Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 d.d. 14.09.1990 (22e aflevering) (Addendum op 13.05.92)



Bull. nr. 698, pag. 2696

AANSLAG (PB)
Berekening.

HERVORMINGSWET 1988
Uitgaven die in mindering komen van het totale inkomen.


Commentaar op de art. 16 en 17, W. 07.12.1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen:

  • aftrektijdperk voor de van het totale inkomen aftrekbare uitgaven;
  • uitsluiting van de afzonderlijk belaste inkomsten;
  • omslag tussen echtgenoten.


REGELS VOOR DE AFTREK VAN HET TOTALE INKOMEN

Inhoudstabel Nrs. I. WETTEKSTEN II/577 II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE II/578 tot 581 III. AFTREKTIJDPERK II/582 IV. UITSLUITING VAN DE AFZONDERLIJK BELASTE INKOMSTEN II/583 en 584 V. OMSLAG TUSSEN ECHTGENOTEN A. Algemeen II/585 en 586 B. Toepassingsgebied II/587 C. Gemeenschappelijke uitgaven II/588 en 589 D. Personaliseerbare uitgaven II/590 tot 594 E. Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid II/595 F. Volgorde van de aftrekken II/596 G. Beperking van de aftrekken II/597 en 598 H. Voorbeeld II/599 REGELS VOOR DE AFTREK VAN HET TOTALE INKOMEN

I. WETTEKSTEN

Artikel 16

II/577 De in de artikelen 71, § 1, en 72 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en in artikel 15 van deze wet bedoelde lasten worden afgetrokken van de inkomsten van het belastbaar tijdperk waarin zij werkelijk werden betaald.

De krachtens artikel 93 van hetzelfde Wetboek afzonderlijk belaste inkomsten, komen niet in aanmerking voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde lasten.

Artikel 17

Wanneer de aanslag wordt gevestigd op naam van de beide echtgenoten, worden de lasten die van het totale belastbare netto-inkomen van de beide echtgenoten aftrekbaar zijn, met uitzondering van die welke bedoeld worden in de artikelen 71, § 1, 3°, en 72 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, evenredig aangerekend op het netto-inkomen van iedere echtgenoot.

De lasten waarvoor krachtens het eerste lid een uitzondering wordt gemaakt, worden vervolgens bij voorrang aangerekend op het inkomen van de belastingplichtige die ze verschuldigd is. Het eventuele saldo wordt aangerekend op het inkomen van zijn echtgenoot.

Artikel 39

Titel I van deze wet is van toepassing:

1° met betrekking tot de artikelen ... 14 tot 20, ... met ingang van het aanslagjaar 1990;

II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE

II/578 De art. 16 en 17 van de hervormingswet behelzen regels m.b.t. de uitgaven die van het totale inkomen (van het gezin) kunnen worden afgetrokken.

Voor zover de aftrek van die uitgaven door de hervormingswet is ingevoerd, gewijzigd of beïnvloed, wordt daarover commentaar verstrekt in de nrs. II/501 tot 576.

II/579 Art. 16 van de hervormingswet herneemt in feite twee reeds bestaande regels voor het aftrekken van de uitgaven die van het totale inkomen aftrekbaar zijn, namelijk:

  • de bedoelde uitgaven mogen uitsluitend worden afgetrokken in het belastbare tijdperk waarin zij werkelijk betaald zijn;
  • zij worden alleen afgetrokken van de gezamenlijk belaste inkomsten, d.i. met uitsluiting van de afzonderlijk belaste inkomsten.


II/580 Art. 17 van de hervormingswet regelt de omslag tussen gehuwden van de uitgaven die van hun belastbare netto-inkomsten kunnen worden afgetrokken; die omslag houdt verband met de invoering van nieuwe regels inzake decumulatie en huwelijksquotiënt.

De voormelde wetsbepaling maakt een onderscheid tussen uitgaven die respectievelijk als "gemeenschappelijk" en als "personaliseerbaar" kunnen worden betiteld en bepaalt tevens de volgorde waarin die uitgaven worden afgetrokken.

II/581 Zowel art. 16 als art. 17 van de hervormingswet zijn van toepassing met ingang van het aj. 1990 (cf. art. 39, eerste lid, 1°, van dezelfde wet).

III. AFTREKTIJDPERK

II/582 Art. 16, eerste lid, van de hervormingswet bepaalt dat de in de art. 71, § 1, en 72, WIB en in art. 15 van de hervormingswet bedoelde uitgaven worden afgetrokken van de inkomsten van het belastbare tijdperk waarin zij werkelijk zijn betaald.

Behalve voor de nieuwe aftrek van kinderoppaskosten is deze bepaling een bevestiging van een regel die reeds is neergelegd in art. 71, § 2, eerste lid, WIB (zie nr. 71/2, 2°, Com.IB) en art. 72, § 7, eerste lid, WIB (zie nr. 72/77, Com.IB).

Die regel is eveneens van toepassing op sommige krachtens tijdelijke maatregelen van het totale inkomen aftrekbare uitgaven.

IV. UITSLUITING VAN DE AFZONDERLIJK BELASTE INKOMSTEN

II/583 Art. 16, tweede lid, van de hervormingswet bepaalt voortaan uitdrukkelijk dat de krachtens art. 93, WIB afzonderlijk belaste inkomsten niet in aanmerking komen voor de berekening van de in de art. 71, § 1, en 72, WIB en in art. 15, van de hervormingswet bedoelde uitgaven.

Die uitsluiting geldt slechts indien het stelsel van volledige samentelling van alle inkomsten voor de belastingplichtige niet voordeliger uitvalt en de in art. 93, § 1, WIB vermelde inkomsten dus daadwerkelijk afzonderlijk worden belast.

De bedoelde uitgaven kunnen alleen in mindering van het (gezamenlijk belastbare) totale inkomen worden gebracht, d.i. het netto- inkomen gevormd door de gezamenlijke netto-inkomsten van de in art. 6, WIB bedoelde categorieën (inkomsten uit onroerende goederen, inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen, beroepsinkomsten en diverse inkomsten).

II/584 De uitsluiting van de afzonderlijk belastbare inkomsten was wel reeds neergelegd in art. 93, § 2, WIB (zie nrs. 93/43 tot 45, Com.IB), maar was niet uitdrukkelijk ingeschreven in de art. 71 en 72, WIB

Door de invoering van de nieuwe wetsbepaling wordt elke twijfel omtrent de door de administratie toegepaste werkwijze (zie Parl. Vr. nr. 258 van 12.06.1987, van Volksvertegenwoordiger DE ROO, B. 668, blz. 187, en Parl. Vr. nr. 238 van 02.05.1986 van Senator de CLIPPELE, B. 669, blz. 361) opgeheven.

V. OMSLAG TUSSEN ECHTGENOTEN

A. Algemeen

II/585 Art. 17, eerste lid, van de hervormingswet regelt met ingang van het aj. 1990 de omslag tussen de echtgenoten van de uitgaven die van het (gezamenlijk belastbare) totale inkomen van het gezin kunnen worden afgetrokken:

a) de andere uitgaven dan onderhoudsuitkeringen en betalingen voor pensioensparen worden afgetrokken in verhouding tot het belastbare netto- inkomen van elke echtgenoot;

b) de betaalde onderhoudsuitkeringen worden afgetrokken van het inkomen van de echtgenoot die de uitkering verschuldigd is (zie evenwel nr. II/589, eerste gedachtenstreep);

c) de betalingen voor pensioensparen worden afgetrokken van het inkomen van de belastingplichtige-contractant.

Indien de inkomsten van een echtgenoot onvoldoende zijn, wordt het bij hem niet-aftrekbare saldo van de sub b en c bedoelde uitgaven afgetrokken van het inkomen van de andere echtgenoot.

II/586 Art. 17, tweede lid, van de hervormingswet bepaalt de volgorde waarin de verschillende uitgaven worden afgetrokken.

B. Toepassingsgebied

II/587 De omslag tussen echtgenoten van de van het totale gezinsinkomen aftrekbare uitgaven geldt alleen wanneer de aanslag in de PB op naam van de beide echtgenoten wordt gevestigd, d.i. op naam van gehuwden die zich niet in een van de in art. 75, § 1, WIB bedoelde gevallen bevinden (cf. art. 1, 1°, van de hervormingswet).

Met andere woorden, de omslag geldt noch voor het jaar van huwelijk, van echtscheiding of van overlijden van één van de echtgenoten, noch voor de jaren na dat waarin de feitelijke scheiding een aanvang heeft genomen.

In deze gevallen worden de betrokkenen immers als alleenstaanden belast.

C. Gemeenschappelijke uitgaven

II/588 De van het totale gezinsinkomen aftrekbare uitgaven die als gemeenschappelijk voor beide echtgenoten worden beschouwd, worden evenredig op het totale inkomen van elke echtgenoot aangerekend.

Als gemeenschappelijke uitgaven worden aangemerkt:

  • de in art. 71, § 1, 4°, 5°, en 10°, WIB vermelde giften;
  • de in art. 71, § 1, 6°, WIB vermelde erfpacht- en opstalvergoedingen en gelijkaardige vergoedingen;
  • de in art. 71, § 1, 7°, WIB en art. 14 van de hervormingswet vermelde bezoldigingen van een huisbediende;
  • de in art. 71, § 1, 9°, WIB vermelde uitgaven voor onderhoud en restauratie van beschermde onroerende goederen;
  • de in art. 71, § 1, 11°, WIB vermelde bijkomende interesten;
  • de in art. 15 van de hervormingswet vermelde kosten van kinderoppas.


II/589 De evenredige aanrekening is eveneens van toepassing op:

  • de onderhoudsuitkeringen die gezamenlijk door beide echtgenoten verschuldigd zijn (zie nr. II/593);
  • de uitgaven die krachtens tijdelijke maatregelen van het totale inkomen aftrekbaar zijn, met uitzondering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid (zie nr. II/595).


D. Personaliseerbare uitgaven

II/590 De personaliseerbare van het totale inkomen aftrekbare uitgaven, namelijk de in art. 71, § 1, 3°, WIB vermelde onderhoudsuitkeringen of vervangende kapitalen en de in art. 72, § 2, vermelde stortingen voor pensioensparen worden bij voorrang afgetrokken van de inkomsten van de echtgenoot die die uitgaven verschuldigd is; het eventuele saldo wordt van de inkomsten van de andere echtgenoot afgetrokken (In feite wordt één van die beroepsinkomens vooraf verhoogd met de inkomsten zonder beroepskarakter van het gezin (zie nrs. II/656 en volgende).)

II/591 Om uit te maken wie van beide echtgenoten de personaliseerbare uitgaven mag aftrekken, moet dus worden nagegaan wie van hen die uitgaven verschuldigd is.

II/592 Wat de stortingen voor pensioensparen betreft (art. 72, § 2, WIB) zullen zich ter zake normaliter geen moeilijkheden voordoen. Art. 72, § 2, tweede lid, WIB bepaalt immers dat de aftrek wordt toegestaan voor iedere echtgenoot, ongeacht of hij al dan niet belastbare inkomsten heeft, voor zover hij persoonlijk houder is van een spaarrekening of van een spaarverzekering (zie nrs. 72/55 en 72/60, Com.IB).

Die aftrek wordt dan ook vanaf het aj. 1990 uitgevoerd op de eigen inkomsten van de echtgenoot die houder is van de rekening of van de verzekering.

II/593 Wat de onderhoudsuitkeringen betreft (art. 71, § 1, 3°, WIB) moet een onderscheid gemaakt worden tussen:

1° onderhoudsuitkeringen die persoonlijk door één van de echtgenoten verschuldigd zijn (BV aan zijn of haar kind uit een vorig huwelijk of aan zijn of haar moeder of vader);

2° onderhoudsuitkeringen die gezamenlijk door beide echtgenoten verschuldigd zijn (BV door beide ouders aan hun gemeenschappelijk kind).

De sub 1°, vermelde uitkeringen vallen onder de personaliseerbare uitgaven; daaruit volgt dat zij bij voorrang worden afgetrokken van de inkomsten van hem (haar) die ze verschuldigd is en dat het deel dat eventueel zijn of haar inkomsten overtreft, naar de andere echtgenoot wordt overgeheveld.

De sub 2° vermelde uitkeringen worden als gemeenschappelijke uitgaven aangemerkt die evenredig tussen de echtgenoten worden omgeslagen (zie nrs II/588 en 589).

Bij de indeling van de onderhoudsuitkeringen in de ene of de andere categorie moet:

  • geen rekening worden gehouden met het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten
  • niet worden nagegaan door wie en met welke middelen de uitkeringen werkelijk zijn betaald (zie Parl. Vr. nr. 175 van 29.03.1989, van Senator de CLIPPELE, B. 688, blz. 2.449).


II/594 Vak VI, rubriek 5, van de aangifte PB-aj. 1990 bevat afzonderlijke rubrieken en codes voor de vermelding van:

  • enerzijds, de onderhoudsuitkeringen die door één van beide echtgenoten verschuldigd zijn, en
  • anderzijds, de onderhoudsuitkeringen die door beide echtgenoten samen verschuldigd zijn.


E. Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid

II/595 De bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid (art. 60 tot 73, W. 28.12.1983) wordt noch bij de gemeenschappelijke, noch bij de personaliseerbare uitgaven ingedeeld.

Vermits de bij verdrag vrijgestelde inkomsten niet in aanmerking komen voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag van de bijzondere bijdrage (zie nr. 5, circ. 18.10.1984, nr. Ci.RH.26/340.227, B. 634), is om praktische redenen beslist die uitgave slechts helemaal achteraan na de twee hiervoren bedoelde uitgavensoorten aan te rekenen (de aanrekening gebeurt evenredig, doch alleen over de niet-vrijgestelde inkomsten).

F. Volgorde van de aftrekken

II/596 Art. 17, tweede lid, van de hervormingswet verduidelijkt dat:

  • eerst de evenredig tussen de echtgenoten om te slane gemeenschappelijke uitgaven worden afgetrokken;
  • vervolgens de personaliseerbare uitgaven van het overblijvende saldo van de inkomsten worden afgetrokken.


Ten slotte wordt de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid afgetrokken (zie nr. II/595).

G. Beperking van de aftrekken

II/597 De bepalingen van art. 71, WIB houden een aantal beperkingen in, die in absolute cijfers uitgedrukt zijn, namelijk voor giften in het algemeen (10.000.000 F), voor giften aan instellingen die een politieke partij steunen (2.000.000 F per instelling), voor bezoldigingen van een huisbediende (200.000 F) en voor uitgaven voor restauratie en onderhoud van beschermde onroerende goederen (250.000 F). Die beperkingen gelden met inachtneming van de inkomsten van beide echtgenoten samen, ongeacht wie van hen de uitgaven betaald of gedragen heeft.

Het maximum van 20.000 F voor pensioensparen geldt daarentegen voor elke echtgenoot afzonderlijk.

Voor beperkingen die uitgedrukt worden in een percent van het totale inkomen (5 pct. voor giften) wordt vergeleken met het inkomen van beide echtgenoten samen.

II/598 Zoals voorheen kan het deel van de aftrekbare uitgaven dat meer bedraagt dan het totale inkomen (voor echtgenoten: van beiden samen) niet worden overgebracht om te worden afgetrokken BV van de inkomsten van een vorig of van een volgend belastbaar tijdperk.

H. Voorbeeld

II/599 Gegevens:

Echtpaar met 1 kind ten laste. De onroerende inkomsten van het gezin bedragen:
  • K.I. eigen woning: 100.000 F
  • K.I. van 2 privé verhuurde woningen: 150.000 F. In 1989 heeft de man 4.300.000 F belastbare bezoldigingen ontvangen. De vrouw heeft geen persoonlijke beroepsinkomsten. De man heeft in 1989 een premie van een individuele levensverzekering betaald van 65.000 F. Andere uitgaven:
  • een gift van 250.000 F aan een erkende instelling die financiële steun verleent aan een politieke partij;
  • betalingen voor pensioensparen: - man: 20.000 F;
  • vrouw: 20.000 F;
  • onderhoudsuitkering aan de behoeftige moeder van de man: 120.000 F.


Oplossing:

I. BEROEPSINKOMSTEN MAN VROUW TOTAAL Bruto-bezoldigingen : 4.300.000 F Forfaitaire beroeps- kosten (maximum) : - 100.000 F ----------- Blijft : 4.200.000 F Huwelijksquotiënt (maximum) : - 270.000 F 270.000 F ----------- Blijft : 3.930.000 F Levensverzekering (maximum) : - 60.000 F ----------- ----------- --------- ----------- Totale beroepsinkomen: 3.870.000 F 270.000 F 4.140.000 F II. ONROERENDE INKOMSTEN K.I. eigen woning : 100.000 F Woningaftrek : - 100.000 F ----------- O F K.I. verhuurde woningen 150.000 F 150.000 F - 150.000 F ----------- --------- ----------- III. TOTALE INKOMEN 4.020.000 F 270.000 F 4.290.000 F IV. VAN HET TOTALE INKOMEN AFTREKBARE UITGAVEN a) Gemeenschappelijk uitgaven: - gift (250.000 F, beperkt tot (4.290.000 F x 5 pct.) = 214.500 F - 201.000 F - 13.500 F b) Personaliseerbare uitgaven: - betalingen voor pensioensparen : - 20.000 F - 20.000 F - onderhoudsuitkering (120.000 F x 80 pct.) = - 96.000 F ----------- --------- V. GEZAMENLIJK BELASTBAAR INKOMEN: 3.703.000 F 236.500 F (1e aanslagbasis)(2e aanslagbasis) II/600...