevestigde belastingplichtigen die, in principe, voor handelingen die zij in België verrichten er geïdentificeerd zouden moeten zijn maar waarvoor de Belgische reglementering voorziet in een ontheffing van de verplichting hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen en die effectief gebruik maken van deze ontheffing.
Onder hen zijn nochtans die belastingplichtigen uitgesloten welke gebruik maken van de ontheffing van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen, wanneer de toepassing van deze ontheffing afhankelijk is van de verplichting een samenvattende BTW- aangifte in te dienen via dewelke zij hun recht op aftrek van Belgische BTW kunnen uitoefenen (bv. de regeling voor personenvervoer, de deelname aan beurzen, tentoonstellingen, ...). In die gevallen is de toepassing van een ambtshalve interest eigenlijk niet gerechtvaardigd, gelet op het feit dat het eindresultaat van deze samenvattende aangifte meestal een door de belastingplichtige aan de Staat te betalen bedrag is;
- de in een andere Lid-Staat van de EU gevestigde belastingplichtigen die hier te lande handelingen verrichten waarvoor de Belgische reglementering voorziet in de mogelijkheid om gebruik te maken van een globaal Belgisch BTW-identificatienummer (z. art. 2, § 2, van het koninklijk besluit nr. 31 van 29 december 1992).
11. Om in aanmerking te kunnen komen voor de toepassing van artikel 91, § 3, eerste lid, 2°, van het Wetboek moet de aanvraag om teruggaaf door een in nr. 10 beoogde belastingplichtige voldoen aan alle voorwaarden uiteengezet hierboven in nr. 8, c), d), f), g), h) en j). Bovendien moeten ook volgende voorwaarden vervuld zijn:
a) de aanvraag moet in drievoud worden ingediend op het formulier (nr. 803) conform het model opgenomen in bijlage 3 van de voormelde aanschrijving nr. 4/1988 [Ingevolge de handelingen die hij hier te lande verricht bevindt de belastingplichtige zich niet in het toepassingsgebied van de aanschrijving 6/1981. De te volgen procedure voor teruggaaf van Belgische BTW aan deze belastingplichtige is uiteengezet in de aanschrijving 4/1988];
b) bij de aanvraag moet een schriftelijke verklaring worden gevoegd waarin de aanvrager bevestigt dat hij, in de periode waarop de aanvraag om teruggaaf betrekking heeft, uitsluitend:
- handelingen heeft verricht waarvoor hij gebruik heeft gemaakt van de ontheffing van de verplichting tot erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger en waarvoor het gebruik van deze ontheffing niet afhankelijk is gesteld van de verplichting om bij het Centraal BTW- kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen een samenvattende aangifte van deze handelingen in te dienen waarin hij zijn recht op aftrek van Belgische BTW kan uitoefenen;
- en/of handelingen heeft verricht waarvoor een globaal Belgisch BTW-identificatienummer terecht werd aangewend;
| c) | bij de aanvraag moet worden gevoegd: |
- het dubbel van de uitgaande facturen en van de uitgereikte creditnota's;
- de betalingsbewijzen van de op deze dubbels vermelde belasting of de documenten die de vrijstelling van de belasting aantonen. Het bewijs van betaling kan door de aanvrager geleverd worden door het voorleggen van een attest waarin de medecontractant verklaart dat hij de verschuldigde belasting heeft voldaan, hetzij door ze op te nemen in zijn periodieke BTW-aangifte of in zijn bijzondere aangifte, hetzij door het aanbrengen en onbruikbaar maken van gehele fiscale zegels (z. art. 5 van het kon. besl. nr. 31, van 29 december 1992 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen).
Het attest moet volgende vermeldingen bevatten:
1° de identificatie van de partijen evenals hun adres;
2° een verwijzing naar de factuur (nr., datum);
3° indien de belasting betaald werd door opname in een periodieke BTW-aangifte of in een bijzondere aangifte, de vermelding van het tijdvak waarop de aangifte betrekking heeft en de datum van betaling van de belasting.
Indien de medecontractant de belasting voldaan heeft door het aanbrengen en onbruikbaar maken van gehele fiscale zegels, moet een fotocopie van het met zegels beklede document bij het attest worden gevoegd.
HOOFDSTUK II.
TERMIJN VAN ZES MAANDEN BEOOGD IN ARTIKEL 7, § 4, VAN DE ACHTSTE RICHTLIJN. - SCHORSING. - BEREKENING VAN DE TERMIJN.
Aanvang van de termijn
12. Overeenkomstig artikel 7, § 4, van de Achtste Richtlijn moeten de beslissingen over de verzoeken om teruggaaf worden meegedeeld binnen zes maanden te rekenen vanaf de datum van de voorlegging ervan bij de bevoegde dienst, samen met alle documenten die volgens de richtlijn nodig zijn voor het onderzoek van de aanvraag. De teruggaaf moet plaatsvinden vóór het verstrijken van voornoemde termijn.
13. Het tijdstip waarop de termijn van zes maanden aanvangt waarbinnen de aanvraag behandeld moet worden en de teruggaaf verricht moet zijn, is de datum van ontvangst door het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen (Dienst terugbetalingen) van de aanvraag om teruggaaf die beantwoordt aan alle voorwaarden uiteengezet in hoofdstuk I hiervoor onder, naargelang het geval, nr. 8 of nr. 11.
14. De aandacht van de aanvrager moet bijgevolg gevestigd worden op het feit dat, wanneer de aanvraag om teruggaaf niet aan alle vereiste voorwaarden voldoet, bijvoorbeeld omdat niet alle nodige documenten bijgevoegd zijn of omdat de vorm niet regelmatig is, deze aanvraag niet bedoeld is door de nieuwe wettelijke bepaling over de betaling van een ambtshalve interest.
15. Ingeval een aanvraag niet volledig is of niet beantwoordt aan de voorgeschreven vorm verzoekt de administratie de aanvrager schriftelijk om de aanvraag te vervolledigen of te regulariseren, en wel op een wijze die laatstgenoemde toelaat dit te doen binnen de termijn vereist voor de indiening van de aanvraag (z. hoofdstuk I, nr. 8, c).
16. Wanneer de aanvraag om teruggaaf aan alle vereiste voorwaarden voldoet, begint de termijn van zes maanden te lopen vanaf de datum van ontvangst van deze aanvraag op voormeld kantoor.
Schorsing van de termijn
17. De termijn van zes maanden wordt geschorst tijdens een periode die ingaat op de datum waarop inlichtingen aan de belastingplichtige gevraagd worden in het kader van artikel 6 van de Achtste Richtlijn en die eindigt op de datum waarop de belastingplichtige voldaan heeft aan zijn verplichting om de inlichtingen te verstrekken welke nodig zijn voor de beoordeling van de gegrondheid van het verzoek om teruggaaf.
| A. | Inlichtingen beoogd in artikel 6 van de Achtste Richtlijn |
19. Wordt enkel door de Administratie beschouwd als van aard zijnde om de termijn van zes maanden te schorsen, de aanvragen om inlichtingen met het oog op het oplossen van volgende problemen:
a) vragen om inlichtingen met betrekking tot in België verrichte uitgaande handelingen door de aanvrager en die tot doel hebben vast te stellen:
- of de erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger niet nodig is;
- of Belgische BTW al dan niet verschuldigd is op de handeling en, indien Belgische BTW verschuldigd is, of deze wel degelijk werd voldaan. Werd de belasting betaald door de medecontractant, dan moet door de aanvrager het bewijs van betaling worden geleverd aan de administratie, behalve wanneer het handelingen betreft waarvoor de belasting verschuldigd is door de ontvanger overeenkomstig artikel 51, § 2, van het BTW-Wetboek. De administratie moet de medecontractant niet ondervragen.
Opmerkingen
Inlichtingen met betrekking tot het onderzoek van de uitgaande handelingen in hoofde van aanvragers die verklaard hebben geen enkele levering van goederen of geen enkele dienst te hebben verricht die geacht wordt in België plaats te vinden, met uitzondering van de handelingen beoogd in nr. 8, b, eerste en tweede streepje (z. hoofdstuk I), zullen niet aan laatstgenoemden gevraagd worden behalve indien de administratie hieromtrent twijfels heeft gelet op de aard van de uitgeoefende activiteit en op basis van de bij de aanvraag om teruggaaf gevoegde inkomende facturen of invoerdocumenten;
b) vragen om inlichtingen met betrekking tot de identiteit van de aanvrager en met als doel na te gaan of hij niet kan beschouwd worden als gevestigd in België (drie voorwaarden te vervullen, z. antwoord op de parl. vr. nr. 157, van 20 maart 1991, van Senator de Clippele, Bulletin van Vragen en Antwoorden, Senaat, 1990-1991, nr. 27, blz. 1183; BTW-Revue 95, blz. 270);
c) vragen om inlichtingen met betrekking tot de aan de aanvrager verstrekte handelingen en met als doel vast te stellen:
- of al dan niet terecht BTW werd toegepast op de handeling (vrijstelling?, handeling die niet plaatsvindt in België?);
- of hetgeen door de aanvrager verrichte uitgaven betreft die buiten de uitoefening van zijn economische activiteit vallen (privé-uitgaven, een goed behorend tot het privé-patrimonium van de aangever);
- of hetgeen handelingen betreft waarvoor de Belgische wetgeving voorziet in een beperking of uitsluiting van het recht op aftrek (z. art. 45, §§ 2 en 3 van het BTW-Wetboek);
d) vragen om inlichtingen met betrekking tot de aan de aanvrager verstrekte handelingen met als doel bepaalde vermeldingen die op de inkomende facturen voorkomen te verklaren;
e) vragen om inlichtingen met betrekking tot de problematiek van de in artikel 44 van het BTW-Wetboek beoogde personen (gemengde belastingplichtigen).
| B. | Periode van schorsing. - Toepassingsregels. |
21. De schriftelijke vraag om inlichtingen gericht aan de aanvrager moet de vermelding bevatten op grond waarvan, vanaf die datum de in artikel 7, § 4, van de Achtste Richtlijn beoogde termijn van zes maanden worden geschorst.
22. Wanneer het door de belastingplichtige verstrekte antwoord onvoldoende is of aanleiding geeft tot andere vragen om inlichtingen, moet de administratie schriftelijk reageren binnen de maand, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van dat antwoord opdat de periode van schorsing zou blijven lopen.
23. Indien de administratie niet reageert binnen de maand, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het laatste door de belastingplichtige verstrekte antwoord, begint de termijn van zes maanden opnieuw te lopen vanaf de datum van dit laatste antwoord.
24. Zolang hij niet verstreken is, kan de termijn van zes maanden steeds opnieuw geschorst worden op het ogenblik waarop de administratie schriftelijk een nieuwe vraag om inlichtingen richt aan de belastingplichtige en dit vanaf de datum van deze vraag tot op de datum van ontvangst van het antwoord van de belastingplichtige.
25. Overigens is het aan de belastingplichtige om een door de administratie aan hem gerichte vraag om inlichtingen te beantwoorden binnen een redelijke termijn zo niet bestaat het gevaar dat de administratie beslist om de aanvraag om teruggaaf te verwerpen.
De termijn waarbinnen de belastingplichtige gehouden is te antwoorden, is een feitenkwestie die de administratie geval per geval beoordeelt, rekening houdend met de aard en het belang van de gevraagde inlichtingen.
Een beslissing tot verwerping kan evenwel nooit worden genomen vóór het verstrijken van een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de datum van de aan de belastingplichtige gerichte vraag om inlichtingen.
Opmerking
26. Uit het door de belastingplichtige verstrekte antwoord kan blijken dat zijn aanvraag om teruggaaf niet gegrond is (verwerping van terugbetaling), of dat het terug te geven bedrag uiteindelijk minder bedraagt dan 13.000 BEF (z. hoofdstuk I, nr. 8, d)). In dat geval is de aanvraag om teruggaaf uiteraard niet bedoeld in artikel 91, § 3, eerste lid, 2°, van het BTW-Wetboek.
Berekening van de termijn.
27. De termijn van zes maanden wordt per volledige maand berekend, vanaf de bewuste datum tot de vooravond van bewust datum.
Voorbeeld: de datum van ontvangst van de aanvraag om teruggaaf (die voldoet aan alle opgelegde voorwaarden) is 15 juni. De termijn van zes maanden begint op 15 juni.
Indien de termijn niet is geschorst (geen vraag om inlichtingen beoogd in artikel 6 van de Achtste Richtlijn), verstrijkt de termijn van zes maanden op 14 december om middernacht.
| 28. | De periode van schorsing wordt van dag tot dag berekend. |
De periode van schorsing vangt aan op 27 juni en eindigt op 9 juli.
29. Wanneer voor de berekening van de termijn van zes maanden de schorsingsperiode aanvangt in de loop van een maand, dan wordt voor de bepaling van één maand met dagen gerekend, ervan uitgaande dat een maand overeenstemt met 30 dagen.
Zo wordt in de situatie die in de nrs. 27 en 28 hiervoor als voorbeeld wordt aangehaald, de maand waarin de schorsingsperiode zich voordoet als volgt berekend: van 15 juni tot 26 juni: 12 dagen (van 27 juni tot 9 juli = schorsingsperiode) (30 dagen) van 10 juli tot 27 juli: 18 dagen De maand verstrijkt op 27 juli om middernacht.
| 30. | Toepassingen |
van 15/6 tot 14/7: 1ste maand van de termijn
van 15/7 tot 14/8: 2de maand
van 15/8 tot 14/9: 3de maand
van 15/9 tot 14/10: 4de maand
van 15/10 tot 14/11: 5de maand
van 15/11 tot 14/12: 6de maand
De termijn van zes maanden verstrijkt op 14/12 om middernacht.
TWEEDE SITUATIE 15/6: ontvangst van de aanvraag om teruggaaf (bedrag: 100.350 BEF). 27/6: vraag om inlichtingen door de administratie 9/7: ontvangst van het antwoord 20/7: nieuwe vraag om inlichtingen door de administratie [Opmerking: aangezien de administratie binnen de termijn van een maand reageert op het eerste antwoord, loopt de periode van schorsing verder (z. nr. 22)] 13/8: ontvangst van het antwoord 25/9: terugbetaling Berekening van de termijn van zes maanden: 1ste maand van de termijn van 15/6 tot 26/6: 12 dagen (van 27/6 tot 13/8: schorsingsperiode) (30 dagen) van 14/8 tot 31/8: 18 dagen De tweede maand van de termijn vangt aan op 1/9.
De periode van zes maanden verstrijkt op 31/1 om middernacht.
DERDE SITUATIE 15/6: ontvangst van de aanvraag om teruggaaf (bedrag: 100.350 BEF). 27/7: vraag om inlichtingen door de administratie 19/8: ontvangst van het antwoord 26/9: vraag om inlichtingen door de administratie [Opmerking: reactie van de administratie op het eerste antwoord na meer dan een maand, de termijn van zes maanden begint opnieuw te lopen (z. nr. 23)] 25/10: ontvangst van het antwoord 23/3: terugbetaling Berekening van de periode van zes maanden: 1ste maand van de termijn van 15/6 tot 14/7 2de maand van de termijn van 15/7 tot 26/7: 12 dagen (van 27/7 tot 19/8: eerste schorsingsperiode) (30 dagen) van 20/8 tot 6/9: 18 dagen 3de maand van de termijn van 7/9 tot 25/9: 19 dagen (van 26/9 tot 25/10: tweede schorsingsperiode) (30 dagen) van 26/10 tot 5/11: 11 dagen De vierde maand van de termijn begint op 6/11 De termijn van zes maanden verstrijkt op 5/2 om middernacht. HOOFDSTUK III. INTEREST
Berekening van de interest
31. De in artikel 91, § 3, eerste lid, 2°, van het BTW-Wetboek beoogde interest loopt van rechtswege vanaf de datum van het verstrijken van de termijn van zes maanden en tot op de datum van de betaling van de terug te geven sommen.
32. De interest wordt om de maand berekend over het totaal van de terug te geven belasting, afgerond op het duizendtal naar beneden (z. art. 91, § 3, tweede lid, van het BTW-Wetboek). Het totaal van de terug te geven belasting is het terug te betalen bedrag na verificatie door de administratie en na aftrek van het aan de Staat terug te storten bedrag aan BTW met betrekking tot de door de aanvrager ontvangen creditnota's betreffende hetzij de handelingen waarvoor teruggaaf wordt gevraagd, hetzij de handelingen waarvoor teruggaaf wordt gevraagd, hetzij de handelingen vermeld in reeds eerder ingediende aanvragen om teruggaaf.
- Ieder begonnen tijdvak van een maand wordt voor een gehele maand gerekend (z. art. 91, § 3, tweede lid, van het BTW-Wetboek).
- De interest van een maand is slechts verschuldigd indien hij 100 frank bereikt (z. art. 91, § 3, derde lid, van het BTW-Wetboek).
| 33. | Toepassingen |
(0,8 pct x 100.000 BEF) x 2 = 1.600 BEF.
Betaling van de interest. - Beslissing over de aanvraag om teruggaaf.
34. De interest wordt ambtshalve betaald. De betaling gebeurt op hetzelfde ogenblik en op dezelfde wijze als de terug te betalen belasting (z. nr. 24 van de aanschr. 6/1981 en nr. 31 van de aanschr. 4/1988).
35. Wanneer een interest verschuldigd is, wordt in de beslissing over de teruggaaf die aan de rechthebbende betekend wordt eveneens het bedrag van deze interest gemotiveerd.
Bijzonder geval. - Fraude.
36. Ingeval de teruggaaf die aanleiding heeft gegeven tot de betaling van een ambtshalve interest, op bedrieglijke of onregelmatige wijze werd verkregen, zal het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen de ten onrechte terugbetaalde belasting verhoogd met de uitbetaalde interest terugvorderen.
Namens de Minister:
De Directeur-generaal,
F. BURNONVILLE
BIJLAGE 1
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 10 februari 1998
7 JANUARI 1998. - Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt:
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2. Artikel 91, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, gewijzigd bij de wetten van 24 december 1976, 28 december 1983 en 4 augustus 1986, wordt vervangen door de volgende bepaling:
"Een interest van 0,8 pct. per maand is van rechtswege verschuldigd over de sommen die moeten worden teruggegeven:
1° met toepassing van artikel 76, § 1, eerste lid, te rekenen vanaf het verstrijken van de in deze tekst bepaalde termijn;
2° met toepassing van de bepalingen van de Achtste Richtlijn nr. 79/1072/EEG, van 6 december 1979, betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen (LEES: "belastingplichtigen"), voor de aanvragen om teruggaaf ingediend vanaf 1 oktober 1997, te rekenen vanaf het verstrijken van de termijn van zes maanden bepaald in artikel 7, punt 4, van die richtlijn. Wanneer evenwel de Administratie van de BTW, registratie en domeinen aanvullende inlichtingen vraagt op basis van artikel 6 van voornoemde richtlijn, wordt de loop van die termijn geschorst tijdens een periode die ingaat op de datum van de verzending van het verzoek om inlichtingen aan de belastingplichtige en die eindigt op de datum waarop de belastingplichtige voldaan heeft aan zijn verplichting om de nodige inlichtingen te verschaffen om de gegrondheid van zijn aanvraag om teruggaaf te beoordelen.".
| Art. | 3. Deze wet heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1997. |
Gegeven te Brussel, 1 januari 1998.
ALBERT
Van Koningswege:
De vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
Ph. MAYSTADT
Met 's Lands zegel gezegeld:
De Minister van Justitie,
S. DE CLERCK
Bron: FisconetPlus
