Circulaire nr. Ci.D.19/478.462 van 29.12.1995

CIRC 29.12.95/1
Bull. nr. 757, pag. 196
FISCALE, FINANCIELE EN DIVERSE BEPALINGEN 1995
Beknopt overzicht
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2
In bijlage wordt een samenvatting bezorgd van de voornaamste bepalingen m.b.t. de inkomstenbelastingen en de ermede gelijkgestelde belastingen van de wet van 20.12.1995 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen (BS 23.12.1995 - V 2422, Bull. 757).
Het Hoofdbestuur zal de commentaar op de voormelde wetsbepalingen zo spoedig mogelijk opstellen en verspreiden.
Voor de Directeur-generaal:
De Auditeur-generaal,
E. DE WOLF
BIJLAGE
INHOUDSTAFEL Nr. I. INKOMSTENBELASTINGEN Inkomsten uit verzekeringsbons ................................ 1 Door bestuurders en werkende vennoten betaalde interesten van schulden ...................................... 6 Verhoogde investeringsaftrek voor octrooien ................. 10 Hypothecaire interesten betaald voor vernieuwbouw van een woning .................................. 15 Afzonderlijke aanslag in de PB van roerende inkomsten ........ 18 Niet aftrekbaarheid van interesten tot de DBI uit niet vaste aandelen ...................................... 20 Roerende voorheffing (RV) .................................... 24 Belastingkrediet (BK) ........................................ 28 Aanvullende crisisbijdrage (ACB) ............................. 37 II. MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE BELASTINGEN Accijnscompenserende belasting (ACOB) ........................ 40 Belasting op de inverkeerstelling (BIV) ...................... 48 III. BIJZONDERE BEPALINGEN Forfaitaire belasting van de elektriciteitsproducenten ....... 50 Bezoldigingen december 1994 van de provincie Brabant ......... 52 Eindejaarstoelage december 1996 van ambtenaren ............... 54
INKOMSTEN UIT VERZEKERINGSBONS
1. Gelet op bepaalde anomalieën die in het fiscale stelsel van de inkomsten uit verzekeringsbons werden vastgesteld, werd het nodig geacht dit stelsel op enkele punten te verduidelijken.
2. Opdat die inkomsten niet als roerende inkomsten zouden worden aangemerkt, wordt voortaan uitdrukkelijk vereist dat het met de verzekeringsbon gepaard gaande levensverzekeringscontract door een natuurlijke persoon moet zijn gesloten. Rechtspersonen zijn dus van het voormelde stelsel uitgesloten.
3. Voor contracten met een looptijd van maximaal 8 jaar wordt bovendien als voorwaarde gesteld dat de belastingplichtige die het contract heeft aangegaan alleen zichzelf moet hebben verzekerd en dat de voordelen van het contract bij leven ten eigen gunste moeten zijn bedongen, terwijl het contract ook moet blijven voorzien in het betalen van een kapitaal gelijk aan tenminste 130 % van het totaal van de gestorte premies.
4. Voor contracten met een looptijd van meer dan 8 jaar worden de daaruit voortvloeiende inkomsten bij voortduur niet als roerend beschouwd.

5. Inwerkingtreding: op de vanaf 27.10.1995 gesloten contracten

(art. 2 en 28, 7e lid, W 20.12.1995 - art. 21,9°, WIB 92)
6. De aftrek als beroepskosten van interesten betaald door bestuurders en werkende vennoten wegens schulden aangegaan bij derden voor het inschrijven op maatschappelijke aandelen van de binnenlandse vennootschap waarvan ze periodiek bezoldigingen verkrijgen, wordt afgeschaft.
7. De interesten van schulden om dergelijke aandelen te verwerven op een andere wijze dan bij inschrijving blijven daarentegen aftrekbaar.
8. Bovendien wordt uitdrukkelijk bepaald dat aftrekbaar zijn, de interesten van leningen aangegaan om in te schrijven op kapitaalverhogingen doorgevoerd door een NV om te beantwoorden aan het nieuw opgelegde minimumkapitaal van 2.500.000 F.
9.
Inwerkingtreding: op vanaf 17.10.1995 aangegane schulden
(art. 3, 4, 23 en 28, 3e lid, W 20.12.1995 - art. 52, 11°, 53, 18°, en 523, 2e lid, WIB 92)
10. Tot nog toe konden octrooien maar de verhoogde investeringsaftrek genieten indien ze de aard hadden van milieuvriendelijke investeringen gebruikt ter bevordering van het wetenschappelijk onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe produkten en toekomstgerichte technologieën.
11. Voortaan geven alle octrooien recht op de verhoogde investeringsaftrek.
12. Bovendien wordt opgemerkt dat zowel natuurlijke personen als vennootschappen die verhoogde aftrek kunnen genieten en ongeacht of die vennootschappen al dan niet de aard van KMO hebben.
13. De kenmerken waaraan de voormelde octrooien moeten voldoen zullen bij KB worden vastgelegd.
14.
Inwerkingtreding: vanaf aj. 1997
(art. 5, 6 en 28, 2e lid, W 20.12.1995 - art. 69, 1e lid, 2°, en 77 WIB 92)
15. Voor de aftrek van de interesten van een hypothecaire lening door de belastingplichtige aangegaan om zijn in België gelegen enige woning geheel of gedeeltelijk te vernieuwen, is onder meer als voorwaarde gesteld dat het goed bij het sluiten van het leningscontract sedert ten minste 20 jaar in gebruik is genomen.
16. Deze minimumduur wordt tot 15 jaar teruggebracht ten einde hem te doen overeenstemmen met die welke recent bij KB is ingesteld voor het genot van het verlaagde BTW-tarief.
17. Inwerkingtreding: op de vanaf 01.11.1995 aangegane hypothecaire leningen
(art. 7 en 28, laatste lid, W 20.12.1995 - art. 115,1°, c, WIB 92)
18. Ten gevolge van de verhoging van het tarief van de RV tot 15 % voor sommige roerende goederen (zie nrs. 24 tot 27) wordt voor de inkomsten het tarief van de afzonderlijke aanslag in de PB eveneens op 15 % vastgesteld i.p.v. 13 %.
19.
Inwerkingtreding: vanaf aj. 1997
(art. 9 en 28, 2e lid, W 20.12.1995 - art. 171, 2°bis, WIB 92)
20. De door een vennootschap betaalde interesten zijn niet meer aftrekbaar tot een bedrag gelijk aan dat van de krachtens de art. 202 tot 204 WIB 92 als DBI aftrekbare dividenden verkregen uit aandelen door een vennootschap welke die aandelen, op het ogenblik van hun overdracht, niet gedurende een ononderbroken periode van tenminste 1 jaar heeft behouden.
21. Die interesten blijven niettemin aftrekbaar wanneer ze verband houden:
  • met aandelen in verbonden vennootschappen of in vennootschappen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat, zelfs als die aandelen de aard van geldbelegging hebben;
  • of met andere aandelen die onder de financiële vaste activa zijn opgenomen.
22. Met het oog op de toepassing van de in art. 205, § 2, WIB 92 voorgeschreven beperking van de aftrek van de DBI tot de winst van het belastbare tijdperk, werd deze bepaling aangepast om duidelijk te stellen dat die winst niet moet worden verminderd met de hier bedoelde interesten die als verworpen uitgaven in dezelfde winst zijn begrepen.
23.
Inwerkingtreding: vanaf aj. 1996
(art. 11, 12, 28, 1e lid, W 20.12.1995 - art. 198, 10° en 205, § 2, WIB 92)
24.
Het tarief van 13 % inzake RV werd op 15 % gebracht.
25.
Dit nieuwe tarief is dus van toepassing op:
  • de roerende inkomsten die geen dividenden zijn, zomede op de diverse inkomsten van roerende aard;
  • de dividenden van in art. 269, 2e lid, 2°, WIB 92 bedoelde beursgenoteerde AFV-aandelen waarvoor de vennootschap die de dividenden uitkeert onherroepelijk heeft verzaakt aan het voor haar aan die aandelen verbonden belastingvoordeel;
  • de dividenden van in art. 269, 3e tot 9e lid, WIB 92 bedoelde aandelen uitgegeven vanaf 01.01.1994.
26. De andere tarieven van 25, 20 en 12,5 % inzake RV blijven ongewijzigd.
27. Inwerkingtreding: op de vanaf 01.01.1996 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten, met een afwijking voor inkomsten vereffend binnen een erkend vereffeningsstelstel.
(art. 13 en 28, 4e en 5e lid, W 20.12.1995 - art. 269, 1e lid, 1°, 2e lid, 2°, 3e en 4e lid, WIB 92)
28. a) Door belastingplichtigen - natuurlijke personen die winst of baten behalen mag met de PB een BK worden verrekend van 10 %, met een maximum van 150.000 F, van het meerdere van:
  • het op het einde van het belastbare tijdperk bestaande positieve verschil tussen de fiscale waarde van de in art. 41 WIB 92 vermelde vaste activa en het bedrag van de schulden die verband houden met de beroepswerkzaamheid;
  • ten opzichte van het op het einde van één van de drie voorafgaande belastbare tijdperken bereikte hoogste bedrag van dit verschil.
29. De betrokken belastingplichtigen moeten een attest voorleggen dat ze in orde zijn met de betaling van hun sociale zekerheidsbijdragen.
30. De verrekening van het BK is beperkt tot het deel van de PB dat evenredig betrekking heeft op het bedrag van de nettowinst en -baten waarvoor het is verleend.
31. De PB.gem en de PB/agg. worden berekend vóór de verrekening van het BK.
32. b) Door vennootschappen mag met de Ven.B wanneer die tegen het in art. 215, 2e lid, WIB 92 verlaagde tarief wordt berekend, een BK worden verrekend van 7,5 % met een maximum van 800.000 F, van het positieve verschil tussen:
  • het in geld gestorte kapitaal op het einde van het belastbare tijdperk;
  • en het op het einde van één van de 3 voorafgaande belastbare tijdperken bereikte hoogste bedrag van het in geld gestorte kapitaal.
33. In afwijking daarvan wordt geen BK verleend voor verhogingen van het gestorte kapitaal die door NV's zijn doorgevoerd om te voldoen aan het nieuw opgelegde minimumkapitaal van 2.500.000 F.
34. c) Zowel inzake PB als inzake Ven.B mag het BK dat bij gebrek aan of ontoereikende verschuldigde belasting voor een bepaald aanslagjaar niet kon worden verrekend, worden overgedragen op de daartoe in aanmerking komende belasting van de volgende 3 aanslagjaren.
35. Voor belastingplichtigen die betrokken zijn bij belastingvrije verrichtingen van voortzetting, inbreng, fusie of splitsing zijn er bepalingen getroffen om de overdracht te regelen van het op het ogenblik van de verrichting nog niet verrekende BK, evenwel zonder dat zulks aanleiding mag geven tot een verlenging van de oorspronkelijke termijn.
36.
Inwerkingtreding: vanaf aj. 1997
(art. 8, 10, 14 tot 20, 21, 2°, 22, 23 en 28, 2e lid, W 20.12.1995 - art.
158, 175, 1°, 276, 289bis, 290, 3°, 291, 292bis, 296, 463bis,
§ 1, 1e lid, 1°, 1e streepje, 466 en 523, 1e lid, WIB 92)
37. Met betrekking tot de roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard wordt geen ACB meer geheven op de RV en op de afzonderlijke aanslagen in de PB welke op die inkomsten van toepassing zijn.
38. De verschillende tarieven van 25, 20, 15 en 12,5 % dienen dus niet meer te worden verhoogd met de ACB van 3 %.
39.
Inwerkingtreding:
  • wat de ACB op de afzonderlijke aanslagen in de PB betreft, vanaf aj. 1997;
  • wat de ACB op de RV betreft, op de vanaf 01.01.1996 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten, met een afwijking voor inkomsten vereffend binnen een erkend vereffeningsstelsel.
(art. 21, 1° en 3°, en 28, 2e, 4e en 5e lid, W 20.12.1995 - art. 463bis, § 1, 1e lid, 1° en 2°, en § 3, WIB 92)
ACCIJNSCOMPENSERENDE BELASTING (ACOB)
40. Voor de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen die rijden op gasolie wordt ten bate van de federale Staat een ACOB ingevoerd waarvan het bedrag als volgt is vastgesteld:
AANTAL PK | BEDRAG VAN DE BELASTING IN F ----------------------|-------------------------------------- 4 en minder | 978 5 | 1.224 6 | 1.770 7 | 2.310 8 | 2.856 9 | 3.402 10 | 3.942 11 | 5.118 12 | 6.288 13 | 11.184 14 | 17.268 15 | 19.608 16 | 25.692 17 | 31.764 18 | 37.836 19 | 43.908 20 | 49.992 --------------------------------------------------------------- Wanneer de belastbare kracht 20 PK te boven gaat, is de belasting vastgesteld op 49.992 F, verhoogd met 2.724 F boven 20.
41.
In feite is de ACOB gelijk aan:
  • de helft van de huidige verkeersbelasting (VB) voor voertuigen tot 12 PK;
  • 75 % van de VB voor voertuigen van 13 PK;
  • 100 % van de VB voor voertuigen vanaf 14 PK.
42. NB. De Kamer van Volksvertegenwoordigers heeft onlangs een wetsvoorstel goedgekeurd waarbij de ACOB met 25 % wordt verlaagd voor de voertuigen die bij het ontstaan van de belastingschuld sedert tenminste 5 jaar in het verkeer zijn gebracht en waarvan de belastbare kracht meer dan 13 PK bedraagt (van toepassing vanaf aj. 1996 en voor de laatste maal m.b.t. belastbare tijdperken die aanvangen in het jaar 1999).
43. Deze belasting wordt niet verhoogd met een opdeciem ten bate van de gemeenten en evenmin jaarlijks geïndexeerd.
44.
De ACOB wordt niet toegepast:
  • op personenauto's en auto's voor dubbel gebruik van meer dan 25 jaar in het verkeer;
  • op militaire voertuigen uit verzamelingen;
  • op voertuigen die als persoonlijk vervoermiddel gebruikt worden door groot-oorlogsinvaliden of door gebrekkigen;
  • op voertuigen uitsluitend gebruikt voor een openbare dienst;
  • op voertuigen uitsluitend gebruikt tot gemeenschappelijk vervoer van personen;
  • op ziekenauto's.
45. Niettegenstaande ze van VB zijn vrijgesteld, is de ACOB toch van toepassing:
  • op voertuigen uitsluitend gebruikt op proef;
  • op auto's voor dubbel gebruik bestemd voor de landbouw;
  • op voertuigen uitsluitend aangewend tot een taxidienst of tot verhuring met bestuurder.
46. De ACOB kan ook niet worden verminderd voor voertuigen gebruikt binnen de havenomheining.
47.
Inwerkingtreding: vanaf aj. 1996
(art. 29 en 32, 1e lid, W 20.12.1995 - art. 108 tot 111 WGB)
48. De verhoging van de BIV die van toepassing is op voertuigen die minder dan 6 maanden ingeschreven geweest zijn, wordt geschrapt.
49.
Inwerkingtreding: vanaf 01.01.1996
(art. 30 en 32, 2e lid, W 20.12.1995 - art. 98, § 2, WGB)
III. BIJZONDERE BEPALINGEN
50. De coëfficiënt voor de vaststelling van de belastbare grondslag van de bijzondere aanslag verschuldigd door de elektriciteitsproducenten wordt verhoogd van 11,5 % tot 14 %.
51.
Inwerkingtreding: vanaf aj. 1997
(art. 25 en 28, 2e lid, W 20.12.1995 - art. 35, § 1, W 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale bepalingen en niet-fiscale bepalingen)
BEZOLDIGINGEN DECEMBER 1994 VAN DE PROVINCIE BRABANT
52. De bezoldigingen van de maand 1994 die wettelijk op 02.01.1995 dienden te worden betaald, werden door de voormalige provincie Brabant (dus vóór haar splitsing) reeds in de loop van de maand december 1994 vereffend.
53. Om te vermijden dat de betrokken personeelsleden voor het aj. 1995 zouden worden belast op 13 maandbedragen in plaats van 12, wordt thans bepaald dat die bezoldigingen fiscaal zullen worden beschouwd als bezoldigingen betaald tijdens het belastbaar tijdperk 1995 (= aj. 1996).
(art. 26, W 20.12.1995)
EINDEJAARSTOELAGE DECEMBER 1996 VAN AMBTENAREN
54. Krachtens art. 78, W 20.12.1995 zal de eindejaarstoelage van ambtenaren die normaliter in december 1996 wordt toegekend, pas begin 1997 worden betaald samen met de wedde van december 1996.
55. Er wordt dan ook bepaald dat art. 171, 5°, b, WIB 92 op die toelage niet van toepassing zal zijn, d.w.z. niet als een afzonderlijk belastbaar inkomen in de PB zal worden beschouwd.
(art. 27, W 20.12.1995)