Circulaire nr. AFZ/2007-0448-1 (AFZ 12/2007) van 12.07.2007

CIRC 12.07.07/2
BELASTINGVERMINDERING
Voertuig met een maximale uitstoot van 115 gram CO2 per kilometer
Voertuig uitgerust met een roetfilter

BELASTINGVERMINDERING VOOR ENERGIEBESPARENDE MAATREGELEN
Bedrag van de vermindering

BELASTINGVERMINDERING VOOR PASSIEFHUIZEN
Toekenningsvoorwaarden van de vermindering voor passiefhuizen

BEROEPSKOSTEN
Abnormaal of goedgunstig voordeel

BUITENLANDSE SPORTBEOEFENAAR
Belastingstelsel van de buitenlandse sportbeoefenaar

PERSONENBELASTING
Berekening van de PB

SPORTBEOEFENAAR
Belastingstelsel van de sportbeoefenaar
Eerste commentaar op :
  • Programmawet van 27.4.2007.
  • W 27.4.2007 tot invoering van een belastingvermindering voor passiefhuizen.
  • W 4.5.2007 betreffende het fiscaal statuut van de bezoldigde sportbeoefenaars.
Aan alle ambtenaren van de niveaus A, B en C van de Administratie van fiscale zaken, van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit (sector directe belastingen), van de Administratie der directe belastingen en van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie.
In bijlage volgt een eerste commentaar inzake personenbelasting betreffende :
1. de programmawet van 27 april 2007 (BS 8.5.2007, Ed. 3), meer bepaald over de bepalingen inzake :
  • vermindering voor energiebesparende uitgaven;
  • vermindering voor uitgaven voor de verwerving van een voertuig met een maximale uitstoot van 115gram CO2 per kilometer of van een dieselvoertuig uitgerust met een roetfilter;
  • abnormale of goedgunstige voordelen;
2. de wet van 27.4.2007 (BS 10.5.2007, Ed. 2) tot invoering van een belastingvermindering voor passiefhuizen;
3. de wet van 4.5.2007 (BS 15.5.2007) betreffende het fiscaal statuut van de bezoldigde sportbeoefenaars.
NAMENS DE MINISTER :
De adjunct-administrateur-generaal,
Paul NECKEBROECK
Bijlage 1
PROGRAMMAWET VAN 27 APRIL 2007
INHOUDSTAFEL
I. VERMINDERING VOOR ENERGIEBESPARENDE UITGAVEN
A. Wettekst
B. Commentaar
C. Inwerkingtreding
II. VERMINDERING VOOR UITGAVEN VOOR DE VERWERVING VAN EEN VOERTUIG MET EEN MAXIMALE UITSTOOT VAN 115 GRAM CO2 PER KILOMETER OF VAN EEN DIESELVOERTUIG UITGERUST MET EEN ROETFILTER
A. Wettekst
B. Commentaar
C. Inwerkingtreding
III. ABNORMALE OF GOEDGUNSTIGE VOORDELEN
A. Wettekst
B. Commentaar
C. Inwerkingtreding
Programmawet van 27 april 2007
Art. 78. Artikel 145/24, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de programmawet van 5 augustus 2003, bij de wet van 31 juli 2004, bij de programmawetten van 27 december 2005 en 27 december 2006, wordt aangevuld als volgt :
"Dit bedrag wordt echter verhoogd met 600 euro voorzover deze verhoging uitsluitend betrekking heeft op de uitgaven als bedoeld in het eerste lid, 2° of 3°.".
….
Art. 80. Artikel 78 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2008.
Artikel 145^24, WIB 92, verleent een belastingvermindering voor de uitgaven voor energiebesparende maatregelen. Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat het totaal van de verschillende belastingverminderingen per belastbaar tijdperk en per woning niet meer mag bedragen dan 2.000 euro (niet-geïndexeerd bedrag - geïndexeerd bedrag aanslagjaar 2008 : 2.600 euro).
Om de installatie van een systeem van waterverwarming door middel van zonne-energie of de plaatsing van zonnecelpanelen voor het omzetten van zonne-energie in elektrische energie (uitgaven als bedoeld in artikel 145^24, eerste lid, 2° of 3°, WIB 92) nog meer aan te moedigen, heeft de Ministerraad besloten om dit maximumbedrag met 600 euro (niet-geïndexeerd bedrag - geïndexeerd bedrag aanslagjaar 2008 : 780 EUR) te verhogen, hetzij een totaal van 2.600 euro (3.380 euro na indexatie).
Deze verhoging moet echter uitsluitend betrekking hebben op de werkelijk betaalde uitgaven als bedoeld in artikel 145^24, eerste lid, 2° of 3°, WIB 92.
De wijzigingen betreffende artikel 145^24, WIB 92, zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2008.
Programmawet van 27 april 2007
Art. 79. Artikel 145^28 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 9 juli 2004 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, wordt opgeheven.
Art. 80.
Artikel 79 is van toepassing in geval van verwerving van een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus vanaf 1 juli 2007.
De aankoop van CO2-zuinige wagens moet nog sterker worden aangemoedigd. Daartoe wordt de bestaande belastingvermindering voor wagens met een uitstoot die lager is dan respectievelijk 105 en 115g/km CO2 omgezet in een korting op factuur bij aankoop.
Door deze nieuwe maatregel kan de implementatie van het milieubeleid worden versneld en bovendien aantrekkelijker worden gemaakt voor de burger omdat het voordeel onmiddellijk wordt verrekend en niet twee jaar later bij de berekening van de personenbelasting.
Het bedrag van de korting is hetzelfde bedrag als het bedrag van de belastingvermindering. Deze korting is gelijk aan 15 % van de aankoopprijs van het aangekochte voertuig wanneer dit minder dan 105 g/km CO2 uitstoot, zonder het bedrag van 3.280 euro (niet-geïndexeerd bedrag; geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2008 = 4.270 euro) te overstijgen. De korting is gelijk aan 3 % van de aankoopprijs van het voertuig wanneer een voertuig wordt aangekocht met een CO2 -uitstoot tussen de 105 en 155 g/km. Deze korting wordt beperkt tot een bedrag van 615 euro (niet-geïndexeerd bedrag; geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2008 = 800 euro).
De aankoop van wagens met een roetfilter moet eveneens sterker worden aangemoedigd. Ook hier wordt het systeem van de belastingvermindering verlaten ten voordele van een korting op factuur, die voortaan 200 euro zal bedragen.
Artikel 145^28, WIB 92, wordt opgeheven en de nieuwe maatregel wordt van toepassing in geval van de verwerving van een nieuwe personenwagen, wagen voor dubbel gebruik of een minibus vanaf 1 juli 2007.
Programmawet van 27 april 2007
Art. 81. In artikel 26, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen door de wet van 28 juli 1992, worden de woorden "onder voorbehoud" vervangen door de woorden "onverminderd de toepassing van artikel 49 en onder voorbehoud".
Art. 82. Artikel 81 is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2008.
Volgens bepaalde rechtspraak kan de administratie beroepskosten niet verwerpen indien die kosten moeten worden beschouwd als abnormale of goedgunstige voordelen. In die gevallen bepaalt artikel 26, WIB 92, immers dat geen taxatie kan plaats vinden bij de kostendragende vennootschap indien de verkrijgende vennootschap op die voordelen wordt belast (artikel 26, eerste lid, in fine, WIB 92 : tenzij die voordelen in aanmerking komen voor het bepalen van de belastbare inkomsten van de verkrijger).
Dit had tot gevolg dat kosten waarvan het beroepskarakter niet bewezen was, toch moesten worden aanvaard.
De wetswijziging die nu wordt doorgevoerd, zorgt ervoor dat dit probleem zich niet meer stelt. Artikel 49, WIB 92, primeert voortaan op artikel 26, WIB 92, in hoofde van de kostendragende vennootschap. Concreet betekent dit dat bijvoorbeeld managementvergoedingen betaald aan een verbonden vennootschap waartegenover geen echte prestaties staan, niet meer aftrekbaar zullen zijn bij de exploitatievennootschap, en toch zullen worden belast bij de managementvennootschap.
Deze maatregel treedt in werking vanaf het aanslagjaar 2008.
Bijlage 2
WET VAN 27.04.2007 TOT INVOERING VAN EEN BELASTINGVERMINDERING VOOR PASSIEFHUIZEN
INHOUDSTAFEL
A. WETTEKST
B. COMMENTAAR
1. Algemeen
2. Belastingvermindering
3. Definitie en voorwaarden om te voldoen aan het begrip "passiefhuis"
4. Bedrag van de vermindering
5. Periode van toekenning
6. Bijzonderheden
7. Toepassingsmodaliteiten
C. INWERKINGTREDING
Art. 2. Het opschrift van titel II, hoofdstuk III, afdeling I, onderafdeling IIquinquies, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001, wordt aangevuld met de woorden "en voor passiefhuizen".
Art. 3. Artikel 145^24 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de programmawet van 5 augustus 2003, bij de wet van 31 juli 2004 en de programmawetten van 27 december 2005 en van 27 december 2006, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt aangevuld met de volgende paragraaf :
"§ 2. Er wordt een belastingvermindering verleend aan de belastingplichtige die als eigenaar, bezitter, erfpachter of opstalhouder investeert in :
1° het bouwen van een passiefhuis;
2° het in nieuwe staat verwerven van een passiefhuis;
3° de volledige of gedeeltelijke vernieuwing van een onroerend goed om het te verbouwen tot een passiefhuis.
Onder passiefhuis wordt verstaan een woning die is gelegen in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° de totale energievraag voor ruimteverwarming en koeling moet beperkt blijven tot 15 kWh/m2 geklimatiseerde vloeroppervlakte;
2° bij een luchtdichtheidsproef (overeenkomstig de norm NBN EN 13829) met een drukverschil tussen binnen- en buitenomgeving van 50 pascal is het luchtverlies niet groter dan 60 % van het volume van de woning per uur (n50 niet groter dan 0,6/uur).
De belastingvermindering bedraagt 600 euro per belastbaar tijdperk en per woning.
De belastingvermindering wordt verleend gedurende 10 opeenvolgende belastbare tijdperken vanaf het belastbaar tijdperk waarin is vastgesteld dat de woning een passiefhuis is. Die vaststelling blijkt uit een certificaat dat wordt uitgereikt door een door de Koning erkende instelling of een gelijkwaardige instelling die is gevestigd in de Europese Economische Ruimte.
De belastingvermindering wordt niet meer verleend vanaf het belastbaar tijdperk waarin de belastingplichtige niet langer eigenaar, bezitter, erfpachter of opstalhouder is van de in het eerste lid bedoelde woning. De toestand wordt beoordeeld op de laatste dag van een belastbaar tijdperk.
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de belastingvermindering voor de in het eerste lid bedoelde woning evenredig omgedeeld in functie van het aandeel van elk der echtgenoten in het kadastraal inkomen van die woning.
Wanneer afzonderlijke aanslagen in hoofde van meerdere in het eerste lid bedoelde belastingplichtigen worden gevestigd, wordt de belastingvermindering aan elke belastingplichtige toegekend, evenredig met het gedeelte van elke belastingplichtige in het kadastraal inkomen van die woning.
De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het certificaat als bedoeld in het vierde lid. De erkende instelling stelt de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde in kennis van het uitreiken van een certificaat. Deze kennisgeving geschiedt in de vorm en binnen de termijn die de Koning bepaalt. In voorkomend geval, moet de belastingplichtige het certificaat dat wordt uitgereikt door de instelling die is gevestigd in de Europese Economische Ruimte, ter beschikking van de administratie houden.
De certificaten van "kwaliteitsverklaring passiefhuis" uitgereikt door
"VZW Passiefhuis-Platform" en van "maison passive" uitgereikt door "Plate-forme Maison passive ASBL" voor de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 vervangen, voor de toepassing van de belastingvermindering, het in het vierde lid bedoelde certificaat voor zover de woning wel degelijk beantwoordt aan de in het tweede lid vastgelegde normen. Deze certificaten worden geacht te zijn uitgereikt op 1 januari 2007.".
Art. 4. Deze wet is van toepassing vanaf aanslagjaar 2008.
1. Algemeen
Om de opwarming van het klimaat binnen beheersbare perken te houden, moeten wereldwijd de emissies van broeikasgassen drastisch worden teruggedrongen. Als maatregel om de uitstoot van broeikasgassen te beperken, werd een belastingvermindering voor passiefhuizen ingevoerd.
Passiefhuizen zijn zeer goed geïsoleerde woningen die bij normale weersomstandigheden voldoende warm blijven door zonlicht en warmterecuperatie (recuperatie van warmte bij de mechanische luchtverversing, van lichaamswarmte en van warmteverliezen van elektrische toestellen). Een passiefhuis heeft in principe geen gewone verwarmingsinstallatie nodig. Het energieverbruik voor verwarming is dan ook slechts een fractie van het energieverbruik dat nodig is om een traditionele woning te verwarmen. Een lager energieverbruik betekent een lagere CO2 -uitstoot (en een lagere verwarmingskost).
De maatregel bestaat erin dat er een belastingvermindering wordt verleend aan de belastingplichtige die als eigenaar, bezitter, erfpachter of opstalhouder investeert in :
1° het bouwen van een passiefhuis;
2° het in nieuwe staat verwerven van een passiefhuis;
3° de volledige of gedeeltelijke vernieuwing van een onroerend goed om het te verbouwen tot een passiefhuis.
Onder passiefhuis wordt verstaan een woning die is gelegen in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° de totale energievraag voor ruimteverwarming en koeling moet beperkt blijven tot 15 kWh/m2 geklimatiseerde vloeroppervlakte;
2° bij een luchtdichtheidsproef (overeenkomstig de norm NBN EN 13829) met een drukverschil tussen binnen- en buitenomgeving van 50 pascal is het luchtverlies niet groter dan 60 % van het volume van de woning per uur (n50 niet groter dan 0,6/uur).
De belastingvermindering bedraagt 600 euro (niet geïndexeerd bedrag; geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2008 : 780 euro) per belastbaar tijdperk en per woning.
De belastingvermindering wordt verleend gedurende 10 opeenvolgende belastbare tijdperken vanaf het belastbaar tijdperk waarin is vastgesteld dat de woning een passiefhuis is.
De vaststelling blijkt uit een certificaat dat wordt uitgereikt door een door de Koning erkende instelling of een gelijkwaardige instelling die is gevestigd in de Europese Economische Ruimte.
De belastingvermindering wordt niet meer verleend vanaf het belastbaar tijdperk waarin de belastingplichtige niet langer eigenaar, bezitter, erfpachter of opstalhouder is van de woning. De toestand wordt beoordeeld op de laatste dag van een belastbaar tijdperk.
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de belastingvermindering voor de woning evenredig omgedeeld in functie van het aandeel van elk der echtgenoten in het kadastraal inkomen van die woning.
Wanneer afzonderlijke aanslagen in hoofde van meerdere belastingplichtigen worden gevestigd, wordt de belastingvermindering aan elke belastingplichtige toegekend, evenredig met het gedeelte van elke belastingplichtige in het kadastraal inkomen van die woning.
De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het certificaat.
De erkende instelling stelt de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde in kennis van het uitreiken van een certificaat. Deze kennisgeving geschiedt in de vorm en binnen de termijn die de Koning bepaalt. In voorkomend geval, moet de belastingplichtige het certificaat dat wordt uitgereikt door de instelling die is gevestigd in de Europese Economische Ruimte, ter beschikking van de administratie houden.
De certificaten van "kwaliteitsverklaring passiefhuis" uitgereikt door "VZW Passiefhuis-Platform" en van "maison passive" uitgereikt door "Plate-forme Maison passive ASBL" voor de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 vervangen, voor de toepassing van de belastingvermindering, het certificaat voor zover de woning wel degelijk beantwoordt aan de vastgelegde normen. Deze certificaten worden geacht te zijn uitgereikt op 1 januari 2007.
De maatregel is van toepassing vanaf aanslagjaar 2008.
Bijlage 3
WET VAN 4 MEI 2007 BETREFFENDE HET FISCAAL STATUUT VAN DE BEZOLDIGDE SPORTBEOEFENAARS
INHOUDSTAFEL
A. WETTEKST EN REGLEMENTAIRE BEPALING
B. COMMENTAAR
1. Algemeen
2. Afzonderlijk belastbare beroepsinkomsten tegen 33 %
3. Afzonderlijk belastbare beroepsinkomsten tegen 16,5 % voor jonge sportbeoefenaars
4. Regularisatie in de BNI/nat.pers
5. Technische verduidelijking bij de BNI/nat.pers
6. Vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing
C. INWERKINGTREDING
Wet van mei van 4 mei 2007 betreffende het fiscaal statuut van de bezoldigde sportbeoefenaars
Art. 2. In artikel 171 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a)
de bepaling onder 1°, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 28 december 1992 en 28 april 2003, wordt aangevuld als volgt :
"i) de beroepsinkomsten die worden betaald of toegekend aan :
  • sportbeoefenaars, uit hoofde van hun sportieve activiteiten en voor zover zij op 1 januari van het aanslagjaar de leeftijd van 26 jaar hebben bereikt;
  • scheidsrechters, uit hoofde van hun activiteiten als scheidsrechter tijdens sportwedstrijden;
  • opleiders, trainers en begeleiders, uit hoofde van hun opleidende, omkaderende of ondersteunende activiteit ten behoeve van de sportbeoefenaars;
op voorwaarde dat zij beroepsinkomsten uit een andere beroepsactiviteit verkrijgen waarvan het totaal brutobelastbaar bedrag meer bedraagt dan het totaal brutobelastbaar bedrag van de beroepsinkomsten die zij behalen uit hun voornoemde activiteit als sportbeoefenaar, scheidsrechter, opleider, trainer of begeleider.";
b)
de bepaling onder 4°, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 28 december 1992, 24 december 1993 en 6 juli 1994, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wetten van 4 mei 1999, 28 april 2003, 23 december 2005 en 27 december 2005, wordt aangevuld als volgt :
"j) de bezoldigingen voor een maximumbedrag van 12.300 euro per belastbaar tijdperk, betaald of toegekend aan sportbeoefenaars voor een als zodanig verrichte werkzaamheid, voorzover zij de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt doch jonger zijn dan 26 jaar op 1 januari van het belastbaar tijdperk.".
Art. 3. Artikel 232, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 juli 1992, wordt aangevuld als volgt :
"c)
in België tijdens het belastbaar tijdperk inkomsten als sportbeoefenaar verkrijgen als bedoeld in artikel 228, § 2, 8°, en dit gedurende een periode van meer dan 30 dagen te berekenen per schuldenaar van de inkomsten.".
Art. 4. In artikel 248, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 juli 1992, vervallen de woorden "de in artikel 228, § 2, 8°, vermelde inkomsten, alsmede die betreffende".
Art. 5. In titel VI, hoofdstuk I, afdeling IV, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 2756, ingevoegd, luidende :
"Art. 275/6. De schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing bedoeld in artikel 270, 1°, die bezoldigingen betalen of toekennen aan sportbeoefenaars die op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin de vrijstelling wordt gevraagd, niet de leeftijd van 26 jaar hebben bereikt, worden ervan vrijgesteld 70 % van die bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten.
De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bedoeld in het eerste lid wordt eveneens toegekend wanneer ze bezoldigingen betalen of toekennen aan niet in het eerste lid bedoelde sportbeoefenaars, op voorwaarde dat uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op dat waarin de vrijstelling wordt gevraagd, de helft van deze vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt besteed aan de opleiding van jonge sportbeoefenaars die minstens 12 jaar oud zijn en de leeftijd van 23 jaar nog niet hebben bereikt op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de vrijstelling wordt gevraagd.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt verstaan onder bedragen besteed aan de opleiding van jonge sportbeoefenaars, de betaling van lonen aan personen belast met de opleiding, begeleiding of ondersteuning van deze jonge sportbeoefenaars in hun sportbeoefening en de betaling van lonen aan deze jonge sportbeoefenaars.
Bij het verstrijken van voormelde termijn, moeten de niet bestede bedragen gestort worden in de Schatkist, verhoogd met nalatigheidsintresten berekend overeenkomstig artikel 414.
Om de in het eerste en tweede lid bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet de schuldenaar het bewijs dat de sportbeoefenaar in hoofde van wie de vrijstelling wordt gevraagd, beantwoordt aan de voorwaarden tijdens de hele periode waarop de vrijstelling betrekking heeft en dat de bedragen werkelijk overeenkomstig het tweede en derde lid werden besteed, ter beschikking houden van de Federale Overheidsdienst Financiën. De Koning bepaalt de nadere regels voor het leveren van dit bewijs.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het percentage van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing verhogen tot maximum 80 % of het verlagen tot minimum 60 %".
Art. 6. In de loop van het eerste kwartaal van elk jaar stelt de Minister van Financiën de voor sport bevoegde gemeenschapsministers in kennis van de verdeling van de in artikel 2756, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, bedoelde bedragen.
Art. 7. Deze wet is van toepassing op de inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2008.
KB van 8 juni 2007 (BS 19.6.2007) tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing (1)
[(1) Een KB zal eerstdaags de Bijlage IIIbis, KB/WIB 92 aanpassen teneinde een vergetelheid te corrigeren (code 33) in de lijst van de codes vermeld in artikel 4 van het KB van 08.06.2007.]
Artikel 1. In hoofdstuk II, KB/WIB 92, wordt het opschrift van afdeling IIbis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 22 augustus 2006, gewijzigd als volgt :
"Afdeling IIbis. - Vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing
(Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 275^1 tot 275^8) ".
Art. 2. Artikel 95^2, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 22 augustus 2006 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 maart 2007, wordt aangevuld als volgt :
"6° de schuldenaars beoogd in artikel 275^6 van hetzelfde Wetboek, die bezoldigingen betalen of toekennen aan sportbeoefenaars beoogd in artikel 171, 1°, i en 4°, j, van dat Wetboek :
7° de werkgevers beoogd in artikel 275^7 van hetzelfde Wetboek die bezoldigingen betalen of toekennen, en die :
ofwel onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;
ofwel erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van in het eerste streepje bedoelde ondernemingen;
8° de werkgevers beoogd in artikel 275^8 van hetzelfde Wetboek, die zich uitsluitend bezighouden met de champignonteelt en vallen onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf".
Art. 3. Artikel 95^2, § 3, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 22 augustus 2006 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 11 december 2006 en 21 december 2006, wordt als volgt gewijzigd :
a) in b, 3°, worden de woorden "3° tot 5°" vervangen door de woorden "3° tot 8°";
b) c, 1°, wordt vervangen als volgt :
"1° voor de in § 1, tweede lid, 1°, bedoelde schuldenaars : een negatief bedrag gelijk aan :
  • 32,19 % van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag wanneer een wettelijke overwerktoeslag van 20 % is toegepast;
  • 41,25 % van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag wanneer een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 % is toegepast";
c) het punt c wordt als volgt aangevuld :
"8° voor de in § 1, tweede lid, 6°, bedoelde schuldenaars : een negatief bedrag gelijk aan 70 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen;
9° voor de in § 1, tweede lid, 7°, bedoelde schuldenaars : een negatief bedrag gelijk aan 0,25 % van het bruto bedrag van de bezoldigingen voor inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdragen;
10° voor de in § 1, tweede lid, 8°, bedoelde schuldenaars : een negatief bedrag gelijk aan 6 % van het bruto bedrag van de bezoldigingen voor inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdragen.".
Art. 4. Bijlage IIIbis, KB/WIB 92, ingevoegd bij koninklijk besluit van 22 augustus 2006 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 11 december 2006 en 12 maart 2007 wordt vervangen als volgt :
"Bijlage IIIbis. - Lijst van de codes met betrekking tot de aard van de inkomsten in toepassing van artikel 95^2, § 3, a, KB/WIB 92
01 Koopvaardij (Art. 275^2, WIB 92)
02 bagger (Art. 275^2, WIB 92)
03 zeesleepvaart (Art. 275^2, WIB 92)
04 zeevisserij (Art. 275^4, WIB 92)
05 wetenschappelijk onderzoek (Art. 275^3, 1ste lid, WIB 92)
06 ploegenpremies en nachtpremies (Art. 275^5, WIB 92)
07 wetenschappelijk onderzoek (Art. 275^3, 2de lid, WIB 92)
08 overuren (Art. 275^1, WIB 92, van toepassing tot en met 31 maart 2007)
09 wetenschappelijk onderzoek (Art. 275^3, 3de lid, 1°, WIB 92)
31 wetenschappelijk onderzoek (Art. 275^3, 3de lid, 2°, WIB 92)
32 wetenschappelijk onderzoek (Art. 275^3, 3de lid, 3°, WIB 92)
41 sportbeoefenaar (Art. 275^6, 1ste lid, WIB 92)
42 sportbeoefenaar (Art. 275^6, 2de lid, WIB 92)
43 champignonteelt (Art. 275^8, WIB 92)
44 overuren (Art. 275^1, 4de lid, 2de streepje, WIB 92, van toepassing vanaf 1 april 2007)
45 overuren (Art. 275^1, 4de lid, 1ste streepje, WIB 92, van toepassing vanaf 1 april 2007)
46 profit sector (Art 275^7, WIB 92).".
Art. 5. Bijlage IIIter, KB/WIB 92, ingevoegd bij koninklijk besluit van 22 augustus 2006 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 11 december 2006 en 12 maart 2007 wordt aangevuld als volgt :
"VI. De in artikel 95^2, § 1, tweede lid, 6°, bedoelde schuldenaars :
Deze schuldenaars moeten ter beschikking houden van de administratie :
1° wat de sportbeoefenaars betreft die op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin de vrijstelling wordt gevraagd, niet de leeftijd van 26 jaar hebben bereikt :
  • de volledige identiteit;
  • in voorkomend geval, het nationaal nummer;
  • het bedrag van de betaalde bruto belastbare bezoldigingen;
  • het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing en een gedetailleerde berekening van die bedrijfsvoorheffing;
2° wat de niet in 1° bedoelde sportbeoefenaars betreft :
  • de volledige identiteit;
  • in voorkomend geval, het nationaal nummer;
  • het bedrag van de betaalde bruto belastbare bezoldigingen;
  • het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing en een gedetailleerde berekening van die bedrijfsvoorheffing;
  • het bewijs dat de helft van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing werd besteed aan de opleiding van jonge sportbeoefenaars zoals omschreven in artikel 275^6, tweede en derde lid, WIB 92.
VII. De in artikel 95^2, § 1, tweede lid, 7°, bedoelde schuldenaars :
Deze schuldenaars moeten een nominatieve lijst ter beschikking van de administratie houden met daarin voor elke werknemer, de volledige identiteit, het nationaal nummer en het bedrag van de bruto bezoldigingen voor inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdragen.
VIII. De in artikel 95^2, § 1, tweede lid, 8°, bedoelde schuldenaars :
Deze schuldenaars moeten een nominatieve lijst ter beschikking van de administratie houden met daarin voor elke werknemer, de volledige identiteit, het nationaal nummer, het bedrag van de bruto bezoldigingen voor inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdragen en het bewijs dat de werknemer in hoofde van wie de vrijstelling wordt gevraagd, tijdens de periode waarop de aangifte betrekking heeft, is tewerkgesteld in de champignonteelt.".
Art. 6. Dit besluit is van toepassing op de bezoldigingen die worden betaald of toegekend :
  • vanaf 1 april 2007 voor de bepalingen die betrekking hebben op door de werknemer gepresteerd overwerk als bedoeld in artikel 275^1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
  • vanaf 1 oktober 2007 voor de bepalingen met betrekking tot de profit sector als bedoeld in artikel 275^7 van hetzelfde Wetboek;
  • vanaf 1 januari 2008 voor de bepalingen met betrekking tot de sportbeoefenaars zoals bedoeld in artikel 275^6 van hetzelfde Wetboek;
  • op een datum bepaald bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad voor de bepalingen met betrekking tot de champignonteelt zoals bedoeld in artikel 275^8 van hetzelfde Wetboek.
Art. 7. Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.
1. Algemeen
Deze maatregel beoogt de wijziging van het op bezoldigde sportbeoefenaars toepasselijke belastingstelsel, om een aantal problemen op te lossen waarmee zowel de sportbeoefenaars zelf als de clubs die hen in dienst nemen, in deze activiteitssector te maken krijgen.
De inkomsten van Belgische sportbeoefenaars worden thans belast tegen een gemiddeld tarief van meer dan 40 %, terwijl de buitenlandse sportbeoefenaars die in België carrière maken, tegen 18 % worden belast.
Daardoor houden onze sportbeoefenaars het hier voor bekeken. Bovendien worden onze ploegen of clubs werkelijk overspoeld door buitenlandse sportbeoefenaars, die aldus tegelijk de toegang van onze in België opgeleide jongeren tot de hoogste klasse blokkeren.
Voor de beroepsinkomsten die worden betaald of toegekend aan :
  • sportbeoefenaars, uit hoofde van hun sportieve activiteiten en voor zover zij op 1 januari van het aanslagjaar de leeftijd van 26 jaar hebben bereikt;
  • scheidsrechters, uit hoofde van hun activiteiten als scheidsrechter tijdens sportwedstrijden;
  • opleiders, trainers en begeleiders, uit hoofde van hun opleidende, omkaderende, ondersteunende activiteit ten behoeve van de sportbeoefenaars;
  • op voorwaarde dat zij beroepsinkomsten uit een andere beroepsactiviteit verkrijgen waarvan het totaal bruto belastbaar bedrag meer bedraagt dan het totaal bruto belastbaar bedrag van de beroepsinkomsten die zij behalen uit hun activiteit als sportbeoefenaar, scheidsrechter, opleider, trainer of begeleider, wordt een afzonderlijke aanslagvoet van 33 % voorzien.
Het is niet de bedoeling sportbeoefenaars die meer dan 25 jaar zijn en hun sport als nevenactiviteit beoefenen ten opzichte van een andere beroepsactiviteit die hun voornaamste bron van beroepsinkomsten is, fiscaal te straffen.
Bovendien zullen de vergoedingen voor de vrijwilligers die de spil van de sportsector zijn, niet meer globaal worden belast met de inkomsten die ze uit hun voornaamste beroepsactiviteit verkrijgen, wat tal van personen thans ontmoedigt om de weg van vrijwillige dienst in te slaan.
Onder begeleiders wordt verstaan, de personen die zich bezighouden met de logistiek van de sportbeoefenaars en de sportwedstrijden, zoals de organisatie van hun uit- en thuisreizen, het onderhoud van de installaties, van het materieel en van de kleding waarover de sportbeoefenaars beschikken of met de contacten met de tegenstanders.
Onder opleiders wordt verstaan, de personen die de jonge sportbeoefenaars sportief omkaderen door hen te vormen in hun sportbeoefening in ruime zin ongeacht de benaming van hun functie of hoedanigheid : opvoeder, leraar, verzorger, instructeur, mentor enz. Het spreekt vanzelf dat de functie van trainer en opleider soms door dezelfde persoon wordt vervuld.
Om alle belastingplichtigen op voet van gelijkheid te behandelen zonder enig onderscheid tussen de verschillende soorten van ontvangen beroepsinkomsten, wordt het bruto belastbaar bedrag van de beroepsinkomsten uit de verschillende beroepsactiviteiten aangemerkt om een vergelijking te maken tussen de beroepsinkomsten uit hun hoofdactiviteit en de beroepsinkomsten uit hun activiteit in de sportsector.
De bezoldigingen die worden betaald of toegekend aan jonge sportbeoefenaars tussen 16 en 25 jaar - voor de inkomensschijf die niet hoger is dan een maximumbedrag van 12.300 euro per jaar - zullen worden belast tegen een afzonderlijke aanslagvoet van 16,5 %. Het betreft een basisbedrag, dat op dezelfde manier voor indexaanpassingen in aanmerking komt als de andere bedragen die in hetzelfde Wetboek zijn opgenomen.
Deze afzonderlijke aanslag zal ook van toepassing zijn op alle jonge sportbeoefenaars die personenbelasting of belasting der niet-inwoners (natuurlijke personen) verschuldigd zijn. De bedoelde jonge sportbeoefenaars zijn enkel degenen die bezoldigingen voor hun sportieve prestaties ontvangen en die op 1 januari van het aanslagjaar minstens 16 maar jonger dan 26 jaar zijn.
De belastingtoestand van de niet-inwoners die in België tijdens het belastbaar tijdperk inkomsten als sportbeoefenaar verkrijgen als bedoeld in artikel 228, § 2, 8°, WIB 92, en dit gedurende een periode van meer dan 30 dagen berekend per schuldenaar van de inkomsten, zal voortaan worden geregulariseerd. Er zal bijgevolg een globale aanslag op hun inkomsten worden gevestigd.
Deze bepaling stelt de sportbeoefenaars die gedurende een tamelijk lange periode aan sportwedstrijden deelnemen, op gelijke voet, of het nu Belgische inwoners of niet-inwoners zijn.
Artikel 248, WIB 92, wordt gewijzigd teneinde duidelijk te bevestigen dat de niet-inwonende professionele sportbeoefenaars die in België inkomsten verkrijgen tijdens het belastbaar tijdperk gedurende een periode van maximum dertig dagen per schuldenaar van de inkomsten, de afzonderlijke aanslag blijven genieten via de inhouding van een bevrijdende bedrijfsvoorheffing vastgesteld op een tarief van 18 % van hun bruto-inkomsten.
De verplichte fiscale regularisatie van de niet-inwonende sportbeoefenaars die bezoldigingen in België verkrijgen tijdens het belastbaar tijdperk gedurende een periode van meer dan dertig dagen berekend per schuldenaar van de inkomsten, met het oog op de gelijkstelling met de inwonende sportbeoefenaars, zal bij tal van clubs voor financiële moeilijkheden zorgen. Veel clubs betalen hun professionele sportbeoefenaars namelijk op basis van een "netto" contract en bijgevolg zullen ze het verschil tussen de bevrijdende bedrijfsvoorheffing tegen het thans geldende tarief van 18 % en het bedrag van de verschuldigde belasting op basis van de regularisatie moeten bijpassen.
Teneinde de clubs tot investeringen in de opleiding van hun spelers aan te zetten en ter compensatie van de toename van hun loonkosten (met name als gevolg van de regularisatie van sommige niet-inwonende sportbeoefenaars), wordt voorzien in de verlening van een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing van 70 % in twee delen op basis van de bedrijfsvoorheffing verschuldigd op :
  1. de bezoldigingen betaald of uitgekeerd aan sportbeoefenaars jonger dan 26 jaar;
  2. de bezoldigingen aan sportbeoefenaars van minstens 26 jaar, op voorwaarde dat binnen een bepaalde termijn de helft van deze vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt besteed aan de opleiding van jonge amateursportbeoefenaars van minstens 12 jaar en die de leeftijd van 23 jaar nog niet hebben bereikt op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de vrijstelling wordt gevraagd.
Onder bedragen besteed aan de opleiding van voornoemde jonge amateursportbeoefenaars wordt verstaan, de betaling van lonen aan personen belast met de opleiding, begeleiding of ondersteuning van deze jonge amateursportbeoefenaars in hun sportbeoefening. Deze besteding kan plaatsvinden binnen een club of in een andere sportieve eenheid die zou beschikken over jonge amateursportbeoefenaars begeleid door personen die voor deze activiteit een loon ontvangen en van wie de club die de besteding moet doen, geheel of gedeeltelijk de loonkosten zou dragen via een ad hoc overeenkomst.
Deze besteding moet plaatsvinden op uiterlijk 31 december van het jaar dat volgt op het jaar waarin de vrijstelling van 70 % wordt gevraagd, waardoor er 12 tot 24 maanden overblijven.
Indien de voorwaarde inzake besteding van de bedragen niet binnen de voornoemde termijn wordt nageleefd, wordt het niet-bestede bedrag in de Schatkist gestort en verhoogd met moratoire interesten berekend zoals inzake de inning van bedrijfsvoorheffing.
Teneinde de administratieve lasten van de clubs niet te verzwaren, wordt bepaald dat deze de bewijzen dat ze de genoemde voorwaarden in acht nemen, ter beschikking van de fiscale administratie moeten houden.
De Koning moet de wijze bepalen waarop deze bewijzen behoren te worden verstrekt, opdat de fiscale administratie haar controleopdracht kan uitvoeren.
Voor de eerste periode waarin de vrijstelling van een deel van de voorheffing onvoorwaardelijk wordt verleend, mag men er overigens redelijkerwijs van uitgaan dat de clubs een belangrijk hulpmiddel voor de sportieve opleiding van de jongeren zijn en dat in elk geval een groot deel van dit voordeel direct of indirect (gebouwen, materieel, …) aan de opleiding wordt en zal worden besteed en dat deze sociale en openbare taak moet worden vergoed.
Ten slotte lijkt het wenselijk dat het percentage van 70 % zowel opwaarts als neerwaarts kan variëren. Een maximum van 80 % en een minimum van 60 % zijn echter wettelijk bepaald, zodat de schommeling in het vrijgestelde tarief binnen een zo klein mogelijke marge blijft.
Deze wet is van toepassing op de inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2008.