Circulaire nr. AFZ/99-0792 dd. 11.10.1999
Bull. nr. 798, pag. 3388
ADMINISTRATIE VAN DE ONDERNEMINGS- EN INKOMENSFISCALITEIT
Bevoegdheid van de AOIF.
BELASTINGONTDUIKING
Bestrijding van de belastingontduiking.
Bijzonder mechanisme inzake belastingontduiking.
WET
Wet betreffende de beslechting van fiscale geschillen.
Wet betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken.
WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992
Wijzigingswet.
WETBOEK VAN DE MET DE IB GELIJKGESTELDE BELASTINGEN
Wijzigingswet.
Eerste commentaar op
Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, van de
Administratie van de bijzondere belastinginspectie van de
Administratie van de invordering.
Hierna volgt een eerste commentaar op de bepalingen van de W 15.3.1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (BS van 27.3.1999 - verder W 15.3.1999), de W 23.3.1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken (BS van 27.3.1999 - verder W 23.3.1999), W 28.4.1999 tot aanvulling, wat de bestrijding van de fraude betreft, van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 op de bankcontrole en het uitgifteregime voor titels en effecten en van de wet van 9 juli 1935 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen (BS van 25.6.1999 - verder W 28.4.1999), het KB 25.3.1999 tot uitvoering van art. 7, W 23.3.1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken (BS van 27.3.1999 - verder KB 25.3.1999) en het KB 3.5.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92 (BS van 4.6.1999 - verder KB 3.5.1999).
INHOUD
INLEIDING
DEEL I. INKOMSTENBELASTINGEN EN MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE BELASTINGEN
A. Voorheffingen
B. Vestiging van de belastingen
C. Administratief beroep
D. Met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
E. Invordering van de belasting
F. Strafbepalingen
DEEL II. DIVERSE BEPALINGEN
A. Wijziging aan de W 8.8.1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979 - 1980
B. Aanpassing van de fiscale wetgeving ingevolge de herstructurering van de fiscale administraties
DEEL III. RECHTERLIJKE INRICHTING
A. Inleiding
B. Gerechtelijk Wetboek
C. Wetboek van strafvordering
INLEIDING
1. De in deze commentaar besproken wetten en koninklijke besluiten voeren in wezen een globale hervorming in van de procedure betreffende de beslechting van fiscale geschillen door nog enkel aan de rechterlijke macht rechtsbevoegdheid toe te kennen inzake de betwistingen met betrekking tot een belastingwet.
Teneinde overeenkomstig de wens van de wetgever "een echt gemeen recht dat van toepassing is voor alle belastingen" in te voeren, werden de regels die van toepassing zijn op elke soort van belasting aangepast en dienovereenkomstig geharmoniseerd.
2. Deze circulaire behandelt in deel I het aspect van de inkomstenbelastingen en met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, belicht in deel II enkele diverse bepalingen en bespreekt in deel III de rechterlijke inrichting.
De eerste commentaar inzake de nieuwe fiscale procedure op het vlak van de BTW en de Douane- en Accijnzen enerzijds en de registratie-, hypotheek- en griffierechten, successierechten, zegelrechten en het met het zegel gelijkgestelde taksen anderzijds, zullen in twee afzonderlijke circulaires worden besproken.
DEEL I. INKOMSTENBELASTINGEN EN MET DE INKOMSTEN GELIJKGESTELDE BELASTINGEN
A. VOORHEFFINGEN
3. Inzake roerende en bedrijfsvoorheffing wordt het woord "verschul- digd" vervangen door het woord "opeisbaar". Het nieuwe woordgebruik heeft tot doel de terminologie inzake directe en indirecte belastingen beter op elkaar af te stemmen. Voortaan wordt immers een onderscheid gemaakt tussen de opeisbaarheid van de belasting (= het ontstaan van de belastingschuld) en de opeisbaarheid van de betaling (= de termijn binnen dewelke de belasting moet worden betaald).
Inwerkingtreding: 6.4.1999
(art. 2 tot 4, W 15.3.1999 - art. 267 en 273, WIB 92)
B. VESTIGING VAN DE BELASTINGEN
Algemene bepalingen - Kohieren
4. De aanwijzing van de ambtenaren of diensten die ermede belast zijn de aangiften in ontvangst te nemen en te onderzoeken, alsmede de aanslagen te vestigen en de belastingen in te vorderen heeft geen normatieve maar wel een organisatorische draagwijdte en behoort tot de macht die de Grondwet aan de Koning toekent om de administraties van het Rijk te organiseren. Om die reden wordt art. 297, 1ste lid, WIB 92 opgeheven. Het KB 3.5.1999 verbetert de bepalingen die in het KB/WIB 92 naar het opgeheven art. 297, eerste lid, WIB 92 verwijzen.
Inwerkingtreding : 6.4.1999
(art. 5, W 15.3.1999 - art. 297, 1ste lid, WIB 92)
(art. 1 tot 5, KB 3.5.1999 - art. 30, 2de lid, 84, 90, § 1, 1ste lid en § 2 en 137, KB/WIB 92)
5. Wat de opmaak en de uitvoerbaarverklaring van de kohieren betreft, worden twee wijzigingen aangebracht:
Inwerkingtreding : 6.4.1999
(art. 6 en 48, W 15.3.1999 - art. 298 en 469, 4de lid, WIB 92)
6. In art. 304, § 1, WIB 92 wordt nu duidelijk een onderscheid gemaakt tussen de aanslagen die betrekking hebben op voorheffingen en die betreffende de eigenlijke belastingen. Bovendien worden alle aanslagen ten kohiere gebracht ongeacht het bedrag ervan, met uitzondering van de aanslagen in de onroerende voorheffing die betrekking hebben op een kadastraal inkomen van minder dan 600 BEF (14,87 EUR) per artikel van de kadastrale legger; de aanslagen inzake belastingen worden evenwel niet ingevorderd of teruggegeven indien het bedrag na verrekening van de voorheffingen, voorafbetalingen en andere bestanddelen kleiner is dan 100 BEF (2,48 EUR).
Door die wijzigingen in art. 304, WIB 92 heeft art. 365, WIB 92 geen reden van bestaan meer. Het artikel wordt derhalve opgeheven.
Inwerkingtreding: Wat de nieuwe bepalingen van art. 304, WIB 92 betreft, 6.4.1999. Wat de opheffing van art. 365, WIB 92 betreft, vanaf aj. 1999.
(art. 7 en 22, W 15.3.1999 - art. 304, § 1 en 365, WIB 92)
Aangifte
7. Tot nog toe kon de belastingplichtige zijn aangifteplicht enkel vervullen door het hem toegestuurde formulier in te vullen, te ondertekenen en terug te sturen. De Koning heeft nu de mogelijkheid gekregen om de voorwaarden vast te leggen die toelaten dat de in een aangifteformulier gevraagde gegevens bij middel van computerafdrukken of van elektronische informatiedragers worden verstrekt.
Inwerkingtreding : 6.4.1999
(art. 8, W 15.3.1999 - art. 307, § 5, WIB 92)
Onderzoek en controle
8. Krachtens art. 327, § 5, WIB 92 moet de Commissie voor het Bank- en Financiewezen de Minister van Financiën onmiddellijk inlichten wanneer zij vaststelt dat een instelling waarover zij de controle uitoefent, heeft bijgedragen tot het opzetten van een mechanisme dat tot doel of tot gevolg heeft inbreuken te organiseren op de fiscale wetgeving en dat een medeplichtigheid insluit tussen de instelling en de cliënt met het oog op belastingontduiking.
Hoewel het oorspronkelijk de bedoeling was de tekst te verbeteren en de Controledienst voor de Verzekeringen een zelfde verplichting op te leggen, is tijdens de bespreking van het wetsontwerp in de Senaat aan het licht gekomen dat de vernieuwde versie van art. 327, § 5, WIB 92 (de Commissie voor het Bank- en Financiewezen informeert de Minister van Financiën onmiddellijk wanneer zij vaststelt dat een instelling waarover zij de controle uitoefent, een bijzonder mechanisme heeft opgezet dat tot doel of tot gevolg heeft belastingontduiking door derden aan te moedigen) in feite een schending inhoudt van de Europese bankrichtlijn. Volgens die richtlijn is een meldingsplicht van de genoemde Commissie enkel in overeenstemming te brengen met het beroepsgeheim in gevallen die onder het strafrecht vallen.
Om die reden wordt art. 327, § 5, WIB 92 opgeheven en kan er ook geen sprake zijn van een uitbreiding van die bepaling naar de Controledienst voor de Verzekeringen. Anderzijds wordt de Commissie voor het Bank- en Financiewezen er evenwel toe verplicht bij het gerecht aangifte te doen van de bijzondere mechanismen die door een kredietinstelling of een beleggingsonderneming die onder haar toezicht staat, zijn opgezet met als doel of gevolg fiscale fraude door derden te bevorderen, wanneer zij er kennis van heeft dat deze bijzondere mechanismen voor de kredietinstelling of beleggingsonderneming zelf, als dader, mededader of medeplichtige, een onder het strafrecht vallend fiscaal misdrijf vormen.
In toepassing van art. 327, § 4, WIB 92 kan de Administratie dan via die weg kennis krijgen van de bijzondere mechanismen.
Inwerkingtreding: 6.4.1999
(art. 9 en 96, W 15.3.1999 - art. 327, § 5, WIB 92)
9. Aangezien de in nr. 8, laatste lid vermelde meldingsplicht enkel bestaat in het WIB 92, heeft de wetgever echter geoordeeld dat het noodzakelijk is een algemene bepaling te maken die dienstig is voor alle fiscale administraties. In de W 28.4.1999 wordt daarom bepaald dat de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de Hoven en rechtbanken, waarbij een strafzaak aanhangig is, waarvan het onderzoek indiciën van ontduiking inzake directe of indirecte belastingen aan het licht brengt, de Minister van Financiën hierover zullen inlichten. Dientengevolge kon. art. 327, § 4, WIB 92 worden opgeheven.
In dezelfde wet wordt bovendien vastgelegd dat de Controledienst voor de verzekeringen bij het gerecht aangifte doet van de bijzondere mechanismen die door een instelling of onderneming die onder zijn toezicht staat, zijn opgezet met als doel of gevolg fiscale fraude te bevorderen, wanneer die Controledienst er kennis van heeft dat deze bijzondere mechanismen in hoofde van die instellingen of ondernemingen zelf, als dader, mededader of medeplichtige, een onder het strafrecht vallend misdrijf vormen. Op die manier gelden nu dezelfde regels zowel voor de ondernemingen die onder het toezicht staan van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen als voor de ondernemingen die onder het toezicht staan van de Controledienst voor de verzekeringen.
Inwerkingtreding: 5.7.1999
(art. 2 tot 4, W 28.4.1999 - art. 327, § 4, WIB 92)
10. Art. 332, WIB 92 legt de Administratie van de directe belastingen op er zorg voor te dragen dat de fiscale toestand van de belastingplichtige ten minste éénmaal om de drie jaar wordt onderzocht.
Volgens een advies van de Raad van State bij een vroeger ontwerp regelt dit artikel enkel en alleen een methode van inwendige organisatie van de belastingadministratie. Het heeft dus geen normatieve draagwijdte. Derhalve wordt dit artikel opgeheven.
Inwerkingtreding : 6.4.1999
(art. 10, W 15.3.1999 - art. 332, WIB 92)
11. Wanneer de aanslagtermijn met maximum twaalf maanden werd verlengd ingevolge een bezwaarschrift dat door de belastingplichtige werd ingediend tijdens de buitengewone aanslagtermijn van drie jaar, beschikte de administratie over geen onderzoekstermijn om bijkomende onderzoekingen te verrichten met het oog op het vestigen van de eventuele aanvullende aanslagen binnen die termijn (zie Com.IB 92, art. 353 tot 359, WIB 92, Overzicht, nr. VIII). De aanvulling van art. 333, 2de lid, WIB 92 met de woorden "en in de termijn bedoeld in artikel 354, vierde lid" geeft de Administratie nu wel de mogelijkheid om onderzoekingen te verrichten binnen de uitgebreide aanslagtermijn, maar die termijn wordt beperkt tot zes maanden (zie nr. 17).
Inwerkingtreding : Vanaf aj. 1999
(art. 11 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 333, WIB 92)
12. Het beroepsgeheim van de ambtenaren van de Administratie der directe belastingen wordt opgeheven wanneer zij met betrekking tot de fiscale toestand van een belastingplichtige een vraag om raadpleging, uitleg of mededeling inwilligen van de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd. Deze nieuwe uitzondering heeft vooral tot doel aan de (feitelijk gescheiden) echtgenoot de inlichtingen over de fiscale toestand van zijn echtgenoot te kunnen verstrekken die hij nodig heeft met het oog op het indienen van een bezwaarschrift, wanneer de aanslag op zijn goederen wordt ingevorderd.
Inwerkingtreding: 6.4.1999
(art. 12, W 15.3.1999 - art. 337, WIB 92)
Aanslagprocedure
13. Krachtens art. 343, WIB 92 kon de Administratie der directe belastingen met de belastingplichtige een driejarig akkoord afsluiten omtrent het nettobedrag van de winst of de baten indien het voor het eerste jaar 100.000 BEF (2.478,94 EUR) niet overtrof.
Die bepaling wordt thans opgeheven.
Inwerkingtreding : Vanaf aj. 1999. Evenwel behouden de akkoorden die zijn gesloten op grond van art. 343, WIB 92, zoals het bestond alvorens door art. 13, W 15.3.1999 te zijn opgeheven, hun volle uitwerking voor de latere ajn onverminderd de toepassing van art. 343, § 3, WIB 92 en van art. 368, WIB 92, zoals het was opgesteld vóór de opheffing ervan door art. 26, W 15.3.1999.
(art. 13 en 97, 5° en 6° lid, W 15.3.1999 - art. 343, WIB 92)
14. De artikelen 347 tot 350, WIB 92 geven de belastingplichtige de mogelijkheid hun betwisting vóór taxatie voor te leggen aan de fiscale commissie of het comité van advies. Aangezien evenwel slechts zelden van de mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, heeft de Koninklijke Commissie tot harmonisering en vereenvoudiging van de fiscaliteit vroeger reeds gesuggereerd die bepalingen op te heffen. Die suggestie wordt nu verwezenlijkt.
Inwerkingtreding : Vanaf 6.4.1999. Evenwel blijven de artikelen 347 tot 350, WIB 92, zoals zij bestonden alvorens te zijn opgeheven door de artikelen 14 tot 17, W 15.3.1999 van toepassing met betrekking tot de berichten van wijziging of de berichten van aanslag van ambtswege waarvoor de procedure van raadpleging van de fiscale commissie of van het comité van advies nog niet is beëindigd.
(art. 14 tot 17 en 97, 4de lid, W 15.3.1999 - art. 347 tot 350, WIB 92)
Aanslagtermijnen
15. Wat de aanslagtermijnen betreft, zijn er twee belangrijke wijzigingen:
17. In art. 354, WIB 92 zijn er verder nog twee kleine aanpassingen in het 4de lid. Vooreerst wordt de maximumtermijn van twaalf maanden verkort tot zes maanden. De termijn van zes maanden heeft betrekking op de administratieve fase van het geschil. Na het verstrijken van de termijn van zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift heeft de belastingplichtige immers de mogelijkheid naar de rechtbank te gaan met zijn geschil (zie art. 9, W 23.3.1999: invoeging van art. 1385undecies in het Ger.W - zie ook deel III, Rechterlijke Inrichting, nr. 17, tweede lid, tweede gedachtenstreepje).
Tevens stelt datzelfde art. 354, 4de lid, WIB 92 nu dat die aanslagtermijn ook geldt ingeval de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, een bezwaarschrift heeft ingediend.
18. Art. 355, WIB 92 bepaalde dat wanneer een aanslag nietig is verklaard omdat hij niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de verjaring, de Administratie een nieuwe aanslag kon vestigen. Die nieuwe aanslag moest worden gevestigd binnen drie maanden vanaf de datum waarop de beslissing van de directeur der belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar definitief is geworden, hetzij binnen zes maanden vanaf de datum waarop de rechterlijke beslissing definitief is geworden. Anderzijds beschikte de Administratie krachtens art. 356, WIB 92 over de mogelijkheid om in de loop van de gerechtelijke procedure een subsidiaire aanslag aan de beoordeling van het gerecht te onderwerpen.
19. Door de art. 20 en 21, W 15.3.1999 wordt de mogelijkheid tot herbelasting wanneer een aanslag nietig is verklaard omdat hij niet is gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, de regel betreffende de verjaring uitgezonderd, opgesplitst in:
20. In art. 355 en 356, WIB 92 wordt bovendien een bepaling ingevoegd die een praktisch probleem oplost. In het verleden ontstonden discussies over hoe een vernietigde terugbetaling van voorheffingen en/of voorafbetalingen moest worden behandeld. De betrokken belastingplichtige had meestal reeds geruime tijd voor de vernietiging de terugbetaling ontvangen en was niet steeds bereid tot vrijwillige terugstorting aan de ontvanger ingevolge de vernietiging van de aanslag. Art. 355, 2de lid en 356, 2de lid, WIB 92 stellen nu duidelijk dat bij de vestiging van de nieuwe aanslag of bij de berekening van de aan het oordeel van het gerecht onderworpen subsidiaire aanslag rekening wordt gehouden met de gedane teruggave.
Inwerkingtreding: Wat de nieuwe bepalingen van de art. 353 en 354, WIB 92 betreft, 6.4.1999. Wat de art. 355 en 356, WIB 92 betreft, vanaf het aanslagjaar 1999.
(art. 18 tot 21 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 353 tot 356, WIB 92)
C. ADMINISTRATIEF BEROEP
Aard van het bezwaar
21. Zoals men weet verleende de rechtspraak van het Hof van Cassatie een jurisdictioneel karakter aan de beslissing van de directeur der belastingen.
Deze traditionele benadering is volledig in vraag gesteld door het arrest dat het Arbitragehof op 10.6.1998 heeft gewezen (arrest nr. 67/98, in zake WALGRAFFE, BS 12.9.1998, blz. 29399).
In antwoord op de prejudiciële vraag die de Rechtbank van eerste aanleg te Namen had gesteld, doet het Arbitragehof geen uitspraak over de vraag naar de aard van het door het oude art. 366, WIB 92 georganiseerde verhaal, maar maakt het Hof een analyse van de gevolgen van de twee interpretaties die kunnen worden weerhouden.
Het Hof is inderdaad van oordeel dat:
Het is van belang te vermelden dat zulks wordt bevestigd:
23. Het feit dat het bezwaar een administratief beroep is, heeft een dubbel gevolg:
De nieuwe tekst van art. 375, § 2, WIB 92 behoudt inderdaad het principe dat reeds in het oude art. 375, 2de lid, WIB 92 was terug te vinden en volgens hetwelk het de directeur niet toegelaten is "bij zijn beslissing een aanvullende aanslag te vestigen, noch de compensatie te verwezenlijken tussen een rechtmatig bevonden ontheffing en een ontoereikendheid van de aanslag die zou zijn vastgesteld".
Bezwaarrecht van gescheiden echtgenoot
25. Ten einde te voldoen aan de rechtspraak van het arrest van 27.6.1996 van het Arbitragehof (arrest nr. 39/96, in zake L. TRIENPONT, BS 9.8.1996, blz. 21300), bepaalt de tekst van het nieuwe art. 366, WIB 92 uitdrukkelijk het bezwaarrecht van de "echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd".
Uit de voorbereidende werken blijkt dat het vertrekpunt van de bezwaartermijn de dag is "waarop de ontvanger de niet in het kohier opgenomen echtgenoot inlicht nopens zijn voornemen om de belastingschuld, gevestigd op naam van de feitelijk gescheiden echtgenoot daadwerkelijk in te vorderen" (Parl. St., Kamer, Zitting 1997 - 1998, nr. 1341/15, blz. 13).
Er wordt aan herinnerd dat de wetgever de tekst van art. 337, WIB 92 betreffende het beroepsgeheim gewijzigd heeft, ten einde de echtgenoot toe te laten een bezwaarschrift (of een aanvraag om ambtshalve ontheffing) met kennis van zaken in te dienen (zie nr. 12 hiervoor).
Omdat de echtgenoot voortaan bezwaar kan indienen, heeft de wetgever ook het art. 394bis, WIB 92 opgeheven (zie deel I, nr. 41 hierna).
Inwerkingtreding: 27.3.1999
(art. 24 en 97, 2de lid, W 15.3.1999 - art. 366, WIB 92)
Omvang van het bezwaar
26. In tegenstelling met wat eerst was voorzien, heeft de wetgever het principe behouden volgens hetwelk een bezwaarschrift gericht tegen een aanslag die gevestigd is op betwiste bestanddelen, van ambtswege geldt voor de andere aanslagen die op dezelfde bestanddelen gevestigd zijn.
De nieuwe tekst wijzigt enkel de terminologie.
Inwerkingtreding: Vanaf aj. 1999
(art. 25 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 367, WIB 92)
Winsten en baten forfaitair in aanmerking genomen voor drie opeenvolgende aanslagjaren
27. Art. 368, WIB 92 bepaalde dat de inkomsten die overeenkomstig art. 343, WIB 92, forfaitair in aanmerking zijn genomen voor drie opeenvolgende aanslagjaren, in geen enkel geval mogen worden betwist door middel van een bezwaarschrift of een voorziening.
Deze bepaling heeft door de opheffing van art. 343, WIB 92 uiteraard zijn bestaansreden verloren (zie nr. 13 hiervoor). Ze is dan ook opgeheven.
Inwerkingtreding: Vanaf aj. 1999; het art. 368, WIB 92 blijft evenwel van toepassing op de akkoorden die voor de opheffing ervan zijn gesloten - zie art. 97, 6de lid, W 15.3.1999.
(art. 26 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 368, WIB 92)
Ontvangstbewijs van het bezwaarschrift
28. De nieuwe tekst van art. 370, WIB 92 bepaalt uitdrukkelijk dat het ontvangstbewijs van het bezwaarschrift de datum van ontvangst van het bezwaarschrift moet vermelden.
Deze datum van ontvangst is van bijzonder belang voor:
(art. 27 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 370, WIB 92)
Beperking van de bezwaartermijn
29. Om de afhandeling van de procedure te bespoedigen, is de termijn om een bezwaarschrift in te dienen, teruggebracht tot 3 maanden.
Het nieuwe art. 371, WIB 92 bepaalt inderdaad:
"De bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier".
Die inkorting kan in bepaalde gevallen voor problemen zorgen. Zulks zal bijvoorbeeld het geval zijn inzake onroerende voorheffing, waarvoor de aanslagperiode overeenstemt met het aanslagjaar. Het is immers mogelijk dat een improductiviteit, die recht geeft op een vermindering van de onroerende voorheffing, zich voordoet na het verstrijken van de bezwaartermijn. Uit de verklaringen die tijdens de voorbereidende werkzaamheden zijn afgelegd (Parl. St., Kamer, Zitting 1998 - 1999, nr. 1341/23, blz. 17 en 18) blijkt dat in dergelijk geval, wordt aangenomen dat zich een nieuw feit heeft voorgedaan dat het indienen toelaat van een aanvraag tot ontheffing van ambtswege binnen de in art. 376, § 1, WIB 92 vastgestelde termijn.
Inwerkingtreding: Vanaf aj. 1999
(art. 28 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 371, WIB 92)
Nieuwe grieven
30. De wet handhaaft het principe volgens hetwelk ter aanvulling van het oorspronkelijk bezwaarschrift geheel nieuwe grieven kunnen worden ingediend, zolang geen beslissing is gevallen.
Inwerkingtreding: Vanaf aj. 1999
(art. 29 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 372, WIB 92)
Buitengewone bezwaartermijn
31. Het art. 373, WIB 92 handhaaft een buitengewone bezwaartermijn om de belastingschuldige ten laste van wie een aanvullende aanslag voor een bepaald aanslagjaar is gevestigd, toe te laten een bezwaar in te dienen tegen de overbelasting die dat supplement heeft doen ontstaan in een of meerdere aanslagen gevestigd op naam van dezelfde belastingplichtige en waarvoor de andere in de wet bepaalde bezwaartermijnen verstreken zijn.
In een streven naar eenvormigheid, stelt de wet de bezwaartermijn voortaan vast op 3 maanden vanaf de verzendingsdatum van het aanslagbiljet dat het supplement bevat (in plaats van 6 maanden voorheen).
De nieuwe tekst opent bovendien dezelfde mogelijkheid en dezelfde termijn voor de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd.
Inwerkingtreding: Vanaf aj. 1999
(art. 30 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 373, WIB 92)
Behandeling van de bezwaarschriften
32. Onder verwijzing naar de desbetreffende artikelen van het Wetboek, legt het art. 374, 1ste lid, WIB 92 de bewijsmiddelen en de bevoegdheden vast waarover de Administratie beschikt om de behandeling van de bezwaarschriften te verzekeren.
Door de wet wordt de lijst van de geciteerde artikelen aangepast aan de wijzigingen die in het Wetboek worden aangebracht.
33. Terwijl de taxatiediensten dat recht normaal niet hebben, is de Administratie gemachtigd om, in de fase van de behandeling van het bezwaarschrift, van de kredietinstellingen en van het Bestuur der postcheques alle inlichtingen te vorderen waarvan zij kennis hebben en die nuttig kunnen zijn voor het onderzoek van de gegrondheid van het bezwaarschrift (art. 374, 2de lid, WIB 92).
De wet past de gebruikte terminologie aan door voor de toekomst de "kredietinstellingen onderworpen aan de wet van 22 maart 1993 op het statuut en het toezicht op de kredietinstellingen" te beogen.
34. Het oude art. 374, 3de lid, WIB 92 liet de bezwaarindiener toe, nadat hij zulks schriftelijk had gevraagd, gehoord te worden en inzage te krijgen van de stukken met betrekking tot de betwisting waarvan hij geen kennis had.
In zijn nieuwe versie bepaalt het art. 374, 3de lid, WIB 92 :
"Wanneer de bezwaarindiener zulks in zijn bezwaarschrift heeft gevraagd, zal hij worden gehoord. Te dien einde zal hij worden uitgenodigd zich binnen een termijn van dertig dagen aan te melden".
Daaruit volgt dat de bezwaarindiener voortaan in zijn bezwaarschrift zelf, moet vragen om gehoord te worden.
De voorbereidende werken verduidelijken bovendien dat wanneer de nieuwe tekst niet meer het recht vermeldt om inzage te krijgen van de stukken, zulks het gevolg is van het feit dat die materie inmiddels geregeld is door de W 11.4.1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, zodat de oude tekst van het Wetboek overbodig was geworden (Parl. St., Senaat, Zitting 1998 -1999, nr. 1-966/7, blz. 5).
Inwerkingtreding: Vanaf aj. 1999
(art. 31 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 374, WIB 92)
Directoriale beslissing
35. Zoals reeds is opgemerkt (zie nr. 21 hiervoor), bepaalt het art. 375, WIB 92 in zijn nieuwe versie uitdrukkelijk dat de directeur der directe belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar, beslist "als administratieve overheid".
In tegenstelling tot wat het Hof van Cassatie in het verleden heeft uitgesproken, is de beslissing van de directeur geen jurisdictionele handeling meer die gezag van het rechterlijk gewijsde heeft.
Zoals uiteengezet in de voorbereidende werken (Parl.St., Senaat Zitting 1998 - 1999, nr. 1-966/7, blz. 5 en 6) verkrijgt de beslissing "kracht van (administratief) gewijsde en wordt zij onherroepelijk, wanneer geen gerechtelijk verhaal wordt ingesteld of wanneer dergelijk verhaal wordt verworpen".
Het art. 375, § 1, 2de lid, WIB 92 bevestigt deze onherroepbaarheid uitdrukkelijk.
De nieuwe tekst behoudt het principe volgens hetwelk de directeur de toestand van de belastingplichtige niet kan verzwaren.
Inwerkingtreding: Vanaf aj. 1999
(art. 32 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 375, WIB 92)
Ontheffing van ambtswege
36. De aanpassingen op het vlak van de terminologie buiten beschouwing gelaten, geeft de nieuwe tekst van art. 376, WIB 92 aan de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, de mogelijkheid om geldig een aanvraag tot ontheffing van ambtswege in te dienen.
Inwerkingtreding: 6.4.1999; wat de mogelijkheid betreft voor de echtgenoot om een aanvraag tot ambtshalve ontheffing in te dienen, treedt art. 376, WIB 92 in werking op 27.3.1999 - art. 97, 2de lid, W 15.3.1999).
(art. 33 en 97, 2de lid, W 15.3.1999)
Rechtsmiddelen
37. Zoals wordt uiteengezet in deel III, nr. 2, is één van de doelstellingen van de hervorming, de rechtsmiddelen te onderwerpen aan de regels van het gemeen recht die op deze materie van toepassing zijn.
Om die reden heft art. 34 van de wet de oude afdeling III, van titel VIl, hoofdstuk VII van het WIB 92 op. Die afdeling, die de art. 377 tot 392, WIB 92 omvat, bevatte verschillende afwijkingen van het gemeen recht, betreffende het verhaal voor het Hof van Beroep en de voorziening in cassatie.
Inwerkingtreding: 1.3.1999
(art. 97, laatste lid, W 15.3.1999. Deze bepaling verduidelijkt dat de opheffing van de art. 377 tot 392, WIB 92 op 1.3.1999 in werking treedt. De art. 372 tot 392, zoals die bestonden voor hun opheffing, blijven evenwel van toepassing op de beroepen die vóór die datum zijn ingeleid)
Afwijkingen van het gemeen recht
38. Het art. 34 van de wet voegt evenwel, in een nieuwe afdeling met als titel "bijzondere bepalingen inzake rechtsmiddelen", ook twee nieuwe bepalingen in die afwijken van het gemeen recht:
(art. 34, W 15.3.1999)
D. MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE BELASTINGEN
39. Gelet op al de wijzigingen die door de W 15.3.1999 aan de procedureregels worden aangebracht, regelt art. 49, W 15.3.1999 de correlatieve aanpassing van de in art. 2, WGB vermelde lijst van de art. uit het WIB 92, die ook op de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen van toepassing zijn (voorzover er in het WGB niet uitdrukkelijk wordt van afgeweken - zie de artikelen 12, § 2, 36bis, § 8, 103bis en 111 WGB).
Inwerkingtreding: Vanaf aj. 1999
(art. 49, W 15.3.1999 - art. 2, WGB)
E. INVORDERING VAN DE BELASTING
Schorsing van de tenuitvoerlegging
40. Zoals reeds vermeld in nr. 38, is door art. 34 van deze wet in art. 377, WIB 92 een bepaling ingevoegd die afwijkt van het gemeen recht.
In dat art. 377, WIB 92 is thans voorzien dat zowel de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing schorsen. De rechters kunnen inzake inkomstenbelastingen (én doorgelijkaardige bepalingen ook inzake andere belastingen) geen voorlopige tenuitvoerlegging toestaan (zoals voorzien in art. 1398, Ger.W).
Tijdens de ganse duur van de procedure, kan de Administratie bijgevolg geen betaling eisen van de betwiste belastingen (behoudens de eventuele toepassing van art. 410, WIB 92) en kan de belastingplichtige evenmin de uitvoering eisen van een (nog niet definitieve) beschikking die de Staat veroordeeld tot de terugbetaling van belasting.
Inwerkingtreding: 1.3.1999; art. 377 zoals het bestond voor de opheffing blijft van toepassing op de beroepen die voor die datum zijn ingeleid.
(art. 34 en art. 97, laatste lid, W 15.3.1999 - art. 377, WIB 92)
Invordering ten laste van feitelijk gescheiden echtgenoten
41. Aangezien ook de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd bezwaar kan indienen tegen de aanslag (zie het gewijzigd art. 366, WIB 92, nr. 25 hiervoor), wordt art. 394bis opgeheven.
Inwerkingtreding: 6.4.1999
(art. 35, W 15.3.1999 - art. 394bis, WIB 92)
Invordering van betwiste belastingen
42. De bijzondere fiscale regels inzake de invordering van betwiste belastingen, zijn aangepast aan de wijzigingen van de fiscale procedure.
De bedoelde bepalingen zijn thans ook van toepassing:
Inwerkingtreding : 6.4.1999
(art. 36, 37 en 38, W 15.3.1999 - art. 409, 410 en 411, WIB 92)
De betaaltermijn van voorheffingen en belastingen
43. Aan art. 412, WIB 92 wordt een laatste lid toegevoegd, waaruit blijkt dat de gedwongen tenuitvoerlegging met betrekking tot de in dat art. vermelde voorheffingen, slechts mogelijk is na de inkohiering overeenkomstig art. 304, WIB 92 (zoals gewijzigd door art. 7, W 15.3.1999).
De tekst van art. 413, WIB 92 wordt aangepast aan het onderscheid dat voortaan wordt gemaakt tussen de opeisbaarheid van de belasting en de opeisbaarheid van de betaling (zie ook de art. 2 tot 4, W 15.3.1999). Om dezelfde reden wordt ook de tekst van art. 427, 2de lid, WIB 92 inzake de inschrijving van de wettelijke hypotheek gewijzigd.
Het KB 3.5.1999 verbetert de bepalingen die in het KB/WIB 92 naar het gewijzigde art. 413, WIB 92 verwijzen.
Inwerkingtreding: 6.4.1999
(art. 40, 41 en 45, W 15.3.1999 - art. 412, 413 en 427, 2de lid, WIB 92)
(art. 6, KB 3.5.1999 - art. 145, KB/WIB 92)
Nalatigheidsinteresten
44. In art. 414, § 1, WIB 92, wordt de berekeningswijze van de NI verduidelijkt en in overeenstemming gebracht met de administratieve praktijk.
45. De aandacht wordt er op gevestigd dat in art. 42, W 15.3.1999 bij vergissing is vermeld dat in § 1 van art. 414, het 3de lid moet vervangen worden. In de vóór 15.1.1999 aangenomen tekst van het art. 42, is geen rekening gehouden met de wijzigingen die art. 47, W 22.12.1998 houdende fiscale en andere bepalingen (BS 15.1.1999) aan art. 414, WIB 92 heeft aangebracht (opheffing van het 2de lid dat zonder voorwerp was geworden).
Opdat de wijziging door de W 15.3.1999 enige zin zou hebben, moet worden aangenomen dat art. 42 van die wet de vervanging beoogt van het 2de lid van art. 414, § 1, WIB 92 (zoals gewijzigd bij de W 22.12.1998).
In de plenaire vergadering van 29.4.1999 heeft de Kamer van Volksvertegenwoordigers trouwens reeds een wetsontwerp aangenomen waarin de vergissing wordt rechtgezet (Parl. St., Kamer, Zitting 1998 - 1999, nr. 2124/9, zie art. 2).
Ingevolge de ontbinding van de Wetgevende Kamers is dat wetsontwerp evenwel niet meer door de Senaat goedgekeurd. Er mag echter worden aangenomen dat de Regering zo vlug mogelijk het nodige zal doen om de vergissing op legistiek vlak recht te zetten.
46. In art. 414, § 2, WIB 92, worden de regels voor de berekening van de schorsing van de NI in geval van bezwaar, aangepast aan de nieuwe procedure. Omdat de Administratie ook een redelijke termijn in acht moet nemen om een beslissing te treffen over de bezwaarschriften indien de belastingplichtige geen vordering instelt overeenkomstig art. 1385undecies, Ger.W, wordt de begindatum van de opschorting teruggebracht van de eerste van de 19de maand na de indiening van het bezwaarschrift tot de eerste van de 7de maand na de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De rechtvaardiging van de opschorting verdwijnt slechts van zodra de Administratie een beslissing ter kennis heeft gebracht of indien de belastingschuldige vóór die kennisgeving een vordering heeft ingesteld overeenkomstig art. 1385undecies, Ger.W.
lnwerkinqtreding: Vanaf aj. 1999
(art. 42 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 414, WIB 92)
Moratoriuminteresten
47. Door de wijziging van art. 418, WIB 92 worden voortaan in principe niet alleen MI toegekend bij de terugbetaling van belastingen senso stricto, maar ook bij de terugbetaling van voorheffingen, nalatigheidsinteresten, belastingverhogingen en administratieve boeten.
In het eveneens gewijzigde art. 419, WIB 92 worden limitatief de gevallen opgesomd waarin voortaan geen MI worden uitbetaald. Die uitzonderingen berusten op redenen van rechtvaardigheid of op overwegingen van praktische aard.
Inzonderheid bij de terugbetaling van een overschot van voorheffingen en/of voorafbetalingen moet er immers rekening mee worden gehouden dat de taxatiewerkzaamheden zich in principe uitstrekken over de ganse duur van de in de art. 359 en 353 voorziene aanslagtermijnen en dat het bij de terugbetaling van dergelijk overschot bijna onmogelijk is vast te stellen op welk ogenblik dat gedeelte betaald werd. Om die reden is gekozen voor de invoering van een vast vertrekpunt.
48. Tenslotte moet ook inzake de MI er de aandacht op gevestigd worden dat in art. 43, W 15.3.1999 geen rekening is gehouden met de wijziging van art. 418, WIB 92 door art. 48 van de W 22.12.1998. Ook voor dit art. mag worden aangenomen dat de Regering zo vlug mogelijk het nodige zal doen om de vergissing recht te zetten (vervanging van de verwijzing naar het 3de lid, dat niet meer bestaat, door een verwijzing naar het 2de lid). Zoals voor de NI heeft de Kamer daartoe op 29.4.1999 een wetsontwerp aangenomen (Parl. St., Kamer, Zitting 1998 - 1999, nr. 2124/9, zie art. 3). Ingevolge de ontbinding van de Wetgevende Kamers is dat ontwerp evenwel niet meer door de Senaat goedgekeurd.
Inwerkingtreding: Vanaf aj. 1999
(art. 43, 44 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 418 en 419, WIB 92)
F. STRAFBEPALINGEN
Administratieve sancties
49. Het art. 445, 2de lid, WIB 92 bepaalt dat de administratieve boeten worden ingevorderd volgens de regels die van toepassing zijn inzake personenbelasting.
De wet verduidelijkt dat ze eveneens worden gevestigd volgens die regels, dat wil zeggen door middel van inkohiering.
50. De W 15.3.1999 heft anderzijds art. 445, 3de lid, WIB 92, op dat vermeldde "de Minister van Financiën of zijn gemachtigde doet uitspraak over de verzoekschriften welke de kwijtschelding van de fiscale boeten tot voorwerp hebben".
Uit de memorie van toelichting volgt dat het wetsontwerp, in zijn oorspronkelijke versie, als doel had "het kwijtscheldingsrecht op te heffen waarover de Minister van Financiën thans beschikt" (Parl.St., Kamer, Zitting 1997 - 1998, nr. 1341/1, blz. 10).
Daarom werd voorzien:
Het parlement heeft dus de mogelijkheid willen behouden die de Minister heeft om "de kwijtschelding of de vermindering van een boete of een belasting verhoging uit hoofde van een genademaatregel" te verlenen (Parl. St., Senaat, Zitting 1998 - 1999, nr. 1-966/7, blz. 7).
Omdat art. 445, 3de lid, WIB 92 evenwel is opgeheven, zal die kwijtschelding of vermindering voortaan - zowel voor de verhogingen als voor de boeten - op basis van art. 9 van het besluit van de Regent worden verleend.
Inwerkingtreding: 6.4.1999
(art. 46, W 15.3.1999 - art. 445, WIB 92)
Uitstel van de uitspraak
51. in afwijking van het principe volgens hetwelk "le criminel tient le civil en l'état", voorzag art. 462, WIB 92 tot op heden:
"Indien, vóór het sluiten van de debatten voor een strafrechter bij een andere gerechtelijke of administratieve overheid een geschil aanhangig wordt gemaakt over de toepassing van een bepaling van dit Wetboek of van een ter uitvoering ervan genomen besluit, moet de rechter bij wie de strafvordering aanhangig is, indien de oplossing van het geschil hem van die aard schijnt te zijn dat ze een invloed kan hebben op de strafvordering, de uitspraak over de tenlasteleggingen of over één ervan uitstellen totdat aan het geschil een einde is gemaakt door een in kracht van gewijsde gegane beslissing. Tijdens dat uitstel is de verjaring van de strafvordering geschorst".
Ten einde terug te keren tot een gewone toepassing van de principes (Parl. St., Senaat, Zitting 1998 - 1999, nr. 1-966/7, blz. 8), heft art. 47, W 15.3.1999 het art. 462, WIB 92 op.
Inwerkingtreding: 6.4.1999; het art. 462, WIB 92, zoals het bestond voor zijn opheffing, blijft van toepassing wanneer een rechter bij wie de strafvordering aanhangig is, met toepassing van dit artikel, besloten heeft de uitspraak over één of meerdere tenlasteleggingen uit te stellen.
(art. 47 en 97, 9de lid, W 15.3.1999 - art. 462, WIB 92)
DEEL II. - DIVERSE BEPALINGEN
A. WIJZIGING AAN DE W 8.8.1980 BETREFFENDE DE BUDGETTAIRE VOORSTELLEN 1979 - 1980
1. In de mate dat de fiscale wetboeken thans herhaaldelijk de benaming vermelden van de belastingadministraties opgericht door het organiek reglement van het Ministerie van Financiën en aangezien de AOIF werd opgericht bij KB van 6.7.1997, zou er twijfel kunnen bestaan omtrent de draagwijdte van de bevoegdheden die de nieuwe Administratie en haar ambtenaren zullen kunnen uitoefenen.
Ten einde elke mogelijkheid tot betwisting uit te sluiten, wordt de tekst van art. 87, W 8.8.1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979 -1980 (BS 15.8.1980, blz. 9463) die voorheen om dezelfde redenen werd goedgekeurd bij de oprichting van de Administratie van de BBI, uitgebreid tot de AOIF (Parl.St., Kamer, Zitting 1997 - 1998, nr. 1341/8, blz. 7).
2. Door die uitbreiding, die trouwens inherent is aan het uitoefenen van een gezamenlijke controle inzake BTW en DB, wordt bekomen dat "de ambtenaren die ter beschikking van de nieuwe Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit zullen worden gesteld, dezelfde bevoegdheden zullen kunnen uitoefenen als zij die nu bij de Administratie der directe belastingen of in de administratie van de BTW, de registratie en de domeinen zijn benoemd" (Parl. St., Kamer, Zitting 1997 - 1998, nr. 1341/17, blz. 101).
Inwerkingtreding: 2.7.1997
(art. 95 en 97, 8ste lid, W 15.3.1999 - art. 87, W 8.8.1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979 - 1980)
B. AANPASSING VAN DE FISCALE WETGEVING INGEVOLGE DE HERSTRUCTURERING VAN DE FISCALE ADMINISTRATIES.
3. Krachtens art. 99, 1ste lid, W 15.3.1999 is de Koning "bij een in Ministerraad overlegd besluit gemachtigd de federale fiscale wetgeving te wijzigen teneinde de verwijzingen die deze wetgeving maakt naar de benamingen van de fiscale administraties, de functies en de graden van bepaalde ambtenaren van het ministerie van Financiën, te wijzigen".
Krachtens deze bepaling kan de Koning de terminologische aanpassingen doen die noodzakelijk zijn ingevolge de herstructurering van de fiscale administraties en de wijzigingen van de benamingen van bepaalde graden, in het kader van de vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren van het ministerie van Financiën (KB's 6.7.1997, BS 31.7.1997, 2de editie, blz. 19708 en volgende) (Parl.St., Senaat, Zitting 1998 - 1999, nr. 1 -966/11, blz. 211).
4. De krachtens het eerste lid genomen KB's, zullen in de vorm van een ontwerp van bekrachtigingswet onmiddellijk aan de Wetgevende Kamers worden voorgelegd en worden ingediend bij de Kamer van volksvertegenwoordigers (art. 97, 2de lid, W 15.3.1999).
Inwerkingtreding: 6.4.1999
(art. 99, W 15.3.1999)
DEEL III. - RECHTERLIJKE INRICHTING
A. INLEIDING
1. De W 23.3.1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken wijzigt:
Bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg
2. Uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp blijkt dat het de bedoeling van de wetgever was "in het belang van alle belastingplichtigen te voorzien in een werkelijk gemeen fiscaal procesrecht, dat geldt voor alle belastingen" (Parl. St., Kamer, Zitting 1997 - 1998, nr. 1342/1, blz. 4).
De belangrijkste nieuwigheid bestaat er uit dat de rechtbank van eerste aanleg kennis neemt "van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet" (art. 4, W 23.3.1999, dat de tekst van art. 569, Ger.W aanvult).
3. Het begrip "belastingwet moet in de materiële betekenis worden verstaan, dus als elk algemeen verbindend fiscaal voorschrift, het weze een federale wet, een decreet, een ordonnantie of een verordening- (Parl.St., Kamer, Zitting 1997 - 1998, nr 1342/1, blz. 35).
De memorie van toelichting verduidelijkt "het gebruik van de notie "geschillen over de toepassing van een belastingwet" als criterium van de volstrekte bevoegdheid heeft nog tot gevolg dat de rechterlijke macht uitspraak zal kunnen doen over de wettelijkheid van om het even welke individuele toepassing van een belastingnorm. Sommige individuele fiscale rechtshandelingen ( .. ) konden tot dusver, bij gebrek aan bijzondere bevoegdheid van de rechterlijke macht, slechts bij de Raad van State worden aangevochten" (Parl.St., Kamer, Zitting 1997 - 1998, nr 1342/1, blz. 35).
De memorie van toelichting vermeldt inzonderheid volgende voorbeelden:
Art. 5, W 23.3.1999 heft dan ook het oude art. 603, 1°, Ger.W op dat voorheen voorzag dat het Hof van Beroep kennis nam van de voorzieningen tegen "de beslissingen van de provinciale en gewestelijke directeurs der belastingen inzake directe belastingen".
5. Inzake de indirecte belastingen, zal voortaan steeds de rechtbank van eerste aanleg bevoegd zijn.
Concreet betekent dit dat de vrederechter geen kennis meer zal nemen van de vorderingen waarvan het bedrag 75.000 BEF (1.859,20 EUR) niet te boven gaat, zoals dat voorheen het geval was.
6. Het nieuwe art. 617, Ger.W bepaalt bovendien dat "de door de rechtbank van eerste aanleg uitgesproken vonnissen over geschillen met betrekking tot de toepassing van een belastingwet, (..) steeds vatbaar (zijn) voor hoger beroep" (art. 6, W 23.3.1999).
Het gaat hier om een afwijking van het principe volgens hetwelk de vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg waarbij uitspraak wordt gedaan over een vordering waarvan het bedrag 75.000 BEF (1.859,20 EUR) niet overschrijdt, in laatste aanleg worden gewezen.
De toepassing van dat principe zou problemen gesteld hebben inzake inkomstenbelastingen "daar, noch het ingekohierd bedrag, noch het bedrag van de belasting vóór verrekening, enige volwaardige aanwijzing geeft over het werkelijk belang van het belastinggeschil" (Parl. St., Senaat, Zitting 1998 -1999, nr. 1-967/7, blz. 2).
Territoriale bevoegdheid
7. De bedoeling van de wetgever was niet om alle rechtbanken van eerste aanleg bevoegd te maken in fiscale zaken, maar de behandeling van de fiscale geschillen te centraliseren bij een beperkt aantal rechtbanken, zodat gespecialiseerde kamers kunnen worden samengesteld (Parl. St., Kamer, Zitting 1997 - 1998, nr. 1342/1, blz. 4 - zie ook art. 3, W 23.3.1999, dat een § 2bis invoegt in art. 191, Ger.W).
8. Eerst was er over gesproken om slechts aan de rechtbanken van eerste aanleg die zitting houden ter zetel van een Hof van Beroep een bevoegdheid in fiscale zaken toe te kennen (art. 7, W 23.3.1999 - art. 632, Ger.W), dat wil zeggen aan de rechtbanken van eerste aanleg van:
10. De W 23.3.1999 bepaalt geen termijn binnen dewelke de vordering moet worden ingesteld, tenzij in het geval waarin door of krachtens de wet een voorafgaand administratief beroep is georganiseerd.
In de huidige stand van de wetgeving, bestaat het georganiseerde beroep enkel inzake inkomstenbelastingen.
Er wordt opgemerkt dat inzake indirecte belastingen, enkel een vordering in rechte de tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan stuiten (zie, bijvoorbeeld, art. 59, W 15.3.1999 - art. 89, BTW-Wetboek).
Voorafgaand administratief beroep
11. Wanneer door of krachtens de wet een administratief beroep is georganiseerd, moet het instellen van dergelijk beroep verplicht voorafgaan aan het instellen van een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg.
Het art. 1385undecies, 1ste lid, Ger.W bepaalt inderdaad dat "de vordering (.) slechts (wordt) toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld" (art. 9, W 23.3.1999).
Inzake inkomstenbelastingen kan de belastingplichtige dus geen vordering in rechte instellen indien hij voorafgaand geen bezwaar heeft ingediend bij de bevoegde directeur.
In strijd met wat eerst was overwogen, bepaalt de wet geen termijn binnen dewelke de directeur gehouden is te beslissen over het bezwaarschrift van de belastingplichtige. De wet geeft de belastingplichtige enkel de mogelijkheid om een vordering in rechte in te stellen, bij gebrek aan directoriale beslissing binnen een bepaalde termijn (zie ook nr. 17, tweede lid, tweede gedachtenstreepje).
Twee gevallen kunnen zich voordoen:
12. Art. 1385decies, Ger.W bepaalt dat de vordering bij verzoekschrift op tegenspraak wordt ingesteld (art. 9, W 23.3.1999). Dit verzoekschrift moet gemotiveerd zijn.
Wanneer het beroep wordt ingesteld tegen een beslissing, moet een afschrift van die beslissing bij elk exemplaar van het verzoekschrift worden gevoegd.
Wanneer een voorafgaand administratief beroep wordt georganiseerd door of krachtens de wet en de administratieve overheid nog geen beslissing heeft genomen, moet een afschrift van het administratief beroep en van de ontvangstmelding van dit beroep worden bijgevoegd.
13. Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd (art. 1034quinquies, Ger.W).
De partijen worden door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt (art. 1034sexies, Ger.W).
Nieuwe grieven
14. In de oorspronkelijke versie, bood het wetsontwerp aan de verzoeker slechts de mogelijkheid om nieuwe grieven voor te leggen, voor zover zij een overtreding van de wet of een schending van de op straffe van nietigheid voorgeschreven procedurevormen inhouden.
Nadat ze fel was bekritiseerd door de afdeling Wetgeving van de Raad van State (Parl. St., Kamer, Zitting 1997 - 1998, nr. 1341 /1, blz. 64 en volgende; alsmede Parl. St., Kamer, Zitting 1997 - 1998, nr. 1342/7, blz. 1 en 2), werd deze beperking uiteindelijk geschrapt (Parl. St., Senaat, Zitting 1998 - 1999, nr. 1-967/7, blz. 3).
Zoals de Minister van Financiën het heeft benadrukt, bevat de tekst dus geen enkele beperking meer voor het inroepen van nieuwe grieven en keert men dan ook terug tot de toepassing van het gemeen recht (Parl. St., Senaat, Zitting 1998 - 1999, nr. 1-966/11, blz. 233).
Betekening of kennisgeving van proceshandelingen en vonnissen
15. Art. 42, 1°, Ger. W bepaalt dat de betekeningen aan de Staat worden gedaan "op het Kabinet van de minister die bevoegd is om er kennis van te nemen", deze bepaling wordt trouwens herhaald in art. 705, 1ste lid, van hetzelfde wetboek in verband met de gedinginleidende akten.
Wegens de opheffing van het bijzonder procesrecht in de fiscale wetboeken, moeten alle betekeningen en kennisgevingen in fiscale zaken voortaan aan het Kabinet van de Minister van Financiën worden gedaan.
Om organisatorische redenen heeft art. 2, W 23.3.1999 de vermelde art. van het Ger.W aangevuld ten einde de Minister de mogelijkheid te geven een ambtenaar aan te duiden op wiens kantoor de betekeningen en de kennisgevingen kunnen worden gedaan.
Tussenkomst van de accountant, de beroepsboekhouder of de bedrijfsrevisor
16. Art. 728, § 2bis, nieuw, Ger.W stelt de rechter in staat de door de belastingplichtige gekozen accountant, beroepsboekhouder of bedrijfsrevisor te horen in zijn schriftelijke of mondelinge toelichting ter terechtzitting (art. 8, W 23.3.1999).
De rechter beoordeelt de opportuniteit van dergelijke tussenkomst, die uitdrukkelijk moet worden gevraagd door de belastingplichtige of zijn advocaat.
De raadpleging kan slechts betrekking hebben op feiten of op rechtsvragen in verband met de toepassing van het boekhoudrecht.
De wet verduidelijkt bovendien dat enkel kan worden gehoord:
17. De W 23.3.1999 is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 27.3.1999. Bij gebrek aan een bepaling die een andere termijn bepaalt, is de wet bindend de tiende dag na die van zijn publicatie, dat wil zeggen 6.4.1999.
Art. 11, W 23.3.1999 bevat evenwel meerdere overgangsbepalingen:
18. Voor zijn wijziging door art. 10, W 23.3.1999 bepaalde het art. 29, WSV als volgt de machtiging die bepaalde ambtenaren van de fiscale administraties moesten bekomen om de feiten die, naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechterlijk strafbaar zijn, ter kennis te kunnen brengen van de procureur des Konings:
In zijn nieuwe versie vereist art. 29, 2de lid, WSV nog maar een gewone machtiging van de gewestelijk directeur onder wie zij ressorteren, voor de ambtenaren van:
(art. 10, W 23.3.1999 - art. 29, WSV)
UITTREKSEL UIT HET BELGISCH STAATSBLAD VAN 27 MAART 1999
23 MAART 1999. - Wet betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt:
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 2.- § 1. In artikel 42, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek worden de woorden "op het kabinet van de minister die bevoegd is om er kennis van te nemen" vervangen door de woorden "op het kabinet van de minister die bevoegd is om er kennis van te nemen of op het kantoor van de door hem aangewezen ambtenaar".
§ 2. Artikel 705, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met de woorden "of aan het kantoor van de door hem aangewezen ambtenaar".
Art. 3.- In artikel 191 van hetzelfde Wetboek wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, luidend als volgt:
"§ 2bis. Bij de bekendmaking van een vacature in de rechtbank van eerste aanleg kan de minister van Justitie bepalen dat het vacante ambt bij voorrang zal worden toegewezen aan een kandidaat die titels of verdiensten voorlegt waaruit een gespecialiseerde kennis blijkt. Deze titels en verdiensten worden onderzocht door de benoemings- en aanwijzingscommissie bedoeld in artikel 259bis-8".
Art. 4.- Artikel 569, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een 32°, luidend als volgt:
"32° van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet".
Art. 5.- Artikel 603, 1° en 3°, van hetzelfde Wetboek, het 3° ingevoegd bij de wet van 23 december 1986 en vervangen bij de wet van 24 december 1996, worden opgeheven.
Art. 6.- Artikel 617 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 29 november 1979 en bij de wet van 11 juli 1994, wordt aangevuld met het volgende lid:
"De door de rechtbank van eerste aanleg uitgesproken vonnissen over geschillen met betrekking tot de toepassing van een belastingwet, zijn steeds vatbaar voor hoger beroep".
Art. 7.- Artikel 632 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 632. - leder geschil betreffende de toepassing van een belastingwet staat ter kennisneming van de rechter die zitting houdt ter zetel van het Hof van beroep in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd of, indien het geschil geen verband houdt met de inning van een belasting, in wiens gebied de belastingdienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen. Wanneer evenwel de procedure in het Duits wordt gevoerd, is alleen de rechtbank van eerste aanleg van Eupen bevoegd.
De Koning kan andere rechters in het rechtsgebied van het Hof van beroep aanwijzen, die kennis nemen van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Hij bepaalt het gebied waarbinnen de rechter territoriaal bevoegd is".
Art. 8.- In artikel 728 van hetzelfde Wetboek wordt tussen de paragrafen 2 en 3 een paragraaf 2bis ingevoegd, luidend als volgt:
"§ 2bis. Op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige of van zijn advocaat, ingediend bij conclusie, kan de rechter de door de belastingplichtige gekozen accountant, beroepsboekhouder of bedrijfsrevisor horen in zijn schriftelijke of mondelinge toelichting ter terechtzitting. Het oproepen van de accountant, beroepsboekhouder of bedrijfsrevisor staat ter beoordeling van de rechter, die onderzoekt of het opportuun is in deze zaak raad in te winnen over elementen die slechts betrekking kunnen hebben op feiten of op rechtsvragen in verband met de toepassing van het boekhoudrecht.
Onder de in het vorige lid bedoelde accountant, beroepsboekhouder of bedrijfsrevisor wordt verstaan de persoon die zich gewoonlijk bezighoudt met de boekhouding van de belastingplichtige of die heeft meegewerkt aan het opstellen van de betwiste belastingaangifte of die de belastingplichtige heeft bijgestaan in de administratieve bezwaarprocedure".
Art. 9.- In boek IV van het vierde deel van hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk XXIV met de artikelen 1385decies en 1385undecies ingevoegd, luidend als volgt:
"Hoofdstuk XXIV. - Geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet
Art 1385decies. - Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak.
Titel Vbis van boek II van het vierde deel, met uitzondering van artikel 1034ter, 3°, en artikel 1034quater, is van toepassing.
Op straffe van nietigheid wordt bij elk exemplaar van het verzoekschrift of van de dagvaarding een afschrift van de bestreden beslissing gevoegd.
Wanneer een voorafgaand administratief beroep wordt georganiseerd door of krachtens de wet en de administratieve overheid nog geen beslissing heeft genomen, moet, in afwijking van het derde lid, een afschrift van het administratief beroep en van de ontvangstmelding van dit beroep worden bijgevoegd.
Art. 1385undecies. - Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, slechts toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld.
De vordering wordt ingesteld ten vroegste zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het administratief beroep zo over dit beroep geen uitspraak is gedaan en, op straffe van verval, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief verhaal.
De in het tweede lid bedoelde termijn van zes maanden wordt met drie maanden verlengd wanneer de betwiste aanslag van ambtswege door de Administratie is gevestigd."
HOOFDSTUK III. - Wijziging aangebracht aan het Wetboek van strafvordering
Art. 10.- Artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1986 en gewijzigd bij de wet van 28 december 1992, wordt vervangen door het volgende lid:
"De ambtenaren van de Administratie der directe belastingen, de ambtenaren van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, de ambtenaren van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie en de ambtenaren van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, kunnen echter de feiten die, naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, strafrechterlijk strafbaar zijn, niet zonder de machtiging van de gewestelijke directeur onder wie zij ressorteren, ter kennis brengen van de procureur des Konings".
HOOFDSTUK IV. - Overgangsbepaling
Art. 11.- De gedingen die hangende zijn bij de hoven, de rechtbanken en andere instanties, met inbegrip van de rechtsmiddelen die tegen hun beslissingen kunnen worden aangewend, worden vervolgd en afgehandeld met toepassing van de vóór 1 maart 1999 geldende regels.
In afwijking van artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd door artikel 9 van deze wet, is de mogelijkheid om ten vroegste zes maanden of negen maanden na de datum van ontvangst van het administratief beroep een vordering in te leiden zo over dat beroep geen uitspraak is gedaan, niet van toepassing wanneer dat beroep betrekking heeft op een aanslag betreffende het aanslagjaar 1998 of een vorig aanslagjaar, voor wat de inkomstenbelastingen en de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen betreft. Voor de bezwaarschriften die nog bij de administratie hangende zijn en waarover op 31 maart 2001 geen beslissing is genomen, vervalt deze bepaling.
Wanneer de in artikel 379 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bedoelde beroepstermijn, zoals die bestond voor de afschaffing door artikel 34 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, niet verstreken is op de datum van 1 maart 1999, kan het in artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd door artikel 9 van deze wet, bedoelde beroep worden ingeleid binnen een termijn van drie maanden vanaf de betekening van de beslissing met betrekking tot het administratief beroep.
Tot op het ogenblik van de inwerkingtreding van alle bepalingen van de artikelen 45 en 46 van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van .een evaluatiesysteem voor magistraten, worden de adviezen over de titels en verdiensten, bedoeld in het nieuwe artikel 191, paragraaf 2bis, van het Gerechtelijk Wetboek, uitgebracht door de adviescomités die eerder zijn ingesteld krachtens het bestaande artikel 259ter van het Gerechtelijk Wetboek.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 23 maart 1999.
25 MAART 1999. Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 7 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, inzonderheid op artikel 7 tot vervanging van artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek;
Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
Overwegende dat huidig besluit onverwijld moet in werking treden tesamen met de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, waarvan het de uitvoering verzekert;
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Financiën,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij:
Artikel 1. Onverminderd artikel 632, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zijn, voor de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet die tot de bevoegdheid van de rechtbanken van eerste aanleg behoren, alleen bevoegd de rechtbank van eerste aanleg
Gegeven te Brussel, 25 maart 1999.
28 APRIL 1999.- Wet tot aanvulling, wat de bestrijding van de fiscale fraude betreft, van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 op de bankcontrole en het uitgifteregime voor titels en effecten en van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt:
Artikel 1. - Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art 2.- De ambtenaren van het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken waarbij een strafzaak aanhangig is, waarvan het onderzoek indiciën van ontduiking inzake directe of indirecte belastingen aan het licht brengt, zullen onmiddellijk de minister van Financiën inlichten.
Art. 3.- Artikel 327, § 4, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 wordt opgeheven.
Art. 4.- Een artikel 21nonies, luidend als volgt, wordt in de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen ingevoegd:
"Art. 21nonies.- De Controledienst voor de verzekeringen doet bij het gerecht aangifte van de bijzondere mechanismen die door een instelling of onderneming die onder zijn toezicht staat, zijn opgezet met als doel of gevolg fiscale fraude door derden te bevorderen, wanneer deze er kennis van heeft dat deze bijzondere mechanismen in hoofde van die instellingen of ondernemingen zelf, als dader, mededader of medeplichtige, een onder het strafrecht vallend fiscaal misdrijf vormen."
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 28 april 1999.
ADMINISTRATIE VAN DE ONDERNEMINGS- EN INKOMENSFISCALITEIT
Bevoegdheid van de AOIF.
BELASTINGONTDUIKING
Bestrijding van de belastingontduiking.
Bijzonder mechanisme inzake belastingontduiking.
WET
Wet betreffende de beslechting van fiscale geschillen.
Wet betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken.
WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992
Wijzigingswet.
WETBOEK VAN DE MET DE IB GELIJKGESTELDE BELASTINGEN
Wijzigingswet.
Eerste commentaar op
- de W 15.3.1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen;
- de W 23.3.1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken;
- W 28.4.1999 tot aanvulling, wat de bestrijding van de fraude betreft, van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 op de bankcontrole en het uitgifteregime voor titels en effecten en van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;
- het KB 25.3.1999 tot uitvoering van art. 7, W 23.3.1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken;
- het KB 3.5.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92.
Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, van de
Administratie van de bijzondere belastinginspectie van de
Administratie van de invordering.
Hierna volgt een eerste commentaar op de bepalingen van de W 15.3.1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (BS van 27.3.1999 - verder W 15.3.1999), de W 23.3.1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken (BS van 27.3.1999 - verder W 23.3.1999), W 28.4.1999 tot aanvulling, wat de bestrijding van de fraude betreft, van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 op de bankcontrole en het uitgifteregime voor titels en effecten en van de wet van 9 juli 1935 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen (BS van 25.6.1999 - verder W 28.4.1999), het KB 25.3.1999 tot uitvoering van art. 7, W 23.3.1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken (BS van 27.3.1999 - verder KB 25.3.1999) en het KB 3.5.1999 tot wijziging van het KB/WIB 92 (BS van 4.6.1999 - verder KB 3.5.1999).
INHOUD
INLEIDING
DEEL I. INKOMSTENBELASTINGEN EN MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE BELASTINGEN
A. Voorheffingen
B. Vestiging van de belastingen
C. Administratief beroep
D. Met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
E. Invordering van de belasting
F. Strafbepalingen
DEEL II. DIVERSE BEPALINGEN
A. Wijziging aan de W 8.8.1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979 - 1980
B. Aanpassing van de fiscale wetgeving ingevolge de herstructurering van de fiscale administraties
DEEL III. RECHTERLIJKE INRICHTING
A. Inleiding
B. Gerechtelijk Wetboek
C. Wetboek van strafvordering
INLEIDING
1. De in deze commentaar besproken wetten en koninklijke besluiten voeren in wezen een globale hervorming in van de procedure betreffende de beslechting van fiscale geschillen door nog enkel aan de rechterlijke macht rechtsbevoegdheid toe te kennen inzake de betwistingen met betrekking tot een belastingwet.
Teneinde overeenkomstig de wens van de wetgever "een echt gemeen recht dat van toepassing is voor alle belastingen" in te voeren, werden de regels die van toepassing zijn op elke soort van belasting aangepast en dienovereenkomstig geharmoniseerd.
2. Deze circulaire behandelt in deel I het aspect van de inkomstenbelastingen en met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, belicht in deel II enkele diverse bepalingen en bespreekt in deel III de rechterlijke inrichting.
De eerste commentaar inzake de nieuwe fiscale procedure op het vlak van de BTW en de Douane- en Accijnzen enerzijds en de registratie-, hypotheek- en griffierechten, successierechten, zegelrechten en het met het zegel gelijkgestelde taksen anderzijds, zullen in twee afzonderlijke circulaires worden besproken.
DEEL I. INKOMSTENBELASTINGEN EN MET DE INKOMSTEN GELIJKGESTELDE BELASTINGEN
A. VOORHEFFINGEN
3. Inzake roerende en bedrijfsvoorheffing wordt het woord "verschul- digd" vervangen door het woord "opeisbaar". Het nieuwe woordgebruik heeft tot doel de terminologie inzake directe en indirecte belastingen beter op elkaar af te stemmen. Voortaan wordt immers een onderscheid gemaakt tussen de opeisbaarheid van de belasting (= het ontstaan van de belastingschuld) en de opeisbaarheid van de betaling (= de termijn binnen dewelke de belasting moet worden betaald).
Inwerkingtreding: 6.4.1999
(art. 2 tot 4, W 15.3.1999 - art. 267 en 273, WIB 92)
B. VESTIGING VAN DE BELASTINGEN
Algemene bepalingen - Kohieren
4. De aanwijzing van de ambtenaren of diensten die ermede belast zijn de aangiften in ontvangst te nemen en te onderzoeken, alsmede de aanslagen te vestigen en de belastingen in te vorderen heeft geen normatieve maar wel een organisatorische draagwijdte en behoort tot de macht die de Grondwet aan de Koning toekent om de administraties van het Rijk te organiseren. Om die reden wordt art. 297, 1ste lid, WIB 92 opgeheven. Het KB 3.5.1999 verbetert de bepalingen die in het KB/WIB 92 naar het opgeheven art. 297, eerste lid, WIB 92 verwijzen.
Inwerkingtreding : 6.4.1999
(art. 5, W 15.3.1999 - art. 297, 1ste lid, WIB 92)
(art. 1 tot 5, KB 3.5.1999 - art. 30, 2de lid, 84, 90, § 1, 1ste lid en § 2 en 137, KB/WIB 92)
5. Wat de opmaak en de uitvoerbaarverklaring van de kohieren betreft, worden twee wijzigingen aangebracht:
- de opmaak en de uitvoerbaarverklaring van de kohieren wordt nu toegewezen aan de directeur-generaal der belastingen of aan de gedelegeerde ambtenaar, terwijl zulks voorheen geschiedde door de daartoe aangewezen directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaren;
- de voorheffingen, de verhogingen en de boeten worden nu ook expliciet vermeld.
Inwerkingtreding : 6.4.1999
(art. 6 en 48, W 15.3.1999 - art. 298 en 469, 4de lid, WIB 92)
6. In art. 304, § 1, WIB 92 wordt nu duidelijk een onderscheid gemaakt tussen de aanslagen die betrekking hebben op voorheffingen en die betreffende de eigenlijke belastingen. Bovendien worden alle aanslagen ten kohiere gebracht ongeacht het bedrag ervan, met uitzondering van de aanslagen in de onroerende voorheffing die betrekking hebben op een kadastraal inkomen van minder dan 600 BEF (14,87 EUR) per artikel van de kadastrale legger; de aanslagen inzake belastingen worden evenwel niet ingevorderd of teruggegeven indien het bedrag na verrekening van de voorheffingen, voorafbetalingen en andere bestanddelen kleiner is dan 100 BEF (2,48 EUR).
Door die wijzigingen in art. 304, WIB 92 heeft art. 365, WIB 92 geen reden van bestaan meer. Het artikel wordt derhalve opgeheven.
Inwerkingtreding: Wat de nieuwe bepalingen van art. 304, WIB 92 betreft, 6.4.1999. Wat de opheffing van art. 365, WIB 92 betreft, vanaf aj. 1999.
(art. 7 en 22, W 15.3.1999 - art. 304, § 1 en 365, WIB 92)
Aangifte
7. Tot nog toe kon de belastingplichtige zijn aangifteplicht enkel vervullen door het hem toegestuurde formulier in te vullen, te ondertekenen en terug te sturen. De Koning heeft nu de mogelijkheid gekregen om de voorwaarden vast te leggen die toelaten dat de in een aangifteformulier gevraagde gegevens bij middel van computerafdrukken of van elektronische informatiedragers worden verstrekt.
Inwerkingtreding : 6.4.1999
(art. 8, W 15.3.1999 - art. 307, § 5, WIB 92)
Onderzoek en controle
8. Krachtens art. 327, § 5, WIB 92 moet de Commissie voor het Bank- en Financiewezen de Minister van Financiën onmiddellijk inlichten wanneer zij vaststelt dat een instelling waarover zij de controle uitoefent, heeft bijgedragen tot het opzetten van een mechanisme dat tot doel of tot gevolg heeft inbreuken te organiseren op de fiscale wetgeving en dat een medeplichtigheid insluit tussen de instelling en de cliënt met het oog op belastingontduiking.
Hoewel het oorspronkelijk de bedoeling was de tekst te verbeteren en de Controledienst voor de Verzekeringen een zelfde verplichting op te leggen, is tijdens de bespreking van het wetsontwerp in de Senaat aan het licht gekomen dat de vernieuwde versie van art. 327, § 5, WIB 92 (de Commissie voor het Bank- en Financiewezen informeert de Minister van Financiën onmiddellijk wanneer zij vaststelt dat een instelling waarover zij de controle uitoefent, een bijzonder mechanisme heeft opgezet dat tot doel of tot gevolg heeft belastingontduiking door derden aan te moedigen) in feite een schending inhoudt van de Europese bankrichtlijn. Volgens die richtlijn is een meldingsplicht van de genoemde Commissie enkel in overeenstemming te brengen met het beroepsgeheim in gevallen die onder het strafrecht vallen.
Om die reden wordt art. 327, § 5, WIB 92 opgeheven en kan er ook geen sprake zijn van een uitbreiding van die bepaling naar de Controledienst voor de Verzekeringen. Anderzijds wordt de Commissie voor het Bank- en Financiewezen er evenwel toe verplicht bij het gerecht aangifte te doen van de bijzondere mechanismen die door een kredietinstelling of een beleggingsonderneming die onder haar toezicht staat, zijn opgezet met als doel of gevolg fiscale fraude door derden te bevorderen, wanneer zij er kennis van heeft dat deze bijzondere mechanismen voor de kredietinstelling of beleggingsonderneming zelf, als dader, mededader of medeplichtige, een onder het strafrecht vallend fiscaal misdrijf vormen.
In toepassing van art. 327, § 4, WIB 92 kan de Administratie dan via die weg kennis krijgen van de bijzondere mechanismen.
Inwerkingtreding: 6.4.1999
(art. 9 en 96, W 15.3.1999 - art. 327, § 5, WIB 92)
9. Aangezien de in nr. 8, laatste lid vermelde meldingsplicht enkel bestaat in het WIB 92, heeft de wetgever echter geoordeeld dat het noodzakelijk is een algemene bepaling te maken die dienstig is voor alle fiscale administraties. In de W 28.4.1999 wordt daarom bepaald dat de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de Hoven en rechtbanken, waarbij een strafzaak aanhangig is, waarvan het onderzoek indiciën van ontduiking inzake directe of indirecte belastingen aan het licht brengt, de Minister van Financiën hierover zullen inlichten. Dientengevolge kon. art. 327, § 4, WIB 92 worden opgeheven.
In dezelfde wet wordt bovendien vastgelegd dat de Controledienst voor de verzekeringen bij het gerecht aangifte doet van de bijzondere mechanismen die door een instelling of onderneming die onder zijn toezicht staat, zijn opgezet met als doel of gevolg fiscale fraude te bevorderen, wanneer die Controledienst er kennis van heeft dat deze bijzondere mechanismen in hoofde van die instellingen of ondernemingen zelf, als dader, mededader of medeplichtige, een onder het strafrecht vallend misdrijf vormen. Op die manier gelden nu dezelfde regels zowel voor de ondernemingen die onder het toezicht staan van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen als voor de ondernemingen die onder het toezicht staan van de Controledienst voor de verzekeringen.
Inwerkingtreding: 5.7.1999
(art. 2 tot 4, W 28.4.1999 - art. 327, § 4, WIB 92)
10. Art. 332, WIB 92 legt de Administratie van de directe belastingen op er zorg voor te dragen dat de fiscale toestand van de belastingplichtige ten minste éénmaal om de drie jaar wordt onderzocht.
Volgens een advies van de Raad van State bij een vroeger ontwerp regelt dit artikel enkel en alleen een methode van inwendige organisatie van de belastingadministratie. Het heeft dus geen normatieve draagwijdte. Derhalve wordt dit artikel opgeheven.
Inwerkingtreding : 6.4.1999
(art. 10, W 15.3.1999 - art. 332, WIB 92)
11. Wanneer de aanslagtermijn met maximum twaalf maanden werd verlengd ingevolge een bezwaarschrift dat door de belastingplichtige werd ingediend tijdens de buitengewone aanslagtermijn van drie jaar, beschikte de administratie over geen onderzoekstermijn om bijkomende onderzoekingen te verrichten met het oog op het vestigen van de eventuele aanvullende aanslagen binnen die termijn (zie Com.IB 92, art. 353 tot 359, WIB 92, Overzicht, nr. VIII). De aanvulling van art. 333, 2de lid, WIB 92 met de woorden "en in de termijn bedoeld in artikel 354, vierde lid" geeft de Administratie nu wel de mogelijkheid om onderzoekingen te verrichten binnen de uitgebreide aanslagtermijn, maar die termijn wordt beperkt tot zes maanden (zie nr. 17).
Inwerkingtreding : Vanaf aj. 1999
(art. 11 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 333, WIB 92)
12. Het beroepsgeheim van de ambtenaren van de Administratie der directe belastingen wordt opgeheven wanneer zij met betrekking tot de fiscale toestand van een belastingplichtige een vraag om raadpleging, uitleg of mededeling inwilligen van de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd. Deze nieuwe uitzondering heeft vooral tot doel aan de (feitelijk gescheiden) echtgenoot de inlichtingen over de fiscale toestand van zijn echtgenoot te kunnen verstrekken die hij nodig heeft met het oog op het indienen van een bezwaarschrift, wanneer de aanslag op zijn goederen wordt ingevorderd.
Inwerkingtreding: 6.4.1999
(art. 12, W 15.3.1999 - art. 337, WIB 92)
Aanslagprocedure
13. Krachtens art. 343, WIB 92 kon de Administratie der directe belastingen met de belastingplichtige een driejarig akkoord afsluiten omtrent het nettobedrag van de winst of de baten indien het voor het eerste jaar 100.000 BEF (2.478,94 EUR) niet overtrof.
Die bepaling wordt thans opgeheven.
Inwerkingtreding : Vanaf aj. 1999. Evenwel behouden de akkoorden die zijn gesloten op grond van art. 343, WIB 92, zoals het bestond alvorens door art. 13, W 15.3.1999 te zijn opgeheven, hun volle uitwerking voor de latere ajn onverminderd de toepassing van art. 343, § 3, WIB 92 en van art. 368, WIB 92, zoals het was opgesteld vóór de opheffing ervan door art. 26, W 15.3.1999.
(art. 13 en 97, 5° en 6° lid, W 15.3.1999 - art. 343, WIB 92)
14. De artikelen 347 tot 350, WIB 92 geven de belastingplichtige de mogelijkheid hun betwisting vóór taxatie voor te leggen aan de fiscale commissie of het comité van advies. Aangezien evenwel slechts zelden van de mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, heeft de Koninklijke Commissie tot harmonisering en vereenvoudiging van de fiscaliteit vroeger reeds gesuggereerd die bepalingen op te heffen. Die suggestie wordt nu verwezenlijkt.
Inwerkingtreding : Vanaf 6.4.1999. Evenwel blijven de artikelen 347 tot 350, WIB 92, zoals zij bestonden alvorens te zijn opgeheven door de artikelen 14 tot 17, W 15.3.1999 van toepassing met betrekking tot de berichten van wijziging of de berichten van aanslag van ambtswege waarvoor de procedure van raadpleging van de fiscale commissie of van het comité van advies nog niet is beëindigd.
(art. 14 tot 17 en 97, 4de lid, W 15.3.1999 - art. 347 tot 350, WIB 92)
Aanslagtermijnen
15. Wat de aanslagtermijnen betreft, zijn er twee belangrijke wijzigingen:
- de roerende en de bedrijfsvoorheffing, alsmede de administratieve boeten kunnen binnen de aanslagtermijnen van drie of vijf jaar worden ingekohierd;
- door de wijziging in de geschillenprocedure was een aanpassing nodig van de regels inzake de aanslagtermijn ingeval van bezwaarschrift en ingeval van herbelasting of subsidiaire aanslag. Tevens wordt voor de laatstgenoemde termijnen vastgelegd dat bij het vestigen van de nieuwe aanslag moet worden rekening gehouden met de gevolgen van de vernietiging van een negatieve aanslag.
17. In art. 354, WIB 92 zijn er verder nog twee kleine aanpassingen in het 4de lid. Vooreerst wordt de maximumtermijn van twaalf maanden verkort tot zes maanden. De termijn van zes maanden heeft betrekking op de administratieve fase van het geschil. Na het verstrijken van de termijn van zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift heeft de belastingplichtige immers de mogelijkheid naar de rechtbank te gaan met zijn geschil (zie art. 9, W 23.3.1999: invoeging van art. 1385undecies in het Ger.W - zie ook deel III, Rechterlijke Inrichting, nr. 17, tweede lid, tweede gedachtenstreepje).
Tevens stelt datzelfde art. 354, 4de lid, WIB 92 nu dat die aanslagtermijn ook geldt ingeval de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, een bezwaarschrift heeft ingediend.
18. Art. 355, WIB 92 bepaalde dat wanneer een aanslag nietig is verklaard omdat hij niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de verjaring, de Administratie een nieuwe aanslag kon vestigen. Die nieuwe aanslag moest worden gevestigd binnen drie maanden vanaf de datum waarop de beslissing van de directeur der belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar definitief is geworden, hetzij binnen zes maanden vanaf de datum waarop de rechterlijke beslissing definitief is geworden. Anderzijds beschikte de Administratie krachtens art. 356, WIB 92 over de mogelijkheid om in de loop van de gerechtelijke procedure een subsidiaire aanslag aan de beoordeling van het gerecht te onderwerpen.
19. Door de art. 20 en 21, W 15.3.1999 wordt de mogelijkheid tot herbelasting wanneer een aanslag nietig is verklaard omdat hij niet is gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, de regel betreffende de verjaring uitgezonderd, opgesplitst in:
- een herbelasting nadat de directeur van de belastingen of zijn gedelegeerde een aanslag om die reden nietig heeft verklaard (art. 355, WIB 92, nieuw);
- een subsidiaire aanslag die aan de beoordeling van het gerecht moet worden onderworpen, wanneer de rechtbank de vernietiging uitspreekt (art. 356, WIB 92, nieuw). De subsidiaire aanslag is slechts invorderbaar of terugbetaalbaar ter uitvoering van de beslissing van het gerecht.
20. In art. 355 en 356, WIB 92 wordt bovendien een bepaling ingevoegd die een praktisch probleem oplost. In het verleden ontstonden discussies over hoe een vernietigde terugbetaling van voorheffingen en/of voorafbetalingen moest worden behandeld. De betrokken belastingplichtige had meestal reeds geruime tijd voor de vernietiging de terugbetaling ontvangen en was niet steeds bereid tot vrijwillige terugstorting aan de ontvanger ingevolge de vernietiging van de aanslag. Art. 355, 2de lid en 356, 2de lid, WIB 92 stellen nu duidelijk dat bij de vestiging van de nieuwe aanslag of bij de berekening van de aan het oordeel van het gerecht onderworpen subsidiaire aanslag rekening wordt gehouden met de gedane teruggave.
Inwerkingtreding: Wat de nieuwe bepalingen van de art. 353 en 354, WIB 92 betreft, 6.4.1999. Wat de art. 355 en 356, WIB 92 betreft, vanaf het aanslagjaar 1999.
(art. 18 tot 21 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 353 tot 356, WIB 92)
C. ADMINISTRATIEF BEROEP
Aard van het bezwaar
21. Zoals men weet verleende de rechtspraak van het Hof van Cassatie een jurisdictioneel karakter aan de beslissing van de directeur der belastingen.
Deze traditionele benadering is volledig in vraag gesteld door het arrest dat het Arbitragehof op 10.6.1998 heeft gewezen (arrest nr. 67/98, in zake WALGRAFFE, BS 12.9.1998, blz. 29399).
In antwoord op de prejudiciële vraag die de Rechtbank van eerste aanleg te Namen had gesteld, doet het Arbitragehof geen uitspraak over de vraag naar de aard van het door het oude art. 366, WIB 92 georganiseerde verhaal, maar maakt het Hof een analyse van de gevolgen van de twee interpretaties die kunnen worden weerhouden.
Het Hof is inderdaad van oordeel dat:
- indien men de interpretatie aanneemt volgens dewelke het art. 366, WIB 92 aan de directeur der belastingen een rechtsprekende opdracht toevertrouwt, de bepalingen van het WIB 92 de art. 10 en 11 van de Grondwet (gelijkheidsbeginsel) schenden, doordat ze een dergelijke opdracht toevertrouwen aan een overheid die niet doet blijken van de waarborgen van onafhankelijkheid en objectieve onpartijdigheid;
- indien men de interpretatie aanneemt volgens dewelke het art. 366, WIB 92 een administratief beroep instelt voor een administratieve overheid, de bepalingen van het WIB 92 de art. 10 en 11 van de Grondwet niet schenden.
Het is van belang te vermelden dat zulks wordt bevestigd:
- niet alleen in art. 32, W 15.3.1999 dat de tekst van het oude art. 375, WIB 92 vervangt en bepaalt dat "de directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar doet, als administratieve overheid (.)" tekst van toepassing vanaf het aj. 1999);
- maar ook in het art. 98, W 15.3.1999 (zelfstandige bepaling) dat bepaalt dat "de directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar beslist over de bezwaarschriften in zijn hoedanigheid van administratieve overheid".
23. Het feit dat het bezwaar een administratief beroep is, heeft een dubbel gevolg:
- enerzijds moet het beroep "voldoen aan een reeks voorwaarden die te maken hebben met de principes van behoorlijk bestuur. Zo dient er binnen een redelijke termijn een beslissing te vallen" (Parl. St., Kamer, Zitting 1998 -1999, nr. 1341/23, blz. 2);
- anderzijds zal de behandeling van het administratief beroep voortaan moeten plaatsvinden "met naleving van de regels van de interne bestuurlijke hiërarchie" (Parl. St., Kamer, Zitting 1998 - 1999, nr. 1341/23, blz. 3). Dat betekent dat de directeurs der belastingen, wanneer zij over een bezwaarschrift beslissen, gehouden zijn zich te schikken naar de richtlijnen van de Administratie.
De nieuwe tekst van art. 375, § 2, WIB 92 behoudt inderdaad het principe dat reeds in het oude art. 375, 2de lid, WIB 92 was terug te vinden en volgens hetwelk het de directeur niet toegelaten is "bij zijn beslissing een aanvullende aanslag te vestigen, noch de compensatie te verwezenlijken tussen een rechtmatig bevonden ontheffing en een ontoereikendheid van de aanslag die zou zijn vastgesteld".
Bezwaarrecht van gescheiden echtgenoot
25. Ten einde te voldoen aan de rechtspraak van het arrest van 27.6.1996 van het Arbitragehof (arrest nr. 39/96, in zake L. TRIENPONT, BS 9.8.1996, blz. 21300), bepaalt de tekst van het nieuwe art. 366, WIB 92 uitdrukkelijk het bezwaarrecht van de "echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd".
Uit de voorbereidende werken blijkt dat het vertrekpunt van de bezwaartermijn de dag is "waarop de ontvanger de niet in het kohier opgenomen echtgenoot inlicht nopens zijn voornemen om de belastingschuld, gevestigd op naam van de feitelijk gescheiden echtgenoot daadwerkelijk in te vorderen" (Parl. St., Kamer, Zitting 1997 - 1998, nr. 1341/15, blz. 13).
Er wordt aan herinnerd dat de wetgever de tekst van art. 337, WIB 92 betreffende het beroepsgeheim gewijzigd heeft, ten einde de echtgenoot toe te laten een bezwaarschrift (of een aanvraag om ambtshalve ontheffing) met kennis van zaken in te dienen (zie nr. 12 hiervoor).
Omdat de echtgenoot voortaan bezwaar kan indienen, heeft de wetgever ook het art. 394bis, WIB 92 opgeheven (zie deel I, nr. 41 hierna).
Inwerkingtreding: 27.3.1999
(art. 24 en 97, 2de lid, W 15.3.1999 - art. 366, WIB 92)
Omvang van het bezwaar
26. In tegenstelling met wat eerst was voorzien, heeft de wetgever het principe behouden volgens hetwelk een bezwaarschrift gericht tegen een aanslag die gevestigd is op betwiste bestanddelen, van ambtswege geldt voor de andere aanslagen die op dezelfde bestanddelen gevestigd zijn.
De nieuwe tekst wijzigt enkel de terminologie.
Inwerkingtreding: Vanaf aj. 1999
(art. 25 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 367, WIB 92)
Winsten en baten forfaitair in aanmerking genomen voor drie opeenvolgende aanslagjaren
27. Art. 368, WIB 92 bepaalde dat de inkomsten die overeenkomstig art. 343, WIB 92, forfaitair in aanmerking zijn genomen voor drie opeenvolgende aanslagjaren, in geen enkel geval mogen worden betwist door middel van een bezwaarschrift of een voorziening.
Deze bepaling heeft door de opheffing van art. 343, WIB 92 uiteraard zijn bestaansreden verloren (zie nr. 13 hiervoor). Ze is dan ook opgeheven.
Inwerkingtreding: Vanaf aj. 1999; het art. 368, WIB 92 blijft evenwel van toepassing op de akkoorden die voor de opheffing ervan zijn gesloten - zie art. 97, 6de lid, W 15.3.1999.
(art. 26 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 368, WIB 92)
Ontvangstbewijs van het bezwaarschrift
28. De nieuwe tekst van art. 370, WIB 92 bepaalt uitdrukkelijk dat het ontvangstbewijs van het bezwaarschrift de datum van ontvangst van het bezwaarschrift moet vermelden.
Deze datum van ontvangst is van bijzonder belang voor:
- enerzijds, de opschorting van de loop van de nalatigheidsinteresten (zie deel I, nr. 46, waar het nieuwe art. 414, § 2, WIB 92 wordt besproken);
- anderzijds, de mogelijkheid voor de belastingplichtige om binnen 6 maanden (9 maanden in geval van taxatie van ambtswege) een vordering in te stellen bij de rechtbank van eerste aanleg (zie deel III, nr. 11, waarin het nieuwe art. 1385undecies van het Ger.W wordt besproken).
(art. 27 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 370, WIB 92)
Beperking van de bezwaartermijn
29. Om de afhandeling van de procedure te bespoedigen, is de termijn om een bezwaarschrift in te dienen, teruggebracht tot 3 maanden.
Het nieuwe art. 371, WIB 92 bepaalt inderdaad:
"De bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier".
Die inkorting kan in bepaalde gevallen voor problemen zorgen. Zulks zal bijvoorbeeld het geval zijn inzake onroerende voorheffing, waarvoor de aanslagperiode overeenstemt met het aanslagjaar. Het is immers mogelijk dat een improductiviteit, die recht geeft op een vermindering van de onroerende voorheffing, zich voordoet na het verstrijken van de bezwaartermijn. Uit de verklaringen die tijdens de voorbereidende werkzaamheden zijn afgelegd (Parl. St., Kamer, Zitting 1998 - 1999, nr. 1341/23, blz. 17 en 18) blijkt dat in dergelijk geval, wordt aangenomen dat zich een nieuw feit heeft voorgedaan dat het indienen toelaat van een aanvraag tot ontheffing van ambtswege binnen de in art. 376, § 1, WIB 92 vastgestelde termijn.
Inwerkingtreding: Vanaf aj. 1999
(art. 28 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 371, WIB 92)
Nieuwe grieven
30. De wet handhaaft het principe volgens hetwelk ter aanvulling van het oorspronkelijk bezwaarschrift geheel nieuwe grieven kunnen worden ingediend, zolang geen beslissing is gevallen.
Inwerkingtreding: Vanaf aj. 1999
(art. 29 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 372, WIB 92)
Buitengewone bezwaartermijn
31. Het art. 373, WIB 92 handhaaft een buitengewone bezwaartermijn om de belastingschuldige ten laste van wie een aanvullende aanslag voor een bepaald aanslagjaar is gevestigd, toe te laten een bezwaar in te dienen tegen de overbelasting die dat supplement heeft doen ontstaan in een of meerdere aanslagen gevestigd op naam van dezelfde belastingplichtige en waarvoor de andere in de wet bepaalde bezwaartermijnen verstreken zijn.
In een streven naar eenvormigheid, stelt de wet de bezwaartermijn voortaan vast op 3 maanden vanaf de verzendingsdatum van het aanslagbiljet dat het supplement bevat (in plaats van 6 maanden voorheen).
De nieuwe tekst opent bovendien dezelfde mogelijkheid en dezelfde termijn voor de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd.
Inwerkingtreding: Vanaf aj. 1999
(art. 30 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 373, WIB 92)
Behandeling van de bezwaarschriften
32. Onder verwijzing naar de desbetreffende artikelen van het Wetboek, legt het art. 374, 1ste lid, WIB 92 de bewijsmiddelen en de bevoegdheden vast waarover de Administratie beschikt om de behandeling van de bezwaarschriften te verzekeren.
Door de wet wordt de lijst van de geciteerde artikelen aangepast aan de wijzigingen die in het Wetboek worden aangebracht.
33. Terwijl de taxatiediensten dat recht normaal niet hebben, is de Administratie gemachtigd om, in de fase van de behandeling van het bezwaarschrift, van de kredietinstellingen en van het Bestuur der postcheques alle inlichtingen te vorderen waarvan zij kennis hebben en die nuttig kunnen zijn voor het onderzoek van de gegrondheid van het bezwaarschrift (art. 374, 2de lid, WIB 92).
De wet past de gebruikte terminologie aan door voor de toekomst de "kredietinstellingen onderworpen aan de wet van 22 maart 1993 op het statuut en het toezicht op de kredietinstellingen" te beogen.
34. Het oude art. 374, 3de lid, WIB 92 liet de bezwaarindiener toe, nadat hij zulks schriftelijk had gevraagd, gehoord te worden en inzage te krijgen van de stukken met betrekking tot de betwisting waarvan hij geen kennis had.
In zijn nieuwe versie bepaalt het art. 374, 3de lid, WIB 92 :
"Wanneer de bezwaarindiener zulks in zijn bezwaarschrift heeft gevraagd, zal hij worden gehoord. Te dien einde zal hij worden uitgenodigd zich binnen een termijn van dertig dagen aan te melden".
Daaruit volgt dat de bezwaarindiener voortaan in zijn bezwaarschrift zelf, moet vragen om gehoord te worden.
De voorbereidende werken verduidelijken bovendien dat wanneer de nieuwe tekst niet meer het recht vermeldt om inzage te krijgen van de stukken, zulks het gevolg is van het feit dat die materie inmiddels geregeld is door de W 11.4.1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, zodat de oude tekst van het Wetboek overbodig was geworden (Parl. St., Senaat, Zitting 1998 -1999, nr. 1-966/7, blz. 5).
Inwerkingtreding: Vanaf aj. 1999
(art. 31 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 374, WIB 92)
Directoriale beslissing
35. Zoals reeds is opgemerkt (zie nr. 21 hiervoor), bepaalt het art. 375, WIB 92 in zijn nieuwe versie uitdrukkelijk dat de directeur der directe belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar, beslist "als administratieve overheid".
In tegenstelling tot wat het Hof van Cassatie in het verleden heeft uitgesproken, is de beslissing van de directeur geen jurisdictionele handeling meer die gezag van het rechterlijk gewijsde heeft.
Zoals uiteengezet in de voorbereidende werken (Parl.St., Senaat Zitting 1998 - 1999, nr. 1-966/7, blz. 5 en 6) verkrijgt de beslissing "kracht van (administratief) gewijsde en wordt zij onherroepelijk, wanneer geen gerechtelijk verhaal wordt ingesteld of wanneer dergelijk verhaal wordt verworpen".
Het art. 375, § 1, 2de lid, WIB 92 bevestigt deze onherroepbaarheid uitdrukkelijk.
De nieuwe tekst behoudt het principe volgens hetwelk de directeur de toestand van de belastingplichtige niet kan verzwaren.
Inwerkingtreding: Vanaf aj. 1999
(art. 32 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 375, WIB 92)
Ontheffing van ambtswege
36. De aanpassingen op het vlak van de terminologie buiten beschouwing gelaten, geeft de nieuwe tekst van art. 376, WIB 92 aan de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, de mogelijkheid om geldig een aanvraag tot ontheffing van ambtswege in te dienen.
Inwerkingtreding: 6.4.1999; wat de mogelijkheid betreft voor de echtgenoot om een aanvraag tot ambtshalve ontheffing in te dienen, treedt art. 376, WIB 92 in werking op 27.3.1999 - art. 97, 2de lid, W 15.3.1999).
(art. 33 en 97, 2de lid, W 15.3.1999)
Rechtsmiddelen
37. Zoals wordt uiteengezet in deel III, nr. 2, is één van de doelstellingen van de hervorming, de rechtsmiddelen te onderwerpen aan de regels van het gemeen recht die op deze materie van toepassing zijn.
Om die reden heft art. 34 van de wet de oude afdeling III, van titel VIl, hoofdstuk VII van het WIB 92 op. Die afdeling, die de art. 377 tot 392, WIB 92 omvat, bevatte verschillende afwijkingen van het gemeen recht, betreffende het verhaal voor het Hof van Beroep en de voorziening in cassatie.
Inwerkingtreding: 1.3.1999
(art. 97, laatste lid, W 15.3.1999. Deze bepaling verduidelijkt dat de opheffing van de art. 377 tot 392, WIB 92 op 1.3.1999 in werking treedt. De art. 372 tot 392, zoals die bestonden voor hun opheffing, blijven evenwel van toepassing op de beroepen die vóór die datum zijn ingeleid)
Afwijkingen van het gemeen recht
38. Het art. 34 van de wet voegt evenwel, in een nieuwe afdeling met als titel "bijzondere bepalingen inzake rechtsmiddelen", ook twee nieuwe bepalingen in die afwijken van het gemeen recht:
- het nieuwe art. 377, WIB 92 vermeldt immers: "de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing";
- het nieuwe art. 378, WIB 92 behoudt de mogelijkheid voor de Administratie der directe belastingen om zelf zijn voorzieningen in cassatie in te stellen of het te doen zonder zich te wenden tot een advocaat bij het Hof van Cassatie.
(art. 34, W 15.3.1999)
D. MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE BELASTINGEN
39. Gelet op al de wijzigingen die door de W 15.3.1999 aan de procedureregels worden aangebracht, regelt art. 49, W 15.3.1999 de correlatieve aanpassing van de in art. 2, WGB vermelde lijst van de art. uit het WIB 92, die ook op de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen van toepassing zijn (voorzover er in het WGB niet uitdrukkelijk wordt van afgeweken - zie de artikelen 12, § 2, 36bis, § 8, 103bis en 111 WGB).
Inwerkingtreding: Vanaf aj. 1999
(art. 49, W 15.3.1999 - art. 2, WGB)
E. INVORDERING VAN DE BELASTING
Schorsing van de tenuitvoerlegging
40. Zoals reeds vermeld in nr. 38, is door art. 34 van deze wet in art. 377, WIB 92 een bepaling ingevoegd die afwijkt van het gemeen recht.
In dat art. 377, WIB 92 is thans voorzien dat zowel de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing schorsen. De rechters kunnen inzake inkomstenbelastingen (én doorgelijkaardige bepalingen ook inzake andere belastingen) geen voorlopige tenuitvoerlegging toestaan (zoals voorzien in art. 1398, Ger.W).
Tijdens de ganse duur van de procedure, kan de Administratie bijgevolg geen betaling eisen van de betwiste belastingen (behoudens de eventuele toepassing van art. 410, WIB 92) en kan de belastingplichtige evenmin de uitvoering eisen van een (nog niet definitieve) beschikking die de Staat veroordeeld tot de terugbetaling van belasting.
Inwerkingtreding: 1.3.1999; art. 377 zoals het bestond voor de opheffing blijft van toepassing op de beroepen die voor die datum zijn ingeleid.
(art. 34 en art. 97, laatste lid, W 15.3.1999 - art. 377, WIB 92)
Invordering ten laste van feitelijk gescheiden echtgenoten
41. Aangezien ook de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd bezwaar kan indienen tegen de aanslag (zie het gewijzigd art. 366, WIB 92, nr. 25 hiervoor), wordt art. 394bis opgeheven.
Inwerkingtreding: 6.4.1999
(art. 35, W 15.3.1999 - art. 394bis, WIB 92)
Invordering van betwiste belastingen
42. De bijzondere fiscale regels inzake de invordering van betwiste belastingen, zijn aangepast aan de wijzigingen van de fiscale procedure.
De bedoelde bepalingen zijn thans ook van toepassing:
- in geval van (administratief) bezwaar;
- in geval van een in art. 376 bedoelde aanvraag om ontheffing;
- in geval van een vordering in rechte, waarbij uitdrukkelijk is voorgeschreven (zie art. 411, 2de lid, WIB 92, zoals gewijzigd door art. 38, W 15.3.1999) dat voor de toepassing van de art. 409 en 410, WIB 92, de rechtsvordering met betrekking tot de betwiste aanslag, zowel de eerste aanleg, het hoger beroep en de cassatie omvat.
Inwerkingtreding : 6.4.1999
(art. 36, 37 en 38, W 15.3.1999 - art. 409, 410 en 411, WIB 92)
De betaaltermijn van voorheffingen en belastingen
43. Aan art. 412, WIB 92 wordt een laatste lid toegevoegd, waaruit blijkt dat de gedwongen tenuitvoerlegging met betrekking tot de in dat art. vermelde voorheffingen, slechts mogelijk is na de inkohiering overeenkomstig art. 304, WIB 92 (zoals gewijzigd door art. 7, W 15.3.1999).
De tekst van art. 413, WIB 92 wordt aangepast aan het onderscheid dat voortaan wordt gemaakt tussen de opeisbaarheid van de belasting en de opeisbaarheid van de betaling (zie ook de art. 2 tot 4, W 15.3.1999). Om dezelfde reden wordt ook de tekst van art. 427, 2de lid, WIB 92 inzake de inschrijving van de wettelijke hypotheek gewijzigd.
Het KB 3.5.1999 verbetert de bepalingen die in het KB/WIB 92 naar het gewijzigde art. 413, WIB 92 verwijzen.
Inwerkingtreding: 6.4.1999
(art. 40, 41 en 45, W 15.3.1999 - art. 412, 413 en 427, 2de lid, WIB 92)
(art. 6, KB 3.5.1999 - art. 145, KB/WIB 92)
Nalatigheidsinteresten
44. In art. 414, § 1, WIB 92, wordt de berekeningswijze van de NI verduidelijkt en in overeenstemming gebracht met de administratieve praktijk.
45. De aandacht wordt er op gevestigd dat in art. 42, W 15.3.1999 bij vergissing is vermeld dat in § 1 van art. 414, het 3de lid moet vervangen worden. In de vóór 15.1.1999 aangenomen tekst van het art. 42, is geen rekening gehouden met de wijzigingen die art. 47, W 22.12.1998 houdende fiscale en andere bepalingen (BS 15.1.1999) aan art. 414, WIB 92 heeft aangebracht (opheffing van het 2de lid dat zonder voorwerp was geworden).
Opdat de wijziging door de W 15.3.1999 enige zin zou hebben, moet worden aangenomen dat art. 42 van die wet de vervanging beoogt van het 2de lid van art. 414, § 1, WIB 92 (zoals gewijzigd bij de W 22.12.1998).
In de plenaire vergadering van 29.4.1999 heeft de Kamer van Volksvertegenwoordigers trouwens reeds een wetsontwerp aangenomen waarin de vergissing wordt rechtgezet (Parl. St., Kamer, Zitting 1998 - 1999, nr. 2124/9, zie art. 2).
Ingevolge de ontbinding van de Wetgevende Kamers is dat wetsontwerp evenwel niet meer door de Senaat goedgekeurd. Er mag echter worden aangenomen dat de Regering zo vlug mogelijk het nodige zal doen om de vergissing op legistiek vlak recht te zetten.
46. In art. 414, § 2, WIB 92, worden de regels voor de berekening van de schorsing van de NI in geval van bezwaar, aangepast aan de nieuwe procedure. Omdat de Administratie ook een redelijke termijn in acht moet nemen om een beslissing te treffen over de bezwaarschriften indien de belastingplichtige geen vordering instelt overeenkomstig art. 1385undecies, Ger.W, wordt de begindatum van de opschorting teruggebracht van de eerste van de 19de maand na de indiening van het bezwaarschrift tot de eerste van de 7de maand na de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De rechtvaardiging van de opschorting verdwijnt slechts van zodra de Administratie een beslissing ter kennis heeft gebracht of indien de belastingschuldige vóór die kennisgeving een vordering heeft ingesteld overeenkomstig art. 1385undecies, Ger.W.
lnwerkinqtreding: Vanaf aj. 1999
(art. 42 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 414, WIB 92)
Moratoriuminteresten
47. Door de wijziging van art. 418, WIB 92 worden voortaan in principe niet alleen MI toegekend bij de terugbetaling van belastingen senso stricto, maar ook bij de terugbetaling van voorheffingen, nalatigheidsinteresten, belastingverhogingen en administratieve boeten.
In het eveneens gewijzigde art. 419, WIB 92 worden limitatief de gevallen opgesomd waarin voortaan geen MI worden uitbetaald. Die uitzonderingen berusten op redenen van rechtvaardigheid of op overwegingen van praktische aard.
Inzonderheid bij de terugbetaling van een overschot van voorheffingen en/of voorafbetalingen moet er immers rekening mee worden gehouden dat de taxatiewerkzaamheden zich in principe uitstrekken over de ganse duur van de in de art. 359 en 353 voorziene aanslagtermijnen en dat het bij de terugbetaling van dergelijk overschot bijna onmogelijk is vast te stellen op welk ogenblik dat gedeelte betaald werd. Om die reden is gekozen voor de invoering van een vast vertrekpunt.
48. Tenslotte moet ook inzake de MI er de aandacht op gevestigd worden dat in art. 43, W 15.3.1999 geen rekening is gehouden met de wijziging van art. 418, WIB 92 door art. 48 van de W 22.12.1998. Ook voor dit art. mag worden aangenomen dat de Regering zo vlug mogelijk het nodige zal doen om de vergissing recht te zetten (vervanging van de verwijzing naar het 3de lid, dat niet meer bestaat, door een verwijzing naar het 2de lid). Zoals voor de NI heeft de Kamer daartoe op 29.4.1999 een wetsontwerp aangenomen (Parl. St., Kamer, Zitting 1998 - 1999, nr. 2124/9, zie art. 3). Ingevolge de ontbinding van de Wetgevende Kamers is dat ontwerp evenwel niet meer door de Senaat goedgekeurd.
Inwerkingtreding: Vanaf aj. 1999
(art. 43, 44 en 97, 1ste lid, 1ste streepje, W 15.3.1999 - art. 418 en 419, WIB 92)
F. STRAFBEPALINGEN
Administratieve sancties
49. Het art. 445, 2de lid, WIB 92 bepaalt dat de administratieve boeten worden ingevorderd volgens de regels die van toepassing zijn inzake personenbelasting.
De wet verduidelijkt dat ze eveneens worden gevestigd volgens die regels, dat wil zeggen door middel van inkohiering.
50. De W 15.3.1999 heft anderzijds art. 445, 3de lid, WIB 92, op dat vermeldde "de Minister van Financiën of zijn gemachtigde doet uitspraak over de verzoekschriften welke de kwijtschelding van de fiscale boeten tot voorwerp hebben".
Uit de memorie van toelichting volgt dat het wetsontwerp, in zijn oorspronkelijke versie, als doel had "het kwijtscheldingsrecht op te heffen waarover de Minister van Financiën thans beschikt" (Parl.St., Kamer, Zitting 1997 - 1998, nr. 1341/1, blz. 10).
Daarom werd voorzien:
- enerzijds, art. 445, 3de lid, WIB 92 op te heffen wat de administratieve boeten betreft;
- anderzijds art. 9 van het besluit van de Regent van 18 maart 1831, wat de verhogingen betreft, door een afzonderlijk wijzigingsbesluit, gedeeltelijk op te heffen. Op grond van die bepaling beslist de Minister over de bezwaarschriften die de kwijtschelding beogen van de boeten en de belastingverhogingen die als boete zijn opgelegd, andere dan deze uitgesproken door de rechter en sluit hij de dadingen af tussen de Administratie en de belastingplichtigen in de gevallen waarin deze door wet zijn toegelaten.
Het parlement heeft dus de mogelijkheid willen behouden die de Minister heeft om "de kwijtschelding of de vermindering van een boete of een belasting verhoging uit hoofde van een genademaatregel" te verlenen (Parl. St., Senaat, Zitting 1998 - 1999, nr. 1-966/7, blz. 7).
Omdat art. 445, 3de lid, WIB 92 evenwel is opgeheven, zal die kwijtschelding of vermindering voortaan - zowel voor de verhogingen als voor de boeten - op basis van art. 9 van het besluit van de Regent worden verleend.
Inwerkingtreding: 6.4.1999
(art. 46, W 15.3.1999 - art. 445, WIB 92)
Uitstel van de uitspraak
51. in afwijking van het principe volgens hetwelk "le criminel tient le civil en l'état", voorzag art. 462, WIB 92 tot op heden:
"Indien, vóór het sluiten van de debatten voor een strafrechter bij een andere gerechtelijke of administratieve overheid een geschil aanhangig wordt gemaakt over de toepassing van een bepaling van dit Wetboek of van een ter uitvoering ervan genomen besluit, moet de rechter bij wie de strafvordering aanhangig is, indien de oplossing van het geschil hem van die aard schijnt te zijn dat ze een invloed kan hebben op de strafvordering, de uitspraak over de tenlasteleggingen of over één ervan uitstellen totdat aan het geschil een einde is gemaakt door een in kracht van gewijsde gegane beslissing. Tijdens dat uitstel is de verjaring van de strafvordering geschorst".
Ten einde terug te keren tot een gewone toepassing van de principes (Parl. St., Senaat, Zitting 1998 - 1999, nr. 1-966/7, blz. 8), heft art. 47, W 15.3.1999 het art. 462, WIB 92 op.
Inwerkingtreding: 6.4.1999; het art. 462, WIB 92, zoals het bestond voor zijn opheffing, blijft van toepassing wanneer een rechter bij wie de strafvordering aanhangig is, met toepassing van dit artikel, besloten heeft de uitspraak over één of meerdere tenlasteleggingen uit te stellen.
(art. 47 en 97, 9de lid, W 15.3.1999 - art. 462, WIB 92)
DEEL II. - DIVERSE BEPALINGEN
A. WIJZIGING AAN DE W 8.8.1980 BETREFFENDE DE BUDGETTAIRE VOORSTELLEN 1979 - 1980
1. In de mate dat de fiscale wetboeken thans herhaaldelijk de benaming vermelden van de belastingadministraties opgericht door het organiek reglement van het Ministerie van Financiën en aangezien de AOIF werd opgericht bij KB van 6.7.1997, zou er twijfel kunnen bestaan omtrent de draagwijdte van de bevoegdheden die de nieuwe Administratie en haar ambtenaren zullen kunnen uitoefenen.
Ten einde elke mogelijkheid tot betwisting uit te sluiten, wordt de tekst van art. 87, W 8.8.1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979 -1980 (BS 15.8.1980, blz. 9463) die voorheen om dezelfde redenen werd goedgekeurd bij de oprichting van de Administratie van de BBI, uitgebreid tot de AOIF (Parl.St., Kamer, Zitting 1997 - 1998, nr. 1341/8, blz. 7).
2. Door die uitbreiding, die trouwens inherent is aan het uitoefenen van een gezamenlijke controle inzake BTW en DB, wordt bekomen dat "de ambtenaren die ter beschikking van de nieuwe Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit zullen worden gesteld, dezelfde bevoegdheden zullen kunnen uitoefenen als zij die nu bij de Administratie der directe belastingen of in de administratie van de BTW, de registratie en de domeinen zijn benoemd" (Parl. St., Kamer, Zitting 1997 - 1998, nr. 1341/17, blz. 101).
Inwerkingtreding: 2.7.1997
(art. 95 en 97, 8ste lid, W 15.3.1999 - art. 87, W 8.8.1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979 - 1980)
B. AANPASSING VAN DE FISCALE WETGEVING INGEVOLGE DE HERSTRUCTURERING VAN DE FISCALE ADMINISTRATIES.
3. Krachtens art. 99, 1ste lid, W 15.3.1999 is de Koning "bij een in Ministerraad overlegd besluit gemachtigd de federale fiscale wetgeving te wijzigen teneinde de verwijzingen die deze wetgeving maakt naar de benamingen van de fiscale administraties, de functies en de graden van bepaalde ambtenaren van het ministerie van Financiën, te wijzigen".
Krachtens deze bepaling kan de Koning de terminologische aanpassingen doen die noodzakelijk zijn ingevolge de herstructurering van de fiscale administraties en de wijzigingen van de benamingen van bepaalde graden, in het kader van de vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren van het ministerie van Financiën (KB's 6.7.1997, BS 31.7.1997, 2de editie, blz. 19708 en volgende) (Parl.St., Senaat, Zitting 1998 - 1999, nr. 1 -966/11, blz. 211).
4. De krachtens het eerste lid genomen KB's, zullen in de vorm van een ontwerp van bekrachtigingswet onmiddellijk aan de Wetgevende Kamers worden voorgelegd en worden ingediend bij de Kamer van volksvertegenwoordigers (art. 97, 2de lid, W 15.3.1999).
Inwerkingtreding: 6.4.1999
(art. 99, W 15.3.1999)
DEEL III. - RECHTERLIJKE INRICHTING
A. INLEIDING
1. De W 23.3.1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken wijzigt:
- enerzijds, meerdere bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek;
- anderzijds, de tekst van art. 29 van het Wetboek van Strafvordering.
Bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg
2. Uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp blijkt dat het de bedoeling van de wetgever was "in het belang van alle belastingplichtigen te voorzien in een werkelijk gemeen fiscaal procesrecht, dat geldt voor alle belastingen" (Parl. St., Kamer, Zitting 1997 - 1998, nr. 1342/1, blz. 4).
De belangrijkste nieuwigheid bestaat er uit dat de rechtbank van eerste aanleg kennis neemt "van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet" (art. 4, W 23.3.1999, dat de tekst van art. 569, Ger.W aanvult).
3. Het begrip "belastingwet moet in de materiële betekenis worden verstaan, dus als elk algemeen verbindend fiscaal voorschrift, het weze een federale wet, een decreet, een ordonnantie of een verordening- (Parl.St., Kamer, Zitting 1997 - 1998, nr 1342/1, blz. 35).
De memorie van toelichting verduidelijkt "het gebruik van de notie "geschillen over de toepassing van een belastingwet" als criterium van de volstrekte bevoegdheid heeft nog tot gevolg dat de rechterlijke macht uitspraak zal kunnen doen over de wettelijkheid van om het even welke individuele toepassing van een belastingnorm. Sommige individuele fiscale rechtshandelingen ( .. ) konden tot dusver, bij gebrek aan bijzondere bevoegdheid van de rechterlijke macht, slechts bij de Raad van State worden aangevochten" (Parl.St., Kamer, Zitting 1997 - 1998, nr 1342/1, blz. 35).
De memorie van toelichting vermeldt inzonderheid volgende voorbeelden:
- het (niet)-toestaan van termijnverlengingen (art. 311, WIB 92);
- het(niet)-toestaan van uitstel van betaling van de onbetwistbaar verschuldigde belasting (art. 410, 3de lid, WIB 92);
- het (niet)-vrijstellen van de betaling van nalatigheidsinteresten (art. 417, WIB 92);
- het opleggen van een zekerheids- of borgstelling (art. 420, WIB 92);
- ...
Art. 5, W 23.3.1999 heft dan ook het oude art. 603, 1°, Ger.W op dat voorheen voorzag dat het Hof van Beroep kennis nam van de voorzieningen tegen "de beslissingen van de provinciale en gewestelijke directeurs der belastingen inzake directe belastingen".
5. Inzake de indirecte belastingen, zal voortaan steeds de rechtbank van eerste aanleg bevoegd zijn.
Concreet betekent dit dat de vrederechter geen kennis meer zal nemen van de vorderingen waarvan het bedrag 75.000 BEF (1.859,20 EUR) niet te boven gaat, zoals dat voorheen het geval was.
6. Het nieuwe art. 617, Ger.W bepaalt bovendien dat "de door de rechtbank van eerste aanleg uitgesproken vonnissen over geschillen met betrekking tot de toepassing van een belastingwet, (..) steeds vatbaar (zijn) voor hoger beroep" (art. 6, W 23.3.1999).
Het gaat hier om een afwijking van het principe volgens hetwelk de vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg waarbij uitspraak wordt gedaan over een vordering waarvan het bedrag 75.000 BEF (1.859,20 EUR) niet overschrijdt, in laatste aanleg worden gewezen.
De toepassing van dat principe zou problemen gesteld hebben inzake inkomstenbelastingen "daar, noch het ingekohierd bedrag, noch het bedrag van de belasting vóór verrekening, enige volwaardige aanwijzing geeft over het werkelijk belang van het belastinggeschil" (Parl. St., Senaat, Zitting 1998 -1999, nr. 1-967/7, blz. 2).
Territoriale bevoegdheid
7. De bedoeling van de wetgever was niet om alle rechtbanken van eerste aanleg bevoegd te maken in fiscale zaken, maar de behandeling van de fiscale geschillen te centraliseren bij een beperkt aantal rechtbanken, zodat gespecialiseerde kamers kunnen worden samengesteld (Parl. St., Kamer, Zitting 1997 - 1998, nr. 1342/1, blz. 4 - zie ook art. 3, W 23.3.1999, dat een § 2bis invoegt in art. 191, Ger.W).
8. Eerst was er over gesproken om slechts aan de rechtbanken van eerste aanleg die zitting houden ter zetel van een Hof van Beroep een bevoegdheid in fiscale zaken toe te kennen (art. 7, W 23.3.1999 - art. 632, Ger.W), dat wil zeggen aan de rechtbanken van eerste aanleg van:
- Brussel;
- Antwerpen;
- Gent;
- Luik;
- Bergen.
- enerzijds, is enkel de rechtbank van eerste aanleg van Eupen bevoegd wanneer de procedure in het Duits wordt gevoerd;
- anderzijds, heeft het parlement een amendement aangenomen zodat de Koning "andere rechters in het rechtsgebied van het Hof van Beroep (kan) aanwijzen, die kennis nemen van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Hij bepaalt het gebied waarbinnen de rechter territoriaal bevoegd is" (art. 7, W 23.3.1999 - art. 632, 2de lid, Ger.W).
- Aarlen, voor de provincie Luxemburg;
- Brugge, voor de provincie West-Vlaanderen;
- Hasselt, voor de provincie Limburg;
- Leuven, voor de provincie Vlaams-Brabant;
- Namen, voor de provincie Namen;
- Nijvel, voor de provincie Waals-Brabant.
- het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd;
- of, indien het geschil geen verband houdt met de inning van een belasting, in wiens gebied de belastingdienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen (art. 7, W 23.3.1999).
10. De W 23.3.1999 bepaalt geen termijn binnen dewelke de vordering moet worden ingesteld, tenzij in het geval waarin door of krachtens de wet een voorafgaand administratief beroep is georganiseerd.
In de huidige stand van de wetgeving, bestaat het georganiseerde beroep enkel inzake inkomstenbelastingen.
Er wordt opgemerkt dat inzake indirecte belastingen, enkel een vordering in rechte de tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan stuiten (zie, bijvoorbeeld, art. 59, W 15.3.1999 - art. 89, BTW-Wetboek).
Voorafgaand administratief beroep
11. Wanneer door of krachtens de wet een administratief beroep is georganiseerd, moet het instellen van dergelijk beroep verplicht voorafgaan aan het instellen van een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg.
Het art. 1385undecies, 1ste lid, Ger.W bepaalt inderdaad dat "de vordering (.) slechts (wordt) toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld" (art. 9, W 23.3.1999).
Inzake inkomstenbelastingen kan de belastingplichtige dus geen vordering in rechte instellen indien hij voorafgaand geen bezwaar heeft ingediend bij de bevoegde directeur.
In strijd met wat eerst was overwogen, bepaalt de wet geen termijn binnen dewelke de directeur gehouden is te beslissen over het bezwaarschrift van de belastingplichtige. De wet geeft de belastingplichtige enkel de mogelijkheid om een vordering in rechte in te stellen, bij gebrek aan directoriale beslissing binnen een bepaalde termijn (zie ook nr. 17, tweede lid, tweede gedachtenstreepje).
Twee gevallen kunnen zich voordoen:
- ofwel heeft de directeur beslist over het bezwaarschrift: de belastingplichtige is verplicht zijn vordering, op straffe van verval, uiterlijk binnen een termijn van 3 maanden vanaf de kennisgeving van de directoriale beslissing in te stellen;
- ofwel heeft de directeur niet beslist over het bezwaarschrift: de belastingplichtige kan dan ten vroegste 6 maanden vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift, zijn vordering instellen. De termijn van 6 maanden wordt op 9 maanden gebracht wanneer de betwiste aanslag van ambtswege door de Administratie is gevestigd (art. 1385undecies, 2de en 3de lid, Ger.W, zie ook nr. 17, tweede lid, tweede gedachtenstreepje).
12. Art. 1385decies, Ger.W bepaalt dat de vordering bij verzoekschrift op tegenspraak wordt ingesteld (art. 9, W 23.3.1999). Dit verzoekschrift moet gemotiveerd zijn.
Wanneer het beroep wordt ingesteld tegen een beslissing, moet een afschrift van die beslissing bij elk exemplaar van het verzoekschrift worden gevoegd.
Wanneer een voorafgaand administratief beroep wordt georganiseerd door of krachtens de wet en de administratieve overheid nog geen beslissing heeft genomen, moet een afschrift van het administratief beroep en van de ontvangstmelding van dit beroep worden bijgevoegd.
13. Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd (art. 1034quinquies, Ger.W).
De partijen worden door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt (art. 1034sexies, Ger.W).
Nieuwe grieven
14. In de oorspronkelijke versie, bood het wetsontwerp aan de verzoeker slechts de mogelijkheid om nieuwe grieven voor te leggen, voor zover zij een overtreding van de wet of een schending van de op straffe van nietigheid voorgeschreven procedurevormen inhouden.
Nadat ze fel was bekritiseerd door de afdeling Wetgeving van de Raad van State (Parl. St., Kamer, Zitting 1997 - 1998, nr. 1341 /1, blz. 64 en volgende; alsmede Parl. St., Kamer, Zitting 1997 - 1998, nr. 1342/7, blz. 1 en 2), werd deze beperking uiteindelijk geschrapt (Parl. St., Senaat, Zitting 1998 - 1999, nr. 1-967/7, blz. 3).
Zoals de Minister van Financiën het heeft benadrukt, bevat de tekst dus geen enkele beperking meer voor het inroepen van nieuwe grieven en keert men dan ook terug tot de toepassing van het gemeen recht (Parl. St., Senaat, Zitting 1998 - 1999, nr. 1-966/11, blz. 233).
Betekening of kennisgeving van proceshandelingen en vonnissen
15. Art. 42, 1°, Ger. W bepaalt dat de betekeningen aan de Staat worden gedaan "op het Kabinet van de minister die bevoegd is om er kennis van te nemen", deze bepaling wordt trouwens herhaald in art. 705, 1ste lid, van hetzelfde wetboek in verband met de gedinginleidende akten.
Wegens de opheffing van het bijzonder procesrecht in de fiscale wetboeken, moeten alle betekeningen en kennisgevingen in fiscale zaken voortaan aan het Kabinet van de Minister van Financiën worden gedaan.
Om organisatorische redenen heeft art. 2, W 23.3.1999 de vermelde art. van het Ger.W aangevuld ten einde de Minister de mogelijkheid te geven een ambtenaar aan te duiden op wiens kantoor de betekeningen en de kennisgevingen kunnen worden gedaan.
Tussenkomst van de accountant, de beroepsboekhouder of de bedrijfsrevisor
16. Art. 728, § 2bis, nieuw, Ger.W stelt de rechter in staat de door de belastingplichtige gekozen accountant, beroepsboekhouder of bedrijfsrevisor te horen in zijn schriftelijke of mondelinge toelichting ter terechtzitting (art. 8, W 23.3.1999).
De rechter beoordeelt de opportuniteit van dergelijke tussenkomst, die uitdrukkelijk moet worden gevraagd door de belastingplichtige of zijn advocaat.
De raadpleging kan slechts betrekking hebben op feiten of op rechtsvragen in verband met de toepassing van het boekhoudrecht.
De wet verduidelijkt bovendien dat enkel kan worden gehoord:
- de persoon die zich gewoonlijk bezighoudt met de boekhouding van de belastingplichtige;
- of die heeft meegewerkt aan het opstellen van de betwiste belastingaangifte;
- of die de belastingplichtige heeft bijgestaan in de administratieve be- zwaarprocedure.
17. De W 23.3.1999 is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 27.3.1999. Bij gebrek aan een bepaling die een andere termijn bepaalt, is de wet bindend de tiende dag na die van zijn publicatie, dat wil zeggen 6.4.1999.
Art. 11, W 23.3.1999 bevat evenwel meerdere overgangsbepalingen:
- de gedingen die hangende zijn bij de hoven, de rechtbanken en andere instanties, met inbegrip van de rechtsmiddelen die tegen hun beslissingen kunnen worden aangewend, worden vervolgd en afgehandeld met toepassing van de vóór 1.3.1999 geldende regels (art. 11, 1ste lid, W 23.3.1999);
- de mogelijkheid om een geding aanhangig te maken bij de rechtbank van eerste aanleg, bij het ontbreken van een beslissing van de directeur der belastingen binnen 6 maanden (9 maanden in geval van aanslag van ambtswege) vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift, is niet van toepassing wanneer het beroep betrekking heeft op een aanslag, inzake inkomstenbelastingen en de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, betreffende het aanslagjaar 1998 of een vorig aanslagjaar. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de bezwaarschriften waarover op 31.3.2001 geen beslissing is genomen (art. 11, 1ste lid, W 23.3.1999);
- wanneer de oude termijn van 40 dagen (art. 379, oud, WIB 92) waarover een bezwaarindiener beschikte om bij het Hof van Beroep een voorziening in te stellen tegen de beslissing van de directeur, niet was verstreken op 1.3.1999, kon het nieuwe beroep bij de rechtbank van eerste aanleg worden ingeleid binnen een termijn van 3 maanden vanaf de kennisgeving van de directoriale beslissing (art. 11, 3de lid, W 23.3.1999).
18. Voor zijn wijziging door art. 10, W 23.3.1999 bepaalde het art. 29, WSV als volgt de machtiging die bepaalde ambtenaren van de fiscale administraties moesten bekomen om de feiten die, naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechterlijk strafbaar zijn, ter kennis te kunnen brengen van de procureur des Konings:
- ambtenaren van de Administratie der directe belastingen en van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen:
- ambtenaren van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie:
In zijn nieuwe versie vereist art. 29, 2de lid, WSV nog maar een gewone machtiging van de gewestelijk directeur onder wie zij ressorteren, voor de ambtenaren van:
- de Administratie der directe belastingen;
- de Administratie van de BTW, registratie en domeinen;
- de Administratie van de bijzondere belastinginspectie;
- de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit.
(art. 10, W 23.3.1999 - art. 29, WSV)
NAMENS DE MINISTER:
De adjunct-administrateur-generaal
van de belastingen,
BIJLAGENJean-Marc DELPORTE
UITTREKSEL UIT HET BELGISCH STAATSBLAD VAN 27 MAART 1999
23 MAART 1999. - Wet betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt:
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 2.- § 1. In artikel 42, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek worden de woorden "op het kabinet van de minister die bevoegd is om er kennis van te nemen" vervangen door de woorden "op het kabinet van de minister die bevoegd is om er kennis van te nemen of op het kantoor van de door hem aangewezen ambtenaar".
§ 2. Artikel 705, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met de woorden "of aan het kantoor van de door hem aangewezen ambtenaar".
Art. 3.- In artikel 191 van hetzelfde Wetboek wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, luidend als volgt:
"§ 2bis. Bij de bekendmaking van een vacature in de rechtbank van eerste aanleg kan de minister van Justitie bepalen dat het vacante ambt bij voorrang zal worden toegewezen aan een kandidaat die titels of verdiensten voorlegt waaruit een gespecialiseerde kennis blijkt. Deze titels en verdiensten worden onderzocht door de benoemings- en aanwijzingscommissie bedoeld in artikel 259bis-8".
Art. 4.- Artikel 569, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een 32°, luidend als volgt:
"32° van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet".
Art. 5.- Artikel 603, 1° en 3°, van hetzelfde Wetboek, het 3° ingevoegd bij de wet van 23 december 1986 en vervangen bij de wet van 24 december 1996, worden opgeheven.
Art. 6.- Artikel 617 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 29 november 1979 en bij de wet van 11 juli 1994, wordt aangevuld met het volgende lid:
"De door de rechtbank van eerste aanleg uitgesproken vonnissen over geschillen met betrekking tot de toepassing van een belastingwet, zijn steeds vatbaar voor hoger beroep".
Art. 7.- Artikel 632 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 632. - leder geschil betreffende de toepassing van een belastingwet staat ter kennisneming van de rechter die zitting houdt ter zetel van het Hof van beroep in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd of, indien het geschil geen verband houdt met de inning van een belasting, in wiens gebied de belastingdienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen. Wanneer evenwel de procedure in het Duits wordt gevoerd, is alleen de rechtbank van eerste aanleg van Eupen bevoegd.
De Koning kan andere rechters in het rechtsgebied van het Hof van beroep aanwijzen, die kennis nemen van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Hij bepaalt het gebied waarbinnen de rechter territoriaal bevoegd is".
Art. 8.- In artikel 728 van hetzelfde Wetboek wordt tussen de paragrafen 2 en 3 een paragraaf 2bis ingevoegd, luidend als volgt:
"§ 2bis. Op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige of van zijn advocaat, ingediend bij conclusie, kan de rechter de door de belastingplichtige gekozen accountant, beroepsboekhouder of bedrijfsrevisor horen in zijn schriftelijke of mondelinge toelichting ter terechtzitting. Het oproepen van de accountant, beroepsboekhouder of bedrijfsrevisor staat ter beoordeling van de rechter, die onderzoekt of het opportuun is in deze zaak raad in te winnen over elementen die slechts betrekking kunnen hebben op feiten of op rechtsvragen in verband met de toepassing van het boekhoudrecht.
Onder de in het vorige lid bedoelde accountant, beroepsboekhouder of bedrijfsrevisor wordt verstaan de persoon die zich gewoonlijk bezighoudt met de boekhouding van de belastingplichtige of die heeft meegewerkt aan het opstellen van de betwiste belastingaangifte of die de belastingplichtige heeft bijgestaan in de administratieve bezwaarprocedure".
Art. 9.- In boek IV van het vierde deel van hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk XXIV met de artikelen 1385decies en 1385undecies ingevoegd, luidend als volgt:
"Hoofdstuk XXIV. - Geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet
Art 1385decies. - Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak.
Titel Vbis van boek II van het vierde deel, met uitzondering van artikel 1034ter, 3°, en artikel 1034quater, is van toepassing.
Op straffe van nietigheid wordt bij elk exemplaar van het verzoekschrift of van de dagvaarding een afschrift van de bestreden beslissing gevoegd.
Wanneer een voorafgaand administratief beroep wordt georganiseerd door of krachtens de wet en de administratieve overheid nog geen beslissing heeft genomen, moet, in afwijking van het derde lid, een afschrift van het administratief beroep en van de ontvangstmelding van dit beroep worden bijgevoegd.
Art. 1385undecies. - Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, slechts toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld.
De vordering wordt ingesteld ten vroegste zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het administratief beroep zo over dit beroep geen uitspraak is gedaan en, op straffe van verval, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief verhaal.
De in het tweede lid bedoelde termijn van zes maanden wordt met drie maanden verlengd wanneer de betwiste aanslag van ambtswege door de Administratie is gevestigd."
HOOFDSTUK III. - Wijziging aangebracht aan het Wetboek van strafvordering
Art. 10.- Artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1986 en gewijzigd bij de wet van 28 december 1992, wordt vervangen door het volgende lid:
"De ambtenaren van de Administratie der directe belastingen, de ambtenaren van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, de ambtenaren van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie en de ambtenaren van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, kunnen echter de feiten die, naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, strafrechterlijk strafbaar zijn, niet zonder de machtiging van de gewestelijke directeur onder wie zij ressorteren, ter kennis brengen van de procureur des Konings".
HOOFDSTUK IV. - Overgangsbepaling
Art. 11.- De gedingen die hangende zijn bij de hoven, de rechtbanken en andere instanties, met inbegrip van de rechtsmiddelen die tegen hun beslissingen kunnen worden aangewend, worden vervolgd en afgehandeld met toepassing van de vóór 1 maart 1999 geldende regels.
In afwijking van artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd door artikel 9 van deze wet, is de mogelijkheid om ten vroegste zes maanden of negen maanden na de datum van ontvangst van het administratief beroep een vordering in te leiden zo over dat beroep geen uitspraak is gedaan, niet van toepassing wanneer dat beroep betrekking heeft op een aanslag betreffende het aanslagjaar 1998 of een vorig aanslagjaar, voor wat de inkomstenbelastingen en de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen betreft. Voor de bezwaarschriften die nog bij de administratie hangende zijn en waarover op 31 maart 2001 geen beslissing is genomen, vervalt deze bepaling.
Wanneer de in artikel 379 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bedoelde beroepstermijn, zoals die bestond voor de afschaffing door artikel 34 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, niet verstreken is op de datum van 1 maart 1999, kan het in artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd door artikel 9 van deze wet, bedoelde beroep worden ingeleid binnen een termijn van drie maanden vanaf de betekening van de beslissing met betrekking tot het administratief beroep.
Tot op het ogenblik van de inwerkingtreding van alle bepalingen van de artikelen 45 en 46 van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van .een evaluatiesysteem voor magistraten, worden de adviezen over de titels en verdiensten, bedoeld in het nieuwe artikel 191, paragraaf 2bis, van het Gerechtelijk Wetboek, uitgebracht door de adviescomités die eerder zijn ingesteld krachtens het bestaande artikel 259ter van het Gerechtelijk Wetboek.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 23 maart 1999.
ALBERT
Van Koningswege:
De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS
De Minister van Financiën,
J.-J. VISEUR
Met 's Lands zegel gezegeld:
De Minister van Justitie,
UITTREKSEL UIT HET BELGISCH STAATSBLAD VAN 27 MAART 1999T. VAN PARYS
25 MAART 1999. Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 7 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, inzonderheid op artikel 7 tot vervanging van artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek;
Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
Overwegende dat huidig besluit onverwijld moet in werking treden tesamen met de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, waarvan het de uitvoering verzekert;
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Financiën,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij:
Artikel 1. Onverminderd artikel 632, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zijn, voor de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet die tot de bevoegdheid van de rechtbanken van eerste aanleg behoren, alleen bevoegd de rechtbank van eerste aanleg
- te Aarlen, voor de provincie Luxemburg;
- te Brugge, voor de provincie West-Vlaanderen;
- te Hasselt, voor de provincie Limburg;
- te Leuven, voor de provincie Vlaams Brabant;
- te Namen, voor de provincie Namen;
- te Nijvel, voor de provincie Waals-Brabant.
Gegeven te Brussel, 25 maart 1999.
ALBERT
Van Koningswege:
De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS
De Minister van Financiën,
UITTREKSEL UIT HET BELGISCH STAATSBLAD VAN 25 JUNI 1999J.-J. VISEUR
28 APRIL 1999.- Wet tot aanvulling, wat de bestrijding van de fiscale fraude betreft, van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 op de bankcontrole en het uitgifteregime voor titels en effecten en van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt:
Artikel 1. - Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art 2.- De ambtenaren van het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken waarbij een strafzaak aanhangig is, waarvan het onderzoek indiciën van ontduiking inzake directe of indirecte belastingen aan het licht brengt, zullen onmiddellijk de minister van Financiën inlichten.
Art. 3.- Artikel 327, § 4, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 wordt opgeheven.
Art. 4.- Een artikel 21nonies, luidend als volgt, wordt in de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen ingevoegd:
"Art. 21nonies.- De Controledienst voor de verzekeringen doet bij het gerecht aangifte van de bijzondere mechanismen die door een instelling of onderneming die onder zijn toezicht staat, zijn opgezet met als doel of gevolg fiscale fraude door derden te bevorderen, wanneer deze er kennis van heeft dat deze bijzondere mechanismen in hoofde van die instellingen of ondernemingen zelf, als dader, mededader of medeplichtige, een onder het strafrecht vallend fiscaal misdrijf vormen."
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 28 april 1999.
ALBERT
Van Koningswege:
De Minister van Financiën,
J.-J. VISEUR
Met 's Lands zegel gezegeld:
De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS
Bron: FisconetPlus
