Circulaire nr. AFZ/97-41 d.d. 03.04.1997
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2
In bijlage wordt een samenvatting gegeven van de voornaamste bepalingen van het Koninklijk besluit van 20.12.1996 houdende diverse maatregelen (BS 31.12.1996, vierde uitgave) en van het Koninklijk besluit van 14.11.1996 houdende wijziging van het WIB 92, inzake de belastingvermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten (BS 6.12.1996).
De Adjunct-administrateur-generaal van de belastingen,
J.-M. DELPORTE
BIJLAGE
INHOUDSTAFEL
I. PERSONENBELASTING
- Herwaardering van het kadastraal inkomen
- Herkwalificatie van interesten van voorschotten
- Eenvormigheid van het belastingstelsel van de bezoldigingen van bestuurders en werkende vennoten
- Meerwaarden
A. gespreide belasting
B. meerwaarden op gebouwde onroerende goederen
- Jaarlijkse indexatie van de belastingschalen
- Opheffing van het bankgeheim
- Controle op roerende inkomsten
- Belastingvermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten
II. VENNOOTSCHAPSBELASTING
- Vennootschappen - definitie
- Belastingstelsel D.B.I.
- Onderkapitalisatie van vennootschappen
- Afschaffing van bepaalde aftrekken ingeval van verwerving of van belangrijke wijziging van de controle over een onderneming
III. RECHTSPERSONENBELASTING
- Belastbare grondslag - personen onderworpen aan de RPB
- Meerwaarden op gebouwde onroerende goederen
I. PERSONENBELASTING
Herwaardering van het kadastraal inkomen
1. De verhogingscoëfficiënt van het KI van tweede woningen en van gratis terbeschikking gestelde woningen of van woningen die voor privé-doeleinden verhuurd worden en die sinds het aj. 1995 op 25 pct. is vastgesteld, wordt tot 40 pct. opgetrokken voor de vaststelling van het in de PB belastbare inkomen.
2. Bovendien mag het belastbaar inkomen van de in België gelegen gebouwde onroerende goederen die worden verhuurd aan personen die ze voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid gebruiken of aan rechtspersonen, voortaan niet lager zijn dan het geïndexeerde KI verhoogd met 40 pct.
3. Inwerkingtreding : met ingang van het aj. 1998.
(art. 2 en 49, 1e lid, KB 20.12.1996 - art. 7, § 1, en 518 WIB 92).
Herkwalificatie van interesten van voorschotten
4. Vóór het KB van 20.12.1996 werden de interesten van voorschotten, toegekend aan een vennootschap waarin een natuurlijk persoon of een niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen rechtspersoon bestuurder of vennoot is, aangemerkt als dividenden wanneer die voorschotten hoger waren dan het gestort kapitaal en de belaste reserves van die vennootschap of wanneer de marktrente was overschreden.
5. Met het oog op de bestrijding van de onderkapitalisatie van de vennootschappen (zie ook de nrs 66-68 hierna), wordt de voornoemde maatregel uitgebreid tot de geldleningen die een natuurlijk persoon verstrekt aan een vennootschap waarvan hij aandeelhouder is.
6. Voortaan zal de herkwalificatie van de interesten van voorschotten gebeuren ofwel wanneer de marktrente is overschreden ofwel het totaalbedrag van de rentegevende lening hoger is dan het bedrag van de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk verhoogd met het gestort kapitaal bij het einde van dit tijdperk.
7. Door in de nieuwe tekstredactie van art. 18, 2e lid, WIB 92, te verwijzen naar de bezoldigingen van bedrijfsleiders als bedoeld in het nieuwe art. 32, 1e lid, 1°, WIB 92 (zie nrs 10-17 hierna), wordt het mogelijk om het belastingstelsel van de voorschotten verleend aan kapitaalvennootschappen enerzijds en aan personenvennootschappen anderzijds éénvormig te maken, zodanig dat het onderscheid tussen deze twee soorten vennootschappen kan worden opgeheven.
8. Overigens wordt het woord "vordering" vervangen door het begrip "geldlening", wat verwijst naar een contract, en komen de woorden "verstrekt door" in de plaats van de woorden "vordering op" om te vermijden dat de herkwalificatie slechts zou kunnen worden toegepast op effecten waarvan men de volle eigendom heeft.
9. Inwerkingtreding : op de vanaf 1.1.1997 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten.
(art. 3 en 49, 2e lid, KB 20.12.1996 - art. 18, 1e lid, 3°, tweede gedachtenstreepje, en 2e lid, WIB 92).
Het éénvormig maken van het belastingstelsel van de bezoldigingen van bestuurders en werkende vennoten
10. De vroegere art. 32 en 33 WIB 92, bepaalden respectievelijk het belastingstelsel van de bestuurders en dat van de werkende vennoten.
11. In het oude stelsel kon de door een personenvennootschap aan een zaakvoerder niet-vennoot toegekende bezoldiging niet onder de bezoldigingen van werkend vennoot worden gerangschikt. Zij moest naargelang het geval als een bezoldiging van werknemer of als baten van een winstgevende bezigheid worden aangemerkt.
12. Bij kapitaalvennootschappen daarentegen werden, gelet op de algemene bewoordingen van het oude art. 32 WIB 92, alle beloningen toegekend aan bestuurders, vereffenaars en aan alle andere personen die gelijksoortige functies in een kapitaalvennootschap uitoefenen, als bezoldigingen van bestuurders aangemerkt ongeacht of deze personen al dan niet aandelen bezitten van de vennootschap waarin zij hun opdracht of functies uitoefenen.
13. In het nieuwe stelsel worden alle inkomsten die een vennootschap toekent aan natuurlijke personen die zonder band van ondergeschiktheid, in haar naam optreden, als bezoldigingen van bedrijfsleiders aangemerkt, ongeacht of deze personen al dan niet aandelen in die vennootschap bezitten.
14. De verschillen die bestaan tussen het belastingstelsel van de inkomsten van bestuurders en deze van werkende vennoten worden dus geschrapt en voortaan bestaan er nog slechts 2 categorieën van bezoldigingen, nl. :
1° bezoldigingen van werknemers;
2° bezoldigingen van bedrijfsleiders.
15. Op basis van de doorgevoerde wijzigingen zal het voor de vroegere werkende vennoten niet meer mogelijk zijn om een gedeelte van hun inkomsten aan hun meewerkende echtgenoot toe te kennen.
16. De diverse artikelen van het WIB 92 die verwijzen naar de begrippen "bestuurders en werkende vennoten" worden uiteraard aan de nieuwe terminologie "bedrijfsleiders" of in functie van het nieuwe op hen van toepassing zijnde stelsel aangepast.
17. Inwerkingtreding : met ingang van het aj. 1998.
(art. 4 tot 7, 9 tot 12, 22, 23, 42, 44 tot 46, 48 en 49, eerste lid KB 20.12.1996 art. 30, 32, 33, 38, 11°, 51, 2e lid, 2° en 3°, 52, 11°, 53, 15°, 16° en 18°, 86, 1e lid, 195, § 1, 1e lid en § 2, 1e lid, 196, 343, § 2, 1°, 357, 3°, 454, 1e lid, 458, 2e lid, 156, 2°, 157, 158, 164, 166, 167, 2e lid, 271, WIB 92).
Meerwaarden
A. Het stelsel van de gespreide belasting van de meerwaarden
18. Krachtens art. 47, WIB 92, kunnen meerwaarden verwezenlijkt op immateriële en materiële vaste activa gespreid worden belast, indien een bedrag gelijk aan de verkoopprijs of aan de ontvangen vergoeding onder bepaalde voorwaarden wordt herbelegd.
19. M.b.t. de immateriële vaste activa wordt verduidelijkt dat het stelsel van de gespreide belasting voortaan nog slechts wordt toegestaan voor de meerwaarden verwezenlijkt op vaste activa waarop fiscaal aangenomen afschrijvingen werden toegepast. De andere in art. 47, WIB 92 gestelde voorwaarden om dit stelsel te verkrijgen, worden niet gewijzigd.
20. Inwerkingtreding : op de vanaf 27.9.1996 verwezenlijkte meerwaarden.
(art. 8 en 49, 3e lid, KB 20.12.1996 - art. 47, § 1, 1e lid, 2°, WIB 92).
B. Meerwaarden verwezenlijkt op gebouwde onroerende goederen
21. De huidige belastingheffing van meerwaarden op in België gelegen gronden verwezenlijkt door natuurlijke personen in het kader van het beheer van hun privé-patrimonium of door bepaalde rechtspersonen, wordt tot de in België gelegen gebouwde onroerende goederen uitgebreid.
22. Ter zake worden volgende belastingplichtigen beoogd :
- de natuurlijke personen onderworpen aan de PB;
- de aan de RPB onderworpen belastingplichtigen als bedoeld in art. 220, 3° WIB 92 (zie ook de nrs. 75 en 76 hierna);
- de aan de BNI (andere dan BNI/Ven.) onderworpen belastingplichtigen.
23. De meerwaarden die voormelde belastingplichtigen op in België gelegen gebouwde onroerende goederen verwezenlijken, zijn voortaan belastbaar wanneer ze betrekking hebben op :
- hetzij een gebouwd onroerend goed :
- verkregen onder bezwarende titel en vervreemd binnen vijf jaar na de datum van verkrijging;
- verkregen bij schenking onder levenden en vervreemd binnen drie jaar na de akte van schenking en binnen vijf jaar na de datum van verkrijging onder bezwarende titel door de schenker;
- hetzij een gebouw dat de belastingplichtige heeft opgetrokken op een ongebouwd onroerend goed dat hij onder bezwarende titel of bij schenking onder levenden heeft verkregen, voor zover de bouwwerken een aanvang hebben genomen binnen de vijf jaar na de verkrijging van de grond onder bezwarende titel door de belastingplichtige of door de schenker en het geheel binnen de vijf jaar na de datum van de eerste ingebruikname of verhuring van het gebouw werd vervreemd.
24. In geval van vervreemding van een geheel bestaande uit gebouwde en ongebouwde onroerende goederen, zal de meerwaarde vastgesteld worden volgens de regels van toepassing op de gebouwde onroerende goederen, behalve in het geval dat de verkoopwaarde van de gebouwen lager is dan 30 pct. van de verkoopprijs van het geheel. In deze hypothese zal de meerwaarde verwezenlijkt op het geheel, vastgesteld worden volgens de regels van toepassing op de ongebouwde onroerende goederen.
25. De hierna volgende meerwaarden zijn echter niet belastbaar :
- de meerwaarden verwezenlijkt op gebouwde onroerende goederen die toebehoren aan minderjarigen, aan onbekwaamverklaarden en aan bepaalde geesteszieken, evenals de meerwaarden verwezenlijkt ter gelegenheid van onteigeningen of overdrachten in der minne ten algemenen nutte;
- de meerwaarden verwezenlijkt op een woning waarvoor de woningaftrek als bedoeld in art. 16, WIB 92 kan worden toegestaan voor het ganse tijdperk dat begrepen is tussen 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan dat waarin de vervreemding heeft plaatsgehad en de datum van vervreemding.
26. Het belastbaar bedrag van de meerwaarden is gelijk aan het verschil tussen :
1° enerzijds de prijs waartegen het goed is overgedragen of, indien die hoger is, de waarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW heeft gediend, in voorkomend geval verminderd met de kosten die de belastingplichtige verantwoordt te hebben gedaan of gedragen voor de vervreemding van het goed;
2° en anderzijds de verkrijgingsprijs van het goed, vermeerderd met 25 pct., of met de werkelijk gedragen kosten van verkrijging of van overgang wanneer deze meer bedragen dan 25 pct. De aldus vermeerderde verkrijgingsprijs wordt verhoogd met 5 pct. voor elk jaar dat is verlopen tussen de datum van verkrijging en die van de vervreemding. Vervolgens wordt de aldus vastgestelde verkrijgingsprijs :
- verhoogd met de kosten van werken, die door de eigenaar zijn gedragen en verantwoord en door een geregistreerde aannemer aan het gebouw zijn uitgevoerd, tussen de datum van verkrijging, van eerste ingebruikname of van verhuring, en die van de vervreemding;
- in voorkomend geval verminderd met de vergoedingen verkregen ingevolge schade aan het vervreemde gebouw.
27. De hier beoogde overdrachten van gebouwen geven niet steeds aanleiding tot belastbare meerwaarden.
28. Indien het resultaat van alle verrichtingen tijdens een belastbaar tijdperk in hun geheel beschouwd, negatief is mag dat verlies worden aangerekend op de meerwaarden die de belastingplichtige tijdens de volgende vijf belastbare tijdperken zal verwezenlijken bij de overdracht van gebouwen.
29. Met dien verstande dat op het vlak van de BNI (andere dan BNI/Ven.), de belasting op meerwaarden op gebouwde onroerende goederen, zoals voor de ongebouwde onroerende goederen, aan de bron wordt ingevorderd door de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen en er dus geen verliescompensatie mogelijk is.
30. Deze aan de bron ingehouden belasting slaat trouwens enkel op in België gelegen onroerende goederen die niet voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid zijn aangewend; de gelijkstelling ervan met een voorafbetaling had derhalve geen zin en wordt bijgevolg geschrapt.
31. In tegenstelling tot de meerwaarden op gronden, waarvoor twee aanslagvoeten gelden, nl. 16,5 pct. en 33 pct., zijn alle meerwaarden op gebouwen afzonderlijk belastbaar tegen een aanslagvoet van 16,5 pct.
32. Inwerkingtreding :
art. 13 t/m 19, 32, 33, in de mate dat het belastingplichtigen betreft als vermeld in art. 220, 3°, WIB 92, 36, 2° en 3°, 37, 38, 2°, 47 en 49, 4e lid, KB 20.12.1996 - (art. 90, 1°, en 10°, 91, 92, 93bis, 101, § 2 en § 3, 103, § 3, 171, 4°, e, 223, 225, 4° en 5°, 228, § 2, 9° en 9°, i, 301, 1e lid, 518, 1e lid, WIB 92) : met ingang van 1.1.1997;
Jaarlijkse indexatie van de belastingschalen
33. De gedeeltelijke niet-indexering van de belastingschalen wordt verlengd voor de aanslagjaren 1998 en 1999 (inkomsten van de jaren 1997 en 1998).
(art. 20, KB 20.12.1996 - art. 178, § 3, 1° en 2°, WIB 92).
Opheffing van het bankgeheim
34. In principe is de Administratie der directe belastingen niet gemachtigd om in de rekeningen, boeken en documenten van de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen inlichtingen in te zamelen met het oog op het belasten van hun cliënten.
35. Om het bankgeheim toch te kunnen opheffen, was tot vóór het KB van 20.12.1996 vereist dat het onderzoek concrete gegevens aan het licht bracht "die het bestaan kunnen doen vermoeden, van een mechanisme dat de organisatie van inbreuken op de fiscale wet tot doel of tot gevolg heeft en dat de medeplichtigheid insluit, tussen de instelling en de cliënt, met het oog op belastingontduiking".
36. De voorwaarde van medeplichtigheid van de bankinstelling wordt thans opgegeven zodat het voortaan volstaat dat de derde een "cliënt" is van de bank. Bovendien kan het bankgeheim worden opgegeven van zodra niet alleen het bestaan maar ook de voorbereiding van een mechanisme van belastingontduiking wordt vermoed.
37. Tenslotte wordt aangestipt dat de toestemming tot het instellen van een onderzoek m.b.t. de opheffing van het bankgeheim voortaan ook door de Directeur-generaal van de administratie die het onderzoek heeft uitgevoerd, met gezamenlijk akkoord van de Administrateur-generaal van de belastingen en de Adjunct-administrateur-generaal van de belastingen kan gegeven worden en niet alleen meer door de Directeur-generaal van de Bijzondere Belastinginspectie.
38. Inwerkingtreding : van toepassing op procedurehandelingen m.b.t. het aj. 1997 en volgende.
(art. 41 en 49, 7e lid, KB 20.12.1996 - art. 318, WIB 92).
Het verscherpen van de controle op roerende inkomsten
39. Om een betere kennis te verkrijgen van de inkomsten waarop de roerende voorheffing zou moeten geheven worden en die aan de bestaande controlemechanismen ontsnappen, moet in de jaarlijkse aangifte in de PB het bestaan worden vermeld van rekeningen van elke aard waarvan de belastingplichtige, zijn echtgenoot, alsmede de kinderen waarvan de inkomsten bij die van de ouders worden gevoegd, op enigerlei ogenblik tijdens het belastbaar tijdperk, titularis zijn geweest bij een in het buitenland gelegen bank-, wissel-, krediet- of spaarinstelling en het land of de landen waar die rekeningen geopend zijn geweest.
40. Om een maximale toepassing van deze maatregel mogelijk te maken zal geen vrijstelling van aangifte in de PB meer kunnen worden verleend aan belastingplichtigen die rekeningen hebben in het buitenland en zal in het voorstel van aanslag (tijdelijk verdaagd) worden herinnerd aan de verplichting tot het vermelden van rekeningen in het buitenland.
41. Met betrekking tot de inwerkingtreding van de bepalingen als bedoeld in art. 307, § 1, 2e lid, WIB 92, Wordt aangestipt dat de voor het aj. 1997 in de aangifte PB te vermelden rekeningen van elke aard, deze zijn waarvan de aangever, met ingang van 27.9.1996, op enigerlei ogenblik titularis is geweest.
42. Tevens zijn de belastingplichtigen die titularis zijn van een vorenbedoelde rekening, verplicht de administratie op haar verzoek maar zonder verplaatsing inzage te verlenen van de boeken en bescheiden betreffende die rekeningen.
(art. 39, 40 en 49, 6e en 7e lid, KB 20.12.1996 - art. 307, § 1, 2e lid en 315, 2e lid, WIB 92).
Belastingvermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten
43. Belastingverminderingen voor pensioenen en vervangingsinkomsten worden verhoudingsgewijs afgebouwd wanneer het belastbare inkomen bepaalde grenzen overtreft.
Die afbouwregeling verschilt naargelang het werkloosheidsuitkeringen of pensioenen en andere vervangingsinkomsten betreft.
44. De belastingvermindering m.b.t. werkloosheidsuitkeringen met anciënniteitstoeslag die worden betaald of toegekend aan werklozen die op 1 januari van het aanslagjaar 58 jaar of ouder zijn, wordt voortaan aan dezelfde afbouwregeling onderworpen als de belastingvermindering voor brugpensioen nieuw stelsel.
45. Inwerkingtreding : met ingang van het aj. 1997
(art. 1 en 2, KB 14.11.1996 - art. 151, WIB 92).
II. VENNOOTSCHAPSBELASTING EN BELASTING VAN NIET-INWONERS (VENNOOTSCHAPPEN)
Vennootschappen – Definitie
46. Het huidige onderscheid tussen kapitaalvennootschappen en personenvennootschappen is niet meer verantwoord (zie nr. ... ). Daarom worden de desbetreffende definities in artikel 2, § 2, 3° en 4°, WIB 92 geschrapt. Deze schrapping heeft tevens een aanpassing tot gevolg van de artikelen 227, 2° en 228, § 2, 3°, d, WIB 92 (belasting van niet-inwoners - vennootschappen).
47. Bovendien wordt art. 2 WIB 92 aangevuld met de definitie van bepaalde specifieke vennootschappen Met name de financieringsvennootschappen, de thesaurievennootschappen en de beleggingsvennootschappen.
48. Onder financieringsvennootschap verstaat men enigerlei vennootschap die zich uitsluitend of hoofdzakelijk bezighoudt met dienstverrichtingen van financiële aard (zoals het toestaan van leningen of het waarnemen van het financieel beheer of thesauriebeheer) ten voordele van vennootschappen die met de dienstverrichtende vennootschap, noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks een groep vormen.
49. Onder thesaurievennootschap verstaat men enigerlei vennootschap waarvan de werkzaamheid uitsluitend of hoofdzakelijk bestaat in het verrichten van geldbeleggingen. Dit begrip geldbelegging verwijst naar de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen.
50. De notie beleggingsvennootschap is deze die opgenomen was in het vroegere artikel 203 WIB 92, namelijk een vennootschap die het gemeenschappelijk beleggen van kapitaal tot doel heeft.
51. Inwerkingtreding : op de vanaf 1 januari 1997 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten.
(art. 1, 35, 36, 1° en 49, 2e lid, KB 20.12.1996 - art. 2, 227, 2° en 228, § 2, 3°, d, WIB 92).
Belastingstelsel van de definitief belaste inkomsten (D.B.I)
52. De voorwaarden van minimale deelname (ten minste 5 pct. of met een aanschaffingswaarde van ten minste 50 miljoen frank) in de uitkerende vennootschap evenals, de uitzonderingsgevallen ter zake, werden gehergroepeerd in art. 202, § 2, WIB 92.
53. Deze voorwaarden zijn niet meer van toepassing op de door beleggingsvennootschappen verleende of toegekende inkomsten noch op de door dergelijke vennootschappen verkregen inkomsten.
54. De taxatievoorwaarden waaraan de in artikel 202, § 1, 1° en 2°, WIB 92 vermelde inkomsten moeten beantwoorden om de aftrek als DBI te genieten, zijn opgenomen in het nieuwe artikel 203 WIB 92. Dit artikel bepaalt voortaan vijf categorieën van inkomsten die niet als DBI aftrekbaar zijn.
A. Eerste categorie
55. De door een vennootschap verleende of toegekende inkomsten zijn van het recht op aftrek als DBI uitgesloten wanneer die vennootschap :
- niet onderworpen is aan de vennootschapsbelasting of aan een buitenlandse gelijkaardige belasting;
- of gevestigd is in een "tax haven", t.t.z. een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België.
Uitzonderingen
56. Deze uitsluiting is niet van toepassing op de door intercommunales verleende of toegekende dividenden.
B. Tweede categorie
57. De inkomsten verleend of toegekend door financierings-, thesaurie- of beleggingsvennootschappen die, alhoewel zij onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of aan een gelijkaardige buitenlandse belasting, een belastingregeling genieten die afwijkt van het gemeen recht, zijn uitgesloten van het recht op aftrek als DBI.
Uitzonderingen
58. Deze uitsluiting is niet van toepassing :
1° op de inkomsten verleend of toegekend door beleggingsvennootschappen waarvan de statuten de jaarlijkse uitkering voorzien van minstens 90 pct. van de verkregen inkomsten, na aftrek van de lasten en kosten, in de mate dat die inkomsten voortkomen uit :
- dividenden die de DBI-aftrek zouden kunnen genieten omwille van het feit dat ze niet behoren tot één van de eerste vier in artikel 203, § 1, 1° tot 4°, WIB 92 vermelde categorieën van uitsluiting;
- of meerwaarden op aandelen die zij verwezenlijkt hebben en die in aanmerking komen voor de in artikel 192 WIB 92 bepaalde vrijstelling.
2° op de dividenden verkregen wegens een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming in een financieringsvennootschap gevestigd in een Lidstaat van de Europese Unie :
- wanneer de deelneming beantwoordt aan rechtmatige economische of financiële behoeften;
- en in de mate dat de som van de belaste reserves en het gestorte kapitaal van die financieringsvennootschap gelijk is aan of kleiner is dan 50 pct. van de schulden, voor wat betreft de vanaf 1 januari 1997 verleende of toegekende inkomsten (41,5 pct. voor deze verleend of toegekend vanaf 1 januari 1998 en 33 pct. voor deze verleend of toegekend vanaf 1 januari 1999).
C. Derde categorie
59. De door een vennootschap verleende of toegekende inkomsten zijn uitgesloten van het recht op aftrek als DBI, in de mate dat de door haar verkregen inkomsten, andere dan dividenden, voortkomen uit "off shore"-activiteiten, d.w.z. dat ze hun oorsprong vinden buiten het land van de fiscale woonplaats en in het land van de fiscale woonplaats een afzonderlijke belastingregeling genieten die afwijkt van het gemeen recht.
D. Vierde categorie
60. De door een vennootschap verleende of toegekende inkomsten zijn uitgesloten van het recht op aftrek als DBI, in de mate dat haar winst verwezenlijkt wordt door tussenkomst van buitenlandse inrichtingen die aan een aanslagregeling onderworpen zijn die aanzienlijk gunstiger is dan die waaraan die winst in België zou zijn onderworpen.
Uitzondering
61. Deze uitsluiting is niet van toepassing op de door een binnenlandse vennootschap verleende of toegekende inkomsten, in de mate dat haar winst voortkomt uit een buitenlandse inrichting :
- gevestigd in een land waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten;
- of, bij gebrek aan dergelijke overeenkomst, waarvan de winst in het buitenland een effectieve belasting van ten minste 15 pct. heeft ondergaan.
E. Vijfde categorie
62. De door een vennootschap verleende of toegekende inkomsten zijn uitgesloten van het recht op aftrek als DBI, wanneer die vennootschap dividenden uitkeert die zij zelf heeft verkregen en waarvan het totale bedrag zelf niet ten belope van tenminste 90 pct. als DBI zou kunnen worden afgetrokken, omdat ze behoren tot één of verschillende van de vier in artikel 203, § 1, 1° tot 4°, WIB 92 vermelde categorieën van uitsluiting.
63. De dividenden die rechtstreeks of onrechtstreeks worden verleend of toegekend door een vennootschap vermeld in één van de twee eerste categorieën van uitsluiting, kunnen in elk geval de aftrek als DBI niet genieten.
Uitzonderingen
64. Deze uitsluiting is niet van toepassing op :
1° inkomsten verleend of uitgekeerd door beleggingsvennootschappen;
2° dividenden vermeld in punt 58, 2°, hiervoor;
3° inkomsten verleend of toegekend door een vennootschap die zelf dividenden verkrijgt :
- wanneer die vennootschap een binnenlandse vennootschap is;
- of wanneer die vennootschap een buitenlandse vennootschap is die gevestigd is in een land waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten en die er onderworpen is aan een gelijksoortige belasting als de vennootschapsbelasting, zonder een belastingstelsel te genieten dat afwijkt van het gemeen recht;
- en wanneer de aandelen van die binnenlandse of buitenlandse vennootschap opgenomen zijn in de officiële notering aan een effectenbeurs van een Lidstaat van de Europese Unie of aan een bij koninklijk besluit erkende beurs van een andere Staat;
4° inkomsten verleend of toegekend door een vennootschap die zelf inkomsten verkrijgt die uitgesloten zijn van het recht op aftrek als DBI in België of van het voordeel van een maatregel met een gelijkwaardige uitwerking in het buitenland.
65. Inwerkingtreding : op de vanaf 1.1.1997 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten.
(art. 21, 25 tot 27 en 49, 2e en 8e lid, KB 20.12.1996 - art. 192 en 202 tot 204, WIB 92).
Bestrijding van de onderkapitalisatie van vennootschappen
66. De door een vennootschap betaalde of toegekende interest van leningen wordt voortaan als een verworpen uitgave belast :
- indien de werkelijke verkrijger van die interest niet onderworpen is aan een inkomstenbelasting of, voor die inkomsten, onderworpen is aan een aanzienlijk gunstiger belastingstelsel dan dat welk voortvloeit uit de toepassing van het gemeen recht in België;
- en in de mate dat het totale bedrag van die leningen meer bedraagt dan zeven maal de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk en het gestorte kapitaal bij het einde van het belastbare tijdperk.
Deze bepaling is niet van toepassing op obligaties en andere gelijksoortige effecten uitgegeven door een openbaar beroep op het spaarwezen.
67. Om de DBI-aftrek te kunnen toepassen op de belastbare winst die gevormd wordt door deze nieuwe categorie van verworpen uitgaven, was een aanpassing van de verwijzingen van artikel 205, § 2, WIB 92 noodzakelijk. Deze bepaling werd echter volledig herschreven om de lezing ervan te verduidelijken door de expliciete opsomming van de verworpen uitgaven waarvoor de voormelde aftrek niet wordt toegestaan.
68. Inwerkingtreding : op de vanaf 1 januari 1997 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten.
(artikelen 24, 28 en 49, 2e lid, KB. 20.12.1996 - artikelen 198, 1e lid, 11° en 205, § 2, WIB 92).
Afschaffing van bepaalde aftrekken ingeval van verwerving of belangrijke wijziging van de controle over een onderneming
69. De overgedragen investeringsaftrek die niet werd verleend wegens geen of onvoldoende winst en de vorige beroepsverliezen zijn niet meer aftrekbaar in geval van een verwerving of wijziging van de controle over een onderneming die niet beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften.
70. Wat betreft de rechtmatige financiële of economische behoeften, kan bij de administratie een voorafgaand schriftelijk akkoord worden bekomen.
71. Inwerkingtreding : op de vanaf 1 januari 1997 tot stand gekomen verwerving of wijziging van de controle van een vennootschap.
(artikelen 29, 43 en 49, 5e lid, K.B. 20.12.1996 - artikelen 207, 3e, lid en 345, § 1, 1e lid, 6°, WIB 92).
III. RECHTSPERSONENBELASTING EN BELASTING VAN NIET-INWONERS (RECHTSPERSONEN)
Belastbare grondslag - Personen onderworpen aan de rechtspersonenbelasting
72. De overeenkomstig art. 220, 2°, WIB 92 aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen zijn ook, tegen het gewone tarief van de vennootschapsbelasting, belastbaar op bepaalde kosten die als niet-aftrekbare beroepskosten worden aangemerkt zoals, bijvoorbeeld, de geldboeten, de kosten voor niet-specifieke kledij, 50 pct. van de restaurant- en receptiekosten en van de kosten voor relatiegeschenken, of nog 25 pct. van de kosten en minderwaarden met betrekking tot personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen, met uitzondering van de brandstofkosten.
73. De belasting met betrekking tot die kosten wordt onderworpen aan de vermeerdering ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen zijn gedaan.
74. Inwerkingtreding : vanaf het aj. 1998. Elke wijziging die vanaf 17.12.1996 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de hieronder vermelde artikelen.
(art. 31, 33, 34, 38, 1° en 49, 1e lid, KB 20.12.1996 - art. 222, 225, 226 en 304, § 2, WIB 92)
Meerwaarden op gebouwde onroerende goederen
75. De rechtspersonen die overeenkomstig art. 220, 3°, WIB 92 aan de rechtspersonenbelasting of overeenkomstig art. 227, 3°, WIB 92 aan de belasting van niet-inwoners onderworpen zijn, ondergaan een belasting van 16,5 pct. op de meerwaarden die zij verwezenlijken ter gelegenheid van de overdracht van in België gelegen gebouwde onroerende goederen, volgens gelijkaardige regels als die welke van toepassing zijn voor de vaststelling van de meerwaarden verwezenlijkt door rijksinwoners (zie nrs. ...).
76. Inwerkingtreding : van toepassing vanaf 1 januari 1997.
(art. 32, 33, 36, 2° en 3°, 37, 47 en 49, 4e lid, KB 20.12.1996 - art. 223, 225, 228, § 2, 9°, 301, eerste lid en 518, eerste lid, WIB 92).
