Circulaire nr. Ci.D.19/416.334 16e afl. dd. 22.04.1991

CIRC 22.04.91/1

Circulaire nr. Ci.D.19/416.334 16e afl. dd. 22.04.1991


Bull. nr. 706, pag. 1325

FISCALE BEPALINGEN 1989
Vrijgestelde meerwaarden

INBRENG IN VENNOOTSCHAP
Neutraliteitsbeginsel

VOORTZETTINGSSTELSEL
Neutraliteitsbeginsel

VRIJGESTELDE MEERWAARDEN
Neutraliteitsbeginsel


Commentaar op de art. 261, 262 en 309, 6°, W. 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen :

  • vrijstelling van meerwaarden :
  • opheffingsbepaling en vormwijzigingen WIB ingevolge de hervorming van het stelsel van de vrijgestelde meerwaarden;
  • neutraliteitsbeginsel (art. 40, WIB).


VRIJSTELLING VAN MEERWAARDEN

Inhoudstabel Nrs. I. WETTEKSTEN I/271 - I/272 II. ALGEMEEN I/273 - I/277 III. NEUTRALITEITSBEGINSEL A. Algemeen I/278 B. Draagwijdte I/279 - I/281 C. Taak van de taxatiediensten I/282 - I/284 IV. INWERKINGTREDING I/285 I. WETTEKSTEN

Art. 261, W. 22.12.1989.

I/271
In artikel 38, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 9 van de wet van 25 juni 1973, worden de woorden "artikel 34, § 2" vervangen door de woorden "artikel 34, eerste lid, 2°".

Art. 262, W. 22.12.1989.

In artikel 40 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 5 van de wet van 3 november 1976, bij artikel 37, 2° tot 5°, van de wet van 12 juli 1979 en bij artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 48 van 22 juli 1982, worden volgende wijzigingen aangebracht :


1° paragraaf 1, tweede lid, wordt vervangen door de volgende bepaling :


"De toepassing van 1° en 3° doet evenwel geen afbreuk aan het eventueel belasten als divers inkomen, met toepassing van artikel 67, 7°, van de meerwaarden verwezenlijkt op ongebouwde onroerende goederen van landbouw of tuinbouwondernemingen";


2° paragraaf 2, tweede lid, wordt vervangen door de volgende bepaling :


"Volgens de modaliteiten en voorwaarden die erin zijn bepaald, blijven de artikelen 23, 25bis, 32sexies, 34, 36 en 38 van toepassing op de bij de vroegere belastingplichtige bestaande waardeverminderingen, voorzieningen, onderwaarderingen, overwaarderingen, subsidies, vorderingen en meerwaarden voor zover die bestanddelen zich bevinden in de activa van de nieuwe belastingplichtige; in de gevallen bedoeld in de artikelen 32sexies en 36 kan de voortzetting of inbreng van de werkzaamheid niet tot gevolg hebben dat de oorspronkelijke wederbeleggingstermijn wordt verlengd";


3° in § 3, tweede lid, worden de woorden "artikel 34, § 1, 3°, en § 2" vervangen door de woorden "artikel 34, eerste lid, 2°".

Art. 309, W. 22.12.1989.

In het Wetboek van de inkomstenbelastingen worden opgeheven :

....

artikel 40bis, ingevoegd door artikel 5 van de wet van 3 november 1976;

....

I/272
Rekening houdende met de bovenbedoelde wijzigingen, luiden de art. 38 en 40, WIB nu als volgt :

Art. 38, WIB

In afwijking van artikel 34 worden meerwaarden bedoeld zijn in artikel 94 als niet-verwezenlijkte meerwaarden aangemerkt, ingeval zij naar aanleiding van een in artikel 124 bedoelde verrichting zijn bekomen of vastgesteld.

In dat geval worden meer- of minderwaarden op de in ruil ontvangen bewijzen bepaald met inachtneming van de aanschaffings- of beleggingswaarde der omgeruilde bewijzen, eventueel verhoogd met de meerwaarden die zijn belast, of verminderd met de minderwaarden die zijn aangenomen, zowel voor als na de ruil; voor de toepassing van artikel 34, eerste lid, 2°, worden in ruil ontvangen bewijzen geacht te zijn verkregen op de datum waarop de geruilde bewijzen zijn verkregen.

De voorgaande leden zijn mede van toepassing op meerwaarden op bewijzen van deelgerechtigheid in vennootschappen die hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen hebben, wanneer de meerwaarden zijn behaald of vastgesteld naar aanleiding van een fusie, splitsing of omzetting welke in die Staat ingevolge bepalingen van gelijke aard als artikel 124 met vrijstelling van belasting is verricht.

Art. 40, WIB

§ 1. Winsten en baten als omschreven in artikel 31, 1°, worden volledig maar tijdelijk vrijgesteld :


1° wanneer of wel de exploitatie, of wel de beroepswerkzaamheid, of wel één of meer takken van werkzaamheid worden voortgezet door de echtgenoot of door één of meer erfgenamen of erfgerechtigden in de rechte lijn van de persoon die de exploitatie, de beroepswerkzaamheid of de tak van werkzaamheid heeft gestaakt;


2° wanneer zij zijn verkregen of vastgesteld ter gelegenheid van :


a) de inbreng, onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, van één of meer takken van werkzaamheid in een bestaande of op te richten vennootschap, waarvan de maatschappelijke zetel of de voornaamste inrichting in België is gevestigd;

b) de inbreng van de algemeenheid van de goederen in de in artikel 94 bedoelde vennootschappen, mits die verrichting door de Minister van Financiën, op eensluidend advies van de Minister van Economische Zaken of van de Minister van Middenstand is erkend als te zijn gedaan om de produktiviteit te verbeteren, de werkloosheid te bestrijden of de economie te rationaliseren;

3° wanneer zij zijn verkregen of vastgesteld ter gelegenheid van een inbreng in een vennootschap opgericht overeenkomstig de wet tot instelling van de landbouwvennootschap en die krachtens artikel 25, § 1, tweede lid, 2°, geacht wordt geen rechtspersoonlijkheid te bezitten voor het belastbaar tijdperk waarin de inbreng is gebeurd.

De toepassing van 1° en 3° doet evenwel geen afbreuk aan het eventueel belasten als divers inkomen, met toepassing van artikel 67, 7°, van de meerwaarden verwezenlijkt op ongebouwde onroerende goederen van landbouw of tuinbouwondernemingen.

§ 2. De ten name van de nieuwe belastingplichtige in aanmerking te nemen afschrijvingen, investeringsaftrekken, minderwaarden of meerwaarden op de door de vroegere belastingplichtige afgestane activa worden bepaald alsof deze laatste niet van eigenaar waren veranderd, behoudens in de gevallen waarin toepassing werd gemaakt van artikel 67, 7°.

Volgens de modaliteiten en voorwaarden die erin zijn bepaald, blijven de artikelen 23, 25bis, 32sexies, 34, 36 en 38 van toepassing op de bij de vroegere belastingplichtige bestaande waardeverminderingen, voorzieningen, onderwaarderingen, overwaarderingen, subsidies, vorderingen en meerwaarden voor zover die bestanddelen zich bevinden in de activa van de nieuwe belastingplichtige; in de gevallen bedoeld in de artikelen 32sexies en 36 kan de voortzetting of inbreng van de werkzaamheid niet tot gevolg hebben dat de oorspronkelijke wederbeleggingstermijn wordt verlengd.

Voor de toepassing van deze bepaling op de in § 1, eerste lid, 3°, bedoelde vennootschappen betekent de uitdrukking de nieuwe belastingplichtige alle vennoten in dergelijke vennootschappen, met inbegrip van de tot de vennootschap toegelaten rechthebbenden van overleden vennoten.

§ 3. Niettegenstaande de uit § 2 voortvloeiende overdracht van belastingheffing wordt ter bepaling van de meerwaarden of minderwaarden op aandelen en bewijzen van deelgerechtigdheid die ter vergoeding van een in § 1, 2° en 3°, bepaalde inbreng zijn verkregen, aan de aandelen en bewijzen een waarde toegekend gelijk aan die welke de ingebrachte activa, uit fiscaal oogpunt, ten name van de vroegere belastingplichtige hadden.

Ingeval de aandelen of bewijzen worden vervreemd, worden ze bij het bepalen van de krachtens artikel 34, eerste lid, 2°, eventueel vrijgestelde meerwaarde geacht voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid te zijn gebruikt vanaf de datum waarop de ingebrachte activa daartoe werden gebruikt, en wordt de gemiddelde gerevaloriseerde waarde van elk aandeel of bewijs bepaald naar rata van de totale gerevaloriseerde waarde van die activa.

II. ALGEMEEN

I/273
De door de W. 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen (V. 2019 - B. 691) ingestelde hervorming van het belastingstelsel van vrijgestelde meerwaarden omvat, naast de reeds vroeger besproken nieuwigheden, enkele minder ingrijpende wijzigingen. Meer bepaald betreft het de opheffing van en de vormwijzigingen in sommige artikels van het WIB

I/274
Aldus heeft art. 309, 6°, W. 22.12.1989, art. 40bis, WIB opgeheven dat de volledige vrijstelling regelde van stopzettingsmeerwaarden, verwezenlijkt door andere belastingplichtigen dan vastgoedhandelaars op ongebouwde onroerende goederen. Die vrijstelling blijft ingevolge het nieuwe art. 34, 2e lid, WIB slechts bestaan voor meerwaarden die voortkomen van ongebouwde onroerende goederen van land- en tuinbouwondernemingen (zie I/231).

I/275
De wijzigingen die art. 259, W. 22.12.1989 in art. 34, WIB heeft aangebracht (*) noodzaakten voorts nog de volgende wijzigingen in het WIB (ingevoegd bij art. 261 en 262, 1° en 3°, W. 22.12.1989) :

  • aanpassing in art. 38, 2e lid en art. 40, § 3, 2e lid van de verwijzing naar het nieuwe art. 34;
  • aanpassing van de tekst van art. 40, § 1, 2e lid, ingevolge de beperking van de volledige vrijstelling van stopzettingsmeerwaarden op ongebouwde onroerende goederen tot die van land- en tuinbouwondernemingen (waarbij wordt opgemerkt dat die meerwaarden eventueel wel als diverse inkomsten in de zin van art. 67, 7° kunnen worden belast).


(*) Zie commentaar in de nrs. I/211 tot I/232.

I/276
De in de nrs. I/274 en I/275 besproken wijzigingen vereisen geen verdere commentaar.

I/277
De enige inhoudelijke wijziging betreft de vervanging, door art. 262, 2°, W. 22.12.1989, van art. 40, § 2, 2e lid, WIB door een bepaling, gelijkaardig aan die van art. 124, WIB (vrijgestelde fusies, splitsingen en omzettingen), om de fiscale transparantie te waarborgen van verrichtingen van voortzetting van een werkzaamheid en van inbreng in vennootschap, op het vlak van vrijgestelde waardeverminderingen en voorzieningen, van onderwaarderingen van activa en overwaarderingen van passiva, van de gespreide belasting van kapitaalsubsidies, van het disconto van schuldvorderingen zonder of met lage rente en van de gespreide belasting en vrijstelling van meerwaarden (*).

(*) De bijzonderheden inzake de Ven.B. worden in een afzonderlijke aflevering besproken.

Tevens wordt duidelijk gesteld dat in de gevallen die vermeld zijn in de art. 32sexies en 36, WIB, de voortzetting of inbreng van een werkzaamheid niet tot gevolg kan hebben dat de oorspronkelijke herbeleggingstermijn wordt verlengd.

III. NEUTRALITEITSBEGINSEL (ART. 40, WIB)

A. Algemeen

I/278
Art. 40, § 2, 2e lid, WIB, impliceert dat, voor de toepassing van de daarin opgesomde art. 23, 25bis, 32sexies, 34, 36 en 38, WIB, de overlating van een beroepswerkzaamheid op de in § 1 van dit artikel gestelde wijze (voortzettingsstelsel of inbreng in vennootschap) een neutrale verrichting vormt, in die zin dat de nieuwe belastingplichtige of "overnemer" in de plaats treedt van de vroegere belastingplichtige of "overlater", wat de rechten en verplichtingen van deze laatste betreft (*).

(*) Inzake inbreng van takken van werkzaamheid of van de algemeenheid van goederen heeft het bepaalde van art. 40, § 2, 2e lid, WIB alleen belang voor de vennootschap die de inbreng verkrijgt.

B. Draagwijdte

I/279
Het in nr. I/278 bedoelde neutraliteitsbeginsel heeft betrekking op de volgende aangelegenheden :

  • de behandeling van de waardeverminderingen en voorzieningen voor risico's en lasten (afboeking overeenkomstig art. 5 en 8, KB/WIB, behoud of terugneming van de vrijstelling) (art. 23, WIB);
  • de uit een onderzoek gebleken onderwaarderingen van activa en overwaarderingen van passiva (art. 25bis, § 1, WIB), wat inzonderheid betekent dat de bij de overnemer kunnen worden belast wanneer zij aan het licht komen bij een onderzoek dat slaat op een belastbaar tijdperk van na de overlating;
  • de van overheidswege door de overlater verkregen kapitaalsubsidies (art. 25bis, § 2, WIB) die dus na de overlating bij de overnemer verder gespreid zullen worden belast;
  • de belastbaarheid bij de overnemer van het geheel of een deel van het door de overlater afgetrokken disconto van schuldvorderingen zonder of met lage rente (art. 25bis, § 3, WIB);
  • de gespreide belasting (art. 32sexies, WIB) en het behoud of het verlies van de vrijstelling van bepaalde meerwaarden (art. 34, 36 en 38, WIB).


Ingevolge het neutraliteitsbeginsel worden de hierboven vermelde wetsbepalingen ook bij de overnemer toegepast alsof de overgedragen activa en passiva niet van eigenaar of van schuldenaar veranderd waren.

I/280
Het hier besproken neutraliteitsbeginsel heeft overigens tot gevolg dat de belastingheffing op bepaalde bestanddelen bij de overnemer geschiedt, inzonderheid wanneer deze laatste de gestelde vrijstellingsvoorwaarden niet naleeft.

Zo zal bijvoorbeeld de voorheen, bij toepassing van art. 36, WIB, aan de overlater verleende vrijstelling van een meerwaarde op aandelen worden ingetrokken indien op het einde van de gestelde termijn geen herbelegging in de passende vorm is gedaan door de overlater of door de overnemer of indien deze laatste de opgave 276 L niet indient. In die gevallen is de belasting door de overnemer verschuldigd.

I/281
Wat de toepassing van de art. 32sexies, WIB (gespreide belasting van meerwaarden) en art. 36, WIB (vrijstelling van meerwaarden op aandelen) betreft, stelt de wet tenslotte dat de voortzetting of de inbreng van werkzaamheid geen verlenging van de oorspronkelijke herbeleggingstermijn tot gevolg kan hebben.

C. Taak van de taxatiediensten

I/282
Wanneer een belastingplichtige zijn zelfstandige beroepswerkzaamheid of een tak ervan overlaat in omstandigheden als vermeld in art. 40, § 1, WIB, dient zijn taxatiedienst aan die van de overnemer of de voortzetter alle in zijn bezit zijnde informatie over te sturen die voor laatstbedoelde dienst van nut kan zijn voor een correcte toepassing van de bepalingen van art. 40, § 2, WIB

I/283
Ter zake kan onder meer als nuttige informatie aan de taxatiedienst van de overnemer worden overgezonden :

  • art. 40, § 2, 1e lid, WIB : een afschrift van de afschrijvingstabellen en opgaven 276 V;
  • art. 23, WIB (waardeverminderingen en voorzieningen) : een afschrift van de laatste door de overlater ingediende opgave 204.3 (met bijlagen);
  • art. 25bis, § 2, WIB (kapitaalsubsidies) : een afschrift van de afschrijvingstabellen op naam van de overlater (inzonderheid met het oog op de verdere gespreide belasting bij de overnemer van de kapitaalsubsidies in evenredigheid tot de aanneembare afschrijvingen of waardeverminderingen op de gesubsidieerde activa);
  • art. 32sexies, WIB (gespreide belasting van meerwaarden) : een afschrift van de door de overlater ingediende opgaven 276 K betreffende meerwaarden waarvoor de gespreide belasting verder bij de overnemer moet worden toegepast;
  • art. 36, WIB (vrijstelling van meerwaarden op aandelen) : een afschrift van de door de overlater ingediende opgaven 276 L betreffende (voorlopig) vrijgestelde meerwaarden op aandelen waarvoor, na de overlating, nog moet worden voldaan (door de overnemer) aan de herbeleggingsverplichting en/of de verplichting om de herbelegde bestanddelen gedurende de gestelde termijn te behouden.


I/284
Wanneer een belastingplichtige zijn beroepswerkzaamheid of één of meer takken ervan volledig en definitief stopzet in omstandigheden die geen aanleiding geven tot toepassing van het neutraliteitsbeginsel, moet de taxatiedienst van die belastingplichtige een grondig onderzoek instellen naar het bestaan van bestanddelen die door de stopzetting belastbaar kunnen worden (zoals vrijgestelde waardeverminderingen en voorzieningen die zonder voorwerp zijn geworden, meerwaarden die niet vrijgesteld blijven bij gebrek aan passende herbelegging van de verkoopprijs, e.d.).

IV. INWERKINGTREDING

I/285
De hierboven besproken wijzigingen zijn van toepassing :

  • op de vanaf 01.01.1990 vastgestelde, uitgedrukte of verwezenlijkt meerwaarden (art. 333, § 1, 7°, W. 22.12.1989);
  • wat de andere aangelegenheden dan meerwaarden betreft, op de voortzettingen en overlatingen die vanaf diezelfde datum hebben plaatsgehad.