Circulaire 2018/C/72 over het duaal pensioensparen
Deze circulaire bespreekt de mogelijkheid voor belastingplichtigen om meer te storten dan het huidige maximumbedrag van het pensioensparen, en de gevolgen hiervan voor de belastingvermindering voor het pensioensparen.
Personenbelasting ; belasting van niet-inwoners ; pensioensparen ; belastingvermindering ; toekenningsvoorwaarden van de belastingvermindering ; terugbetaling inzake pensioensparen.
FOD Financiën, 11.06.2018
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting
I. Inleiding
II. Wet van 26.03.2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie
III. Commentaar
IV. Inwerkingtreding
I. Inleiding
1. De wet van 26.03.2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie (BS van 30.03.2018, Ed. 2) heeft onder meer een duale regeling ingesteld voor het pensioensparen. Naast de reeds bestaande regeling voor het pensioensparen, waarbij het maximumbedrag 625 euro (1) bedraagt, wordt een tweede regeling ingevoerd waarbij de belastingplichtige de mogelijkheid krijgt om tot maximum 800 euro (2) per jaar te storten (3).
(1) Basisbedrag, geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2019: 960 euro.
(2) Basisbedrag, geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2019: 1.230 euro.
(3) Zie artikel 59 tot 64 van de wet van 26.03.2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie.
2. Voor de belastingplichtigen die meer dan 625 euro betalingen doen voor het pensioensparen, zal de belastingvermindering echter niet meer worden verleend tegen het tarief van 30 %, maar tegen het lagere tarief van 25 %.
II. Wet van 26.03.2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie
Artikel 59
3. Artikel 145^2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en vervangen bij de wet van 13 december 2012, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende:
'In afwijking van het eerste lid, wordt de belastingvermindering voor de in artikel 145^1, 5°, bedoelde uitgaven berekend tegen het tarief van 25 pct., voor de bedragen vermeld in artikel 145^8, § 1, derde lid.'.
Artikel 60
4. In artikel 145^8, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt het woord 'bedragen' vervangen door het woord 'betalingen' en worden de woorden 'worden betaald' vervangen door de woorden 'zijn gedaan';
2° tussen het tweede en het derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt een lid ingevoegd, luidende :
'In afwijking van het vorige lid, mag de belastingplichtige ervoor kiezen om meer dan het in het tweede lid vermelde bedrag met een maximum van 800 euro in aanmerking te nemen voor de belastingvermindering. De belastingplichtige deelt zijn definitieve keuze mee aan de instellingen en ondernemingen bedoeld in artikel 145^15 alvorens hij het maximumbedrag bedoeld in het vorige lid mag overschrijden. De keuze van de belastingplichtige is onherroepelijk en uitsluitend geldig voor het betrokken belastbare tijdperk.'.
Artikel 61
5. In artikel 145^10, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de wetten van 6 juli 1994 en 18 december 2015, wordt de zin 'Zij mogen geen betalingen in ontvangst nemen die hoger zijn dan het in artikel 145^8, tweede lid, vastgestelde maximumbedrag.' vervangen als volgt:
'Zij mogen geen betalingen in ontvangst nemen die hoger zijn dan het in artikel 145^8, § 1, tweede lid, vastgestelde maximumbedrag, met uitzondering van de boven dit maximum gestorte bedragen waarvoor jaarlijks een expliciet akkoord is gesloten en met een maximum van het in artikel 145^8, § 1, derde lid, vastgestelde bedrag. Bij gebrek aan expliciet akkoord van de belastingplichtige zoals bedoeld in artikel 145^8, § 1, derde lid, moeten de bedragen boven het in artikel 145^8, § 1, tweede lid, vastgestelde maximumbedrag kosteloos worden teruggestort aan de belastingplichtige.'.
Artikel 62
6. In artikel 174/1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 25 december 2017, en gewijzigd bij artikel 32 en artikel 50, worden de woorden '145^8, § 1, tweede lid, ' vervangen door de woorden '145^8, § 1, tweede en derde lid, '.
Artikel 63
7. In artikel 364quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 juli 2011, worden de woorden 'in afwijking van artikel 145^8, derde lid, ' vervangen door de woorden 'in afwijking van artikel 145^8, § 1, vierde lid, '.
Artikel 64
8. De artikelen 59 tot 63 hebben uitwerking vanaf aanslagjaar 2019.
III. Commentaar
Mogelijkheid om een hoger maximumbedrag te storten voor het pensioensparen
9. Momenteel kunnen belastingplichtigen jaarlijks tot 625 euro (4) storten op een pensioenspaarrekening of in een pensioenspaarverzekering.
(4) Artikel 145^8, § 1, tweede lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) vermeldt een maximumbedrag van 500 euro, dat bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit werd verhoogd tot 625 euro (zie artikel 63^4bis van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 92 – KB/WIB 92). Het gaat hier om een basisbedrag; het geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2019 bedraagt 960 euro.
10. Naast deze regeling wordt vanaf aanslagjaar 2019 de mogelijkheid geboden om een bedrag tot 800 euro per jaar te storten. Dit kan echter enkel als de belastingplichtige voor het betrokken jaar uitdrukkelijk zijn keuze om meer dan 625 euro te sparen, voor dat jaar heeft meegedeeld aan de financiële instelling. De keuze van de belastingplichtige is onherroepelijk en uitsluitend geldig voor dat jaar. Die keuze moet dus jaarlijks worden hernieuwd (5).
(5) Zie artikel 145^8, § 1, derde lid, WIB 92, ingevoegd door artikel 60 van de wet van 26.03.2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie. Het gaat hier eveneens om een basisbedrag; het geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2019 bedraagt 1.230 euro. In beginsel zou een verhoging van het maximumbedrag ook bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit kunnen worden doorgevoerd. Er werd echter voor geopteerd om dit nieuwe maximumbedrag van 800 euro rechtstreeks in de wet op te nemen. Het huidige artikel 63^4bis, KB/WIB 92 moet niet worden opgeheven want het blijft geldig voor het maximumbedrag van 625 euro voor de toepassing van de belastingvermindering tegen het tarief van 30 %.
11. Het bedrag dat in aanmerking komt voor de belastingvermindering voor het pensioensparen is het bedrag dat wordt gespaard, inclusief de betaalde instapkosten. Het maximumbedrag van 625 euro of 800 euro geldt eveneens voor de betalingen inclusief de instapkosten.
12. De financiële instellingen en verzekeringsondernemingen (6) die het pensioensparen organiseren, mogen geen betalingen in ontvangst nemen die hoger zijn dan 625 euro, of 800 euro wanneer de belastingplichtige expliciet te kennen heeft gegeven dat hij voor het betrokken jaar opteert voor de nieuwe regeling.
(6) Als bedoeld in artikel 145^15, WIB 92.
13. Indien de belastingplichtige niet expliciet en voorafgaandelijk zijn akkoord heeft gegeven, dient de financiële instelling of de verzekeringsonderneming de gespaarde bedragen boven 625 euro kosteloos terug te storten aan de belastingplichtige (7).
(7) Zie artikel 145^10, eerste lid, WIB 92, zoals gewijzigd door artikel 61 van de wet van 26.03.2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie.
14. Op het attest dat door die financiële instellingen en verzekeringsondernemingen wordt afgeleverd, zal het bedrag van de betalingen met inbegrip van de instapkosten moeten worden vermeld.
Tarief van de belastingvermindering
15. Voor de belastingplichtigen die tot 625 euro betalingen doen voor het pensioensparen blijft de belastingvermindering tegen het tarief van 30 % (8) behouden.
(8) Zie artikel 145^2, eerste lid, WIB 92.
16.Voor de belastingplichtigen die meer dan 625 euro betalingen doen voor het pensioensparen, zal de belastingvermindering echter niet meer worden verleend tegen het tarief van 30 %, maar tegen het lagere tarief van 25 % (9).
(9) Zie artikel 145^2, tweede lid, WIB 92, zoals ingevoegd door artikel 59 van de wet van 26.03.2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie.
17. De volgende voorbeelden illustreren hoe de belastingvermindering vanaf aanslagjaar 2019 zal worden berekend.
Voorbeeld 1
De belastingplichtige kiest voor de reeds bestaande regeling en betaalt in 2018 (werkelijk betaalde uitgaven): 900 euro.
Vermits de uitgaven lager zijn dan 960 euro, wordt de belastingvermindering berekend tegen het tarief van 30 %.
Principiële belastingvermindering:
900 x 30 % = 270 euro
Voorbeeld 2
Werkelijk betaalde uitgaven in 2018: 1.000 euro
De belastingplichtige kiest voor de nieuwe regeling en betaalt in 2018: 1.000 euro. Hij heeft zijn definitieve keuze voor de nieuwe regeling tijdig meegedeeld aan de financiële instelling.
Vermits de uitgaven hoger zijn dan 960 euro, wordt de belastingvermindering berekend tegen het tarief van 25 %.
Principiële belastingvermindering:
1.000 x 25 % = 250 euro
Voorbeeld 3
Werkelijk betaalde uitgaven in 2018: 1.000 euro
De belastingplichtige maakt zijn keuze niet bekend aan de financiële instelling.
De financiële instelling dient de belastingplichtige 40 euro terug te storten. Voor het gespaarde bedrag van 960 euro kan een belastingvermindering verleend worden tegen het tarief van 30 %.
Principiële belastingvermindering:
960 x 30 % = 288 euro
18. Om te bepalen tegen welk tarief de belastingvermindering wordt berekend, wordt rekening gehouden met de werkelijk betaalde uitgaven. De belastingplichtige kan er niet voor opteren een lager bedrag in de aangifte te vermelden om een belastingvermindering te krijgen die wordt berekend tegen een hoger tarief.
Voorbeeld 4
Werkelijk betaalde uitgaven in 2018: 1.100 euro
De belastingplichtige kiest voor de nieuwe regeling en betaalt in 2018: 1.100 euro. Hij heeft zijn definitieve keuze voor de nieuwe regeling tijdig meegedeeld aan de financiële instelling.
Vermits de uitgaven hoger zijn dan 960 euro, moet de belastingvermindering worden berekend tegen het tarief van 25 %.
Principiële belastingvermindering:
1.100 x 25 % = 275 euro
De belastingplichtige mag in dit geval er niet voor opteren om 960 euro in de aangifte te vermelden om zo een belastingvermindering te krijgen van 288 euro (960 x 30 %).
Voorafgaande toestemming en informatieplicht
19. Het kan dus zijn dat de pensioenspaarder een bedrag hoger dan 625 euro heeft gespaard waarvoor hij met toepassing van het 25 %-tarief een lager fiscaal voordeel krijgt dan wanneer hij 625 euro had gespaard. Maar dit is enkel mogelijk wanneer hij zijn voorafgaande toestemming heeft gegeven en dus geïnformeerd was over de gevolgen van die keuze.
20. Die uitdrukkelijke keuze om meer dan 625 euro te sparen, zal elk jaar opnieuw door de belastingplichtige moeten worden gemaakt en de financiële instelling of verzekeringsonderneming zal telkens moeten wijzen op de gevolgen van die keuze. De nieuwe regeling biedt de pensioenspaarder dus de mogelijkheid om meer te sparen op basis van een geïnformeerde beslissing.
21. In beginsel kan de belastingplichtige in een belastbaar tijdperk slechts voor één pensioenspaarrekening of –verzekering betalingen doen. Wanneer hij in het jaar van een overstap naar een andere financiële instelling of verzekeringsonderneming toch voor twee verschillende pensioenspaarrekeningen of –verzekeringen betalingen doet, kan hij slechts de betalingen voor één enkele pensioenspaarrekening of –verzekering inbrengen. Desgevallend zal elke instelling hem echter moeten inlichten over de gevolgen van zijn eventuele keuze om meer dan 625 euro te sparen en zal de belastingplichtige aan elke financiële instelling of verzekeringsonderneming waarbij hij dat jaar meer dan 625 euro wil sparen, zijn voorafgaande toestemming moeten geven.
Geen 'nieuw contract'
22. Een verhoging van de sommen in het kader van het pensioensparen door een persoon die de leeftijd van 55 jaar of meer heeft bereikt, wordt in principe aangemerkt als een 'nieuw contract' (10).
(10) Toepassing artikel 184, § 3, van het Wetboek diverse rechten en taksen (WDRT).
23. Net als voor de verhoging van het maximumbedrag met 25 % van 500 euro naar 625 euro (basisbedragen) vanaf aanslagjaar 2006 (11), wordt ook nu aangenomen dat wanneer de verhoging van de premies voortvloeit uit de aanpassing van het maximumbedrag van 625 euro naar 800 euro, die verhoging niet met een 'nieuw contract' moet worden gelijkgesteld. De verhoging van de premies mag aldus 28 % (12) niet overschrijden om niet beschouwd te worden als een 'nieuw contract' (13).
(11) Zie KB van 10.11.2005 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van pensioensparen (BS van 18.11.2005, Ed. 3).
(12) Namelijk de procentuele verhoging van 625 euro naar 800 euro; het bedrag van de met 28 % verhoogde premie of storting mag bovendien worden geïndexeerd en afgerond overeenkomstig artikel 178, § 2, derde lid, WIB 92.
(13) Cf. circulaire nr. Ci.RH.331/574.461 (AOIF 8/2006) d.d. 03.02.2006.
24. Dit geldt zowel voor de toepassing van de taks op het lange termijnsparen (14) als voor de toepassing van de inkomstenbelastingen.
(14) Zie artikel 184, § 3, WDRT.
Beperking van het belastingvoordeel in verhouding tot de duur van het belastbare tijdperk
25. Voor bepaalde fiscale voordelen werd een proratering ingevoerd wanneer het belastbare tijdperk van de belastingplichtige niet overeenstemt met een volledig kalenderjaar om een andere reden dan overlijden. Die proratering heeft onder meer betrekking op het maximumbedrag voor pensioensparen van 625 euro (15).
(15) Zie artikel 174/1, WIB 92, zoals hersteld door artikel 121 en 131, eerste lid van de Programmawet van 25.12.2017 (BS 29.12.2017), inwerkingtreding vanaf aanslagjaar 2018. Deze maatregel wordt besproken in de circulaire 2018/C/17 van 05.02.2018.
26. Het nieuwe, hogere maximumbedrag voor pensioensparen van 800 euro moet, naar analogie met het maximumbedrag voor pensioensparen van 625 euro, eveneens worden beperkt in functie van de duur van het belastbare tijdperk. Daarom moet in artikel 174/1, eerste lid, WIB 92, eveneens worden verwezen naar het in artikel 145^8, § 1, derde lid, WIB 92, bedoelde maximumbedrag van 800 euro.
Artikel 364quater, WIB 92
27. Gelet op het feit dat artikel 60 van de wet van 26.03.2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie in 145^8, § 1, WIB 92, een nieuw lid heeft ingevoegd tussen het tweede en het derde lid, dat het vierde lid wordt, is de verwijzing in artikel 364quater, WIB 92, naar artikel 145^8, § 1, derde lid, WIB 92, vervangen door een verwijzing naar artikel 145^8, § 1, vierde lid, WIB 92.
IV. Inwerkingtreding
28. De nieuwe regels inzake het pensioensparen treden in werking vanaf aanslagjaar 2019.
Interne ref.:715.137
