Circulaire nr. Ci.RH.231/618.520 (AAFisc Nr. 33/2012) 26.10.2012

Algemene administratie van de FISCALITEIT - Centrale diensten

Vennootschapsbelasting

Circulaire nr. Ci.RH.231/618.520 ( AAFisc Nr. 33/2012) 26.10.2012

Rechtspersonenbelasting

Belastbare grondslag in de RPB

Kwalificatie van inkomsten

Forfaitaire kosten

Voorwaarde van aftrekbaarheid

Werkelijke kosten

Voorwaarde van aftrekbaarheid

Roerend inkomen

Schuldenaar van de RV

Fiscaal stelsel van de inkomsten die zijn ver­kregen ingevolge de toekenning van een licentie met betrekking tot de uitzending van wedstrijden en andere sportieve manifestaties.

Aan alle ambtenaren van de niveaus A tot C.

I. INLEIDING

1. Deze circulaire bespreekt in het kort het fiscaal stelsel dat van toepassing is op de inkomsten die zijn verkregen voor de toekenning van een licentie met een beperkte looptijd die betrekking heeft op de uitzending van wedstrijden, competities of elk ander sportief evenement en dit in het kader van een contract dat is gesloten tussen de sportfederaties, de hierbij aangesloten clubs en de verschillende partners uit de mediasector voor de uitzending van die evenementen.

Het fiscaal stelsel dat hier wordt besproken is van toepassing ten name van de aangesloten clubs die zijn onderworpen aan de RPB wanneer blijkt dat de in het eerste lid bedoelde inkomsten, die door de sportfederaties worden ontvangen, geheel of gedeeltelijk over die clubs worden herverdeeld.

II. KWALIFICATIE VAN DE INKOMSTEN

2. De inkomsten die zijn verkregen voor de toekenning van een licentie zoals bedoeld in nr. 1, vallen niet onder de inkomsten uit de cessie of de concessie van auteursrechten, maar ze zijn in principe overeenkomstig art. 17, § 1, 3°, WIB 92 (1) belastbaar.

(1) Onder voorbehoud van een meer gepaste indeling van de inkomsten uit de cessie of de concessie van naburige rechten zoals bedoeld in art. 17, §1, 5°, WIB 92, die echter geen weerslag zou hebben op het principe van de aftrek van de werkelijke kosten of op de toepassing van art. 4, 3°, KW/WIB 92, met betrekking tot de aftrek van de forfaitaire kosten.

3. Overeenkomstig de bepalingen van art. 22, § 3, WIB 92, wordt onder netto-inkomen van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen en auteursrechten bedoeld in art. 17, § 1, 5°, het brutobedrag verstaan, verminderd met de kosten die zijn gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden; bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens worden die kosten forfaitair geraamd volgens percentages die de Koning bepaalt.

III. AFTREK VAN DE FORFAITAIRE KOSTEN

4. Inzake de aftrek van de forfaitaire kosten is het forfait van 85% zoals bedoeld in art. 4, 3°, c), KB/WIB 92, dat inzonderheid betrekking heeft op de concessie van het recht om radio- en televisieprogramma's uit te zenden of gelijktijdig en onverkort door te geven van toepassing op de concessie van het recht tot uitzending van wedstrijden, competities en elk ander evenement, onder andere van sportieve of culturele aard.

IV. AFTREK VAN DE WERKELIJKE KOSTEN

5. Voor de aftrek van de werkelijke kosten is er vereist dat de kosten zijn gedaan of gedragen om de roerende inkomsten zoals bedoeld in nr. 1 te verkrijgen of te behouden.

6. In dit verband mag er geen onduidelijkheid bestaan tussen enerzijds het vermogen van de federatie en anderzijds de vermogens van de verschillende bij haar aangesloten clubs.

7. Bijgevolg kan niet worden beschouwd dat het geheel van een door een club gemaakte kosten uitsluitend of bij voorrang betrekking heeft op de roerende inkomsten die zijn verkregen uit de concessie van uitzendrechten van wedstrijden. In de mate dat de kosten die zijn gemaakt eveneens toelaten om andere inkomsten dan roerende inkomsten zoals bedoeld in nr. 1 te verkrijgen, moeten die kosten in de juiste verhouding worden aangerekend op elk deel van de inkomsten (ontvangsten uit publiciteit, ontvangsten van de verkoop van tickets, enz.).

8. Met andere woorden enkel de kosten die rechtstreeks zijn gedaan of gedragen om roerende inkomsten te verkrijgen uit de concessie van uitzendrechten van wedstrijden, competities en elk gelijkaardig evenement, kunnen volledig worden afgetrokken van die inkomsten.

9. Wanneer de kosten de clubs eveneens toelaten om andere inkomsten te verkrijgen, dan kunnen die kosten niet volledig van de roerende inkomsten zoals bedoeld in nr. 1 worden afgetrokken, maar kunnen ze enkel voor het gedeelte dat betrekking heeft op die inkomsten worden afgetrokken.

10. Bijgevolg kunnen de kosten die volledig betrekking hebben op andere inkomsten die duidelijk zijn omschreven en verschillend zijn van de bedoelde roerende inkomsten, niet van die roerende inkomsten worden afgetrokken (b.v.: kosten die zijn verbonden aan de verkoop van tickets).

11. Op praktisch vlak moet om het gedeelte van de kosten vast te stellen dat betrekking heeft op de inkomsten zoals bedoeld in nr. 1 als volgt worden gehandeld:

- een onderscheid maken tussen de ontvangsten verkregen voor de toekenning van een licentie van uitzendrechten en de andere inkomsten;

- op elk van de twee categorieën van opbrengsten de kosten aanrekenen die er onweerlegbaar mee zijn verbonden, met dien verstande dat de kosten kunnen worden verdeeld over de twee categorieën wanneer het gedeelte dat aan elk van de inkomsten wordt toegekend duidelijk is vastgesteld;

- het saldo van de kosten, na aanrekening zoals voorzien in het vorige streepje, wordt proportioneel verdeeld over het saldo van de overblijvende inkomsten.

12. Om de aanrekening van de kosten, zoals voorzien in nr. 11, ten name van de clubs die zijn opgericht onder de vorm van een VZW te kunnen uitvoeren, moet enerzijds rekening worden gehouden met de kosten die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn gemaakt voor de organisatie van het geheel van competities en evenementen (met inbegrip van de vriendschappelijke wedstrijden) waaraan de club deelneemt (zoals bijvoorbeeld de loonkosten van de spelers en de kosten die zijn verbonden aan de transfer van spelers) en anderzijds de opbrengsten die door diezelfde competities en evenementen worden opgebracht (met name de ontvangsten uit de TV-uitzendrechten, de verkoop van tickets, publiciteit, sponsoring, merchandising, enz.).

13. De financiële kosten en opbrengsten, de meer- en de minderwaarden op activa (met inbegrip van diegene die verwezenlijkt zijn ter gelegenheid van de transfer van spelers) en alle uitzonderlijke opbrengsten komen niet in aanmerking voor de berekening.

V. SCHULDENAAR VAN DE RV

14. Er wordt aan herinnerd dat met betrekking tot de inkomsten zoals bedoeld in art. 17, § 1, 3°, WIB 92, de schuldenaar van de RV de persoon is die is voorzien in art. 261, WIB 92, (namelijk de schuldenaar van de inkomsten of de eerste Belgische tussenpersoon) en niet de verkrijger van de inkomsten (zelfs wanneer deze laatste aan de RPB is onderworpen).

NAMENS DE MINISTER:

Voor de Administrateur-generaal van de fiscaliteit,

R. ROSOUX

Auditeur-generaal dd.