Aanschrijving nr. 2 (AFZ/98-0719) d.d. 23.03.1998
Vlaams Gewest
Decreten van 8 juli 1997 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1997 en van 15 juli 1997 houdende regeling van de successietarieven tussen samenwonenden
In het Belgisch Staatsblad van 22 oktober 1997 werd het decreet van het Vlaams Parlement van 8 juli 1997 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1997 gepubliceerd.
De artikelen 26 en 27 van dit decreet wijzigen met ingang van 1 januari 1997 artikel 60bis, §§ 5 en 9, van het Wetboek der successierechten zoals het geldt in het Vlaamse Gewest.
In het Belgisch Staatsblad van 1 oktober 1997 werd het decreet van het Vlaams Parlement van 15 juli 1997 houdende regeling van de successietarieven tussen samenwonenden gepubliceerd.
Dit decreet wijzigt de artikelen 48 en 56 van het Wetboek der successierechten met ingang van 1 januari 1998.
De tekst van deze decreten gaat hierbij evenals de gecoördineerde tekst van de artikelen 48, 56 en 60bis van het Wetboek der successierechten zoals die voor het Vlaams Gewest zijn gewijzigd.
Deze aanschrijving heeft tot voorwerp de tekst van de voornoemde decreten mee te delen, en de nieuwe bepalingen toe te lichten.
A. Decreet van 8 juli 1997
Dit decreet brengt, met terugwerkende kracht tot 1 januari 1997, in artikel 60bis, W.Succ. volgende wijzigingen aan:
B. Decreet van 15 juli 1997
DEEL I. TOEPASSINGSGEBIED
Wat betreft de territoriale toepassing wordt integraal verwezen naar punt 1 van de aanschrijvingen nr. 1/1997 van 24 maart 1997, en nr. 10/1997 van 15 oktober 1997.
Het decreet van 15 juli 1997 treedt in werking op 1 januari 1998 (artikel 4 van het decreet). Overeenkomstig artikel 61 W.Succ. is het bijgevolg van toepassing op overlijdens vanaf die datum.
DEEL II. BESPREKING PER ARTIKEL
3. Artikel 48 W.Succ.
Artikel 2 van het decreet van 15 juli 1997 wijzigt artikel 48 W.Succ. door het creëeren van een nieuw tarief "tussen (ongehuwd) samenwonenden". Hetzelfde artikel geeft tevens een definitie van wat onder samenwonenden dient te worden verstaan.
Luidens de decreettekst wordt onder samenwonenden verstaan "... de persoon of personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap minstens drie jaar ononderbroken met de erflater samenwonen, (...) en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren, ...".
Het decreet legt geen beperking op wat betreft het aantal personen die als samenwonend (met de erflater) kunnen worden beschouwd. Het decreet maakt evenmin een uitzondering voor bepaalde groepen van samenwonenden of voor het verband waarin de samenwoning plaatsheeft.
Hoewel daarover tijdens de parlementaire voorbereiding geen eensgezindheid bestond, kunnen met name de leden van kloostergemeenschappen op basis van de huidige decreettekst niet a priori worden uitgesloten van het specifieke tarief voor samenwonenden.
Als samenwonende wordt beschouwd elke natuurlijke persoon die op de dag van het overlijden drie jaar ononderbroken met de erflater samenwoont. Het bewijs van die samenwoning kan enkel geleverd worden d.m.v. een uittreksel uit de bevolkingsregisters waaruit blijkt dat de samenwonende gedurende een onafgebroken periode van drie jaar vóór het overlijden op hetzelfde adres als de erflater ingeschreven was. Het geslacht, het bestaan van bloed- of aanverwantschap, het feit of een samenwoner al dan niet gehuwd was (met iemand anders dan de erflater), is zonder belang.
Het decreet stelt uitdrukkelijk dat de samenwoning gedurende minstens drie jaar ononderbroken moet hebben plaatsgehad, terug te rekenen vanaf de datum van het overlijden. Een onderbreking van het samenwonen gedurende deze periode van drie jaar vóór het overlijden, zelfs buiten de wil van de betrokkenen om (bijvoorbeeld door een langdurige opname in een verzorgingsinstelling van één der samenwonenden, waarbij de inschrijving in de bevolkingsregisters wordt gewijzigd), heeft m.a.w. steeds tot gevolg dat het tarief tussen samenwonenden niet kan worden toegepast.
Om het tarief tussen samenwonenden te kunnen genieten moet de erfgerechtigde in de eerste plaats bewijzen dat hij of zij gedurende de periode van drie jaar vóór het overlijden ononderbroken met de erflater heeft samengewoond. Dit bewijs wordt onweerlegbaar (juris et de jure) geleverd door een uittreksel uit het bevolkingsregister.
De erfgerechtigde moet bovendien bewijzen dat hij of zij met de erflater een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd.
Ten gunste van de erfgerechtigde die het vereiste bewijs inzake samenwoning heeft geleverd, voert het decreet een vermoeden juris tantum in dat erin bestaat dat de erfgerechtigde vermoed wordt met de erflater een gemeenschappelijke huishouding te hebben gevoerd. Het decreet vermeldt op een niet-limitatieve wijze ("onder meer") een aantal criteria waaraan het voeren van de gemeenschappelijke huishouding kan worden getoetst, nl. "de voortgezette wil van de partijen daartoe" en "de bijdrage van de partijen in de kosten van de huishouding". Het behoort dus, in voorkomend geval, aan de administratie te bewijzen dat (onder meer) aan deze criteria niet voldaan is. De aandacht dient er nochtans op gevestigd dat de Raad van State in dit verband heeft gewaarschuwd voor inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en schending van artikel 22 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (E.V.R.M.) en artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Bovendien werd bij de parlementaire voorbereiding uitdrukkelijk gesteld dat de bijdrage in de gemeenschappelijke huishouding niet enkel op het geldelijk vlak mag worden beoordeeld, en dat zgn. "zorgrelaties" (waarbij één van de partijen enkel verzorgt en dus geen eigen inkomsten in de gemeenschappelijke huishouding brengt) bijgevolg niet a priori uitgesloten zijn.
Ook hier dient gewezen op de specifieke situatie in kloostergemeenschappen: uit de formulering van de decreettekst blijkt nergens dat deze groep zou dienen uitgesloten van het speciaal tarief voor samenwonenden.
In artikel 48 W.Succ. wordt een nieuwe tabel II ingevoegd, en wordt de voorheen bestaande tabel II (tarief tussen andere personen dan in rechte lijn en tussen echtgenoten) zonder verdere inhoudelijke wijziging ondergebracht in tabel III (tarief tussen andere personen dan personen in rechte lijn, echtgenoten en samenwonenden).
Het tarief "tussen samenwonenden" wordt per erfgerechtigde toegepast op het netto-erfdeel. Het geldt eveneens, mits levering van het vereiste bewijs, tussen samenwonende broers en zusters.
De nieuwe tabel II stelt het tarief tussen samenwonenden als volgt vast: - netto-aandeel van 1 F tot 3.000.000 F: 10 % - netto-aandeel van 3.000.000 F tot 5.000.000 F: 35 % - netto-aandeel boven de 5.000.000 F: 50 % Let wel: In tegenstelling tot wat voorzien is voor de categorie erfgerechtigden die onder de toepassing van tabel I vallen, heeft er voor de categorie samenwonenden geen splitsing tussen het onroerend en het roerend aandeel plaats, zodat "netto-aandeel" hier dient begrepen als "netto-erfdeel" (cf. aanschr. nr. 10/1997, punt 3.2. in fine). Voor de categorie samenwonenden geldt er bijgevolg evenmin een voorrangsregeling m.b.t. het passief (schulden en begrafeniskosten).
Artikel 48 W.Succ. bepaalt dat het ononderbroken samenwonen met de erflater gedurende de drie jaar vóór het overlijden dient bewezen te worden met een uittreksel uit het bevolkingsregister.
Het betreft hier een door het gemeentebestuur van de laatste woonplaats van de overledene af te leveren uittreksel dat bij de (oorspronkelijke) aangifte dient gevoegd, en waaruit blijkt dat de betrokken aangever(s) gedurende de drie jaar vóór het overlijden ononderbroken stond(en) ingeschreven op hetzelfde adres als de overledene.
De aangifte dient tevens een verklaring te bevatten vanwege de betrokken erfgerechtigde(n) dat hij (zij) met de overledene een gemeenschappelijke huishouding heeft (hebben) gevoerd.
Indien het uittreksel uit het bevolkingsregister niet bij de niet meer voor verbetering vatbare aangifte is gevoegd, gebeurt de heffing tegen het gewone tarief van 48, tabel III, W.Succ. Vl.Gewest.
Het decreet voorziet niet in een mogelijkheid tot teruggave van de gebeurlijk te veel betaalde rechten indien het uittreksel uit het bevolkingsregister slechts later zou worden voorgelegd. Er kan echter worden aangenomen dat de berekening in dat geval gebeurd is bij toepassing van art. 49 W.Succ., zodat de teruggave, tegen inlevering van een aangifte, dient te gebeuren overeenkomstig art. 135, 7° W.Succ.
Voor de categorie samenwonenden wordt geen belastingvermindering voorzien in artikel 56 W.Succ.
6. Verlaagd tarief voor familiale ondernemingen en familiale vennootschappen (art. 60bis W.Succ.)
Het tarief van 3 procent, voorzien in artikel 60bis W.Succ., is onafhankelijk van de wijze van vererving en van het al dan niet bestaan van enige verwantschapsband.
Indien de rechtverkrijgende een samenwonende is, is dit verlaagd tarief toepasselijk onder de gestelde voorwaarden (cf. aanschr. nr. 1-1997, punt 10).
Wat betreft de aanrekening van het passief ten laste van een erfgerechtigde die belast wordt volgens het tarief tussen samenwonenden, en die zowel goederen waarop artikel 60bis W.Succ. toepasselijk is als andere goederen bekomt, wordt verwezen naar artikel 60bis, § 9, eerste lid, W.Succ. Hierin wordt bepaald dat onder nettowaarde wordt verstaan de waarde van de activa of aandelen, verminderd met de schulden, behalve die welke specifiek werden aangegaan om andere goederen te verwerven of te behouden.
Hieruit dient te worden afgeleid dat de schulden ten laste van een erfgerechtigde die belast wordt volgens het tarief "tussen samenwonenden" in de eerste plaats, tot uitputting, moeten worden aangerekend op de goederen waarop artikel 60bis W.Succ. toepasselijk is en vervolgens op de andere goederen.
Van deze regel kan slechts worden afgeweken indien bewezen wordt dat de schulden specifiek werden aangegaan om die andere goederen te verwerven of te behouden.
Decreten van 8 juli 1997 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1997 en van 15 juli 1997 houdende regeling van de successietarieven tussen samenwonenden
In het Belgisch Staatsblad van 22 oktober 1997 werd het decreet van het Vlaams Parlement van 8 juli 1997 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1997 gepubliceerd.
De artikelen 26 en 27 van dit decreet wijzigen met ingang van 1 januari 1997 artikel 60bis, §§ 5 en 9, van het Wetboek der successierechten zoals het geldt in het Vlaamse Gewest.
In het Belgisch Staatsblad van 1 oktober 1997 werd het decreet van het Vlaams Parlement van 15 juli 1997 houdende regeling van de successietarieven tussen samenwonenden gepubliceerd.
Dit decreet wijzigt de artikelen 48 en 56 van het Wetboek der successierechten met ingang van 1 januari 1998.
De tekst van deze decreten gaat hierbij evenals de gecoördineerde tekst van de artikelen 48, 56 en 60bis van het Wetboek der successierechten zoals die voor het Vlaams Gewest zijn gewijzigd.
Deze aanschrijving heeft tot voorwerp de tekst van de voornoemde decreten mee te delen, en de nieuwe bepalingen toe te lichten.
A. Decreet van 8 juli 1997
Dit decreet brengt, met terugwerkende kracht tot 1 januari 1997, in artikel 60bis, W.Succ. volgende wijzigingen aan:
| a) | in artikel 60bis, § 5, W.Succ. wordt de anomalie rechtgezet betreffende de aanvang van de termijn voor de berekening van de interesten i.g.v. niet-vervulling van de voorwaarden tot behoud van het verlaagd tarief zoals opgenomen in het decreet van 20 december 1996 (zie aanschrijving nr. 1 van 24 maart 1997, punt 10.9.a). Er wordt verwezen naar de toelichting in voormelde aanschrijving; |
| b) | aan artikel 60bis, § 9, W.Succ. wordt een tweede en derde lid toegevoegd; daarin wordt de nettowaarde van de aandelen, waarop het verlaagd tarief wordt berekend, gedefinieerd m.b.t. holdings. |
DEEL I. TOEPASSINGSGEBIED
| 1. | Territoriale toepassing |
| 2. | Toepassing in de tijd |
DEEL II. BESPREKING PER ARTIKEL
3. Artikel 48 W.Succ.
| 3.1. | Algemeen |
| 3.2. | Definitie van het begrip "samenwonenden" |
| 3.2.1. | Aantal personen die samenwonen |
Hoewel daarover tijdens de parlementaire voorbereiding geen eensgezindheid bestond, kunnen met name de leden van kloostergemeenschappen op basis van de huidige decreettekst niet a priori worden uitgesloten van het specifieke tarief voor samenwonenden.
| 3.2.2. | Hoedanigheid van de samenwonenden |
| 3.2.3. | Duur van de periode van samenwonen |
| 3.2.4. | Bewijs |
De erfgerechtigde moet bovendien bewijzen dat hij of zij met de erflater een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd.
Ten gunste van de erfgerechtigde die het vereiste bewijs inzake samenwoning heeft geleverd, voert het decreet een vermoeden juris tantum in dat erin bestaat dat de erfgerechtigde vermoed wordt met de erflater een gemeenschappelijke huishouding te hebben gevoerd. Het decreet vermeldt op een niet-limitatieve wijze ("onder meer") een aantal criteria waaraan het voeren van de gemeenschappelijke huishouding kan worden getoetst, nl. "de voortgezette wil van de partijen daartoe" en "de bijdrage van de partijen in de kosten van de huishouding". Het behoort dus, in voorkomend geval, aan de administratie te bewijzen dat (onder meer) aan deze criteria niet voldaan is. De aandacht dient er nochtans op gevestigd dat de Raad van State in dit verband heeft gewaarschuwd voor inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en schending van artikel 22 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (E.V.R.M.) en artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Bovendien werd bij de parlementaire voorbereiding uitdrukkelijk gesteld dat de bijdrage in de gemeenschappelijke huishouding niet enkel op het geldelijk vlak mag worden beoordeeld, en dat zgn. "zorgrelaties" (waarbij één van de partijen enkel verzorgt en dus geen eigen inkomsten in de gemeenschappelijke huishouding brengt) bijgevolg niet a priori uitgesloten zijn.
Ook hier dient gewezen op de specifieke situatie in kloostergemeenschappen: uit de formulering van de decreettekst blijkt nergens dat deze groep zou dienen uitgesloten van het speciaal tarief voor samenwonenden.
| 3.3. | Het tarief "tussen samenwonenden" |
Het tarief "tussen samenwonenden" wordt per erfgerechtigde toegepast op het netto-erfdeel. Het geldt eveneens, mits levering van het vereiste bewijs, tussen samenwonende broers en zusters.
De nieuwe tabel II stelt het tarief tussen samenwonenden als volgt vast: - netto-aandeel van 1 F tot 3.000.000 F: 10 % - netto-aandeel van 3.000.000 F tot 5.000.000 F: 35 % - netto-aandeel boven de 5.000.000 F: 50 % Let wel: In tegenstelling tot wat voorzien is voor de categorie erfgerechtigden die onder de toepassing van tabel I vallen, heeft er voor de categorie samenwonenden geen splitsing tussen het onroerend en het roerend aandeel plaats, zodat "netto-aandeel" hier dient begrepen als "netto-erfdeel" (cf. aanschr. nr. 10/1997, punt 3.2. in fine). Voor de categorie samenwonenden geldt er bijgevolg evenmin een voorrangsregeling m.b.t. het passief (schulden en begrafeniskosten).
| 4. | Gevolgen voor de aangifte van nalatenschap |
Het betreft hier een door het gemeentebestuur van de laatste woonplaats van de overledene af te leveren uittreksel dat bij de (oorspronkelijke) aangifte dient gevoegd, en waaruit blijkt dat de betrokken aangever(s) gedurende de drie jaar vóór het overlijden ononderbroken stond(en) ingeschreven op hetzelfde adres als de overledene.
De aangifte dient tevens een verklaring te bevatten vanwege de betrokken erfgerechtigde(n) dat hij (zij) met de overledene een gemeenschappelijke huishouding heeft (hebben) gevoerd.
Indien het uittreksel uit het bevolkingsregister niet bij de niet meer voor verbetering vatbare aangifte is gevoegd, gebeurt de heffing tegen het gewone tarief van 48, tabel III, W.Succ. Vl.Gewest.
Het decreet voorziet niet in een mogelijkheid tot teruggave van de gebeurlijk te veel betaalde rechten indien het uittreksel uit het bevolkingsregister slechts later zou worden voorgelegd. Er kan echter worden aangenomen dat de berekening in dat geval gebeurd is bij toepassing van art. 49 W.Succ., zodat de teruggave, tegen inlevering van een aangifte, dient te gebeuren overeenkomstig art. 135, 7° W.Succ.
| 5. | Belastingvermindering (art. 56 W.Succ) |
6. Verlaagd tarief voor familiale ondernemingen en familiale vennootschappen (art. 60bis W.Succ.)
Het tarief van 3 procent, voorzien in artikel 60bis W.Succ., is onafhankelijk van de wijze van vererving en van het al dan niet bestaan van enige verwantschapsband.
Indien de rechtverkrijgende een samenwonende is, is dit verlaagd tarief toepasselijk onder de gestelde voorwaarden (cf. aanschr. nr. 1-1997, punt 10).
Wat betreft de aanrekening van het passief ten laste van een erfgerechtigde die belast wordt volgens het tarief tussen samenwonenden, en die zowel goederen waarop artikel 60bis W.Succ. toepasselijk is als andere goederen bekomt, wordt verwezen naar artikel 60bis, § 9, eerste lid, W.Succ. Hierin wordt bepaald dat onder nettowaarde wordt verstaan de waarde van de activa of aandelen, verminderd met de schulden, behalve die welke specifiek werden aangegaan om andere goederen te verwerven of te behouden.
Hieruit dient te worden afgeleid dat de schulden ten laste van een erfgerechtigde die belast wordt volgens het tarief "tussen samenwonenden" in de eerste plaats, tot uitputting, moeten worden aangerekend op de goederen waarop artikel 60bis W.Succ. toepasselijk is en vervolgens op de andere goederen.
Van deze regel kan slechts worden afgeweken indien bewezen wordt dat de schulden specifiek werden aangegaan om die andere goederen te verwerven of te behouden.
Namens de Minister,
De Directeur-generaal,
F. BURNONVILLE
Bron: FisconetPlus
