Circulaire 2019/C/97 betreffende diensten in een intracommunautaire context die een materieel werk (waaronder het maakloonwerk) of een expertise met betrekking tot een lichamelijk roerend goed tot voorwerp hebben

Deze circulaire heeft tot doel een overzicht te geven van de regels inzake btw die op bedoelde handelingen van toepassing zijn. Zij verduidelijkt eveneens de vereenvoudigingsmaatregelen die in een grensoverschrijdende context op bedoelde handelingen van toepassing zijn. Deze circulaire vervangt de circulaire nr. AOIF 40/2007 (E.T.113.390) van 06.11.2007.

Belasting over de toegevoegde waarde ; intracommunautaire diensten ; materieel werk (waaronder het maakloonwerk) en expertise met betrekking tot lichamelijke roerende goederen ; plaatsbepaling ; schuldenaar ; overbrengingen en niet-overbrengingen

FOD Financiën, 27.09.2019

Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Belasting over de toegevoegde waarde

BIJLAGEN: 6

Inhoudstafel

Hoofdstuk 1. Inleiding

A. Voorwerp van de circulaire

B. Definities

1. Materieel werk

2. Maakloonwerk

3. Expertise

4. Lichamelijke roerende goederen

5. Terminologie

C. Basisprincipes betreffende de regels inzake plaatsbepaling van diensten

Hoofdstuk 2. Toepasselijke regeling wanneer de ontvanger van de diensten een belastingplichtige is (in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek)

A. Plaatsbepaling van diensten bestaande uit een materieel werk of een expertise met betrekking tot een lichamelijk roerend goed

1. Wettelijke bepalingen

2. Toepasselijke regeling

B. Schuldenaar van de btw

1. Wettelijke bepalingen

2. Toepasselijke regeling

C. Praktische toepassingen

1. Voorbeeld nr. 1

2. Voorbeeld nr. 2

3. Voorbeeld nr. 3

4. Voorbeeld nr. 4

5. Voorbeeld nr. 5

6. Voorbeeld nr. 6

D. Stelsel van de overbrengingen en niet-overbrengingen

1. Draagwijdte van het stelsel

a. Principe

b. Toleranties

(i) Intellectueel werk

(ii) Werken beschouwd als leveringen van goederen

(iii) Terugzending naar de lidstaat van de opdrachtgever

(iv) Voorbeelden

2. Verplichtingen

a. Register der niet-overbrengingen

b. Register der ontvangen materialen

3. Vereenvoudigingen

a. Leverancier en dienstverrichter zijn in dezelfde lidstaat gevestigd

(i) Schema

(ii) Niet-vereenvoudigd stelsel

(iii) Vereenvoudigd stelsel

b. Leverancier en dienstverrichter zijn in verschillende lidstaten gevestigd

(i) Schema

(ii) Niet-vereenvoudigd stelsel

(iii) Vereenvoudigd stelsel

c. Opeenvolgende dienstverrichters zijn in dezelfde lidstaat gevestigd

(i) Schema

(ii) Toepasselijk stelsel

d. Hoofdaannemer en onderaannemer van de dienst zijn in dezelfde lidstaat gevestigd

(i) Schema

(ii) Toepasselijk stelsel

e. Opeenvolgende dienstverrichters zijn in verschillende lidstaten gevestigd

(i) Schema

(ii) Toepasselijk stelsel

f. Hoofdaannemer en onderaannemer van de dienst zijn in verschillende lidstaten gevestigd

(i) Schema

(ii) Toepasselijk stelsel

g. Combinatie van de vereenvoudigingsmaatregelen

Hoofdstuk 3. Toepasselijke regeling wanneer de ontvanger van de dienst geen belastingplichtige is (in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek)

A. Plaatsbepaling van diensten bestaande uit een materieel werk of een expertise met betrekking tot een lichamelijk roerend goed

1. Wettelijke bepalingen

2. Toepasselijke regeling

B. Schuldenaar van de btw

1. Wettelijke bepalingen

2. Toepasselijke regeling

C. Praktische toepassingen

1. Voorbeeld nr. 1

2. Voorbeeld nr. 2

3. Voorbeeld nr. 3

4. Voorbeeld nr. 4

D. Gehele of gedeeltelijke onderaanneming

1. Opdrachtgever en hoofdaannemer zijn in dezelfde lidstaat gevestigd

a. Schema

b. Gedeeltelijke onderaanneming

(i) Dienstverrichting van onderaannemer C

(ii) Dienstverrichting van hoofdaannemer B

c. Gehele onderaanneming

(i) Dienstverrichting van onderaannemer C

(ii) Dienstverrichting van hoofdaannemer B

2. Opdrachtgever en hoofdaannemer zijn in verschillende lidstaten gevestigd

a. Schema

b. Gedeeltelijke onderaanneming

(i) Dienstverrichting van onderaannemer C

(ii) Dienstverrichting van hoofdaannemer B

c. Gehele onderaanneming

(i) Dienstverrichting van onderaannemer C

(ii) Dienstverrichting van hoofdaannemer B

Hoofdstuk 1. Inleiding

A. Voorwerp van de circulaire

1. Deze circulaire heeft tot doel een overzicht te geven van de regels inzake btw die van toepassing zijn op intracommunautaire diensten die een materieel werk (waaronder het maakloonwerk) of een expertise met betrekking tot een lichamelijk roerend goed tot voorwerp hebben.

2. Deze circulaire behandelt eveneens de vereenvoudigingsmaatregelen die de Europese Commissie en de lidstaten van de Europese Unie zijn overeengekomen voor bepaalde situaties van grensoverschrijdende diensten in verband met een materieel werk (waaronder het maakloonwerk) of een expertise met betrekking tot een lichamelijk roerend goed.

3. De circulaire nr. AOIF 40/2007 (E.T.113.390) van 06.11.2007 inzake diensten aan lichamelijke roerende goederen wordt opgeheven.

B. Definities

1. Materieel werk

4. Onder 'materieel werk' worden alle mechanische en menselijke werkzaamheden bedoeld die aan een lichamelijk roerend goed worden verricht. Het betreft elke bewerking of verwerking van goederen, alsook alle reinigings-, onderhouds-, herstellings-, omvormings- en aanpassingswerken.

Het nazicht van goederen in het kader van een onderhoudscontract, zelfs indien de dienstverrichter zich beperkt tot het nakijken van het goed zonder enige andere materiële handeling te stellen, wordt eveneens bedoeld.

Het verpakken en herverpakken van goederen, alsook de conditionering van goederen met het oog op hun verkoop, worden eveneens als een materieel werk aan een lichamelijk roerend goed aangemerkt, voor zover zij niet samenhangen met enig goederenvervoer. Is dat laatste wel het geval, dan wordt die handeling beschouwd als een met een goederenvervoer samenhangende dienst (1).

(1)Een met een goederenvervoer samenhangende dienst wordt gelokaliseerd overeenkomstig ofwel de algemene regel vervat in artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek indien de ontvanger van de dienst een belastingplichtige is in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek, ofwel de afwijkende regel opgenomen in artikel 21bis, § 2, 6°, b), van het Btw-Wetboek indien de ontvanger van de dienst geen belastingplichtige is in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek.

5. De diensten verricht door een dierenarts worden daarentegen niet als een materieel werk aan een lichamelijk roerend goed aangemerkt. De voornaamste taken van een dierenarts bestaan hoofdzakelijk uit de geneeskundige verzorging van dieren overeenkomstig de wetenschappelijke regels. Hoewel deze verzorging in sommige gevallen noodzakelijkerwijs impliceert dat het dier een fysieke ingreep ondergaat, volstaat dat evenwel niet om die verzorging als 'werkzaamheden' aan te merken (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Linthorst, Pouwels en Scheres, zaak C-167/95, van 06.03.1997) (2).

(2)De dienst verricht door een dierenarts wordt gelokaliseerd overeenkomstig ofwel de algemene regel vervat in artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek indien de ontvanger van de dienst een belastingplichtige is in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek, ofwel de algemene regel opgenomen in artikel 21bis, § 1, van het Btw-Wetboek indien de ontvanger van de dienst geen belastingplichtige is in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek.

2. Maakloonwerk

6. Een maakloonwerk wordt als een dienst aangemerkt, meer bepaald als een materieel werk aan een lichamelijk roerend goed.

Het maakloonwerk wordt specifiek als dienstverrichting gedefinieerd in artikel 18 van het Btw-Wetboek.

Artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek bepaalt:

'Als een dienst wordt onder meer beschouwd de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft:

1° een materieel of intellectueel werk waaronder het maakloonwerk. Onder maakloonwerk wordt verstaan het vervaardigen of samenstellen van een roerend goed door een opdrachtnemer door middel van materialen en voorwerpen die daartoe door de opdrachtgever aan de opdrachtnemer zijn verstrekt, ongeacht of de opdrachtnemer al dan niet een deel van de gebruikte materialen heeft verstrekt;

2° ...'.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft de inhoud van het begrip 'maakloonwerk' verder gepreciseerd (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Van Dijk's Boekhuis BV, zaak 139/84, van 14.05.1985):

'Er is slechts sprake van het vervaardigen van een werk in roerende staat in de zin van artikel 5, lid 2, sub d, van richtlijn nr. 67/228 van de Raad van 11.04.1967, en artikel 5, lid 5, sub a, van richtlijn nr. 77/388 van de Raad van 17.05.1977, betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting, indien een opdrachtnemer een nieuw goed maakt uit de materialen die de opdrachtgever hem heeft verstrekt. Er is een nieuw goed wanneer door het werk van de opdrachtnemer een goed ontstaat waarvan de functie volgens de in het maatschappelijk verkeer gangbare opvattingen verschilt van de functie die de verstrekte materialen hadden.'

Deze criteria zijn dus bijzonder beperkend in die zin dat vereist is dat een nieuw goed wordt verkregen uit de goederen die door de opdrachtgever zijn verstrekt.

Het onderscheid tussen een maakloonwerk en een ander materieel werk dan een maakloonwerk, met betrekking tot een lichamelijk roerend goed, heeft enkel nog belang voor de verplichtingen die er kunnen uit voortvloeien (zie randnummers 42 tot en met 44, hierna).

3. Expertise

7. Het begrip 'expertise' met betrekking tot een lichamelijk roerend goed wordt niet gedefinieerd in de Europese wetgeving. Bijgevolg dient aan dit begrip zijn gewone betekenis te worden gegeven, met name elke handeling die erin bestaat een goed of een zaak te beoordelen of te schatten.

Vermits binnen een dergelijke omschrijving handelingen van louter intellectuele aard of handelingen van hoofdzakelijk intellectuele aard kunnen worden verstrekt door studiebureaus, laboratoria …, dient met het oog op een omschrijving van het begrip expertise met betrekking tot een lichamelijk roerend goed, bedoelde expertise te worden geplaatst tegenover loutere analyse- en studiewerkzaamheden.

Wanneer een dienstprestatie betrekking heeft op het onderzoek, de definitie of de bepaling van de kenmerken of van de staat van een welbepaald lichamelijk roerend goed (bijvoorbeeld de schatting van de schade aan een goed), dan wordt die dienstprestatie als een expertise met betrekking tot een lichamelijk roerend goed aangemerkt.

Wanneer een dienstprestatie daarentegen betrekking heeft op een 'studie' die verder gaat dan een expertisewerkzaamheid, zoals hiervoor omschreven, en in een ruimer kader moet worden geplaatst dan strikt beperkt tot een bepaald goed, dan wordt die dienstprestatie als een intellectuele werkzaamheid aangemerkt (3) (schriftelijke parlementaire vraag nr. 530 van de heer Volksvertegenwoordiger de Clippele van 22.04.1993). Hetzelfde geldt bijvoorbeeld ook bij de analyse van farmaceutische producten, omwille van het overwegend intellectueel karakter van dergelijke dienst (beslissing nr. E.T.76.563 van 25.11.1992).

(3)Een intellectuele werkzaamheid wordt gelokaliseerd overeenkomstig ofwel de algemene regel vervat in artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek indien de ontvanger van de dienst een belastingplichtige is in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek, ofwel de regels opgenomen in artikel 21bis, § 1 of artikel 21bis, § 2, 10°, c), van het Btw-Wetboek indien de ontvanger van de dienst geen belastingplichtige is in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek.

4. Lichamelijke roerende goederen

8. Gelet op de aard van de diensten bedoeld in deze circulaire (diensten aan lichamelijke roerende goederen die een verplaatsing van de goederen tussen lidstaten omvatten), worden de lichamelijke roerende goederen uit hun aard beoogd.

Het betreft meer bepaald goederen die een werkelijke fysieke verschijningsvorm hebben en die van plaats kunnen veranderen omdat ze door een vreemde kracht in beweging worden gebracht.

5. Terminologie

9. In deze circulaire worden regelmatig de termen 'werk aan een lichamelijk roerend goed', 'grondstoffen', 'te bewerken goederen' of 'afgewerkt product' gebruikt. Deze terminologie verhindert niet dat in de besproken situaties eveneens ieder ander materieel werk aan een lichamelijk roerend goed dan een maakloonwerk wordt bedoeld, alsook expertises met betrekking tot een lichamelijk roerend goed.

C. Basisprincipes betreffende de regels inzake plaatsbepaling van diensten

10. De plaatsbepalingsregels van diensten hangen hoofdzakelijk af van de hoedanigheid van de ontvanger van de dienst. In artikel 21, §§ 2 tot en met 4, van het Btw-Wetboek wordt de toepasselijke regeling uiteengezet wanneer de ontvanger een belastingplichtige is (B2B), terwijl in artikel 21bis van het Btw-Wetboek de toepasselijke regeling is opgenomen wanneer de ontvanger geen belastingplichtige is (B2C).

11. In artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek heeft de wetgever voorzien dat, voor de toepassing van de regels inzake de plaatsbepaling van diensten (zie artikelen 21 en 21bis van het Btw-Wetboek), niet alleen de personen bedoeld in artikel 4 van het Btw-Wetboek als belastingplichtige worden aangemerkt, maar ook:

- de belastingplichtigen die eveneens niet-belastbare handelingen stellen;

- de niet-belastingplichtige rechtspersonen die voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd.

Zij worden aldus met betrekking tot alle aan hen verrichte diensten als belastingplichtige aangemerkt.

Het spreekt evenwel voor zich dat die bepalingen niet van toepassing zijn op diensten die voor een belastingplichtige natuurlijke persoon worden verricht, wanneer de betrokken diensten exclusief bestemd zijn voor zijn privédoeleinden of die van zijn personeel.

Het in artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek gedefinieerde begrip 'belastingplichtige' heeft dus een eigen specifieke betekenis, onderscheiden van die opgenomen in artikel 4 van het Btw-Wetboek.

12. Hierna worden de diverse belastingregels uiteengezet die van toepassing zijn op expertises en materieel werk met betrekking tot lichamelijke roerende goederen, in functie van de hoedanigheid van de ontvanger van de dienst, zijnde al dan niet een belastingplichtige in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek.

Hoofdstuk 2. Toepasselijke regeling wanneer de ontvanger van de diensten een belastingplichtige is (in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek)

A. Plaatsbepaling van diensten bestaande uit een materieel werk of een expertise met betrekking tot een lichamelijk roerend goed

1. Wettelijke bepalingen

Artikel 21 van het Btw-Wetboek

13. § 1. Voor de toepassing van deze bepaling en artikel 21bis, moet onder 'belastingplichtige' worden verstaan de persoon bedoeld in artikel 4, de belastingplichtige die ook werkzaamheden of handelingen verricht die niet als handelingen bedoeld in artikel 2 worden aangemerkt, evenals de niet-belastingplichtige rechtspersoon die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd.

§ 2. De plaats van diensten, verricht voor een als zodanig handelende belastingplichtige, is de plaats waar deze belastingplichtige de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd. Worden deze diensten evenwel verricht voor een vaste inrichting van de belastingplichtige op een andere plaats dan die waar hij de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd, dan geldt als plaats van de dienst de plaats waar deze vaste inrichting zich bevindt. Bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, geldt als plaats van de dienst de woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats van de belastingplichtige die deze diensten afneemt.

§ 3. …

§ 4. …

2. Toepasselijke regeling

14. Voor de toepassing van de in artikel 21, §§ 2 tot en met 4, van het Btw-Wetboek opgenomen plaatsbepalingsregels moet de ontvanger van de dienst, bestaande uit een materieel werk of een expertise met betrekking tot een lichamelijk roerend goed, een als zodanig handelende belastingplichtige in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek zijn, meer bepaald:

- een persoon bedoeld in artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek, met name eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in het Btw-Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend, alsook een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek en een publiekrechtelijk lichaam bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Btw-Wetboek dat handelingen stelt beoogd in het tweede enderde lid van dat artikel.

Derhalve wordt niet alleen de belastingplichtige die gehouden is tot de indiening van periodieke btw-aangiften bedoeld, maar eveneens de belastingplichtige die uitsluitend handelingen verricht die op grond van artikel 44 van het Btw-Wetboek zijn vrijgesteld en hem geen recht op aftrek verlenen, de belastingplichtige onderworpen aan de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen bedoeld in artikel 56bis van het Btw-Wetboek, de belastingplichtige onderworpen aan de bijzondere regeling voor landbouwondernemingen bedoeld in artikel 57 van het Btw-Wetboek evenals iedere andere belastingplichtige die onderworpen is aan een regeling waarbij hij geen periodieke btw-aangiften moet indienen;

- een belastingplichtige die ook werkzaamheden of handelingen verricht die niet als handelingen bedoeld in artikel 2 van het Btw-Wetboek worden aangemerkt. Daarbij wordt de persoon bedoeld die de hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van artikel 4 van het Btw-Wetboek heeft voor een deel van zijn activiteiten, maar die deze hoedanigheid niet heeft voor zijn overige activiteiten;

- een niet-belastingplichtige rechtspersoon, inzonderheid een publiekrechtelijk lichaam bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Btw-Wetboek, dat geen handelingen stelt beoogd in het tweede en derde lid van dat artikel, welke ingevolge artikel 50, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek voor btw-doeleinden is geïdentificeerd. Dit is het geval wanneer hij:

* ofwel de drempel van 11.200 euro aan intracommunautaire verwervingen, bedoeld in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, eerste lid, b), van het Btw-Wetboek, heeft overschreden in het lopende of het vorige kalenderjaar;
* ofwel in het lopende kalenderjaar of in de twee voorafgaande kalenderjaren heeft geopteerd om, overeenkomstig artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, van het Btw-Wetboek, al zijn intracommunautaire verwervingen van goederen in België aan de btw te onderwerpen (zie ook artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 10 van 29.12.1992, met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, derde lid en 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde).

15. De dienst bestaande uit een materieel werk of een expertise met betrekking tot een lichamelijk roerend goed, verricht ten behoeve van een als zodanig handelende belastingplichtige, vindt op grond van de in artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek opgenomen algemene regel plaats daar waar deze belastingplichtige de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd.

Voor een bespreking van de notie 'zetel van de economische activiteit' inzake diensten wordt verwezen naar artikel 10 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15.03.2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde. Genoemd artikel 10 merkt als zetel van de economische activiteit aan, de plaats waar de centrale bestuurstaken van het bedrijf worden uitgeoefend.

16. Indien de belastingplichtige ontvanger van de dienst over een vaste inrichting beschikt die zich op een andere plaats bevindt dan waar hij de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd en de dienst voor de behoeften van die vaste inrichting wordt verricht, wordt de dienst evenwel geacht plaats te vinden daar waar die vaste inrichting zich bevindt.

Artikel 11, lid 1, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 bepaalt dat onder 'een vaste inrichting ten behoeve waarvan een dienst wordt verstrekt' wordt verstaan: iedere andere inrichting dan de zetel van de economische activiteit die gekenmerkt wordt door een voldoende mate van duurzaamheid en een – wat personeel en technische middelen betreft – geschikte structuur om de voor haar eigen behoeften verrichte diensten te kunnen afnemen en ter plaatse te gebruiken.

Bedoelde inrichting moet met andere woorden in staat zijn om de diensten materieel te ontvangen en te verbruiken (de juridische bekwaamheid speelt ter zake geen rol). Artikel 11, lid 3, van voornoemde verordening stelt evenwel dat het hebben van een btw-identificatienummer niet volstaat om te besluiten dat een belastingplichtige een vaste inrichting heeft.

17. De dienstverrichter bepaalt op basis van de aard en het gebruik van de verrichte dienst wie de werkelijke genieter van de dienst is: de zetel van de economische activiteit of de vaste inrichting.

Indien de dienstverrichter aan de hand van de aard en het gebruik van de verrichte dienst niet kan bepalen wie de werkelijke genieter van de dienst is, dient hij er in het bijzonder op te letten of de vaste inrichting als afnemer van de dienst wordt aangeduid in het contract of op de bestelbon (door vermelding van de naam en het adres van de vaste inrichting), of het aan hem meegedeelde btw-identificatienummer overeenkomt met dat van de vaste inrichting alsook of de vaste inrichting de entiteit is die de dienst betaalt.

18. Ingeval, ondanks voornoemde aanwijzingen, niet kan worden bepaald of de dienst bestemd is voor de zetel van de economische activiteit dan wel voor de vaste inrichting van de ontvanger van de dienst, kan de dienstverrichter er rechtsgeldig van uitgaan dat de dienst plaatsvindt daar waar de ontvanger de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd.

19. Derhalve is het criterium van de plaats van de vaste inrichting als aanknopingspunt voor de plaats van de dienst ondergeschikt en wordt die slechts toegepast wanneer het criterium van de zetel van de economische activiteit niet tot een rationele oplossing leidt inzake de plaats waar de werkelijke verbruiker van de dienst is gevestigd.

20. Merk op dat de lokalisatie van diensten op de plaats van hun werkelijke gebruik of hun werkelijke exploitatie, voorzien in het koninklijk besluit nr. 57 van 31.10.2017 met betrekking tot de plaats van diensten in functie van hun werkelijke gebruik of hun werkelijke exploitatie inzake belasting over de toegevoegde waarde wat goederenvervoerdiensten en ermee samenhangende diensten betreft, niet van toepassing is op diensten bestaande uit een materieel werk of een expertise met betrekking tot lichamelijke roerende goederen.

B. Schuldenaar van de btw

1. Wettelijke bepalingen

Artikel 51 van het Btw-Wetboek

21. § 1. De belasting is verschuldigd:

1° door de belastingplichtige die in België een belastbare levering van goederen of een belastbare dienst verricht;

2° tot 3° …

§ 2. In afwijking van § 1, 1°, is de belasting verschuldigd:

1° door de ontvanger van de dienst wanneer de dienstverrichter een belastingplichtige is die niet in België is gevestigd en de dienst krachtens artikel 21, § 2, geacht wordt in België plaats te vinden;

2° tot 4° …

5° door de in België gevestigde medecontractant die gehouden is tot het indienen van de aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of door de niet in België gevestigde medecontractant die een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen overeenkomstig artikel 55, § 1 of § 2, wanneer het gaat om een levering van goederen of een dienst verricht door een niet in België gevestigde belastingplichtige en de hier te lande belastbare handeling niet onder 1°, 2° en 6° van deze paragraaf is bedoeld, noch vrijgesteld is of verricht met vrijstelling van de belasting ingevolge de artikelen 39 tot 44bis;

6° …

Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, 5° en 6°, wordt een belastingplichtige die in België een vaste inrichting heeft, aangemerkt als een niet in België gevestigde belastingplichtige als deze inrichting niet betrokken is bij de levering van goederen of de dienst.

§ 3. tot § 4. …

2. Toepasselijke regeling

22. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de toepasselijke regels inzake de plaatsbepaling van diensten en de aanwijzing van de schuldenaar van de belasting.

DIENSTEN BESTAANDE UIT EEN MATERIEEL WERK OF EEN EXPERTISE MET BETREKKING TOT EEN LICHAMELIJK ROEREND GOED, WAARBIJ DE ONTVANGER EEN BELASTINGPLICHTIGE IS IN DE ZIN VAN ARTIKEL 21, § 1, VAN HET BTW WETBOEK

Plaats waar de dienstverrichter is gevestigd

Plaats van de dienst

Schuldenaar van de btw

De dienstverrichter is enkel gevestigd in het land waar de ontvanger van de dienst is gevestigd

Plaats waar de ontvanger is gevestigd

(art. 21, § 2, van het Btw-Wetboek – art. 44 van de richtlijn 2006/112/EG)

Dienstverrichter

(art. 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek - art. 193 van de richtlijn 2006/112/EG)

De dienstverrichter heeft noch de zetel van zijn economische activiteit noch een vaste inrichting in het land waar de ontvanger van de dienst is gevestigd

Plaats waar de ontvanger is gevestigd

(art. 21, § 2, van het Btw-Wetboek – art. 44 van de richtlijn 2006/112/EG)

Ontvanger

(art. 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek - art. 196 van de richtlijn 2006/112/EG)

De dienstverrichter is een onderneming naar buitenlands recht, welke beschikt over een vaste inrichting in het land waar de ontvanger van de dienst is gevestigd. Deze vaste inrichting nam rechtstreeks of onrechtstreeks deel aan de handeling

Plaats waar de ontvanger is gevestigd

(art. 21, § 2, van het Btw-Wetboek – art. 44 van de richtlijn 2006/112/EG)

Dienstverrichter

(art. 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek - art. 193 van de richtlijn 2006/112/EG)

De dienstverrichter is een onderneming naar buitenlands recht, welke beschikt over een vaste inrichting in het land waar de ontvanger van de dienst is gevestigd. Deze vaste inrichting nam niet deel (noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks) aan de handeling

Plaats waar de ontvanger is gevestigd

(art. 21, § 2, van het Btw-Wetboek – art. 44 van de richtlijn 2006/112/EG)

Ontvanger

(art. 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek - art. 196 van de richtlijn 2006/112/EG)

C. Praktische toepassingen

23. In de hierna volgende voorbeelden wordt onder de term 'belastingplichtige' verstaan, de in artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek bedoelde persoon die als zodanig handelt (artikel 43 van de richtlijn 2006/112/EG) (zie randnummer 14, hiervoor).

24. Behoudens andersluidende bepaling, zijn de in de voorbeelden bedoelde goederen afkomstig uit de gemeenschap in de zin van artikel 1, §§ 2 tot en met 5, van het Btw-Wetboek of zijn ze in een lidstaat van de gemeenschap ingevoerd en ten verbruik aangegeven.

1. Voorbeeld nr. 1

Plaats waar de dienst materieel wordt verricht: België

Facturering

BelgiëBelgië

BA

Een in België gevestigde belastingplichtige A doet een beroep op een eveneens in België gevestigde belastingplichtige B om een machine te herstellen. De herstelling wordt materieel bij B verricht.

25. Plaats van de dienst verricht door belastingplichtige B: in België (plaats waar de ontvanger van de dienst is gevestigd – artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek - artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG).

Schuldenaar: dienstverrichter B aangezien hij in België is gevestigd (artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek - artikel 193 van de richtlijn 2006/112/EG).

Verplichtingen: B vermeldt deze handeling in rooster 03 en de verschuldigde btw in rooster 54 van zijn periodieke btw-aangifte.

Indien A gehouden is tot het indienen van periodieke btw-aangiften, neemt hij deze dienstverrichting op in rooster 82 van zijn periodieke btw-aangifte en oefent hij zijn recht op aftrek uit in rooster 59 overeenkomstig de gewone regeling.

2. Voorbeeld nr. 2

Plaats waar de dienst materieel wordt verricht: Duitsland

Facturering

DuitslandBelgië

BA

Een in België gevestigde belastingplichtige A doet een beroep op een in Duitsland gevestigde belastingplichtige B om een maakloonwerk te verrichten aan goederen die hem zullen worden toegestuurd. Het maakloonwerk wordt materieel verricht in het atelier van B, waarna het afgewerkt product wordt teruggezonden naar België. De Duitse dienstverrichter B heeft geen vaste inrichting in België.

26. Plaats van de dienst verricht door belastingplichtige B: in België (plaats waar de ontvanger van de dienst is gevestigd – artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek – artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG).

Schuldenaar: de ontvanger van de dienst A aangezien de dienstverrichter niet in België is gevestigd (artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek – artikel 196 van de richtlijn 2006/112/EG).

Verplichtingen: Indien A gehouden is tot het indienen van periodieke btw-aangiften, neemt hij deze dienstverrichting op in rooster 82 alsook in rooster 88 van zijn periodieke btw-aangifte. De verschuldigde btw wordt opgenomen in rooster 55 van dezelfde periodieke btw-aangifte en kan in aftrek worden gebracht in rooster 59 overeenkomstig de gewone regeling.

Indien A gehouden is tot het indienen van bijzondere btw-aangiften, neemt A de dienstverrichting op in rooster 75 van zijn bijzondere btw-aangifte. De verschuldigde btw wordt opgenomen in rooster 80 van diezelfde bijzondere btw-aangifte.

3. Voorbeeld nr. 3

Plaats waar de dienst materieel wordt verricht: Frankrijk

Facturering

BelgiëDuitsland

BA

Een in Duitsland gevestigde belastingplichtige A doet een beroep op een in België gevestigde belastingplichtige B om een expertise te verrichten op koopwaar die zich in Frankrijk bevindt. De Belgische dienstverrichter heeft geen vaste inrichting in Duitsland.

27. Plaats van de dienst verricht door belastingplichtige B: in Duitsland (plaats waar de ontvanger van de dienst is gevestigd – artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG).

Schuldenaar: de ontvanger van de dienst A aangezien de dienstverrichter niet in Duitsland is gevestigd (artikel 196 van de richtlijn 2006/112/EG).

Verplichtingen: B vermeldt deze handeling in rooster 44 van zijn periodieke btw-aangifte, alsook in zijn btw-opgave van de intracommunautaire handelingen onder code S met vermelding van het btw-identificatienummer van zijn klant A.

4. Voorbeeld nr. 4

Plaats waar de dienst materieel wordt verricht: Nederland

Facturering

BelgiëBelgië

B'A

NederlandBelgië

BA

Een in België gevestigde belastingplichtige A belast een in Nederland gevestigde belastingplichtige B met de herstelling van één van haar vrachtwagens die in Nederland in panne is gevallen. De Nederlandse belastingplichtige B beschikt over een vaste inrichting in België (B').

28. Plaats van de dienst verricht door belastingplichtige B: in België (plaats waar de ontvanger van de dienst is gevestigd – artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek – artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG).

Schuldenaar:

- de dienstverrichter (B'), ingeval de Belgische vaste inrichting van B rechtstreeks of onrechtstreeks is tussengekomen bij de handeling (artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek – artikel 193 van de richtlijn 2006/112/EG).

Verplichtingen:

B' vermeldt deze handeling in rooster 03 en de verschuldigde btw in rooster 54 van zijn periodieke btw-aangifte.

Indien A gehouden is tot het indienen van periodieke btw-aangiften, neemt hij deze dienstverrichting op in rooster 82 van zijn periodieke btw-aangifte en oefent hij zijn recht op aftrek uit in rooster 59 overeenkomstig de gewone regeling.

- de ontvanger A ingeval de Belgische vaste inrichting van B in geen enkel opzicht heeft bijgedragen aan de handeling (artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek - artikel 196 van de richtlijn 2006/112/EG).

Verplichtingen:

Indien A gehouden is tot het indienen van periodieke btw-aangiften, neemt hij deze dienstverrichting op in de roosters 82 en 88 van zijn periodieke btw-aangifte. De verschuldigde btw wordt opgenomen in rooster 55 van dezelfde aangifte en kan in aftrek worden gebracht in rooster 59 overeenkomstig de gewone regeling.

Indien A gehouden is tot het indienen van bijzondere btw-aangiften, neemt A de dienstverrichting op in rooster 75 van zijn bijzondere btw-aangifte. De verschuldigde btw wordt opgenomen in rooster 80 van diezelfde bijzondere btw-aangifte.

5. Voorbeeld nr. 5

Plaats waar de dienst materieel wordt verricht: Canada

Facturering

CanadaBelgië

BA

Een in België gevestigde belastingplichtige A belast een in Canada gevestigde belastingplichtige B met de uitvoering van een maakloonwerk aan goederen die haar worden toegezonden. Het maakloonwerk wordt materieel verricht in de lokalen van B. Na het maakloonwerk blijft het afgewerkt product in Canada, aangezien A het er heeft doorverkocht aan een klant C. De Canadese dienstverrichter B heeft geen vaste inrichting in België.

29. Plaats van de dienst verricht door onderneming B: in België (plaats waar de ontvanger van de dienst is gevestigd – artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek – artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG).

Schuldenaar: de ontvanger van de dienst A aangezien de dienstverrichter niet in België is gevestigd (artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek – artikel 196 van de richtlijn 2006/112/EG).

Verplichtingen: Indien A gehouden is tot het indienen van btw-periodieke aangiften, neemt hij deze dienstverrichting op in rooster 82, alsook in rooster 87 van zijn periodieke btw-aangifte. De verschuldigde btw wordt opgenomen in rooster 56 van dezelfde periodieke btw-aangifte en kan in aftrek worden gebracht in rooster 59 overeenkomstig de gewone regeling.

Indien A gehouden is tot het indienen van bijzondere btw-aangiften, neemt A de dienstverrichting op in rooster 76 van zijn bijzondere btw-aangifte. De verschuldigde btw wordt opgenomen in rooster 80 van diezelfde bijzondere btw-aangifte

6. Voorbeeld nr. 6

Plaats waar de dienst materieel wordt verricht: Zweden

Facturering

DenemarkenZweden

BA'

Een in België gevestigde belastingplichtige A heeft een vaste inrichting in Zweden (A'). Ten behoeve van die Zweedse vaste inrichting (A'), wordt een Deense belastingplichtige B belast met de herstelling van een landbouwmachine die zich in Denemarken bevindt. De Deense belastingplichtige B heeft geen vaste inrichting in Zweden.

30. Plaats van de dienst verricht door belastingplichtige B: in Zweden (plaats waar de vaste inrichting van de belastingplichtige is gevestigd ten behoeve waarvan de dienst wordt verricht – artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG). Er wordt verondersteld dat aan alle noodzakelijke voorwaarden is voldaan voor het hanteren van het criterium van de plaats van de vaste inrichting als aanknopingspunt voor de plaats van de dienst (zie randnummers 16 en 17, hiervoor).

Schuldenaar: de ontvanger van de dienst, zijnde de Zweedse vaste inrichting (A'), aangezien de dienstverrichter niet in Zweden is gevestigd (artikel 196 van de richtlijn 2006/112/EG).

Verplichtingen: A neemt deze dienstverrichting op in rooster 82 van zijn in België in te dienen periodieke btw-aangifte.

D. Stelsel van de overbrengingen en niet-overbrengingen

1. Draagwijdte van het stelsel

a. Principe

31. Artikel 12bis van het Btw-Wetboek bepaalt:

'De overbrenging door een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere lidstaat wordt gelijkgesteld met een levering van goederen onder bezwarende titel.

Als overbrenging naar een andere lidstaat wordt beschouwd iedere verzending of ieder vervoer van een lichamelijk roerend goed voor bedrijfsdoeleinden, door of voor rekening van de belastingplichtige, buiten België, maar binnen de Gemeenschap, voor zover het daarbij niet om een van de volgende handelingen gaat:

1° ...

2° ...

3° ...

4° de verrichting van een dienst voor de belastingplichtige in verband met expertises of werkzaamheden betreffende dat goed, die materieel worden verricht op het grondgebied van de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van het goed, voor zover het goed na expertise of bewerking opnieuw wordt verzonden naar deze belastingplichtige in België vanwaar het oorspronkelijk was verzonden of vervoerd;

5° ...

6° ...

7° …

Wanneer één van de voorwaarden voor de toepassing van de bepalingen van het tweede lid hierboven niet meer wordt vervuld, wordt het goed evenwel beschouwd als overgebracht naar een andere lidstaat. In dat geval vindt de overbrenging plaats op het tijdstip waarop de voorwaarde niet meer wordt vervuld.'

32. Wat de diensten bestaande uit een expertise of een materieel werk met betrekking tot een lichamelijk roerend goed betreft, is er in beginsel slechts sprake van een niet-overbrenging in België voor zover de goederen, na expertise of bewerking in de lidstaat van aankomst, worden teruggezonden naar de belastingplichtige in België vanwaar ze oorspronkelijk waren verzonden of vervoerd.

33. Merk op dat, in omgekeerde zin, de verzending van goederen vanuit een andere lidstaat naar België, met het oog op het ondergaan van een expertise of een materieel werk, geen aanleiding geeft tot een bestemming van goederen die in België met een intracommunautaire verwerving van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld, wanneer voornoemde verzending in de lidstaat van vertrek van de goederen beantwoordt aan de voorwaarden van een niet-overbrenging opgenomen in artikel 12bis, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek (artikel 25quater, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek).

b. Toleranties

(i) Intellectueel werk

34. Er wordt aanvaard dat de werkzaamheden die de verzonden goederen ondergaan, voor de toepassing van artikel 12bis, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek, niet worden beperkt tot de diensten bestaande uit een materieel werk (waaronder het maakloonwerk) of een expertise met betrekking tot een lichamelijk roerend goed. Zo wordt de verzending van een goed naar een andere lidstaat, met het oog op het uitvoeren van een analyse op dat goed, als een niet-overbrenging aangemerkt, ongeacht of die analyse wordt beschouwd als een materieel werk, als een expertise of als een dienst verricht door raadgevende personen, ingenieurs, adviesbureaus, advocaten, accountants en andere soortgelijke diensten, alsmede gegevensverwerking en informatieverschaffing (4) (bijvoorbeeld de verzending naar een andere lidstaat van farmaceutische producten om ze er te onderwerpen aan testen of analyses) (zie schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.461 van de heer Senator Alain Destexhe van 18.11.1998).

(4)Een dergelijke dienst wordt gelokaliseerd overeenkomstig ofwel de algemene regel vervat in artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek indien de ontvanger van de dienst een belastingplichtige is in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek, ofwel de regels opgenomen in de artikelen 21bis, § 1, of 21bis, § 2, 10°, c), van het Btw-Wetboek indien de ontvanger van de dienst geen belastingplichtige is in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek.

(ii) Werken beschouwd als leveringen van goederen

35. Het valt eveneens voor dat goederen door een belastingplichtige van een lidstaat naar een andere lidstaat worden overgebracht om een bewerking te ondergaan, waarbij die werkzaamheid niet als een dienst maar als een levering van goederen wordt aangemerkt. Wanneer bijvoorbeeld een vrachtwagen vanuit België naar een andere lidstaat wordt vervoerd, met het oog op de installatie van een laadruimte voor het vervoer van dieren of van een hefsysteem voor het laden en lossen van goederen, wordt de handeling bestaande uit de verkoop met montage van die goederen op de vrachtwagen door de administratie in de regel als een levering van goederen en niet als een dienst aangemerkt.

Vermits er, overeenkomstig artikel 12bis, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek, slechts sprake is van een niet-overbrenging ingeval van verzending van een goed naar een andere lidstaat met het oog op het verrichten van een dienst met betrekking tot dat goed, zou dat in bovengenoemd geval tot gevolg hebben dat de verzending van de vrachtwagen wordt aangemerkt als:

- een overbrenging die in België met een (intracommunautaire) levering van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld;

- een bestemming die in de lidstaat van aankomst met een intracommunautaire verwerving van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld.

Die situatie heeft in beginsel tot gevolg dat de in België gevestigde of voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige zich in de andere lidstaat voor btw-doeleinden moet identificeren, hoewel hij er geen enkele andere belastbare handeling verricht dan een intracommunautaire verwerving bij de aankomst van de vrachtwagen en een vrijgestelde intracommunautaire levering bij zijn terugzending.

Bij wijze van vereenvoudiging evenals omdat bepaalde handelingen door de belastingadministratie van de ene lidstaat als een levering van goederen en door die van een andere lidstaat als een dienst worden gekwalificeerd, aanvaardt de administratie voor de toepassing van artikel 12bis, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek een ruime interpretatie van het begrip 'werkzaamheid met betrekking tot een goed'. Zo kan de verzending van een goed door een belastingplichtige naar een andere lidstaat om er een werkzaamheid te ondergaan, op grond van genoemd artikel 12bis, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek als een niet-overbrenging worden aangemerkt, ongeacht of die handeling door België of door de andere lidstaat als een dienst of als een levering van goederen wordt gekwalificeerd. Bijgevolg blijft enkel de verplichting om die handeling in het 'register der niet-overbrengingen' op te nemen, overeenkomstig artikel 23 van het koninklijk besluit nr. 1, van 29.12.1992, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

De voorwaarde dat de goederen na bewerking moeten worden teruggezonden naar de belastingplichtige in de lidstaat vanwaar ze oorspronkelijk waren verzonden of vervoerd, blijft van toepassing.

Bovengenoemde interpretatie geldt zowel voor de goederen die vanuit België naar een andere lidstaat worden verzonden of vervoerd om er een werkzaamheid te ondergaan als omgekeerd, met dien verstande dat zij niet in strijd mag zijn met de interpretatie van de belastingadministratie van de lidstaat waar de werkzaamheid met betrekking tot de goederen materieel plaatsvindt (beslissing nr. E.T.94.286 van 04.05.2000). Ingeval van verzending van een goed vanuit een andere lidstaat naar België om er een werkzaamheid te ondergaan, blijft in België dan enkel de verplichting om die handeling in het register der ontvangen materialen op te nemen, overeenkomstig artikel 25 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

(iii) Terugzending naar de lidstaat van de opdrachtgever

36. Het gebeurt regelmatig dat een in België gevestigde belastingplichtige goederen verkoopt (of verhuurt) aan een eveneens in België gevestigde koper (huurder), maar die goederen eerst naar een andere lidstaat verzendt om er voor zijn rekening te worden bewerkt alvorens ze aan zijn koper te leveren (aan zijn huurder ter beschikking te stellen).

De administratie aanvaardt in dat geval, ter vereenvoudiging en bij wijze van proef, dat voldaan is aan de voorwaarde van terugzending van de goederen naar de belastingplichtige in België vanwaar ze oorspronkelijk waren verzonden of vervoerd, wanneer de leverancier (verhuurder) aan de hand van bewijskrachtige stukken kan aantonen dat de goederen na de bewerking rechtstreeks naar zijn koper (huurder) in België zijn verzonden of vervoerd.

Indien de in België gevestigde leverancier zich op de tolerantie beroept, wordt de door hem verrichte levering van goederen geacht in België plaats te vinden (het betreft dan een nationale levering die in België aan de btw is onderworpen)

De tolerantie kan mutatis mutandis ook in omgekeerde richting worden toegepast. Het betreft dan een in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige die goederen verkoopt (of verhuurt) aan een in dezelfde lidstaat gevestigde koper (huurder), waarbij de goederen eerst naar België worden verzonden of vervoerd om er voor rekening van de leverancier (verhuurder) een bewerking te ondergaan, alvorens aan de afnemer te worden geleverd (aan de huurder ter beschikking te worden gesteld).

Indien de in een andere lidstaat gevestigde leverancier (verhuurder) de tolerantie toepast:

- geeft de handeling, in hoofde van de in een andere lidstaat gevestigde leverancier (verhuurder), geen aanleiding tot een bestemming van goederen die in België op grond van artikel 25quater, § 1, van het Btw-Wetboek met een intracommunautaire verwerving van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld;

- wordt de in een andere lidstaat gevestigde leverancier (verhuurder), op het tijdstip van de terugzending van de goederen naar de andere lidstaat, niet geacht een levering van goederen (een met een levering van goederen onder bezwarende titel gelijkgestelde overbrenging) vanuit België naar zijn in dezelfde lidstaat gevestigde koper (huurder) te verrichten.

Voornoemde administratieve tolerantie kan slechts worden toegepast op voorwaarde dat de belastingadministratie van de lidstaat waar de goederen ter bewerking vanuit België naartoe worden gezonden of van waaruit de goederen ter bewerking naar België worden toegezonden, zich niet tegen deze vereenvoudigingsmaatregel verzet ten aanzien van de handelingen die op haar grondgebied plaatsvinden.

(iv) Voorbeelden

Voorbeeld 1

Schema

37. Een in België gevestigde belastingplichtige A (LS1) verzendt goederen naar Frankrijk (LS2), om er te worden hersteld door een aldaar gevestigde belastingplichtige-indiener B. Na herstelling, worden de goederen naar A in België teruggezonden.

De verzending van de goederen naar Frankrijk wordt in België als een niet-overbrenging aangemerkt en wordt derhalve niet met een levering van goederen onder bezwarende titel gelijkgesteld. A moet deze verzending in zijn register der niet-overbrengingen opnemen (zie randnummers 40 en 41, hierna).

De dienst bestaande uit de herstelling van de goederen, die materieel in Frankrijk wordt verricht, vindt overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek (artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG) in België plaats, alwaar de als zodanig handelende belastingplichtige A de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd

Indien B niet in België is gevestigd, is A de schuldenaar van de belasting die in België over de hersteldienst is verschuldigd, overeenkomstig artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek (artikel 196 van de richtlijn 2006/112/EG). Hij neemt deze handeling op in rooster 82, alsook in rooster 88 van zijn periodieke btw-aangifte. Hij neemt de verschuldigde btw op in rooster 55 van dezelfde aangifte en de aftrekbare btw in rooster 59.

Indien B in België over een vaste inrichting beschikt die op rechtstreekse of onrechtstreekse wijze is tussengekomen bij de hersteldienst, is B de schuldenaar van de belasting, overeenkomstig artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek (artikel 193 van de richtlijn 2006/112/EG).

Bij de terugkeer van de goederen naar België zuivert A zijn register der niet-overbrengingen aan.

Voorbeeld 2

Schema

38. Een in België gevestigde belastingplichtige A (LS1) verzendt goederen naar Frankrijk (LS2), om er te worden hersteld door een aldaar gevestigde belastingplichtige-indiener B. Na herstelling, worden de goederen niet naar A in België teruggezonden, maar naar C in Duitsland (LS3) verzonden.

De verzending van de goederen naar Frankrijk wordt in België met een levering van goederen onder bezwarende titel gelijkgesteld (artikel 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek). De goederen worden na herstelling immers niet naar A in België teruggezonden. Derhalve moet A de overbrenging opnemen in rooster 46 van zijn periodieke btw-aangifte en in zijn btw-opgave van de intracommunautaire handelingen (artikel 53sexies van het Btw-Wetboek en koninklijk besluit nr. 50 van 09.12.2009 met betrekking tot de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen). Bovendien is A gehouden het document voorzien in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, op te stellen (het overbrengingsdocument genoemd).

Daarnaast dient A zich, met het oog op het verrichten van een belastbare intracommunautaire verwerving in Frankrijk, voor btw-doeleinden te identificeren in Frankrijk. De levering van de goederen aan C, na de herstelling verricht door B, vindt in Frankrijk plaats en wordt vrijgesteld door artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG.

De dienst bestaande uit de herstelling van de goederen, die materieel in Frankrijk wordt verricht, vindt overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek (artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG) in België plaats, alwaar de als zodanig handelende belastingplichtige A de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd.

Indien B niet in België is gevestigd, is A de schuldenaar van de belasting die in België over de hersteldienst is verschuldigd, overeenkomstig artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek (artikel 196 van de richtlijn 2006/112/EG). Hij neemt deze handeling op in rooster 82, alsook in rooster 88 van zijn periodieke btw-aangifte. Hij neemt de verschuldigde btw op in rooster 55 van dezelfde aangifte en de aftrekbare btw in rooster 59.

Indien B in België over een vaste inrichting beschikt die op rechtstreekse of onrechtstreekse wijze is tussengekomen bij de hersteldienst, is B de schuldenaar van de belasting, overeenkomstig artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek (artikel 193 van de richtlijn 2006/112/EG).

Voorbeeld 3

Schema

39. Een in België (LS1) gevestigde belastingplichtige-indiener A verzendt goederen naar Spanje (LS2), om er te worden bewerkt door een aldaar gevestigde belastingplichtige-indiener B. Na bewerking, worden de goederen niet naar A in België teruggezonden, maar rechtstreeks naar de koper C in België (LS1) verzonden.

Bij de verzending van de goederen naar Spanje (LS2) verricht A in beginsel een overbrenging in de zin van artikel 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek.

De levering van de goederen aan C, na bewerking door B, vindt in Spanje plaats en is vrijgesteld op grond van artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG.

Bij wijze van administratieve tolerantie (zie randnummer 36, hiervoor), wordt de verzending van de goederen naar Spanje in België evenwel niet met een levering van goederen onder bezwarende titel gelijkgesteld. Belastingplichtige A moet de verzending wel opnemen in zijn register der niet-overbrengingen (zie randnummers 40 en 41, hierna).

De dienst bestaande uit een bewerking, die materieel in Spanje wordt verricht, vindt overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek (artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG) in België plaats, alwaar de als zodanig handelende belastingplichtige A de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd.

Indien B niet in België is gevestigd, is A de schuldenaar van de belasting die in België over de bewerking is verschuldigd, overeenkomstig artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek (artikel 196 van de richtlijn 2006/112/EG). Hij neemt deze handeling op in rooster 82, alsook in rooster 88 van zijn periodieke btw-aangifte. Hij neemt de verschuldigde btw op in rooster 55 van dezelfde aangifte en de aftrekbare btw in rooster 59.

Indien B in België over een vaste inrichting beschikt die op rechtstreekse of onrechtstreekse wijze is tussengekomen bij de bewerking, is B de schuldenaar van de belasting, overeenkomstig artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek (artikel 193 van de richtlijn 2006/112/EG).

Bij de terugkeer van de goederen naar België zuivert A zijn register der niet-overbrengingen aan.

Indien A voor de administratieve tolerantie opteert, dient de levering van goederen aan C beschouwd te worden als een levering die in België plaatsvindt en die niet is vrijgesteld van de btw.

A neemt die levering op in zijn periodieke btw-aangifte, op dezelfde manier als elke andere niet-vrijgestelde levering van goederen.

2. Verplichtingen

a. Register der niet-overbrengingen

40. Op grond van artikel 54bis, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek moet elke belastingplichtige een register houden van de goederen die hij heeft verzonden of vervoerd, of die voor zijn rekening werden verzonden of vervoerd, naar een andere lidstaat voor de handelingen bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 4° tot en met 6°, van het Btw-Wetboek.

Elke verzending of elk vervoer van goederen vanuit België naar een andere lidstaat, door of voor rekening van een belastingplichtige voor bedrijfsdoeleinden, met het oog op het ondergaan van een materieel werk of een expertise, moet aldus worden ingeschreven in een register voor zover die goederen na de bewerking of de expertise worden teruggezonden naar de belastingplichtige in België vanwaar zij oorspronkelijk waren verzonden of vervoerd.

41. Overeenkomstig artikel 23, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, moet dat register worden gehouden voor de niet-overbrengingen bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 4° tot en met 6°, van het Btw-Wetboek evenals voor de verzending van goederen naar een andere lidstaat, met het oog op hun eventuele verkoop, door een belastingplichtige wederverkoper bedoeld in artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek die de goederen onderwerpt aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge.

Bedoeld register wordt 'register der niet-overbrengingen' genoemd.

Op het tijdstip van de verzending van de goederen naar een andere lidstaat moet het register, overeenkomstig artikel 24, 1° tot en met 7°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, de volgende vermeldingen bevatten:

- een volgnummer;

- de datum van de handeling;

- de naam en het adres van de bestemmeling van de betrokken goederen;

- in voorkomend geval, het btw-identificatienummer van die bestemmeling en de plaats van bestemming van de betrokken goederen;

- de hoeveelheid van de verzonden of de vervoerde goederen en de gebruikelijke benaming van deze goederen;

- hun nummers of identificatiekentekens wanneer ze ervan voorzien zijn

- de waarde van de verzonden of vervoerde goederen, bepaald overeenkomstig artikel 33, 1°, van het Btw-Wetboek.

Op het tijdstip van de terugkeer van de goederen in België moet het register, overeenkomstig artikel 24, 8° tot en met 11°, van het Btw-Wetboek, op volgende wijze worden aangezuiverd:

- de datum van terugkeer van de goederen;

- de hoeveelheid en de gebruikelijke benaming van de teruggekeerde goederen, wanneer deze verschillen van die van de verzonden of vervoerde goederen;

- de hoeveelheid van de goederen die niet zijn teruggekeerd, alsook de reden van niet-terugkeer;

- de datum en het inschrijvingsnummer in de factuurboeken van de facturen of de als zodanig geldende stukken en van de creditnota's die hij heeft ontvangen of uitgereikt met betrekking tot deze handelingen.

b. Register der ontvangen materialen

42. Op grond van artikel 54bis, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek, moet elke belastingplichtige een register houden om de lichamelijke roerende goederen te kunnen identificeren die vanuit een andere lidstaat naar hem zijn verzonden door of voor rekening van een in die andere lidstaat voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige en die het voorwerp zijn van een materieel werk of een expertise. Bovendien moet elke belastingplichtige een register (of een aangepaste boekhouding) houden van de materialen en voorwerpen die hem door een belastingplichtige opdrachtgever worden toevertrouwd met het oog op het verrichten van een maakloonwerk.

43. Bedoeld register wordt 'register der ontvangen materialen' genoemd.

Het register der ontvangen materialen wordt derhalve gebruikt voor twee soorten goederen (artikel 25, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd), met name voor:

- de goederen die het voorwerp uitmaken van een maakloonwerk, wanneer ze door een belastingplichtige aan de dienstverrichter worden toevertrouwd. Het is van geen belang of de goederen worden verzonden vanuit België of vanuit een andere lidstaat;

- de goederen die het voorwerp uitmaken van een expertise of van een materieel werk, ander dan een maakloonwerk, wanneer ze vanuit een andere lidstaat naar de dienstverrichter worden verzonden door of voor rekening van een in die andere lidstaat voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige.

44. Dit register moet de volgende vermeldingen bevatten (artikel 26 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd):

- een volgnummer;

- de datum van ontvangst van de goederen;

- de naam en het adres van de opdrachtgever;

- het btw-identificatienummer van de opdrachtgever;

- de hoeveelheid goederen die hem zijn toevertrouwd;

- de gebruikelijke benaming van de goederen en hun nummers of identificatiekentekens wanneer ze ervan voorzien zijn;

- dadelijk na de voltooiing van de expertise of van het werk, de datum van de verzending of van het vervoer van de goederen die het voorwerp hebben uitgemaakt van de dienstverrichting;

- per verzending, de hoeveelheid van de verzonden goederen alsook de gebruikelijke benaming ervan;

- de hoeveelheid en de gebruikelijke benaming van de goederen die hem zijn toevertrouwd en die niet aan de opdrachtgever worden teruggegeven;

- de datum en het inschrijvingsnummer in het boek voor uitgaande facturen van de facturen en de creditnota's die hij met betrekking tot de verrichte dienst heeft uitgereikt.

3. Vereenvoudigingen

45. De Europese Commissie en de lidstaten zijn overeengekomen om in een aantal situaties, waarbij sprake is van dienstverrichtingen in verband met een materieel werk (waaronder het maakloonwerk) of een expertise met betrekking tot een lichamelijk roerend goed, vereenvoudigingsmaatregelen toe te passen. De toepasselijke regelingen worden hierna toegelicht, onder voorbehoud van wijzigingen en/of nieuwe vereenvoudigingsmaatregelen die de lidstaten en de Europese Commissie nog zouden kunnen overeenkomen.

In de hiernavolgende uiteenzetting worden regelmatig de bewoordingen 'werkzaamheid aan lichamelijke roerende goederen', 'grondstoffen', 'te bewerken goederen' en 'afgewerkt product' gebruikt. Deze terminologie neemt echter niet weg dat in de besproken situaties tevens ieder ander materieel werk met betrekking tot een lichamelijk roerend goed dan een maakloonwerk wordt bedoeld, evenals een expertise die betrekking heeft op een lichamelijk roerend goed.

Opmerking

46. In alle hierna opgenomen situaties waarin de vereenvoudigingsmaatregelen worden beschreven (zie randnummers 47 tot en met 80, hierna), wordt steeds verondersteld dat de ontvanger van de dienst/afnemer van de goederen in eenzelfde lidstaat gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is.

In het geval waarin de ontvanger van de dienst/afnemer van de goederen bovendien over een vaste inrichting beschikt in een andere lidstaat dan die waar hij de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd, dient rekening te worden gehouden met de volgende preciseringen:

- de aanknoping van de plaats van de dienst aan de plaats waar de zetel van de economische activiteit van de belastingplichtige is gevestigd, vormt de algemene regel. De plaats van de vaste inrichting als aanknopingspunt voor de plaats van de dienst is ondergeschikt en vindt slechts toepassing indien het criterium van de zetel van de economische activiteit niet tot een rationele oplossing leidt inzake de plaats van het werkelijke verbruik van de dienst (zie randnummer 19, hiervoor);

- wanneer de goederen, na bewerking of expertise, worden vervoerd naar de lidstaat waar de vaste inrichting van de belastingplichtige zich bevindt, opdat die laatste vervolgens tot de levering, verhuur of gebruik van het afgewerkt product kan overgaan, dient te worden aangenomen dat de dienst werd verricht voor de behoeften van die vaste inrichting en niet voor die van de zetel van de economische activiteit van de belastingplichtige.

Vermits er in genoemd geval geen enkele twijfel over bestaat dat de plaats van het werkelijke verbruik van de dienst is gelokaliseerd in de lidstaat waar de vaste inrichting is gevestigd, leidt enkel de lokalisering van de dienst in de lidstaat waar de vaste inrichting is gevestigd tot een rationele oplossing.

Dit impliceert dat, opdat de vereenvoudigingsregelingen zouden kunnen worden toegepast, éénzelfde btw-identificatienummer dient te worden medegedeeld aan de verschillende leveranciers en dienstverrichters. Het spreekt voor zich dat de facturen die worden opgemaakt door die leveranciers en dienstverrichters aan de vaste inrichting moeten gericht zijn (vermelding naam, adres en btw- identificatienummer van de vaste inrichting). Wanneer onder deze omstandigheden de bestelling/opdracht alsnog formeel uitgaat van de zetel van de economische activiteit van de belastingplichtige en de overeenkomsten juridisch gezien door deze laatste worden gesloten, wordt voorgaande analyse daardoor niet in vraag gesteld.

a. Leverancier en dienstverrichter zijn in dezelfde lidstaat gevestigd

Aankoop van lichamelijke roerende goederen en verrichting van een werkzaamheid aan die goederen in een andere lidstaat dan die waar de opdrachtgever gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is. Het afgewerkt product wordt naar de lidstaat van de opdrachtgever verzonden. De leverancier en de dienstverrichter zijn in dezelfde lidstaat gevestigd.

(i) Schema

47. Een in lidstaat 1 (hierna: LS1) gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde leverancier A verkoopt grondstoffen aan een in lidstaat 2 (hierna: LS2) gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde afnemer C. De grondstoffen worden in opdracht van C voor bewerking naar de dienstverrichter B verzonden, die eveneens in LS1 gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is. Het afgewerkt product wordt naar C in LS2 verzonden of vervoerd.

(ii) Niet-vereenvoudigd stelsel

48. Gelet op de regels die in de overgangsregeling van toepassing zijn, vormt de levering van de grondstoffen van A aan C een louter binnenlandse handeling die in LS1 moet worden belast, vermits de grondstoffen het grondgebied van LS1 niet verlaten.

Vervolgens verricht C, na de bewerking door B, in LS1 een overbrenging van het afgewerkt product en in LS2 een bestemming van het afgewerkt product die met een intracommunautaire verwerving van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld.

Bijgevolg moet C zich in beginsel in LS1 voor btw-doeleinden identificeren, hoewel hij er geen enkele belastbare handeling verricht met uitzondering van een overbrenging.

De dienst bestaande uit de bewerking van de grondstoffen door B, die materieel in LS1 wordt verricht, vindt overeenkomstig artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek) in LS2 plaats, alwaar de als zodanig handelende belastingplichtige C de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd.

(iii) Vereenvoudigd stelsel

Principe

49. De lidstaten en de Europese Commissie zijn unaniem overeengekomen om in dergelijk geval de volgende praktische regels toe te passen:

- de levering van de grondstoffen die het voorwerp van een werkzaamheid zullen uitmaken, wordt als een intracommunautaire levering van goederen vrijgesteld wanneer voldaan is aan de vrijstellingsvoorwaarden voorzien in artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG (zie artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek);

- daartoe wordt de voorwaarde betreffende het vervoer van de grondstoffen beoordeeld op grond van de bewijsstukken waarover de leverancier van de grondstoffen beschikt en die betrekking hebben op het vervoer van het afgewerkt product naar de lidstaat waar de opdrachtgever voor btw-doeleinden is geïdentificeerd.

De vereenvoudiging heeft tot doel te verhinderen dat C zich in LS1 voor btw-doeleinden moet identificeren omwille van het verrichten van een overbrenging.

Voor een schematische voorstelling van de bijhorende btw-verplichtingen voor de betrokken belastingplichtigen wordt verwezen naar bijlage 1 bij deze circulaire.

Verplichtingen van de belastingplichtigen

Situatie 1: België is LS1. De levering van de grondstoffen en de materiële uitvoering van de dienst vinden in België plaats, door belastingplichtigen die in België voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd.

Verplichtingen van leverancier A

50. Leverancier A verricht een levering van grondstoffen aan C, die in een andere lidstaat voor btw-doeleinden is geïdentificeerd.

Die levering kan op grond van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek worden vrijgesteld van de belasting, op voorwaarde dat leverancier A over het bewijs beschikt dat de goederen die hij aan de dienstverrichter heeft overhandigd, na uitvoering van de werkzaamheid, daadwerkelijk het Belgisch grondgebied verlaten ter bestemming van de lidstaat van de klant/opdrachtgever C.

Hij neemt de levering op in rooster 46 van zijn periodieke btw-aangifte en in zijn btw-opgave van de intracommunautaire handelingen, met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting over bedoelde levering opeisbaar is geworden en met vermelding van de medecontractant C als afnemer, zoals die in LS2 voor btw-doeleinden is geïdentificeerd.

Overeenkomstig artikel 17, § 2, van het Btw-Wetboek wordt de belasting opeisbaar op het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt of op de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin het belastbare feit heeft plaatsgevonden, indien geen factuur werd uitgereikt vóór die datum.

Overeenkomstig artikel 16, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek, vindt het belastbare feit in beginsel plaats op het tijdstip waarop het goed ter beschikking van de verkrijger of de overnemer wordt gesteld. Indien het goed evenwel door of voor rekening van de leverancier wordt vervoerd of verzonden, vindt het belastbare feit plaats op het tijdstip van de aankomst van de verzending of van het vervoer naar de afnemer of de overnemer, overeenkomstig artikel 16, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek.

Wanneer de factuur wordt uitgereikt vóór de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin het belastbare feit heeft plaatsgevonden, is de belasting bijgevolg opeisbaar op het tijdstip van het uitreiken van de factuur (5).

(5)Merk op dat artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, voor intracommunautaire leveringen van goederen de uitreiking van een factuur oplegt, uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin de levering werd verricht. Derhalve is de datum van uitreiking van de factuur in beginsel bepalend voor het tijdstip van opeisbaarheid van de btw over dergelijke leveringen van goederen verricht vanuit België.

Wat betreft de opeisbaarheid van de btw over intracommunautaire leveringen van goederen, kan geen enkele andere oorzaak tot gevolg hebben dat wordt afgeweken van de regel inzake de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin het belastbare feit heeft plaatsgevonden. De betaling en de facturering van voorschotten hebben daar derhalve geen enkele invloed op.

Daaruit volgt dat ingeval het vervoer van de grondstoffen naar dienstverrichter B door of voor rekening van leverancier A wordt verricht, het belastbare feit plaatsvindt op het tijdstip van de aankomst van het vervoer bij B. De belasting is opeisbaar op het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt of op de vijftiende dag van de maand volgend op die van de aankomst van het vervoer, indien geen factuur werd uitgereikt vóór die datum.

Indien A daarentegen niet het vervoer verricht, vindt het belastbare feit plaats op het tijdstip waarop de grondstoffen in de inrichting van A ter beschikking van C worden gesteld. De belasting is opeisbaar op het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt of op de vijftiende dag van de maand volgend op die van de ter beschikkingstelling van de grondstoffen, indien geen factuur werd uitgereikt vóór die datum.

Het daaropvolgende vervoer van het afgewerkte product heeft geen invloed op het tijdstip van het belastbare feit en het tijdstip van opeisbaarheid van de levering van de grondstoffen.

Verplichtingen van dienstverrichter B

51. Dienstverrichter B verricht een dienst die, overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek (artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG), in LS2 plaatsvindt, alwaar de als zodanig handelende belastingplichtige C de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd.

B vermeldt die dienstverrichting in rooster 44 van zijn periodieke btw-aangifte, alsook in zijn btw-opgave van de intracommunautaire handelingen onder code S met vermelding van het btw-identificatienummer van zijn klant C.

Vermits de verrichte handeling bestaat uit een maakloonwerk in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek, neemt de maakloonwerker de ontvangst van de grondstoffen op in het register der ontvangen materialen, overeenkomstig de artikelen 25, § 1, en 26, 1° tot en met 6°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

Op het ogenblik dat het afgewerkt product naar C wordt verzonden, zuivert B het register der ontvangen materialen aan overeenkomstig artikel 26, 7° tot en met 10°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

Situatie 2: België is LS2. De levering van de grondstoffen en de materiële uitvoering van de dienst vinden in een andere lidstaat plaats, voor rekening van de afnemer/opdrachtgever die in België gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is.

Verplichtingen van C in de hoedanigheid van afnemer van de levering van goederen

52. C verricht een intracommunautaire verwerving van goederen die in België aan de btw is onderworpen.

Hij neemt de maatstaf van heffing van de intracommunautaire verwerving van goederen op in één van de roosters 81 tot 83 en in rooster 86 van zijn periodieke btw-aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de btw over de intracommunautaire verwerving opeisbaar is geworden. De verschuldigde btw wordt opgenomen in rooster 55 van dezelfde periodieke btw-aangifte en de aftrekbare btw in rooster 59.

Overeenkomstig artikel 25sexies, § 2, van het Btw-Wetboek wordt de belasting opeisbaar op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of op de vijftiende dag van de maand volgend op die waarin het belastbare feit heeft plaatsgevonden, indien geen factuur werd uitgereikt voor deze datum.

Overeenkomstig artikel 25sexies, § 1, van het Btw-Wetboek, vindt het belastbare feit plaats op het tijdstip waarop de levering van soortgelijke goederen, overeenkomstig artikel 16 van het Btw-Wetboek, in het binnenland wordt geacht te zijn verricht. Het betreft meer bepaald het tijdstip waarop de goederen ter beschikking van de verkrijger of de overnemer worden gesteld of, indien de goederen door of voor rekening van de leverancier worden verzonden of vervoerd, het tijdstip van de aankomst van de verzending of van het vervoer naar de afnemer of de overnemer (zie randnummer 50, hiervoor).

Bijgevolg mag C niet wachten tot de afgewerkte goederen hem daadwerkelijk worden toegezonden om over te gaan tot de intracommunautaire verwerving van de grondstoffen. De intracommunautaire verwerving wordt in dit geval immers geacht plaats te vinden op het tijdstip waarop de grondstoffen ter beschikking van afnemer C worden gesteld of op het tijdstip van de aankomst van de verzending of van het vervoer van de grondstoffen bij dienstverrichter B, indien de grondstoffen door of voor rekening van leverancier A worden verzonden of vervoerd.

Op ieder verzoek van de administratie moet C de plaats kunnen aanduiden waar de door hem verworven goederen zich bevinden, alsook de naam en, desgevallend, het btw-identificatienummer van de dienstverrichter kunnen meedelen. Derhalve dient hij, bij wijze van toepassingsmodaliteit van de vereenvoudigingsmaatregel, de verzending van de grondstoffen op te nemen in zijn register der niet-overbrengingen. Op het tijdstip van de ontvangst van het afgewerkte product zuivert hij dat register aan.

Verplichtingen van C in de hoedanigheid van ontvanger van de dienst

53. De door C ontvangen dienst vindt in België plaats, overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek. Artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek duidt C aan als schuldenaar van de over die dienst verschuldigde btw. Er wordt daarbij verondersteld dat de dienstverrichter niet over een vaste inrichting in België beschikt die bij de dienstverrichting tussenkomt.

C neemt de maatstaf van heffing van de dienst op in rooster 82, alsook in rooster 88 van zijn periodieke btw-aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin btw opeisbaar is geworden, overeenkomstig artikel 22bis, § 2, van het Btw-Wetboek. De verschuldigde btw wordt opgenomen in rooster 55 van dezelfde periodieke btw-aangifte en de aftrekbare btw in rooster 59.

b. Leverancier en dienstverrichter zijn in verschillende lidstaten gevestigd

Aankoop van lichamelijke roerende goederen en verrichting van een werkzaamheid aan die goederen in andere lidstaten dan die waar de opdrachtgever gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is. Het afgewerkt product wordt naar de lidstaat van de opdrachtgever verzonden. De leverancier en de dienstverrichter zijn in verschillende lidstaten gevestigd.

(i) Schema

54. Een in lidstaat 1 (hierna: LS1) gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde leverancier A verkoopt grondstoffen aan een in lidstaat 2 (hierna: LS2) gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde afnemer C. De grondstoffen worden in opdracht van C voor bewerking vanuit LS1 naar de dienstverrichter B verzonden, die in lidstaat 3 (hierna: LS3) gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is. Het afgewerkt product wordt naar C in LS2 verzonden of vervoerd.

(ii) Niet-vereenvoudigd stelsel

55. De levering van de grondstoffen van A aan C wordt als een vrijgestelde intracommunautaire levering van goederen aangemerkt, indien de volgende voorwaarden zijn vervuld (zie artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG - artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek):

- er vindt een levering aan C plaats, die als belastingplichtige optreedt in LS2 en er gehouden is zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen;

- de grondstoffen worden door A, door C of voor hun rekening naar een plaats buiten LS1 maar binnen de gemeenschap verzonden of vervoerd.

A moet die levering bijgevolg in zijn btw-opgave van de intracommunautaire handelingen alsook in rooster 46 van zijn btw-aangifte opnemen.

De grondstoffen worden in eerste instantie naar LS3 verzonden om er een bewerking te ondergaan, alvorens naar LS2 te worden verzonden of vervoerd. Bijgevolg verricht C in LS3 een intracommunautaire verwerving van de grondstoffen. Na de bewerking, verricht hij vanuit LS3 een overbrenging van het afgewerkt product naar LS2.

C dient in LS3 aan bepaalde btw-verplichtingen te voldoen ten gevolge van het verrichten van belastbare handelingen in die lidstaat. Hij zal er zich onder meer voor btw-doeleinden moeten identificeren en er periodieke btw-aangiften moeten indienen, met vermelding van de verschuldigde en aftrekbare btw op de intracommunautaire verwerving van de grondstoffen en de overbrenging van het eindproduct naar LS2.

De dienst bestaande uit de bewerking van de grondstoffen door B, die materieel in LS3 wordt verricht, vindt overeenkomstig artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek) in LS2 plaats, alwaar de als zodanig handelende belastingplichtige C de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd.

(iii) Vereenvoudigd stelsel

Principe

56. De lidstaten en de Europese Commissie zijn unaniem overeengekomen om in dergelijk geval de volgende praktische regels toe te passen:

- vermits het afgewerkt product naar de lidstaat van de opdrachtgever wordt verzonden of vervoerd, wordt de lidstaat van aankomst van het afgewerkt product aangemerkt als zijnde de plaats van aankomst van de grondstoffen. Bijgevolg moet de lidstaat waar de bewerking materieel wordt verricht, niet worden aangemerkt als plaats waar een intracommunautaire verwerving van de grondstoffen in hoofde van de opdrachtgever plaatsvindt;

- om de aanwezigheid van de grondstoffen in zijn onderneming in LS3 te verantwoorden, moet de dienstverrichter een boekhouding voeren (in België gaat het om een register) die voldoende gedetailleerd is om de grondstoffen te kunnen identificeren die hem door de opdrachtgever werden toevertrouwd met het oog op de uitvoering van een werkzaamheid (zie artikel 243, lid 2, van de richtlijn 2006/112/EG - artikel 54bis, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek en artikel 25, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

De vereenvoudiging heeft tot doel te verhinderen dat C zich in LS3 voor btw-doeleinden moet identificeren omwille van het verrichten van een intracommunautaire verwerving van goederen.

Voor een schematische voorstelling van de bijhorende btw-verplichtingen voor de betrokken belastingplichtigen wordt verwezen naar bijlage 2 bij deze circulaire.

Verplichtingen van de belastingplichtigen

Situatie 1: België is LS1. De levering van de grondstoffen vindt in België plaats, door een leverancier die in België voor btw-doeleinden is geïdentificeerd.

Verplichtingen van leverancier A

57. Leverancier A verricht een levering van goederen aan C, die in een andere lidstaat (LS2) voor btw-doeleinden is geïdentificeerd. Die levering is in principe vrijgesteld van de belasting, overeenkomstig artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek, indien die goederen daadwerkelijk het Belgisch grondgebied verlaten ter bestemming van een andere lidstaat van de gemeenschap.

Merk op dat de vereenvoudiging volkomen verenigbaar is met de veiligheidsbepaling inzake de plaats van intracommunautaire verwervingen van goederen (artikel 41 van de richtlijn 2006/112/EG –artikel 25quinquies, § 3, van het Btw-Wetboek). Als C de goederen aankoopt onder het btw-identificatienummer dat hem door LS2 werd toegekend, wordt de plaats van de intracommunautaire verwerving immers geacht zich in LS2 te bevinden. Bij gebrek aan het verzenden of vervoeren van het afgewerkt product naar LS2, zal de veiligheidsbepaling van toepassing zijn. Indien het afgewerkt product evenwel daadwerkelijk naar LS2 wordt verzonden, zal de veiligheidsbepaling samenvallen met het algemeen beginsel van belastingheffing in de lidstaat van aankomst van de verzending of van het vervoer, overeenkomstig artikel 40 van de richtlijn 2006/112/EG (artikel 25quinquies, § 2, van het Btw-Wetboek). Laatstgenoemd artikel stelt immers niet als voorwaarde dat de goederen in dezelfde staat moeten aankomen als die waarin ze werden aangekocht.

A neemt de levering op in zijn periodieke btw-aangifte (rooster 46) en in zijn btw-opgave van de intracommunautaire handelingen, met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting over die levering opeisbaar is geworden, overeenkomstig artikel 17, § 2, van het Btw-Wetboek, en met vermelding van de medecontractant C als afnemer, zoals die in LS2 voor btw-doeleinden is geïdentificeerd.

Situatie 2: België is LS3. De dienst wordt uitgevoerd door een dienstverrichter die in België gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is.

Verplichtingen van dienstverrichter B

58. Dienstverrichter B verricht een dienst die, overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek (artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG), in LS2 plaatsvindt, alwaar de als zodanig handelende belastingplichtige C de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd.

B vermeldt die dienstverrichting in rooster 44 van zijn periodieke btw-aangifte, alsook in zijn btw-opgave van de intracommunautaire handelingen onder code S met vermelding van het btw-identificatienummer van zijn klant C.

Ongeacht of het een maakloonwerk, een expertise of een materieel werk, ander dan een maakloonwerk, met betrekking tot lichamelijke roerende goederen betreft, neemt B de ontvangst van de grondstoffen op in het register der ontvangen materialen, overeenkomstig de artikelen 25, §§ 1 en 2, en 26, 1° tot en met 6°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

Op het ogenblik dat het afgewerkt product naar C wordt verzonden, zuivert B het register der ontvangen materialen aan overeenkomstig artikel 26, 7° tot en met 10°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

Situatie 3: België is LS2. De ontvanger/opdrachtgever laat het afgewerkt product in België leveren, alwaar hij gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is.

Verplichtingen van C in de hoedanigheid van afnemer van de goederen

59. C verricht een intracommunautaire verwerving van goederen die in België aan de btw is onderworpen.

Hij neemt de maatstaf van heffing van de intracommunautaire verwerving van goederen op in één van de roosters 81 tot 83 en in rooster 86 van zijn periodieke btw-aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de btw over de intracommunautaire verwerving opeisbaar is geworden, overeenkomstig artikel 25sexies, § 2, van het Btw-Wetboek (zie randnummer 52, hiervoor). De verschuldigde btw wordt opgenomen in rooster 55 van dezelfde periodieke btw-aangifte en de aftrekbare btw in rooster 59.

Hij mag niet wachten tot de afgewerkte goederen hem daadwerkelijk worden toegezonden om over te gaan tot de intracommunautaire verwerving van de grondstoffen. De intracommunautaire verwerving wordt immers geacht plaats te vinden op het tijdstip waarop de grondstoffen ter beschikking van afnemer C worden gesteld of op het tijdstip van de aankomst van de verzending of van het vervoer van de grondstoffen bij dienstverrichter B, indien de grondstoffen door of voor rekening van leverancier A worden verzonden of vervoerd (artikel 25sexies, § 1, en artikel 16, § 1, van het Btw-Wetboek).

Op ieder verzoek van de administratie moet C de plaats kunnen aanduiden waar de door hem verworven goederen zich bevinden, alsook de naam en, desgevallend, het btw-identificatienummer van de dienstverrichter kunnen meedelen. Derhalve dient hij, bij wijze van toepassingsmodaliteit van de vereenvoudigingsmaatregel, de verzending van de grondstoffen op te nemen in zijn register der niet-overbrengingen. Op het tijdstip van de ontvangst van het afgewerkte product zuivert hij dat register aan.

Verplichtingen van C in de hoedanigheid van ontvanger van de dienst

60. De door C ontvangen dienst vindt in België plaats, overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek. Artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek duidt C aan als schuldenaar van de over die dienst verschuldigde btw. Er wordt daarbij verondersteld dat de dienstverrichter niet over een vaste inrichting in België beschikt die bij de dienstverrichting tussenkomt.

C neemt de maatstaf van heffing van de dienst op in rooster 82, alsook in rooster 88 van zijn periodieke btw-aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin btw opeisbaar is geworden, overeenkomstig artikel 22bis, § 2, van het Btw-Wetboek. De verschuldigde btw wordt opgenomen in rooster 55 van dezelfde periodieke btw-aangifte en de aftrekbare btw in rooster 59.

c. Opeenvolgende dienstverrichters zijn in dezelfde lidstaat gevestigd

Verrichting van twee of meer opeenvolgende werkzaamheden aan lichamelijke roerende goederen in een andere lidstaat dan die waar de opdrachtgever gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is. Het afgewerkt product wordt naar de lidstaat van de opdrachtgever teruggezonden. De dienstverrichters zijn in dezelfde lidstaat gevestigd.

(i) Schema

61. Een in lidstaat 2 (hierna: LS2) gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde opdrachtgever C bestelt twee opeenvolgende werkzaamheden aan lichamelijke roerende goederen. De eerste bewerking wordt uitgevoerd door dienstverrichter A en de tweede bewerking door dienstverrichter B. Beide dienstverrichters zijn in lidstaat 1 (hierna: LS1) gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd. C verzendt de grondstoffen vanuit LS2 naar A in LS1. Het afgewerkt product wordt, na bewerking door B, naar C in LS2 verzonden of vervoerd.

(ii) Toepasselijk stelsel

Principe

62. De door A en B verrichte diensten bestaande uit de bewerking van lichamelijke roerende goederen, die materieel in LS1 worden verricht, vinden overeenkomstig artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek) in LS2 plaats, alwaar de als zodanig handelende belastingplichtige C de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd.

De lidstaten en de Europese Commissie zijn unaniem overeengekomen om de volgende praktische regels toe te passen:

- de verzending van de grondstoffen van LS2 naar LS1 geeft geen aanleiding tot een overbrenging, overeenkomstig artikel 17, lid 2, onder punt f), van de richtlijn 2006/112/EG (zie artikel 12bis, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek), en impliceert een inschrijving in het register der niet-overbrengingen, overeenkomstig artikel 243, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG (zie artikel 54bis, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek);

- de aankomst van de grondstoffen in LS1 geeft geen aanleiding tot een bestemming van goederen die met een intracommunautaire verwerving van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld, overeenkomstig de artikelen 21 en 23 van de richtlijn 2006/112/EG (zie artikel 25quater, § 1, van het Btw-Wetboek).

Voor een schematische voorstelling van de bijhorende btw-verplichtingen voor de betrokken belastingplichtigen wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze circulaire.

Verplichtingen van de belastingplichtigen

Situatie 1: België is LS1. De werkzaamheden aan de lichamelijke roerende goederen worden uitgevoerd door belastingplichtigen die in België gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd zijn.

Verplichtingen van dienstverrichters A en B

63. Dienstverrichters A en B verrichten een dienst die, overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek (artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG), in LS2 plaatsvindt, alwaar de als zodanig handelende belastingplichtige C de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd.

Ze vermelden die dienstverrichting in rooster 44 van hun periodieke btw-aangifte, alsook in hun btw-opgave van de intracommunautaire handelingen onder code S met vermelding van het btw-identificatienummer van hun klant C.

Dienstverrichter A neemt de ontvangst van de grondstoffen op in het register der ontvangen materialen, overeenkomstig de artikelen 25, §§ 1 en 2, en 26, 1° tot en met 6°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

Op het ogenblik dat het tussenproduct naar B wordt verzonden, zuivert A het register der ontvangen materialen aan overeenkomstig artikel 26, 7° tot en met 10°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

Indien de te verrichten handeling bestaat uit een maakloonwerk in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek, neemt dienstverrichter B de ontvangst van het tussenproduct op in het register der ontvangen materialen, overeenkomstig de artikelen 25, § 1, en 26, 1° tot en met 6°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

Indien de te verrichten handeling bestaat uit een expertise of een materieel werk ander dan een maakloonwerk, wordt bij wijze van toepassingsmodaliteit van de vereenvoudigingsmaatregel eveneens geëist dat B het tussenproduct bij ontvangst ervan in zijn register der ontvangen materialen opneemt, op de wijze bepaald in artikel 26, 1° tot en met 6°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

Op het ogenblik dat het afgewerkt product naar C wordt verzonden, zuivert B het register der ontvangen materialen aan op de wijze bepaald in artikel 26, 7° tot en met 10°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

Situatie 2: België is LS2. De werkzaamheden aan de lichamelijke roerende goederen worden uitgevoerd voor rekening van een opdrachtgever die in België gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is.

Verplichtingen van opdrachtgever C

64. Opdrachtgever C moet de verzending van de grondstoffen naar dienstverrichter A in LS1 opnemen in zijn register der niet-overbrengingen, overeenkomstig de artikelen 23, § 1, 2°, en 24, 1° tot en met 7°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

De door C ontvangen diensten vinden in België plaats, overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek. Artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek duidt C aan als schuldenaar van de over die diensten verschuldigde btw. Er wordt daarbij verondersteld dat dienstverrichters A en B niet over een vaste inrichting in België beschikken die bij de dienstverrichtingen tussenkomt.

C neemt de maatstaf van heffing van de diensten op in rooster 82, alsook in rooster 88 van zijn periodieke btw-aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de btw opeisbaar is geworden, overeenkomstig artikel 22bis, § 2, van het Btw-Wetboek. De verschuldigde btw wordt opgenomen in rooster 55 van dezelfde periodieke btw-aangifte en de aftrekbare btw in rooster 59.

Op het tijdstip van de aankomst van het tussenproduct bij B, moet C de wijziging van bestemming van de goederen vermelden in zijn register der niet-overbrengingen. Bij toepassing van artikel 24 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, wordt in het register der niet-overbrengingen de naam en het adres van de bestemmeling van de betrokken goederen (zijnde B) vermeld, alsook het btw-identificatienummer van die bestemmeling en de plaats van bestemming van de goederen.

Bij de ontvangst van het afgewerkt product in LS2 zuivert C zijn register der niet-overbrengingen aan overeenkomstig artikel 24, 8° tot en met 11°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

d. Hoofdaannemer en onderaannemer van de dienst zijn in dezelfde lidstaat gevestigd

Verrichting van een werkzaamheid aan lichamelijke roerende goederen in een andere lidstaat dan die waar de opdrachtgever gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is. De dienstverrichter geeft de werkzaamheid geheel of gedeeltelijk in onderaanneming aan een dienstverrichter die in dezelfde lidstaat gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is. Het afgewerkt product wordt naar de lidstaat van de opdrachtgever teruggezonden. De hoofdaannemer en de onderaannemer van de dienst zijn in dezelfde lidstaat gevestigd.

(i) Schema

65. Een in lidstaat 2 (hierna: LS2) gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde opdrachtgever C bestelt een werkzaamheid aan lichamelijke roerende goederen bij dienstverrichter A, die in lidstaat 1 (hierna: LS1) gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is. A geeft de werkzaamheid geheel of gedeeltelijk in onderaanneming aan de dienstverrichter B, die eveneens in LS1 gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is. C verzendt de te bewerken goederen vanuit LS2 naar A in LS1. Het afgewerkt product wordt, na bewerking door B, naar C in LS2 verzonden of vervoerd.

(ii) Toepasselijk stelsel

Principe

66. Vermits het afgewerkt product naar C in LS2 wordt teruggezonden op het tijdstip waarop de dienst van A is verricht, is er geen vereenvoudigingsregeling van toepassing. Het verblijf van de goederen bij de dienstverrichter B verhindert immers niet dat de voorwaarde inzake de terugzending van het afgewerkt product van LS1 naar LS2 is vervuld.

Deze situatie dient bijgevolg op volgende wijze te worden geanalyseerd:

- de verzending van de te bewerken goederen van LS2 naar LS1 geeft geen aanleiding tot een overbrenging, overeenkomstig artikel 17, lid 2, onder punt f), van de richtlijn 2006/112/EG (zie artikel 12bis, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek), maar impliceert een inschrijving in het register der niet-overbrengingen, overeenkomstig artikel 243, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG (zie artikel 54bis, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek);

- de aankomst van de te bewerken goederen in LS1 geeft geen aanleiding tot een bestemming van goederen die met een intracommunautaire verwerving van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld, overeenkomstig de artikelen 21 en 23 van de richtlijn 2006/112/EG (zie artikel 25quater, § 1, van het Btw-Wetboek).

Voor een schematische voorstelling van de bijhorende btw-verplichtingen voor de betrokken belastingplichtigen wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze circulaire.

Verplichtingen van de belastingplichtigen

Situatie 1: België is LS1. De werkzaamheden aan de lichamelijke roerende goederen worden in België verricht.

Verplichtingen van hoofdaannemer A

67. A verricht een dienst die, overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek (artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG), in LS2 plaatsvindt, alwaar de als zodanig handelende belastingplichtige C de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd.

Hij vermeldt die dienstverrichting in rooster 44 van zijn periodieke btw-aangifte, alsook in zijn btw-opgave van de intracommunautaire handelingen onder code S met vermelding van het btw-identificatienummer van zijn klant C.

Hij neemt de ontvangst van de te bewerken goederen op in het register der ontvangen materialen, overeenkomstig de artikelen 25, §§ 1 en 2, en 26, 1° tot en met 6°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

Op het tijdstip van de verzending van de te bewerken goederen naar onderaannemer B, brengt A geen enkele vermelding aan in het register der ontvangen materialen, vermits de dienstverrichting van A op dat ogenblik nog niet is voltooid.

Bij de verzending van het afgewerkt product naar C, op het tijdstip dat de dienstverrichting van A is voltooid, zuivert A het register der ontvangen materialen aan, overeenkomstig artikel 26, 7° tot en met 10°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

De btw die B aan A aanrekent voor het werk dat hij in onderaanneming heeft verricht, is in hoofde van A aftrekbaar volgens de gewone regels.

Verplichtingen van onderaannemer B

68. B verricht een dienst die, overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek (artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG), in LS1 plaatsvindt, alwaar de als zodanig handelende belastingplichtige A de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd.

Hij neemt de maatstaf van heffing van de dienst op in rooster 01, 02 of 03 van zijn periodieke btw-aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de btw opeisbaar is geworden, overeenkomstig artikel 22bis, § 1, van het Btw-Wetboek. De verschuldigde btw wordt opgenomen in rooster 54 van dezelfde periodieke btw-aangifte.

Indien de te verrichten handeling bestaat uit een maakloonwerk in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek, neemt onderaannemer B de ontvangst van de te bewerken goederen op in het register der ontvangen materialen, overeenkomstig de artikelen 25, § 1, en 26, 1° tot en met 6°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd. Op het ogenblik dat het afgewerkt product naar C wordt verzonden, zuivert B het register der ontvangen materialen aan op de wijze bepaald in artikel 26, 7° tot en met 10°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

Indien de te verrichten handeling bestaat uit een expertise of een materieel werk ander dan een maakloonwerk, neemt onderaannemer B de ontvangst van de te bewerken goederen niet op in het register der ontvangen materialen, vermits de goederen hem door of voor rekening van A worden toegezonden vanuit LS1 (zie randnummer 43, hiervoor).

Situatie 2: België is LS2. De dienst wordt verricht voor een opdrachtgever die in België gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is.

Verplichtingen van opdrachtgever C

69. Opdrachtgever C moet de verzending van de te bewerken goederen naar dienstverrichter A in LS1 opnemen in zijn register der niet-overbrengingen, overeenkomstig de artikelen 23, § 1, 2°, en 24, 1° tot en met 7°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

De door C ontvangen dienst vindt in België plaats, overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek. Artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek duidt C aan als schuldenaar van de over die dienst verschuldigde btw. Er wordt daarbij verondersteld dat dienstverrichter A niet over een vaste inrichting in België beschikt die bij de dienstverrichting tussenkomt.

C neemt de maatstaf van heffing van de dienst op in rooster 82, alsook in rooster 88 van zijn periodieke btw-aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de btw opeisbaar is geworden, overeenkomstig artikel 22bis, § 2, van het Btw-Wetboek. De verschuldigde btw wordt opgenomen in rooster 55 van dezelfde periodieke btw-aangifte en de aftrekbare btw in rooster 59.

Bij de ontvangst van het afgewerkt product in LS2 zuivert C zijn register der niet-overbrengingen aan overeenkomstig artikel 24, 8° tot en met 11°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

e. Opeenvolgende dienstverrichters zijn in verschillende lidstaten gevestigd

Verrichting van twee of meer opeenvolgende werkzaamheden aan lichamelijke roerende goederen in andere lidstaten dan die waar de opdrachtgever gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is. Het afgewerkt product wordt naar de lidstaat van de opdrachtgever teruggezonden. De dienstverrichters zijn in verschillende lidstaten gevestigd.

(i) Schema

70. Een in lidstaat 2 (hierna: LS2) gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde opdrachtgever C bestelt twee opeenvolgende werkzaamheden aan lichamelijke roerende goederen. De eerste bewerking wordt uitgevoerd door dienstverrichter A, die gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is in lidstaat 1 (hierna: LS1). De tweede bewerking wordt uitgevoerd door dienstverrichter B, die gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is in lidstaat 3 (hierna: LS3). C verzendt de te bewerken goederen vanuit LS2 naar A in LS1. Het afgewerkt product wordt, na bewerking door B in LS3, naar C in LS2 teruggezonden.

(ii) Toepasselijk stelsel

Principe

71. Het tijdelijk oponthoud van de goederen in de onderneming van B in LS3 vormt geen belemmering voor het vervullen van de voorwaarde dat de goederen na bewerking naar C in LS2 worden teruggezonden, vanwaar ze oorspronkelijk waren verzonden.

Bijgevolg zijn de lidstaten en de Europese Commissie unaniem de volgende praktisch regels overeengekomen:

- de verzending van de te bewerken goederen van LS2 naar LS1 geeft geen aanleiding tot een overbrenging, overeenkomstig artikel 17, lid 2, onder punt f), van de richtlijn 2006/112/EG (zie artikel 12bis, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek), en impliceert een inschrijving in het register der niet-overbrengingen, overeenkomstig artikel 243, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG (zie artikel 54bis, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek);

- de aankomst van de te bewerken goederen in LS1 en in LS3 geeft geen aanleiding tot een bestemming van goederen die met een intracommunautaire verwerving van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld, overeenkomstig de artikelen 21 en 23 van de richtlijn 2006/112/EG (zie artikel 25quater, § 1, van het Btw-Wetboek);

- om de aanwezigheid van de te bewerken goederen in hun onderneming (in LS1 en in LS3) te verantwoorden als zijnde goederen waaraan een werkzaamheid zal worden verricht, dienen de dienstverrichters A en B een boekhouding te voeren (in België gaat het om een register) die voldoende gedetailleerd is om de te bewerken goederen die hen vanuit een andere lidstaat zijn toegezonden te identificeren (artikel 243, lid 2, van de richtlijn 2006/112/EG – artikel 54bis, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek en de artikelen 25, §§ 1 en 2, en 26 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Voor een schematische voorstelling van de bijhorende btw-verplichtingen voor de betrokken belastingplichtigen wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze circulaire.

Verplichtingen van de belastingplichtigen

Situatie 1: België is LS1. De dienst wordt verricht door een dienstverrichter die in België gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is.

Verplichtingen van dienstverrichter A

72. A verricht een dienst die, overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek (artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG), in LS2 plaatsvindt, alwaar de als zodanig handelende belastingplichtige C de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd.

Hij vermeldt die dienstverrichting in rooster 44 van zijn periodieke btw-aangifte, alsook in zijn btw-opgave van de intracommunautaire handelingen onder code S met vermelding van het btw-identificatienummer van zijn klant C.

Hij neemt de ontvangst van de te bewerken goederen op in het register der ontvangen materialen, overeenkomstig de artikelen 25, §§ 1 en 2, en 26, 1° tot en met 6°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

Op het ogenblik dat het tussenproduct naar B wordt verzonden, zuivert A het register der ontvangen materialen aan overeenkomstig artikel 26, 7° tot en met 10°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

Situatie 2: België is LS3. De dienst wordt verricht door een dienstverrichter die in België gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is.

Verplichtingen van dienstverrichter B

73. B verricht een dienst die, overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek (artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG), in LS2 plaatsvindt, alwaar de als zodanig handelende belastingplichtige C de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd.

Hij vermeldt die dienstverrichting in rooster 44 van zijn periodieke btw-aangifte, alsook in zijn btw-opgave van de intracommunautaire handelingen onder code S met vermelding van het btw-identificatienummer van zijn klant C.

Ongeacht of het een maakloonwerk, een expertise of een materieel werk, ander dan een maakloonwerk, met betrekking tot lichamelijke roerende goederen betreft, neemt B de ontvangst van het tussenproduct op in het register der ontvangen materialen, overeenkomstig de artikelen 25, §§ 1 en 2, en 26, 1° tot en met 6°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

Op het ogenblik dat het afgewerkt product naar C wordt verzonden, zuivert B het register der ontvangen materialen aan overeenkomstig artikel 26, 7° tot en met 10°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

Situatie 3: België is LS2. De diensten worden verricht voor een opdrachtgever die in België gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is.

Verplichtingen van opdrachtgever C

74. Opdrachtgever C moet de verzending van de te bewerken goederen naar dienstverrichter A in LS1 opnemen in zijn register der niet-overbrengingen, overeenkomstig de artikelen 23, § 1, 2°, en 24, 1° tot en met 7°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

De door C ontvangen diensten vinden in België plaats, overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek. Artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek duidt C aan als schuldenaar van de over die diensten verschuldigde btw. Er wordt daarbij verondersteld dat dienstverrichters A en B niet over een vaste inrichting in België beschikken die bij de dienstverrichtingen tussenkomt.

C neemt de maatstaf van heffing van de diensten op in rooster 82, alsook in rooster 88 van zijn periodieke btw-aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de btw opeisbaar is geworden, overeenkomstig artikel 22bis, § 2, van het Btw-Wetboek. De verschuldigde btw wordt opgenomen in rooster 55 van dezelfde periodieke btw-aangifte en de aftrekbare btw in rooster 59.

Op het tijdstip van de aankomst van het tussenproduct bij B, moet C de wijziging van bestemming van de goederen vermelden in zijn register der niet-overbrengingen. Bij toepassing van artikel 24 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, wordt in het register der niet-overbrengingen de naam en het adres van de bestemmeling van de betrokken goederen (zijnde B) vermeld, alsook het btw-identificatienummer van die bestemmeling en de plaats van bestemming van de goederen.

Bij de ontvangst van het afgewerkt product in LS2 zuivert C zijn register der niet-overbrengingen aan overeenkomstig artikel 24, 8° tot en met 11°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

f. Hoofdaannemer en onderaannemer van de dienst zijn in verschillende lidstaten gevestigd

Verrichting van een werkzaamheid aan lichamelijke roerende goederen in een andere lidstaat dan die waar de opdrachtgever gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is. De dienstverrichter geeft de werkzaamheid geheel of gedeeltelijk in onderaanneming aan een dienstverrichter die in een derde lidstaat gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is. Het afgewerkt product wordt naar de lidstaat van de opdrachtgever teruggezonden. De hoofdaannemer en de onderaannemer van de dienst zijn in verschillende lidstaten gevestigd.

(i) Schema

75. Een in lidstaat 2 (hierna: LS2) gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde opdrachtgever C bestelt een werkzaamheid aan lichamelijke roerende goederen bij de dienstverrichter A, die in lidstaat 1 (hierna: LS1) gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is. A geeft de werkzaamheid geheel of gedeeltelijk in onderaanneming aan de dienstverrichter B, die in lidstaat 3 (hierna: LS3) gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is. C verzendt de te bewerken goederen vanuit LS2 naar A in LS1. Het afgewerkt product wordt, na bewerking door B in LS3, naar C in LS2 teruggezonden.

(ii) Toepasselijk stelsel

Principe

76. Het tijdelijk oponthoud van de goederen bij dienstverrichter B in LS3 (waar C mogelijks niet van op de hoogte is) vormt geen belemmering voor het vervullen van de voorwaarde dat de goederen na bewerking worden teruggezonden naar C in LS2, vanwaar ze oorspronkelijk waren verzonden.

Bijgevolg zijn de lidstaten en de Europese Commissie unaniem de volgende praktisch regels overeengekomen:

- de verzending van de te bewerken goederen van LS2 naar LS1 geeft geen aanleiding tot een overbrenging, overeenkomstig artikel 17, lid 2, onder punt f), van de richtlijn 2006/112/EG (zie artikel 12bis, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek) en impliceert een inschrijving in het register der niet-overbrengingen, overeenkomstig artikel 243, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG (zie artikel 54bis, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek);

- de aankomst van de te bewerken goederen in LS1 en LS3 geeft geen aanleiding tot een bestemming van goederen die met een intracommunautaire verwerving van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld, overeenkomstig de artikelen 21 en 23 van de richtlijn 2006/112/EG (zie artikel 25quater, § 1, van het Btw-Wetboek);

- om de aanwezigheid van de te bewerken goederen in hun onderneming (in LS1 en LS3) te verantwoorden als zijnde goederen waaraan een werkzaamheid zal worden verricht, dienen de dienstverrichters A en B een boekhouding te voeren (in België gaat het om een register) die voldoende gedetailleerd is om de te bewerken goederen die hen vanuit een andere lidstaat zijn toegezonden te identificeren (artikel 243, lid 2, van de richtlijn 2006/112/EG – artikel 54bis, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek en de artikelen 25, §§ 1 en 2, en 26 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Voor een schematische voorstelling van de bijhorende btw-verplichtingen voor de betrokken belastingplichtigen wordt verwezen naar bijlage 6 bij deze circulaire.

Verplichtingen van de belastingplichtigen

Situatie 1: België is LS1. De dienst wordt in hoofdaanneming verricht door een dienstverrichter die in België gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is.

Verplichtingen van hoofdaannemer A

77. A verricht een dienst die, overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek (artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG), in LS2 plaatsvindt, alwaar de als zodanig handelende belastingplichtige C de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd.

Hij vermeldt die dienstverrichting in rooster 44 van zijn periodieke btw-aangifte, alsook in zijn btw-opgave van de intracommunautaire handelingen onder code S met vermelding van het btw-identificatienummer van zijn klant C.

Hij neemt de ontvangst van de te bewerken goederen op in het register der ontvangen materialen, overeenkomstig de artikelen 25, §§ 1 en 2, en 26, 1° tot en met 6°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

Op het tijdstip van de verzending van de te bewerken goederen naar onderaannemer B, brengt A geen enkele vermelding aan in het register der ontvangen materialen, vermits de dienstverrichting van A op dat ogenblik nog niet is voltooid.

Bij de verzending van het afgewerkt product naar C, op het tijdstip dat de dienstverrichting van A is voltooid, zuivert A het register der ontvangen materialen aan, overeenkomstig artikel 26, 7° tot en met 10°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

De door A ontvangen dienst van onderaannemer B vindt in België plaats, overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek. Artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek duidt A aan als schuldenaar van de over die dienst verschuldigde btw. Er wordt daarbij verondersteld dat onderaannemer B niet over een vaste inrichting in België beschikt die bij de dienstverrichting tussenkomt.

A neemt de maatstaf van heffing van de dienst op in rooster 82, alsook in rooster 88 van zijn periodieke btw-aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de btw opeisbaar is geworden, overeenkomstig artikel 22bis, § 2, van het Btw-Wetboek. De verschuldigde btw wordt opgenomen in rooster 55 van dezelfde periodieke btw-aangifte en de aftrekbare btw in rooster 59.

Situatie 2: België is LS3. De dienst wordt in onderaanneming verricht door een dienstverrichter die in België gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is.

Verplichtingen van onderaannemer B

78. B verricht een dienst die, overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek (artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG), in LS1 plaatsvindt, alwaar de als zodanig handelende belastingplichtige A de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd.

Hij vermeldt die dienstverrichting in rooster 44 van zijn periodieke btw-aangifte, alsook in zijn btw-opgave van de intracommunautaire handelingen onder code S met vermelding van het btw-identificatienummer van zijn klant A.

Hij neemt de ontvangst van de te bewerken goederen op in het register der ontvangen materialen, overeenkomstig de artikelen 25, §§ 1 en 2, en 26, 1° tot en met 6°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

Op het ogenblik dat het afgewerkt product naar C wordt verzonden, zuivert B het register der ontvangen materialen aan overeenkomstig artikel 26, 7° tot en met 10°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

Situatie 3: België is LS2. De dienst wordt in hoofdaanneming verricht voor een opdrachtgever die in België gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is.

Verplichtingen van opdrachtgever C

79. Opdrachtgever C moet de verzending van de te bewerken goederen naar dienstverrichter A in LS1 opnemen in zijn register der niet-overbrengingen, overeenkomstig de artikelen 23, § 1, 2°, en 24, 1° tot en met 7°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

De door C ontvangen dienst vindt in België plaats, overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek. Artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek duidt C aan als schuldenaar van de over die dienst verschuldigde btw. Er wordt daarbij verondersteld dat hoofdaannemer A niet over een vaste inrichting in België beschikt die bij de dienstverrichting tussenkomt.

C neemt de maatstaf van heffing van de dienst op in rooster 82, alsook in rooster 88 van zijn periodieke btw-aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de btw opeisbaar is geworden, overeenkomstig artikel 22bis, § 2, van het Btw-Wetboek. De verschuldigde btw wordt opgenomen in rooster 55 van dezelfde periodieke btw-aangifte en de aftrekbare btw in rooster 59.

Bij de ontvangst van het afgewerkt product in LS2 zuivert C zijn register der niet-overbrengingen aan overeenkomstig artikel 24, 8° tot en met 11°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

g. Combinatie van de vereenvoudigingsmaatregelen

80. Hoewel het niet uitdrukkelijk voorzien is in het akkoord tussen de Europese Commissie en de lidstaten, kan men zich de vraag stellen in welke mate combinaties van vereenvoudigingsmaatregelen mogelijk zijn, in geval van complexe overeenkomsten met meerdere belastingplichtigen.

De administratie neemt daaromtrent het standpunt in dat bepaalde combinaties kunnen worden toegestaan voor zover dat:

- alle partijen over voldoende bewijsmiddelen beschikken met betrekking tot de verzending van de goederen buiten de lidstaat waar de levering of de materiële uitvoering van de werkzaamheid heeft plaatsgevonden;

- het afgewerkt product, dat het voorwerp heeft uitgemaakt van opeenvolgende dienstverrichtingen, definitief naar de lidstaat van de opdrachtgever wordt verzonden;

- de te combineren vereenvoudigingsmaatregelen niet van die aard zijn dat aan eenzelfde handeling een onderling afwijkende kwalificatie wordt gegeven;

- de belastingadministraties van de andere betrokken lidstaten zich op geen enkele wijze verzetten tegen de toepassing van de vereenvoudigde procedure, wanneer hen een bijzonder geval wordt voorgelegd.

Hoofdstuk 3. Toepasselijke regeling wanneer de ontvanger van de dienst geen belastingplichtige is (in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek)

A. Plaatsbepaling van diensten bestaande uit een materieel werk of een expertise met betrekking tot een lichamelijk roerend goed

1. Wettelijke bepalingen

Artikel 21bis van het Btw-Wetboek

81. § 1. De plaats van diensten, verricht voor een niet-belastingplichtige, is de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd. Worden deze diensten evenwel verricht vanuit een vaste inrichting van de dienstverrichter, op een andere plaats dan die waar hij de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd, dan geldt als plaats van de dienst de plaats waar deze vaste inrichting zich bevindt. Bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, geldt als plaats van de dienst de woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats van de dienstverrichter.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt als plaats van de dienst aangemerkt:

1° tot 5° …

6° de plaats waar de dienst materieel wordt verricht:

a) tot b) …

c) in verband met expertises en werkzaamheden met betrekking tot lichamelijke roerende goederen;

7° tot 12°…

§ 3. …

2. Toepasselijke regeling

82. Voor de toepassing van de in artikel 21bis van het Btw-Wetboek opgenomen plaatsbepalingsregels mag de ontvanger van de dienst, bestaande uit een materieel werk of een expertise met betrekking tot een lichamelijk roerend goed, geen als zodanig handelende belastingplichtige in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek zijn.

Dat betekent dat de ontvanger van de dienst één van de volgende hoedanigheden moet hebben:

- een particulier in de hoedanigheid van een niet-belastingplichtige natuurlijke persoon;

- een niet-belastingplichtige rechtspersoon, inzonderheid een publiekrechtelijk lichaam bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Btw-Wetboek, dat geen handelingen stelt beoogd in het tweede en derde lid van dat artikel, welke op grond van artikel 50, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek niet voor btw-doeleinden geïdentificeerd moet zijn. Dit is het geval wanneer hij:

* de drempel van 11.200 euro aan intracommunautaire verwervingen, bedoeld in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, eerste lid, b), van het Btw-Wetboek, niet heeft overschreden in het lopende of het vorige kalenderjaar;
* en in het lopende kalenderjaar of in de twee voorafgaande kalenderjaren niet heeft geopteerd om, overeenkomstig artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, van het Btw-Wetboek, al zijn intracommunautaire verwervingen van goederen in België aan de btw te onderwerpen.

Onder deze niet-belastingplichtige rechtspersonen waarop de plaatsbepalingsregels voorzien in artikel 21bis van het Btw-Wetboek van toepassing zijn, bevinden zich eveneens de in artikel 42, § 3, eerste lid, 1° tot en met 8°, van het Btw-Wetboek bedoelde ambassades, consulaten, internationale organisaties en hun leden;

- een belastingplichtige natuurlijke persoon indien de dienst uitsluitendvoor zijn privédoeleinden is bestemd.

Een dienst bestaande uit een materieel werk of een expertise met betrekking tot een lichamelijk roerend goed, verricht ten behoeve van een niet-belastingplichtige in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek, vindt op grond van artikel 21bis, § 2, 6°, c), van het Btw-Wetboek plaats daar waar de dienst materieel wordt verricht.

B. Schuldenaar van de btw

1. Wettelijke bepalingen

Artikel 51 van het Btw-Wetboek

83. § 1. De belasting is verschuldigd:

1° door de belastingplichtige die in België een belastbare levering van goederen of een belastbare dienst verricht;

2° tot 3° …

§ 2. tot § 4. …

2. Toepasselijke regeling

84. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de toepasselijke regels inzake de plaatsbepaling van diensten en de aanwijzing van de schuldenaar van de belasting.

DIENSTEN BESTAANDE UIT EEN MATERIEEL WERK OF EEN EXPERTISE MET BETREKKING TOT EEN LICHAMELIJK ROEREND GOED, WAARBIJ DE ONTVANGER GEEN BELASTINGPLICHTIGE IS IN DE ZIN VAN ARTIKEL 21, § 1, VAN HET BTW -WETBOEK

Aard van de verrichting

Plaats van de dienst

Schuldenaar van de btw

Materieel werk of expertise met betrekking tot een lichamelijk roerend goed

Plaats waar de dienst materieel wordt verricht

(art. 21bis, § 2, 6°, c), van het Btw-Wetboek – art. 54, lid 2, onder b), van de richtlijn 2006/112/EG)

Dienstverrichter

(art. 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek - art. 193 van de richtlijn 2006/112/EG)

C. Praktische toepassingen

85. In de hierna volgende voorbeelden wordt onder de term 'niet-belastingplichtige' verstaan, de persoon die niet wordt bedoeld in artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek (artikel 43 van de richtlijn 2006/112/EG) (zie randnummer 82, hiervoor).

Behoudens andersluidende bepaling, zijn de in de voorbeelden bedoelde goederen afkomstig uit de Gemeenschap in de zin van artikel 1, §§ 2 tot en met 5, van het Btw-Wetboek of zijn ze in een lidstaat van de Gemeenschap ingevoerd en ten verbruik aangegeven.

  1. Voorbeeld nr. 1

Plaats waar de dienst materieel wordt verricht: België

Facturering

BelgiëBelgië

BA

Een in België gevestigde niet-belastingplichtige A doet een beroep op een eveneens in België gevestigde belastingplichtige B om een machine te herstellen. De herstelling wordt materieel bij B verricht.

86. Plaats van de dienst verricht door belastingplichtige B: in België (plaats waar de dienst materieel wordt verricht – artikel 21bis, § 2, 6°, c), van het Btw-Wetboek – artikel 54, lid 2, onder b), van de richtlijn 2006/112/EG).

Schuldenaar: dienstverrichter B(artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek – artikel 193 van de richtlijn 2006/112/EG).

Verplichtingen: B vermeldt deze handeling in rooster 03 en de verschuldigde btw in rooster 54 van zijn periodieke btw-aangifte.

2. Voorbeeld nr. 2

Plaats waar de dienst materieel wordt verricht: Duitsland

Facturering

DuitslandBelgië

BA

Een in België gevestigde niet-belastingplichtige A doet een beroep op een in Duitsland gevestigde belastingplichtige B om een maakloonwerk te verrichten aan goederen die hem zullen worden toegestuurd. Het maakloonwerk wordt materieel bij B verricht, waarna het afgewerkt product naar België wordt teruggezonden.

87. Plaats van de dienst verricht door belastingplichtige B: in Duitsland (plaats waar de dienst materieel wordt verricht – artikel 54, lid 2, onder b), van de richtlijn 2006/112/EG).

Schuldenaar: dienstverrichter B (artikel 193 van de richtlijn 2006/112/EG).

Verplichtingen: geen btw-verplichtingen in België.

3. Voorbeeld nr. 3

Plaats waar de dienst materieel wordt verricht: Frankrijk

Facturering

BelgiëItalië

BA

Een in Italië gevestigde niet-belastingplichtige A doet een beroep op een in België gevestigde belastingplichtige B om een expertise te verrichten op goederen die zich in Frankrijk bevinden.

88. Plaats van de dienst verricht door belastingplichtige B: in Frankrijk(plaats waar de dienst materieel wordt verricht – artikel 54, lid 2, onder b), van de richtlijn 2006/112/EG).

Schuldenaar: dienstverrichter B (artikel 193 van de richtlijn 2006/112/EG).

Verplichtingen: dienstverrichter Bdient zich in beginsel voor btw-doeleinden te identificeren in Frankrijk en Franse btw aan te rekenen aan zijn klant A.

B vermeldt die handeling in rooster 47 van zijn in België in te dienen periodieke btw-aangifte.

4. Voorbeeld nr. 4

Plaats waar de dienst materieel wordt verricht: België

Facturering

NederlandBelgië

BA

Een in België gevestigde niet-belastingplichtige A doet een beroep op een in Nederland gevestigde belastingplichtige B om zijn wasmachine te herstellen. B voert de herstelling uit in de woning van A.

89. Plaats van de dienst verricht door belastingplichtige B: in België (plaats waar de dienst materieel wordt verricht – artikel 21bis, § 2, 6°, c), van het Btw-Wetboek – artikel 54, lid 2, onder b), van de richtlijn 2006/112/EG).

Schuldenaar: dienstverrichter B (artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek – artikel 193 van de richtlijn 2006/112/EG).

Verplichtingen: dienstverrichter B dient zich in beginsel voor btw-doeleinden te identificeren in België en Belgische btw aan te rekenen aan zijn klant A.

B vermeldt die handeling in rooster 03 en de verschuldigde btw in rooster 54 van zijn in België in te dienen periodieke btw-aangifte (7).

(7)Indien B evenwel niet voor btw-doeleinden geïdentificeerd is in België, is A solidair gehouden tot de betaling van de btw en dient hij de verschuldigde Belgische btw te voldoen onder de voorwaarden gesteld in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 31 van 02.04.2002 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen.

D. Gehele of gedeeltelijke onderaanneming

90. Er is in beginsel geen enkele reden om een onderscheid te maken tussen een gehele en een gedeeltelijke onderaanneming. De onderaanneming kan de aard van de handeling immers niet wijzigen. Zodoende wordt de handeling verricht door de hoofdaannemer als een materieel werk aan een lichamelijk roerend goed aangemerkt, zelfs wanneer de hoofdaannemer het gehele werk aan een onderaannemer toevertrouwt.

De plaats van de dienst van de hoofdaannemer kan echter verschillen naargelang het om een gedeeltelijke dan wel om een gehele onderaanneming gaat, wanneer zijn opdrachtgever geen als zodanig handelende belastingplichtige is in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek.

1. Opdrachtgever en hoofdaannemer zijn in dezelfde lidstaat gevestigd

Verrichting van een werkzaamheid aan een lichamelijk roerend goed door een dienstverrichter die in dezelfde lidstaat als de niet-belastingplichtige opdrachtgever gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is. De dienstverrichter geeft de werkzaamheid geheel of gedeeltelijk in onderaanneming aan een dienstverrichter die in een andere lidstaat gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is. Het afgewerkt product wordt naar de opdrachtgever teruggezonden.

a. Schema

91. Een in lidstaat 1 (hierna: LS1) gevestigde niet-belastingplichtige A bestelt een werkzaamheid aan een lichamelijk roerend goed bij dienstverrichter B, die eveneens in LS1 gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is. B geeft de werkzaamheid gedeeltelijk (mogelijkheid 1) of geheel (mogelijkheid 2) in onderaanneming aan dienstverrichter C, die in lidstaat 2 (hierna: LS2) gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is. C verricht het werk materieel in LS2. A verzendt het te bewerken goed naar B, die het op zijn beurt naar C in LS2 verzendt. Het afgewerkt product wordt, na bewerking door C in LS2, naar A in LS1 verzonden. Het afgewerkt product maakt dus het voorwerp uit van een verzending buiten de lidstaat waar het werk materieel wordt verricht.

b. Gedeeltelijke onderaanneming

(i) Dienstverrichting van onderaannemer C

92. C verricht een dienst die, overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek (artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG), in LS1 plaatsvindt, alwaar de als zodanig handelende belastingplichtige hoofdaannemer B de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd.

Artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek (artikel 196 van de richtlijn 2006/112/EG) duidt B aan als schuldenaar van de over die dienst verschuldigde btw. Er wordt daarbij verondersteld dat onderaannemer C niet over een vaste inrichting in LS1 beschikt die bij de dienstverrichting tussenkomt.

(ii) Dienstverrichting van hoofdaannemer B

93. De dienst verricht door B bestaat uit enerzijds het werk dat hij zelf materieel heeft verricht en anderzijds het werk dat C in LS2 heeft verricht.

De dienstverrichting van B maakt evenwel een ondeelbaar geheel uit, waarvoor een eigen plaatsbepalingsregel van toepassing is. Bijgevolg vindt de door B verrichte dienst in zijn geheel plaats daar waar hij het door hemzelf uitgevoerde gedeelte van de door A bestelde werkzaamheid materieel verricht, vermits de dienst ten behoeve van een niet-belastingplichtige wordt verricht.

B verricht immers een dienst die, overeenkomstig artikel 21bis, § 2, 6°, c), van het Btw-Wetboek (artikel 54, lid 2, onder b), van de richtlijn 2006/112/EG), in LS1 plaatsvindt, alwaar B de dienst materieel verricht.

Artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek (artikel 193 van de richtlijn 2006/112/EG) duidt B aan als schuldenaar van de over die dienst verschuldigde btw.

c. Gehele onderaanneming

(i) Dienstverrichting van onderaannemer C

94. De principes vermeld in randnummer 92, hiervoor, zijn mutatis mutandis van toepassing.

(ii) Dienstverrichting van hoofdaannemer B

Toepasselijk stelsel

95. B voert geen enkel materieel werk uit aan de goederen. Bijgevolg bevindt de plaats van de dienst die hij aan A verstrekt zich in LS2, alwaar zijn onderaannemer C de gehele werkzaamheid verricht.

B verricht immers een dienst die, overeenkomstig artikel 21bis, § 2, 6°, c), van het Btw-Wetboek (artikel 54, lid 2, onder b), van de richtlijn 2006/112/EG), plaatsvindt daar waar de dienst materiaal wordt verricht.

Artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek (artikel 193 van de richtlijn 2006/112/EG) duidt B aan als schuldenaar van de over die dienst verschuldigde btw, waardoor hij zich in LS2 voor btw-doeleinden moet identificeren.

Tolerantie

96. De situatie waarin de door de hoofdaannemer verrichte handeling geacht wordt plaats te vinden in de lidstaat waar de dienst materieel wordt verricht (zijnde LS2), geeft aanleiding tot administratieve beslommeringen omdat ze hoofdaannemer B verplicht om:

- een onderscheid in behandeling te maken naargelang het een gedeeltelijke of een gehele onderaanneming betreft;

- btw aan te rekenen in LS2 en er zich voor btw-doeleinden te identificeren.

Om de in het vorige lid geschetste problematiek te vermijden, aanvaardt de administratie, ter vereenvoudiging en bij wijze van proef, naar analogie met de toepasselijke regeling wanneer de handeling materieel in een derde land wordt verricht (8), dat de plaats van de materiële uitvoering van de door B verrichte dienst geacht wordt zich te bevinden daar waar de dienst van zijn onderaannemer C plaatsvindt.

(8)Voor tijdelijk uit de Gemeenschap uitgevoerde goederen die, na buiten de Gemeenschap een herstelling, bewerking, verwerking of aanpassing te hebben ondergaan, wederom worden ingevoerd, moeten de lidstaten op grond van artikel 88 van de richtlijn 2006/112/EG maatregelen treffen teneinde te verzekeren dat de voor de verkregen goederen geldende behandeling inzake btw dezelfde is als die welke op de betrokken goederen zou zijn toegepast indien voornoemde handelingen op hun grondgebied zouden zijn verricht.

In de situatie waarin de handeling van de onderaannemer materieel in een derde land wordt verricht, voorziet artikel 41, § 2, 4°, van het koninklijk besluit nr. 7, van 29.12.1992, met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, genomen ter uitvoering van artikel 40, § 3 van het Btw-Wetboek, dat de dienst die de in België gevestigde belastingplichtige hoofdaannemer in België voor zijn niet-belastingplichtige opdrachtgever verricht, moet worden aangemerkt als een werk dat materieel in België wordt verricht en derhalve aan de Belgische btw is onderworpen (zie circulaire AOIF nr. 20/2010 (nr. E.T. 675.5) van 26.02.2010).

Vermits de dienst van de onderaannemer op grond van artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek (artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG) in LS1 plaatsvindt, heeft dat tot gevolg dat de door de belastingplichtige hoofdaannemer B aan zijn niet-belastingplichtige klant A verrichte dienst eveneens geacht wordt in LS1 plaats te vinden en er aan de btw te zijn onderworpen.

Deze administratieve tolerantie is slechts van toepassing voor zover de belastingadministratie van de lidstaat waar de onderaanneming wordt verricht, of die waarin de hoofdaannemer is gevestigd, zich niet tegen de in deze administratieve tolerantie voorziene vereenvoudigingsmaatregel verzet ten aanzien van de diensten die op haar grondgebied plaatsvinden.

Merk op dat deze administratieve tolerantie een keuzemogelijkheid is. Niets belet de hoofdaannemer aan deze vereenvoudigingsmaatregel te verzaken.

2. Opdrachtgever en hoofdaannemer zijn in verschillende lidstaten gevestigd

Verrichting van een werkzaamheid aan een lichamelijk roerend goed door een dienstverrichter die in een andere lidstaat dan de niet-belastingplichtige opdrachtgever gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is. De dienstverrichter geeft de werkzaamheid geheel of gedeeltelijk in onderaanneming aan een dienstverrichter die in een derde lidstaat gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is. Het afgewerkt product wordt naar de opdrachtgever teruggezonden.

a. Schema

97. Een in lidstaat 1 (hierna: LS1) gevestigde niet-belastingplichtige A bestelt een werkzaamheid aan een lichamelijk roerend goed bij dienstverrichter B, die in lidstaat 3 (hierna: LS3) gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is. B geeft de werkzaamheid gedeeltelijk (mogelijkheid 1) of geheel (mogelijkheid 2) in onderaanneming aan dienstverrichter C, die in lidstaat 2 (hierna: LS2) gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is. C verricht het werk materieel in LS2. A verzendt het te bewerken goed naar B in LS3, die het op zijn beurt naar C in LS2 verzendt. Het afgewerkt product wordt, na bewerking door C in LS2, naar A in LS1 verzonden. Het afgewerkt product maakt dus het voorwerp uit van een verzending buiten de lidstaat waar het werk materieel wordt verricht.

b. Gedeeltelijke onderaanneming

(i) Dienstverrichting van onderaannemer C

98. C verricht een dienst die, overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek (artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG), in LS3 plaatsvindt, alwaar de als zodanig handelende belastingplichtige hoofdaannemer B de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd.

Artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek (artikel 196 van de richtlijn 2006/112/EG) duidt B aan als schuldenaar van de over die dienst verschuldigde btw. Er wordt daarbij verondersteld dat onderaannemer C niet over een vaste inrichting in LS3 beschikt die bij de dienstverrichting tussenkomt.

(ii) Dienstverrichting van hoofdaannemer B

99. De dienst verricht door B bestaat uit enerzijds het werk dat hij zelf materieel heeft verricht en anderzijds het werk dat C in LS2 heeft verricht.

De dienstverrichting van B maakt evenwel een ondeelbaar geheel uit, waarvoor een eigen plaatsbepalingsregel van toepassing is. Bijgevolg vindt de door B verrichte dienst in zijn geheel plaats daar waar hij het door hemzelf uitgevoerde gedeelte van de door A bestelde werkzaamheid materieel verricht, vermits de dienst ten behoeve van een niet-belastingplichtige wordt verricht.

B verricht immers een dienst die, overeenkomstig artikel 21bis, § 2, 6°, c), van het Btw-Wetboek (artikel 54, lid 2, onder b), van de richtlijn 2006/112/EG), in LS3 plaatsvindt, alwaar B de dienst materieel verricht.

Artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek (artikel 193 van de richtlijn 2006/112/EG) duidt B aan als schuldenaar van de over die dienst verschuldigde btw.

c. Gehele onderaanneming

(i) Dienstverrichting van onderaannemer C

100. De principes vermeld in randnummer 98, hiervoor, zijn mutatis mutandis van toepassing.

(ii) Dienstverrichting van hoofdaannemer B

Toepasselijk stelsel

101. B voert geen enkel materieel werk uit aan de goederen. Bijgevolg bevindt de plaats van de dienst die hij aan A verstrekt zich in LS2, alwaar zijn onderaannemer C de gehele werkzaamheid verricht.

B verricht immers een dienst die, overeenkomstig artikel 21bis, § 2, 6°, c), van het Btw-Wetboek (artikel 54, lid 2, onder b), van de richtlijn 2006/112/EG), plaatsvindt daar waar de dienst materiaal wordt verricht.

Artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek (artikel 193 van de richtlijn 2006/112/EG) duidt B aan als schuldenaar van de over die dienst verschuldigde btw, waardoor hij zich in LS2 voor btw-doeleinden moet identificeren.

Tolerantie

102. De situatie waarin de door de hoofdaannemer verrichte handeling geacht wordt plaats te vinden in de lidstaat waar de dienst materieel wordt verricht (zijnde LS2), geeft aanleiding tot administratieve beslommeringen omdat ze hoofdaannemer B verplicht om:

- een onderscheid in behandeling te maken naargelang het een gedeeltelijke of een gehele onderaanneming betreft

- btw aan te rekenen in LS2 en er zich voor btw-doeleinden te identificeren.

De administratie aanvaardt evenwel, ter vereenvoudiging en bij wijze van proef, de toepassing van de tolerantie voorzien in randnummer 96, hiervoor, tegen dezelfde voorwaarden als die vermeld. Op die manier wordt de dienst verricht door hoofdaannemer B geacht plaats te vinden daar waar de dienst verricht door onderaannemer C plaatsvindt.

Interne ref.: 127.645/2

Bijlagen


BIJLAGE 1

Situatie a)

Handeling

Periodieke btw-aangifte

Opgave van de intracommunautaire handelingen (art. 53sexies WBTW)

Register der niet-overbrengingen (art. 54bis, § 1, eerste lid, WBTW)

Register der ontvangen materialen (art 54bis, § 1,

tweede lid, en § 2, WBTW)

Vermeldingen in de roosters

Fiscale behandeling

Betrokken partij

Betrokken lidstaat

Aangegeven handeling

Verwerving

Levering

Dienst

Vermeldingen

- Verzending van goederen

- Ontvangst van goederen

- Ontvangst van goederen

- Terugzending van goederen

A  C

1. Verkoop van grondstoffen

ICL van goederen

ICV van goederen

A

C

1

2

Vrijgestelde ICL

Belaste ICV

Ja (M.v.H.: 81 en 86; verschuldigde btw: 55; aftrekbare btw: 59 )

Ja (M.v.H.: 46)

Ja : btw-identificatienummer van C in LS2

Ja (inschrijven bij verzending grondstoffen van A naar B)

A  B

2. Ontvangst van lichamelijke roerende goederen

A

B

1

1

Ja (inschrijven bij ontvangst van grondstoffen)

B  C

3. Werk aan lichamelijke roerende goederen

B

C

1

2

Dienst (art. 21, § 2, WBTW)

Schuldenaar van de btw op de dienst

Ja (M.v.H.: 44)

Ja (M.v.H.: 81/82 en 88;

verschuldigde btw: 55; aftrekbare btw: 59)

Ja: nr. van C LS2

Ja (uitschrijven bij ontvangst van afgewerkt product)

Ja (uitschrijven bij verzending van afgewerkt product)

BIJLAGE 2

Situatie b)

Handeling

Periodieke btw-aangifte

Opgave van de intracommunautaire handelingen (art. 53sexies WBTW)

Register der niet-overbrengingen (art. 54bis, § 1, eerste lid, WBTW)

Register der ontvangen materialen

(art 54bis, § 1, tweede lid, en § 2, WBTW)

Vermeldingen in de roosters

Fiscale behandeling

Betrokken partij

Betrokken lidstaat

Aangegeven handeling

Verwerving

Levering

Dienst

Vermeldingen

- Verzending van goederen

- Ontvangst van goederen

- Ontvangst van goederen

- Terugzending van goederen

A  C

1. Verkoop van grondstoffen

ICL van goederen

ICV van goederen

A

C

1

2

Vrijgestelde ICL

Belaste ICV

Ja (M.v.H.: 81 en 86; verschuldigde btw: 55; aftrekbare btw: 59)

Ja (M.v.H.: 46)

Ja: btw-identificatienummer van C in LS2

Ja (inschrijven bij verzending grondstoffen van A naar B)

A  B

2. Verzending van lichamelijke roerende goederen

A

B

1

3

Ja (inschrijven bij ontvangst van grondstoffen)

B  C

3. Werk aan lichamelijke roerende goederen

B

C

3

2

Dienst (art. 21, § 2, WBTW)

Schuldenaar van de btw op de dienst

Ja (M.v.H.: 44)

Ja (M.v.H.: 81/82 en 88; verschuldigde btw: 55; aftrebkare btw: 59)

Ja: btw-identificatienummer van C in LS2

Ja (uitschrijven bij ontvangst van afgewerkt product)

Ja (uitschrijven bij verzending van afgewerkt product)

BIJLAGE 3

Situatie c)

Handeling

Periodieke btw-aangifte

Opgave van de intracommunautaire handelingen (art. 53sexies WBTW)

Register der niet-overbrengingen (art. 54bis, § 1, eerste lid, WBTW)

Register der ontvangen materialen (art. 54bis, § 1, tweede lid, en § 2, WBTW)

Vermeldingen in de roosters

Fiscale behandeling

Betrokken partij

Betrokken lidstaat

Aangegeven handeling

Verwerving

Levering

Dienst

Vermeldingen

- Verzending van goederen

- Ontvangst van goederen

- Ontvangst van goederen

- Terugzending van goederen

C  A

Verzending van goederen van zijn bedrijf

Ontvangst van de goederen

C

A

2

1

Ja (inschrijven bij verzending grondstoffen naar A)

Ja (inschrijven bij ontvangst grondstoffen)

A  C

Werk aan lichamelijke roerende goederen

A

C

1

2

Dienst (art. 21, § 2, WBTW)

Schuldenaar van de btw op de dienst

Ja (M.v.H.: 44)

Ja (M.v.H.: 81/82 en 88; verschuldigde btw: 55; aftrebkare btw: 59)

Ja: btw-identificatienummer van C in LS2

A  B

Verzending van lichamelijke roerende goederen

A

B

C

1

1

2

Ja (inschrijven van de bestemmingswijziging van A naar B)

Ja (uitschrijven bij verzending tussenproduct)

Ja (inschrijven bij ontvangst tussenproduct)

B  C

Werk aan lichamelijke roerende goederen

B

C

1

2

Dienst (art. 21, § 2, WBTW)

Schuldenaar van de btw op de dienst

Ja (M.v.H.: 44)

Ja (M.v.H.: 81/82 en 88; verschuldigde btw: 55; aftrebkare btw: 59)

Ja: btw-identificatienummer van C in LS2

Ja (uitschrijven bij ontvangst afgewerkt product)

Ja (uitschrijven bij verzending afgewerkt product)

BIJLAGE 4

Situatie d)

Handeling

Periodieke btw-aangifte

Opgave van de intracommunautaire handelingen (art. 53sexies WBTW)

Register der niet-overbrengingen (art. 54bis, § 1, eerste lid, WBTW)

Register der ontvangen materialen (art. 54bis, § 1, tweede lid, en § 2, WBTW)

Vermeldingen in de roosters

Fiscale behandeling

Betrokken partij

Betrokken lidstaat

Aangegeven handeling

Verwerving

Levering

Dienst

Vermeldingen

- Verzending van goederen

- Ontvangst van goederen

- Ontvangst van goederen

- Terugzending van goederen

C  A

Verzending van goederen van zijn bedrijf

Ontvangst van de goederen

C

A

2

1

Ja (inschrijven bij verzending goederen naar A)

Ja (inschrijven bij ontvangst goederen)

A  C

Werk aan lichamelijke roerende goederen

A

C

1

2

Dienst (art. 21, § 2, WBTW)

Schuldenaar van de btw op de dienst

Ja (M.v.H.: 44)

Ja (M.v.H.: 82 en 88; verschuldigde btw: 55; aftrekbare btw: 59)

Ja: btw-identificatienummer van C in LS2

A  B

Verzending van lichamelijke roerende goederen

A

B

1

1

Ja (inschrijven bij ontvangst goederen), ingeval van een maakloonwerk. Neen, ingeval van een expertise of een materieel werk ander dan een maakloonwerk

B  A

Werk aan lichamelijke roerende goederen

B

1

Dienst

Ja (M.v.H.: 01/02/03; verschuldigde btw: 54)

B  C

Verzending afgewerkt product

A

B

C

1

1

2

Ja (uitschrijven bij ontvangst afgewerkt product)

Ja (uitschrijven bij verzending afgewerkt product)

Ja (uitschrijven bij verzending afgewerkt product), ingeval van een maakloonwerk

BIJLAGE 5

Situatie e)

Handeling

Periodieke btw-aangifte

Opgave van de intracommunautaire handelingen (art. 53sexies WBTW)

Register der niet-overbrengingen art. 54bis, § 1, eerste lid, WBTW)

Register der ontvangen materialen (art. 54bis, § 1,

tweede lid, en § 2, WBTW)

Vermeldingen in de roosters

Fiscale behandeling

Betrokken partij

Betrokken lidstaat

Aangegeven handeling

Verwerving

Levering

Dienst

Vermeldingen

- Verzending van goederen

- Ontvangst van goederen

- Ontvangst van goederen

- Terugzending van goederen

C  A

Verzending van goederen van zijn bedrijf

Ontvangst van de goederen

C

A

2

1

Ja (inschrijven bij verzending goederen naar A)

Ja (inschrijven bij ontvangst goederen)

A  C

Werk aan lichamelijke roerende goederen

A

C

1

2

Dienst (art. 21, § 2, WBTW)

Schuldenaar van de btw op de dienst

Ja (M.v.H.: 44)

Ja (M.v.H.: 82 en 88; verschuldigde btw: 55; aftrekbare btw: 59)

Ja: btw-identificatienummer van C in LS2

A  B

Verzending van lichamelijke roerende goederen

A

B

C

1

3

2

Ja (inschrijven van de bestemmingswijziging van A naar B)

Ja (uitschrijven bij verzending tussenproduct)

Ja (inschrijven bij ontvangst tussenproduct)

B  C

Werk aan lichamelijke roerende goederen

B

C

3

2

Dienst (art. 21, § 2, WBTW)

Schuldenaar van de btw op de dienst

Ja (M.v.H.: 44)

Ja (M.v.H.: 82 en 88; verschuldigde btw: 55; aftrekbare btw: 59)

Ja: btw-identificatienummer van C in LS2

Ja (uitschrijven bij ontvangst afgewerkt product)

Ja (uitschrijven bij verzending afgewerkt product)

BIJLAGE 6

Situatie f)

Handeling

Periodieke btw-aangifte

Opgave van de intracommunautaire handelingen (art. 53sexies WBTW)

Register der niet-overbrengingen (art. 54bis, § 1, eerste lid, WBTW)

Register der ontvangen materialen (art. 54bis, § 1, tweede lid, en § 2, WBTW)

Vermeldingen in de roosters

Fiscale behandeling

Betrokken partij

Betrokken Lidstaat

Aangegeven handeling

Verwerving

Levering

Dienst

Vermeldingen

- Verzending van goederen

- Ontvangst van goederen

- Ontvangst van goederen

- Terugzending van goederen

C  A

Verzending van goederen van zijn bedrijf

Ontvangst van de goederen

C

A

2

1

Ja (inschrijven bij verzending goederen naar A)

Ja (inschrijven bij ontvangst goederen)

A  C

Werk aan lichamelijke roerende goederen

A

C

1

2

Dienst (art. 21, § 2 WBTW)

Schuldenaar van de btw op de dienst

Ja (M.v.H.: 44)

Ja (M.v.H.: 82 en 88; verschuldigde btw: 55; aftrekbare btw: 59)

Ja: btw-identificatienummer van C in LS2

A  B

Verzending van lichamelijke roerende goederen

A

B

1

3

Ja (inschrijven bij ontvangst goederen)

B  A

Werk aan lichamelijke roerende goederen

B

A

3

1

Dienst (art. 21, § 2, WBTW)

Schuldenaar van de btw op de dienst

Ja (M.v.H.: 44)

Ja (M.v.H.: 82 en 88; verschuldigde btw: 55; aftrekbare btw: 59)

Ja: btw-identificatienummer van A in LS1

B  C

Verzending afgewerkt product

A

B

C

1

3

2

Ja (uitschrijven bij ontvangst afgewerkt product)

Ja (uitschrijven bij verzending afgewerkt product)

Ja (uitschrijven bij verzending afgewerkt product)