Aanschrijving nr. 5/1998 d.d. 28.08.1998

Registratierechten
Bescheiden woningen
Wet van 19 mei 1998 tot wijziging van de artikelen 55, 60, 61^1 en 61² van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten
AFZ/96-593
In het Belgisch Staatsblad van 14 juli 1998 werd de wet van 19 mei 1998 tot wijziging van de artikelen 55, 60, 61^1 en 61² van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten, bekendgemaakt.
Die wet wijzigt de in de artikelen 53, 2° e.v. van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten gestelde voorwaarden waaronder aanspraak kan worden gemaakt op het verlaagd verkooprecht van 6 percent bij de aankoop van een bescheiden woning. Bedoeling ervan is het voordeel van het verlaagd recht enkel toe te kennen aan de verkrijgers die van de bescheiden woning hun hoofdverblijfplaats maken. Genoemde wet is in werking getreden op 24 juli 1998.
In deze aanschrijving wordt in bijlage de tekst van die wet medegedeeld en wordt een eerste commentaar bij de nieuwe bepalingen verstrekt.
1. Draagwijdte van de nieuwe bepalingen.
Genoemde wet van 19 mei 1998 heeft de voorwaarden, waaronder men volgens het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten recht kan doen gelden op het verlaagd verkooprecht van 6 % bij de aankoop van een bescheiden woning, uitgebreid met twee nieuwe voorwaarden: de ene is een vormvereiste die wordt gesteld voor het verkrijgen van het verlaagd tarief; de andere is een grondvereiste die wordt gesteld voor het behoud van de verlaging.
a) Vormvereiste.
Artikel 2 van de wet voegt aan artikel 55, eerste lid, 2°, van voornoemd Wetboek een d) toe waardoor een vierde vormvereiste voor de verkrijging van het verlaagd tarief wordt gesteld met name :
  • de uitdrukkelijke vermelding in de akte of in een door de verkrijger gewaarmerkte en ondertekende verklaring onderaan op de akte dat de verkrijger of zijn echtgenoot zijn inschrijving in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister op het adres van het verkregen goed zal bekomen.
Die voorwaarde moet zijn nagekomen uiterlijk bij het aanbieden van de akte ter registratie.
In geval van niet-nakoming van die vormvoorwaarde wordt de akte, overeenkomstig het laatste lid van artikel 55 van het Wetboek, geregistreerd tegen betaling van het gewone recht van 12,50 percent.
b) Grondvereiste tot behoud, van het verlaagd tarief.
Artikel 3 van de wet voegt een nieuw tweede lid in artikel 60 van het Wetboek in. Dat nieuwe lid stelt het behoud van de verlaging afhankelijk van de werkelijke inschrijving van de verkrijger of zijn echtgenoot in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister als hiervoor onder a) bedoeld.
Deze inschrijving moet bovendien :
  • geschieden binnen een termijn van drie jaar te rekenen van de datum van de authentieke akte van verkrijging;
  • ten minste drie jaar ononderbroken behouden blijven.
Niet-nakoming van die grondvereiste brengt, overeenkomstig het tweede lid van het bij artikel 4 van de wet ingevoegde nieuwe artikel 61^1 van het Wetboek, voor de verkrijger de verplichting mee om, naast het aanvullend recht, een daaraan gelijke vermeerdering te betalen.
2. Toepassing in de tijd.
De toepassing in de tijd van de nieuwe voorwaarden voor de verkrijging en het behoud van het verlaagd tarief van 6 percent, volgt de algemene beginselen terzake. De nieuwe voorwaarden zijn slechts van toepassing op de akten of overeenkomsten waarvoor de belasting aan de Schatkist verworven is vanaf de datum van inwerkingtreding van voornoemde wet van 19 mei 1998, d.w.z. vanaf 24 juli 1998 (zie DONNAY, Rép. not., T. XV, LX, n° 13 en WERDEFROY, Registratierechten, I, nr. 43 en volgende).
Gevolgen
a) Een notariële akte houdende verkoop van een in België gelegen onroerend goed die verleden werd voor de inwerkingtreding van de wet, is aan het verlaagd recht van 6 percent onderworpen indien er voldaan is aan de oude voorwaarden voor toekenning van het verlaagd recht, zelfs indien de akte na de inwerkingtreding van de wet wordt geregistreerd.
b) Hetzelfde geldt indien een dergelijke verkoop bij onderhandse akte is vastgesteld, behoudens toepassing van artikel 18, § 1, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (zie verder onder punt 3).
c) Wanneer het een verkoop betreft van een in België gelegen onroerend goed die niet bij een akte werd vastgesteld en er aldus een verklaring overeenkomstig artikel 31, eerste lid, 1°, van voornoemd Wetboek wordt aangeboden, zijn de voorwaarden voor aanspraak op het verlaagd tarief die welke gelden op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst. Voornoemd artikel 18, § 1, is ook in dit geval van toepassing.
In de hiervoor onder b) en c) vermelde gevallen zal de notariële akte die in voorkomend geval nadien authenticiteit geeft aan de overeenkomst, geregistreerd worden tegen het algemeen vast recht, bij toepassing van artikel 13, eerste lid, 1°, van voornoemd Wetboek.
3. Datum van de overeenkomst - Bewijs.
Volgens voornoemd artikel 18, § 1, kan de datum van onderhandse akten in het algemeen of van overeenkomsten die moeten worden geregistreerd door het enkele feit dat zij bestaan, met tegen het bestuur ingeroepen worden dan voor zover hij tegen derden kan worden ingeroepen.
Dat artikel houdt met in dat de Administratie zich noodzakelijk aan de datum van de registratie van de akte of van de bij voornoemd artikel 31 bedoelde verklaring moet houden. Zij laat de partijen aldus toe de oprechtheid van de datum van de akte of van de overeenkomst te leveren door alle rechtsmiddelen, met inbegrip van getuigenissen en vermoedens maar met uitzondering van de eed. Eenvoudige beweringen van de partijen zelf of van hen uitgaande bescheiden komen niet in aanmerking om die datum te bewijzen; hij moet blijken uit externe elementen zoals bijvoorbeeld de betaling van de prijs of van een voorschot via een bankoverschrijving, de leningsaanvraag bij een kredietinstelling door de als eigenaar optredende koper, enz... (zie Aanschr. van 26 maart 1956, nr. 11 - Rep. RJ R 18 01-01).
Het zijn dus de partijen die aanspraak maken op de toepasselijkheid van de oude voorwaarden die het bewijs zullen moeten leveren dat de onderhandse akte of hun overeenkomst dagtekent van voor 24 juli 1998.
Namens de Minister :
Voor de Adjunct-administrateur-generaal van de belastingen,
De gedelegeerde Auditeur-generaal van financiën,
J. SONVEAUX
-----------
BIJLAGE
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 14 juli 1998
19 MEI 1998. - Wet tot wijziging van de artikelen 55, 60, 61^1 en 61² van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten.
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2. Aan artikel 55, eerste lid, 2°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, vervangen bij artikel 147 van de wet van 22 december 1989, wordt een d) toegevoegd, luidende :
"d) in geval van toepassing van artikel 53, 2°, dat de verkrijger of zijn echtgenoot zijn inschrijving in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister op het adres van het verkregen onroerend goed zal bekomen".
Art. 3. In artikel 60 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de artikelen 1 van de wet van 27 februari 1978, 39 van de wet van 19 juli 1979 en 149 van de wet van 22 december 1989, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :
"Het voordeel van de in artikel 53, 2° bedoelde vermindering blijft alleen dan behouden zo de verkrijger of zijn echtgenoot ingeschreven is in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister op het adres van het verkregen onroerend goed. Deze inschrijving moet geschieden binnen een termijn van drie jaar te rekenen van de datum van de authentieke akte van verkrijging en tenminste drie jaar zonder onderbreking behouden blijven.".
Art. 4. Artikel 61^1 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij artikel 40 van de wet van 19 juli 1979 en gewijzigd bij artikel 150 van de wet van 22 december 1989, wordt vervangen door de volgende bepaling :
Indien de vermindering vervalt bij gebreke van exploitatie binnen de termijn en gedurende de tijd bepaald in artikel 60, eerste lid, is de verkrijger, naast het aanvullend recht, een daaraan gelijke vermeerdering verschuldigd.
Indien de vermindering vervalt bij gebreke van inschrijving binnen de termijn en gedurende de tijd bepaald in artikel 60, tweede lid, is de verkrijger, naast het aanvullend recht, een daaraan gelijke vermeerdering verschuldigd.
De Minister van Financiën kan evenwel van die vermeerdering geheel of gedeeltelijk afzien.".
Art. 5. In artikel 61 ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 26 juli 1952, gewijzigd bij de artikelen 47 van de wet van 25 juli 1956, 72, 1° van de wet van 12 juli 1976 en 62, 1° van de wet van 10 januari 1978, worden de woorden "van de artikelen 60 en 61^1" vervangen door de woorden "van de artikelen 60, eerste lid en 61^1 eerste lid".
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 19 mei 1998.
ALBERT
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
Ph. MAYSTADT
Met's lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS