Circulaire nr. Ci.RH.241/621.406 (AAFisc Nr. 44/2013) d.d. 05.11.2013
Algemene administratie van de FISCALITEIT - Centrale diensten
Personenbelasting
Belastbare grondslag in de PB
Beroepsinkomen
Bezoldiging
Bedrijfsleider
Voordeel van alle aard
Kosteloze beschikking over een autovoertuig
Opdat de voordelen die voortvloeien uit het persoonlijk gebruik van een wagen die door een vennootschap rechtstreeks ter beschikking wordt gesteld aan de echtgenote van een bedrijfsleider van deze laatste (buiten enig oorzakelijk verband met het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid door de echtgenote ten gunste van de vennootschap) belastbare beroepsinkomsten zijn ten name van de bedrijfsleider in kwestie, moet er worden vastgesteld dat deze laatste (eveneens), rechtstreeks of onrechtstreeks, profijt heeft gehaald uit het voordeel verbonden aan deze terbeschikkingstelling. Dat principe is te veralgemenen tot alle voordelen van alle aard toegekend door een werkgever of een vennootschap aan ieder andere derde persoon, maar die (eveneens), rechtstreeks of onrechtstreeks, een voordeel opleveren aan één van zijn werknemers of bedrijfsleiders.
Aan alle ambtenaren van de niveaus A, B en C.
I. PROBLEEMSTELLING
1. De vraag werd gesteld bij welke belastingplichtige het voordeel van alle aard belastbaar is dat voortvloeit uit het persoonlijk gebruik van een wagen die een vennootschap ter beschikking stelt aan de echtgenoot van een bedrijfsleider van die vennootschap en welke de daaruit voortvloeiende verplichtingen zijn van de vennootschap op het vlak van de inkomstenfiches.
In het uiteengezette geval, had de echtgenoot van de bedrijfsleider geen enkele beroepsmatige band met de betreffende vennootschap.
II. BESCHOUWINGEN EN ADVIES
2. Uit de algemene draagwijdte van artikel 32, tweede lid, 2°, WIB 92, volgt dat de belastbare bezoldigingen van bedrijfsleiders inzonderheid de voordelen van alle aard omvatten die, ongeacht de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld of toegekend, uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid zijn verkregen.
Opdat de door een belastingplichtige-bedrijfsleider verkregen voordelen als belastbare beroepsinkomsten worden aangemerkt, is het immers enkel nodig - en volstaat het - dat deze voordelen voortspruiten uit de uitoefening van de beroepswerkzaamheid door de verkrijger of dat ze daarin hun oorsprong vinden, dat wil zeggen dat ze op de werkzaamheid betrekking hebben en dat ze een rechtstreekse of onrechtstreekse, wezenlijke of bijkomstige opbrengst ervan uitmaken of met andere woorden dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid en het verkrijgen van voordelen. Het is daarbij zonder belang dat de voormelde voordelen rechtstreeks of onrechtstreeks zouden zijn toegekend aan de familieleden of aan de leden van het feitelijke gezin van de desbetreffende bedrijfsleider (zie in dat verband de parlementaire vragen nr. 571 van Volksvertegenwoordiger Daems van 24.9.1996 en nr. 1628 van Volksvertegenwoordiger Van Kessel van 20.1.1999).
3. Of een voordeel al dan niet belastbaar is in hoofde van een werknemer of bedrijfsleider zal steeds dienen beoordeeld te worden met inachtneming van de feitelijke en juridische omstandigheden eigen aan elk geval (zie inzonderheid de parlementaire vraag nr. 467 van mevrouw Veerle Wouters van 14.7.2011).
In dit opzicht heeft de rechtspraak de volgende principes vooropgesteld.
4. Wanneer een voordeel van alle aard niet wordt toegekend aan een werknemer of een bedrijfsleider, maar wordt toegekend aan een derde persoon die een naaste is van de werknemer of de bedrijfsleider (echtgenoot-echtgenote, wettelijk samenwonende, feitelijk samenwonende, zoon-dochter, vriend(in), enz.) zonder dat er een oorzakelijk verband is met het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, is dat voordeel van alle aard ten name van deze derde persoon geen belastbaar beroepsinkomen.
5. Een dergelijk voordeel van alle aard is bovendien maar een belastbare bezoldiging ten name van de werknemer of de bedrijfsleider wanneer deze laatste eveneens een rechtstreeks of onrechtstreeks persoonlijk voordeel haalt uit deze toekenning (zie inzonderheid, Cass. 16.4.1999 en 17.3.2011; Antwerpen, 16.9.2003; Brussel, 2.5.2007; Gent, 8.11.2011; Luik, 1.12.2010).
Hieruit volgt dat wanneer de administratie in dat geval kan aantonen dat de werknemer of bedrijfsleider toch een rechtstreeks of onrechtstreeks persoonlijk voordeel heeft verkregen, zij het recht heeft dat voordeel ten name van deze laatste als een bezoldiging van werknemers of een bezoldiging van bedrijfsleiders te belasten.
6. In dit verband kan inzonderheid in de volgende gevallen worden aangenomen dat de werknemer of bedrijfsleider persoonlijk voordeel verkrijgt uit een dergelijk rechtstreeks aan een derde persoon toegekend voordeel:
- hij gebruikt persoonlijk, alleen of gezamenlijk met de derde persoon, een goed dat aan deze ter beschikking is gesteld;
- een goed toegekend aan een derde persoon verrijkt in feite, geheel of gedeeltelijk zijn vermogenstoestand (bijvoorbeeld wanneer de derde persoon hem dat goed daarna gratis afstaat of wanneer een goed toegekend aan de echtgenote in het gezamenlijk vermogen van de echtgenoten terechtkomt);
- de terbeschikkingstelling van een goed of de toekenning van dat goed aan een derde persoon stelt hem in staat geen uitgaven te moeten doen die hij had moeten dragen zonder de tussenkomst van de werkgever/vennootschap wegens de daadwerkelijke financiële afhankelijkheid van deze derde persoon jegens hem (bijvoorbeeld de terbeschikkingstelling van een voertuig aan de echtgenote of aan een ander lid van het gezin van een bedrijfsleider die hem in staat stelt de uitgaven niet te moeten dragen die verbonden zijn aan de aankoop of de huur van een voertuig voor hen; het uitoefenen door de zoon van een bedrijfsleider die geen deel uitmaakt van het gezin van deze laatste van een aankoopoptie van een voertuig waarvan de vennootschap titularis was, stelt deze bedrijfsleider in staat een voordeel te verwezenlijken dat gelijk is aan het verschil tussen de aankoopprijs die hij had moeten dragen bij afwezigheid van een optie en de optieprijs gedragen door de bedrijfsleider, indien kan worden aangetoond dat de zoon over onvoldoende eigen financiële middelen beschikt om die aankoop te financieren of financieel afhankelijk is van zijn ouders. Dit zal inzonderheid het geval zijn indien de ouders een onderhoudsuitkering betalen aan hun zoon. Deze voorbeelden zijn uiteraard mutatis mutandis van toepassing op de werknemers).
7. Bovendien wordt de aandacht gevestigd op het feit dat voormelde principes slechts van toepassing zijn wanneer het voordeel rechtstreeks wordt toegekend aan een derde persoon, zodat de omstandigheid dat de belastingplichtige in feite zijn voordeel heeft doorgegeven niet de belastbaarheid van het voordeel in zijn hoofde opheft. Er is immers afstand van het voordeel wanneer dat voordeel eerst is toegekend aan de werknemer of aan de bedrijfsleider, die dat voordeel vervolgens afstaat aan een derde persoon.
In dat geval kan worden aangenomen dat de werknemer of de bedrijfsleider het voordeel heeft verkregen. Dat voordeel is dus belastbaar in zijn hoofde, zelfs als hij het doorgeeft en er uiteindelijk geen persoonlijk gebruik van maakt. (Gent, 16.6.1994; REA Antwerpen, 27.5.2002; REA Bergen 17.1.2002 (1), 17.1.2002 (2) en 10.6.2003).
III. BESLUIT
8. Uit het voorgaande volgt dat opdat de voordelen die voortvloeien uit het persoonlijk gebruik van een wagen die door een vennootschap rechtstreeks ter beschikking wordt gesteld aan de echtgenote van een bedrijfsleider in die vennootschap (buiten enig oorzakelijk verband met het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid door de echtgenote ten gunste van de vennootschap) als belastbare beroepsinkomsten ten name van de bedrijfsleider in kwestie kunnen worden aangemerkt, er moet worden vastgesteld dat deze laatste (eveneens), rechtstreeks of onrechtstreeks, profijt heeft gehaald uit het voordeel verbonden aan deze terbeschikkingstelling.
9. Dat voordeel wordt in dat geval steeds belast bij de bedrijfsleider en niet bij zijn echtgenote. De vennootschap is dus ook schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing op het bedrag van het belastbaar voordeel van alle aard en moet dat belastbaar bedrag en die bedrijfsvoorheffing vermelden op een inkomstenfiche nr. 281.20 opgemaakt op naam van de bedrijfsleider.
10. De voormelde principes zijn vanzelfsprekend mutatis mutandis te veralgemenen tot alle voordelen van alle aard (welke dan ook) toegekend door een werkgever of een vennootschap aan ieder andere derde persoon, maar die (eveneens), rechtstreeks of onrechtstreeks, een voordeel opleveren aan één van zijn werknemers of bedrijfsleiders.
11. Tot slot wordt de aandacht erop gevestigd dat wanneer uit de feiten niet blijkt dat het voordeel in kwestie belastbaar is als voordeel van alle aard bij de werknemer of de bedrijfsleider, de administratie artikel 26, WIB 92, zal toepassen door een abnormaal of goedgunstig voordeel te belasten bij de vennootschap die het voordeel verleent.
Voor de Administrateur-generaal van de Fiscaliteit,
S. QUINTENS
Adviseur-generaal - Auditeur-generaal van financiën
